Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBMNE:2026:7649 
 
Datum uitspraak:28-08-2026
Datum gepubliceerd:30-10-2026
Instantie:Rechtbank Midden-Nederland
Zaaknummers:26/23
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Wet hersteloperatie toeslagen. De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen het verzoek van eiseres terecht heeft afgewezen omdat niet is gebleken dat eiseres schade heeft geleden als gevolg van vooringenomen handelen door Dienst Toeslagen. Eiseres krijgt wel vergoeding van haar proceskosten en het griffierecht, omdat Dienst Toeslagen in bezwaar de hoorplicht heeft geschonden en in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Trefwoorden:kinderopvangtoeslag
 
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/23
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen


[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M. Jozefzoon-Flipse)

en

Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).


Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing en is van mening zij recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2019. De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen het verzoek van eiseres terecht heeft afgewezen omdat niet is gebleken dat eiseres schade heeft geleden als gevolg van vooringenomen handelen door Dienst Toeslagen. Eiseres krijgt wel vergoeding van haar proceskosten en het griffierecht, omdat Dienst Toeslagen in bezwaar de hoorplicht heeft geschonden en in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel.




Procesverloop


2.1
Eiseres heeft zich op 16 januari 2023 bij Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2005 tot en met 2019. In het besluit van 17 februari 2025 (het primaire besluit) heeft Dienst Toeslagen het verzoek van eiseres afgewezen omdat eiseres in de periode tussen 2005 en 2019 geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd.



2.2
Met het besluit van 17 november 2025 (het bestreden besluit) heeft Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard, omdat geen sprake is geweest van een aanvraag voor de kinderopvangtoeslag.



2.3
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft haar beroepsgronden aangevuld op 3 februari 2026. Dienst Toeslagen heeft gereageerd met een verweerschrift.



2.4
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.





Overwegingen


Ontvankelijkheid van het beroep


3. Gemachtigde van eiseres heeft twee dagen te laat beroep ingediend. Desgevraagd heeft eiseres een toelichting gegeven op de persoonlijke omstandigheden als gevolg waarvan zij niet in staat was om eerder beroep in te stellen tegen het bestreden besluit. Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding. De rechtbank gaat daarin mee. Dat betekent dat het beroep ontvankelijk is.


Beoordelingskader



4.1
Vanwege de zogenoemde toeslagenaffaire heeft de Staat verschillende herstelregelingen in het leven geroepen om burgers te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De compensatie en tegemoetkoming worden door Dienst Toeslagen toegekend. Het herstelproces wordt uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), namens het bestuursorgaan Belastingdienst/Toeslagen.



4.2
Vanaf het moment dat een ouder zich meldt bij de UHT kan deze ouder, afhankelijk van het traject waarin de ouder zich bevindt, te maken krijgen met verschillende commissies. Het gaat dan om de Commissie van onafhankelijke deskundigen CAF en vergelijkbare zaken/toeslagen (Commissie van Wijzen), de bezwaarschriftenadviescommissie ter behandeling van bezwaren tegen een besluit op een aanvraag om compensatie (BAC) en de Commissie voor beoordeling van verzoeken om aanvullende schadevergoeding voor werkelijke schade (Commissie werkelijke schade). Dit zijn allen onafhankelijke commissies, die ieder in een afzonderlijk traject advies uitbrengen aan de UHT.



4.3
Uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding van materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht volgt dat Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiseres daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de besluiten van Dienst Toeslagen. Daarnaast volgt uit de memorie van toelichting bij de Wht dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt.


Standpunt van eiseres


5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat Dienst Toeslagen ten onrechte haar verzoek om compensatie heeft afgewezen. Ter zitting heeft eiseres haar standpunt als volgt toegelicht. Er is sprake van dusdanige bijzondere omstandigheden dat op grond van het evenredigheidsbeginsel afgeweken zou moeten worden van de wettelijke regeling zoals opgenomen in artikel 2.1 van de Wht, in die zin dat eiseres als aanvrager van kinderopvangtoeslag aangemerkt moet worden. Ten tijde van de aanvraag om kinderopvangtoeslag heeft Gastouderbureau [naam] het aanvraagformulier voor kinderopvangtoeslag namens eiseres’, inmiddels ex-, partner ingediend. Dat betekent dat eiseres’ ex-partner de aanvrager is in de zin van artikel 2.1 van de Wht. Door de terugvorderingen van kinderopvangtoeslag is eiseres’ ex-partner psychisch ontregeld geraakt en heeft eiseres mishandeld. Het is voor eiseres niet meer mogelijk om contact met haar ex-partner te krijgen of om toegang te krijgen tot de bankrekeningen. Vanwege de mentale gesteldheid van haar ex-partner is hij bovendien niet in staat zich aan te melden als gedupeerde van de toeslagenaffaire. De gevolgen van de terugvorderingen zijn voor eiseres aanzienlijk ingrijpender geweest dan voor haar ex-partner. Deze bijzondere omstandigheden maken volgens eiseres dat zij als aanvrager aangemerkt moet worden, in plaats van haar ex-partner. Ook in het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel had Dienst Toeslagen rekening moeten houden met de gevolgen van deze bijzondere omstandigheden en had Dienst Toeslagen moeten onderzoeken of eiseres aanspraak kon maken op de ex-partnerregeling. Daarbij heeft Dienst Toeslagen de hoorplicht geschonden door in bezwaar af te zien van horen, terwijl eiseres juist toen haar bijzondere omstandigheden wilde toelichten. Van horen mag slechts worden afgezien indien uit het bezwaarschrift onmiddellijk blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en daarover redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is. Eiseres stelt dat daarvan geen sprake is gezien de bijzondere omstandigheden waarin zij verkeert.


Standpunt van Dienst Toeslagen




6.1
Dienst Toeslagen stelt daartegenover dat het feit dat eiseres gehuwd was en dat haar ex-partner destijds de toeslag rechtsgeldig heeft aangevraagd, niet maakt dat eiseres aangemerkt moet worden als aanvrager in de zin van artikel 2.1, lid 1 Wht. Er zijn bovendien geen andere (feitelijke) aanwijzingen waaruit het tegendeel blijkt dat eiseres wel aanvrager is geweest van kinderopvangtoeslag. Eiseres heeft in beroep ook geen gegevens aangeleverd waaruit blijkt dat de gegevens zoals beschikbaar voor Dienst Toeslagen onjuist zijn. Bovendien heeft eiseres op geen enkele wijze onderbouwd dat er wel kinderopvang is afgenomen, bijvoorbeeld middels het overleggen van kinderopvangovereenkomsten, facturen, betalingsbewijzen, bankafschriften of correspondentie met een kinderopvanginstelling. Ten aanzien van het evenredigheidsbeginsel stelt Dienst Toeslagen dat bij de berekening van de (forfaitaire) (im)materiëleschadevergoeding zij niet mag afwijken van de Wht. De tekst van artikel 2.3 van de Wht laat geen ruimte om een ander/hoger bedrag aan compensatie toe te kennen. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 1 maart 2023 volgt dat er, vanwege de dwingende formulering van een bepaling van een wet in formele zin, geen ruimte bestaat voor toepassing van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het Dienst Toeslagen niet vrijstaat bij toepassing van artikel 2.3 van de Wht, belangen af te wegen en te toetsen of zijn besluit onevenredig is in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.



6.2
Ter zitting heeft Dienst Toeslagen verder toegelicht dat in het kader van de aanvraag alle beschikbare informatie in de systemen is betrokken bij het onderzoek. Er is zorgvuldig onderzoek gedaan en daaruit volgen geen aanwijzingen op basis waarvan Dienst Toeslagen twijfelt aan de juistheid van die informatie. In beroep heeft Dienst Toeslagen alsnog onderzocht of eiseres aanspraak zou kunnen maken op de ex-toeslagpartnerregeling maar er is geen aanvraag om compensatie in het kader van de Wht van de ex-partner terug te vinden in de systemen.


Het oordeel van de rechtbank




7.1
De vraag die de rechtbank in deze zaak moet beantwoorden is of Dienst Toeslagen het verzoek van eiseres om compensatie heeft mogen afwijzen vanwege het feit dat eiseres zelf geen aanvrager van kinderopvangtoeslag is, in de zin van artikel 2.1 van de Wht. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 2.1 van de Wht onder een gedupeerde ouder wordt verstaan, een persoon die de aanvrager van kinderopvangtoeslag was. Dit betekent dat in beginsel alleen degene die op het aanvraagformulier staat, of degene die de aanvraag via DigiD heeft ingediend, als aanvrager wordt aangemerkt. In deze zaak was dat de ex-partner van eiseres. Daarover bestaat geen geschil. De vraag is of Dienst Toeslagen op grond van het evenredigheidsbeginsel af had moeten wijken van artikel 2.1 van de Wht, vanwege de bijzondere omstandigheden zoals eiseres die heeft aangedragen. Daarover merkt de rechtbank ten eerste op dat de rechtbank de toepassing van artikel 2.1 van de Wht niet aan het evenredigheidsbeginsel mag toetsen. In artikel 120 van de Grondwet is bepaald dat de rechter niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen treedt. Recent is in de rechtspraak nogmaals bevestigd dat dit toetsingsverbod ook inhoudt dat de rechter een wet in formele zin niet mag toetsen aan algemene rechtsbeginselen. Uit deze rechtspraak volgt ook dat aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt, als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn meegenomen in de afweging van de wetgever. Dat is het geval als die niet meegenomen bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is. De wetgever heeft er namelijk bewust voor gekozen om voor de ex-partner van een erkend gedupeerde te voorzien in de zogenoemde ex-toeslagpartnerregeling uit artikel 2.14h, eerste lid, van de Wht. Op grond van dit artikel bestaat de mogelijkheid voor Dienst Toeslagen om op aanvraag een compensatie toe te kennen van € 10.000,- aan een ex-partner. Dienst Toeslagen heeft in beroep bij het onderzoeken naar deze mogelijkheid geen aanvraag om compensatie in het kader van de Wht van de ex-partner van eiseres kunnen vinden. De vraag of eiseres aanspraak kan maken op de ex-toeslagpartnerregeling zonder dat de ex-partner daadwerkelijk een aanvraag heeft gedaan valt, zoals ook ter zitting met partijen besproken, buiten de omvang van dit geding.



7.2
Over de vraag of Dienst Toeslagen in het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel in bezwaar vanwege de bijzondere omstandigheden waarin eiseres verkeert had moeten onderzoeken of zij aanspraak zou kunnen maken op de ex-toeslagpartnerregeling oordeelt de rechtbank als volgt. Uit artikel 3:2 van de Awb volgt dat bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Gelet op het feit dat Dienst Toeslagen beschikking heeft tot de informatie of eiseres in aanmerking zou kunnen komen tot de ex-toeslagpartnerregeling en dat de aard van het besluit op de aanvraag om compensatie gericht is op herstel van eventueel geleden schade, had het op de weg van Dienst Toeslagen gelegen dit in bezwaar te onderzoeken. Ook uit het feit dat Dienst Toeslagen in beroep wel heeft onderzocht of eiseres aanspraak zou kunnen maken op de ex-toeslagpartnerregeling, leidt de rechtbank af dat dit onderdeel is van een zorgvuldig onderzoek in het kader van de hersteloperatie toeslagen.



7.3
Daarnaast is eiseres in bezwaar niet gehoord. Dienst Toeslagen heeft het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard omdat eiseres evident buiten de reikwijdte van de Wht zou vallen omdat eiseres geen aanvrager is in de zin van de Wht. De rechtbank denkt daar anders over. Van het horen kan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien als er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Dat betekent dat een hoorzitting slechts mag worden onthouden als een mondelinge toelichting redelijkerwijs geen toegevoegde waarde kan hebben. Aan die maatstaf is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. Eiseres mocht tijdens de hoorzitting nieuwe gronden en nieuwe documenten presenteren en in dit geval, haar persoonlijke situatie toelichten. Bovendien had een hoorzitting zich goed kunnen lenen om aan eiseres uit te leggen waarom Dienst Toeslagen inschatte dat het bezwaar kansloos zou zijn.



7.4
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Dienst Toeslagen de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. De rechtbank ziet aanleiding om de schendingen met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Eiseres heeft namelijk in beroep en op de zitting de gelegenheid gekregen om haar standpunt naar voren te brengen. Daarnaast heeft Dienst Toeslagen in beroep alsnog getoetst of eiseres aanspraak zou kunnen maken op de ex-toeslagpartnerregeling. Gelet hierop overweegt de rechtbank dat eiseres niet in haar belangen is geschaad. Omdat er sprake is van een gebrek in de bezwaarprocedure bepaalt de rechtbank wel dat Dienst Toeslagen de proceskosten en het griffierecht aan eiseres moet vergoeden.





Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Daarom blijft het bestreden besluit in stand. Dienst Toeslagen moet wel de proceskosten die eiseres gemaakt heeft en het door haar betaalde griffierecht vergoeden. De proceskostenvergoeding bedraagt op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht in totaal € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 1).




Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt Dienst Toeslagen op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Stumpel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.







Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, pagina 72.


ECLI:NL:RVS:2023:772


Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 9 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5142.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1478.
Link naar deze uitspraak