|
|
|
| ECLI:NL:RBMNE:2026:3966 | | | | | Datum uitspraak | : | 01-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 13-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Midden-Nederland | | Zaaknummers | : | C/16/609343 / HL ZA 26-97 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Eiser vordert betaling van huur voor een kavel conform overeenkomst. Ambtshalve verwijzing naar kanton (artikel 93 onder c Rv) omdat er sprake is van een huurgeschil. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | huurovereenkomst | | | huurovereenkomsten | | | koopovereenkomst | | | | Uitspraak | RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/609343 / HL ZA 26-97
Vonnis in incident van 1 juli 2026
in de zaak van
1 [eiser sub 1] ,
te [plaats] ,2. [eiser sub 2],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. H.E. ter Horst,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] (in vrouwelijk enkelvoud),
advocaat: mr. A. de Rooij.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 16 maart 2026 met 9 producties,
het rolbericht omtrent het voornemen van de rechtbank om zich onbevoegd te verklaren en de zaak te verwijzen naar de kantonrechter,
de akte uitlating bevoegdheid [eisers] ,
de akte uitlating bevoegdheid [gedaagden] .
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2De kern van het geschil in de hoofdzaak
2.1
Partijen hebben een overeenkomst gesloten over de koop door [eisers] van de woning met bedrijfsgebouwen van [gedaagden] , met het recht van erfpacht op bijgelegen kavels. In de overeenkomst is een bepaling opgenomen over de mogelijkheid tot kavelruil. Volgens [eisers] heeft deze bepaling tot gevolg dat [gedaagden] huur van de kavels moet betalen aan [eisers] als de kavelruil niet slaagt.
2.2
[eisers] is er niet in geslaagd een kavelruil te realiseren. Zij vordert daarom huur van [gedaagden] van in totaal € 58.104,20, samen met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten.
3De beoordeling in het incident
3.1
In een rolbericht heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat naar haar voorlopig oordeel de hoofdzaak een vordering betreft die ongeacht het beloop of de waarde daarvan op grond van artikel 93 onder c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) door de kantonrechter moet worden behandeld en dat zij voornemens is de zaak daarom te verwijzen naar de kantonrechter.
3.2
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich over dit voornemen uit te laten. Vervolgens hebben partijen een akte genomen.
3.3
[eisers] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.4
[gedaagden] is het niet eens met het voornemen tot verwijzing naar de kantonrechter. Daaraan legt zij ten grondslag dat de factuur waarvan [eisers] betaling vordert weliswaar betrekking heeft op huurpenningen, maar volgens [gedaagden] ziet de onderliggende rechtsvraag op een koopovereenkomst. Nu de vordering hoger is dan € 25.000,00 en er volgens [gedaagden] geen sprake is van een huurgeschil in de zin van artikel 93 onder c Rv, stelt zij dat de zaak niet doorverwezen dient te worden naar de kantonrechter.
3.5
De rechtbank acht de rechtsverhouding waarop de vordering is gebaseerd van belang. Daarbij weegt zij mee dat artikel 93 onder c Rv ruim moet worden uitgelegd. Hoewel de afspraken tussen partijen zijn vastgelegd in een koopovereenkomst over agrarisch onroerend goed, gaat de bepaling waarvan [eisers] nakoming vordert over huur. Het voorlopig oordeel van de rechtbank is dat in de nadere afspraken, die onderdeel uitmaken van de koopovereenkomst, een huurovereenkomst is gesloten. De onderlinge huurverhouding tussen partijen zal moeten worden beoordeeld. Vorderingen uit hoofde van huurovereenkomsten behoren tot de competentie van de kantonrechter.
3.6
De rechtbank blijft daarom bij haar oordeel dat de zaak moet worden verwezen naar de kantonrechter van deze rechtbank. Omdat [eisers] zijn vordering niet heeft ingediend bij de kantonrechter, zal de rechtbank de zaak op de voet van artikel 71 lid 2 Rv ambtshalve naar de kantonrechter van deze rechtbank verwijzen.
4De beslissing
De rechtbank
4.1
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Lelystad, op woensdag 8 juli 2026 om 10:00 uur,
4.2
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,
4.3
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
4.4
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op
1 juli 2026.
Zie GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 93 Rv, aant. 7.
Zie GS Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 93 Rv, aant. 7 en HR 16 november. 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3992 (het arrest is gewezen onder toepassing van artikel 39 Wet RO (oud)).
Zie T&C Rv, commentaar op artikel 93 Rv. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|