|
|
|
| ECLI:NL:RBMNE:2026:7655 | | | | | Datum uitspraak | : | 26-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 02-11-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Midden-Nederland | | Zaaknummers | : | 12364473 ME VERZ 26-113 12364473 ME VERZ 26-113 | | Rechtsgebied | : | Arbeidsrecht | | Indicatie | : | Ontslag op staande voet is rechtsgeldig gegeven; verzoek vernietiging wordt afgewezen. Werknemer moet gefixeerde schadevergoeding betalen, die op verzoek van werknemer is gematigd. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | huurovereenkomst | | | levensonderhoud | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummers: 12364473 \ ME VERZ 26-113 en 12378556 \ ME VERZ 26-123
Beschikking van
26
oktober 2026
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
procederend met een toevoeging, nummer: 2HE9283,
gemachtigde: mr. W. Sallé,
tegen
de besloten vennootschap
[verweerder] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] en kantoorhoudend in [kantoorplaats] ,
verwerende partij in het verzoek,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. L. Oass,
en in de zaak van
de besloten vennootschap
[verweerder] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] en kantoorhoudend in [kantoorplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. L. Oass,
tegen
[verzoeker]
,
wonend in [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. W. Sallé.
1De procedure
1.1
In deze uitspraak worden twee zaken behandeld. De zaak met nummer 12364473 die het verzoek van [verzoeker] gericht tegen [verweerder] behandelt en het verzoek van [verweerder] met nummer 12378556 gericht tegen [verzoeker] . De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
In zaak met nummer 12364473:
- het verzoekschrift met 21 producties, van [verzoeker] ;
- het verweerschrift met tegenverzoek en 34 producties van [verweerder] ;
- de aanvullende producties 35 tot en met 37 van [verweerder] .
In zaak met nummer 12378556:
- het verzoekschrift met 19 producties, van [verweerder] ;
- het verweerschrift van [verzoeker] .
1.2
Op 21 september 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoeker] was aanwezig, bijgestaan door mr. Sallé. Namens [verweerder] waren aanwezig mevrouw [A] (HR), de heer [B] (uitvoerend directeur en eigenaar) en de heer [C] (eigenaar), bijgestaan door mr. Oass. Op de mondelinge behandeling zijn de door partijen ingediende verzoekschriften gelijktijdig behandeld. Partijen hebben op de zitting hun standpunten kunnen toelichten en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen is besproken.
1.3
Op de mondelinge behandeling is bepaald dat op 19 oktober 2026 uitspraak zal worden gedaan. Aan partijen is op een later moment schriftelijk medegedeeld dat één week later, namelijk op 26 oktober 2026, uitspraak zal worden gedaan.
2De kern van de zaak
2.1
[verzoeker] is sinds 1 mei 2025 bij [verweerder] in dienst als [functie] . [verweerder] zegt dat [verzoeker] zich na twee officiële waarschuwingen opnieuw schuldig heeft gemaakt aan ernstige snelheidsovertredingen met de bedrijfsbus en dat [verzoeker] zonder toestemming de bedrijfsbus heeft gebruikt voor privédoeleinden. [verweerder] heeft [verzoeker] daarom op 9 juli 2026 op staande voet ontslagen. De kantonrechter vindt dat ontslag rechtsgeldig en zal het verzoek van [verzoeker] om het ontslag te vernietigen daarom afwijzen.
3De verzoeken en het (zelfstandig) tegenverzoek
In zaak met nummer 12364473
3.1
[verzoeker] meent dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Hij verzoekt de kantonrechter om het ontslag op staande voet te vernietigen, [verweerder] te veroordelen tot betaling van het salaris vanaf 10 juli 2026 en tot het verstrekken van salarisspecificaties en om te bepalen dat [verweerder] [verzoeker] moet toelaten tot de werkvloer. Als vernietiging van het ontslag op staande voet niet aan de orde is, verzoekt [verzoeker] betaling van een billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding en om te bepalen dat het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentie- en relatiebeding nietig is. [verzoeker] verzoekt in beide gevallen om uitbetaling van de op zijn salaris ten onrechte ingehouden bekeuringen en eigen risico. Ook maakt [verzoeker] aanspraak op de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.
3.2
[verzoeker] geeft aan dat hij voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van het salaris dat hij van [verweerder] ontvangt en dat hij op grond van een verstekvonnis van de kantonrechter in Apeldoorn uit zijn huis zal worden gezet als hij de huur niet betaalt. [verzoeker] verzoekt daarom om zijn verzoeken tot het betalen van het salaris vanaf 10 juli 2026 met verstrekking van salarisspecificaties en met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, bij wijze van voorlopige voorziening toe te wijzen.
3.3
[verweerder] meent dat zij [verzoeker] op staande voet heeft mogen ontslaan en dat zij niets meer aan [verzoeker] verschuldigd is. [verweerder] heeft een tegenverzoek gedaan. [verweerder] verzoekt dat [verzoeker] wordt veroordeeld tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding en terugbetaling van het restant van een geldbedrag dat [verweerder] aan [verzoeker] heeft geleend.
In zaak met nummer 12378556
3.4
Ook bij afzonderlijk verzoekschrift verzoekt [verweerder] om [verzoeker] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding. [verweerder] heeft ter zitting toegelicht dat zij dit verzoekschrift heeft ingediend om te voorkomen dat het verzoek tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding buiten de vervaltermijn zou vallen. Het verzoek tot het toekennen van een gefixeerde schadevergoeding is gelijk aan het tegenverzoek van [verweerder] in de zaak die het verzoekschrift van [verzoeker] behandelt. [verzoeker] meent dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is en dat als het ontslag wel rechtsgeldig is hem geen opzet of schuld aan het ontslag verweten kan worden. [verzoeker] vindt daarom dat hij geen gefixeerde schadevergoeding hoeft te betalen. Ook met de hoogte van de gefixeerde schadevergoeding is [verzoeker] het niet eens.
4De beoordeling
Verzoeken van [verzoeker] (in zaak met nummer 12364473)
Ontslag op staande voet rechtsgeldig
4.1
Het gaat in deze zaak eerst om de vraag of [verzoeker] rechtsgeldig op staande voet is ontslagen. Een ontslag op staande voet is alleen geldig als dat ontslag onverwijld is gegeven, om een dringende reden en onder onverwijlde mededeling van die reden aan de werknemer. Volgens [verzoeker] heeft [verweerder] niet aan deze vereisten voldaan. De kantonrechter is dat niet met [verzoeker] eens. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is om de hierna volgende redenen.
Het ontslag is onverwijld gegeven
4.2
[verzoeker] meent dat het ontslag niet onverwijld is gegeven, omdat het na de laatste vermeende overtreding op 30 juni 2026 nog tot 6 juli 2026 heeft geduurd voordat [verweerder] tot vaststelling van de snelheidsovertredingen en het privégebruik is gekomen en het daarna tot 9 juli 2026 heeft geduurd voordat het ontslag op staande voet is gegeven. Volgens [verzoeker] had [verweerder] geen reden om zolang te wachten en heeft zij nodeloos getreuzeld.
4.3
Voor de vraag of het ontslag onverwijld is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden tot dat ontslag ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was om het ontslag te verlenen. Verder is de vereiste voortvarendheid waarmee de werkgever handelt afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de noodzaak tot het inwinnen van advies. Het gaat erom dat de werkgever na het ontdekken van de handeling die als dringende reden kwalificeert onverwijld handelt en zo spoedig mogelijk ontslag verleent.
4.4
[verweerder] heeft de volgende toelichting gegeven op het tijdsverloop. De teamleider van [verzoeker] heeft op 1 juli 2026 via een e-mail bij HR melding gemaakt van vermoedelijk nieuwe snelheidsovertredingen en privégebruik van de bedrijfsbus door [verzoeker] . Mevrouw [A] is de enige HR-medewerkster bij [verweerder] . Zij was ten tijde van de melding van de teamleider op vakantie. Op 6 juli 2026 was zij terug van vakantie en zij heeft de melding van de teamleider toen opgepakt. [verweerder] heeft een onderzoek ingesteld naar de beschikbare ritregistraties en interne rapportages. Uit dit onderzoek bleek dat [verzoeker] zich na de tweede waarschuwing die hij op 26 juni 2026 had gekregen opnieuw schuldig had gemaakt aan meerdere snelheidsovertredingen op 26, 29 en 30 juni 2026. Ook bleek dat [verzoeker] op 30 juni 2026 de bedrijfsbus zonder toestemming van [verweerder] voor privédoeleinden had gebruikt, terwijl dat in strijd was met de arbeidsovereenkomst en de getekende overeenkomst over het privégebruik van de bedrijfsbus. [verweerder] heeft [verzoeker] vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op
8 juli 2026 over de geconstateerde overtredingen, maar [verzoeker] is niet op die afspraak verschenen. [verweerder] heeft op 9 juli 2026 geprobeerd om [verzoeker] telefonisch te bereiken, maar dat lukte niet. [verweerder] heeft daarop juridisch advies ingewonnen over de positie van [verzoeker] . Na beoordeling van de feiten en omstandigheden en naar aanleiding van het juridisch advies heeft [verweerder] besloten over te gaan tot ontslag op staande voet. Dat ontslag heeft zij [verzoeker] nog diezelfde dag gegeven.
4.5
[verzoeker] betwist dat de HR-medewerkster tot 6 juli 2026 afwezig was. Hij verwijst daarbij naar de producties 12 en 13 bij het verzoekschrift, waaruit blijkt dat mevrouw [A] op 2 juli 2026 op de ziekmelding van [verzoeker] van 30 juni 2026 heeft gereageerd. [verweerder] had dus volgens [verzoeker] eerder dan 6 juli 2026 kennis kunnen nemen van de vermoedens van de teamleider en eerder met die melding aan de slag moeten gaan. [verweerder] heeft ter zitting toegelicht dat mevrouw [A] in haar vakantie alleen heeft gereageerd op de ziekmelding van [verzoeker] , omdat zij de ziekmelding moest doorzetten naar de arbodienst. In dit kader was het voor mevrouw [A] dus noodzakelijk om de ziekmelding van [verzoeker] tijdens haar vakantie in behandeling te nemen. De andere
e-mails heeft zij na de vakantie opgepakt. De kantonrechter vindt dat begrijpelijk. Mevrouw [A] heeft de melding van de teamleider op de eerste dag na haar vakantie direct opgepakt en doorgezet binnen [verweerder] . Zij is met de teamleider in gesprek gegaan, heeft onderzoek naar de vermoedelijk begane overtredingen uitgezet en zij heeft juridisch advies ingewonnen over de positie van [verzoeker] . [verweerder] wilde op 8 juli 2026 met [verzoeker] in gesprek, maar [verzoeker] is niet met [verweerder] in gesprek gegaan. [verweerder] mocht de tijd vanaf 6 juli 2026 voor nader onderzoek, juridisch advies en de poging om met [verzoeker] in gesprek te gaan, gebruiken. Op 9 juli 2026, dus drie dagen nadat [verweerder] van de vermoedelijke overtredingen op de hoogte kwam, heeft dit geleid tot het ontslag op staande voet. De kantonrechter is door deze gang van zaken van oordeel dat [verweerder] voldoende voortvarend heeft gehandeld.
Er is een dringende reden
4.6
Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van
lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende redenen sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien, in aanmerking worden genomen. Daarbij moeten ook worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer.
4.7
Het moet voor de werknemer onmiddellijk duidelijk zijn welke gedragingen de werkgever hebben genoodzaakt tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, zodat de werknemer kan beslissen of hij de opgegeven reden als juist erkent en als dringend aanvaardt. Door de betwisting van de dringende reden door [verzoeker] is het aan [verweerder] als werkgever om de dringende reden voor het ontslag op staande voet te bewijzen. Het ontslag op staande voet is aan [verzoeker] medegedeeld in de e-mail van 9 juli 2026. Voor de beoordeling van de vraag of het door [verweerder] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is, is deze e-mail dus maatgevend. In deze e-mail staat dat alle redenen zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, een dringende reden opleveren. Dit heeft tot gevolg dat als één van die door [verweerder] in de e-mail van 9 juli 2026 genoemde redenen komt vast te staan, sprake kan zijn van een rechtsgeldig ontslag op staande voet.
4.8
De dringende redenen die in de e-mail aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd, zijn 5 snelheidsovertredingen op 26 juni 2026, 29 juni 2026 en 30 juni 2026, waarvan vier keer een snelheidsovertreding van ongeveer 30 kilometer per uur te hard en één keer een snelheidsovertreding van ongeveer 50 kilometer per uur te hard, en het voor privédoeleinden gebruik maken van de bedrijfsbus op 30 juni 2026.
4.9
[verweerder] heeft deze overtredingen vastgesteld na het uitlezen van de gps- en ritregistraties van de bedrijfsbus waar [verzoeker] in reed. Dat die gedragingen op zichzelf een dringende reden opleveren, heeft [verzoeker] niet weersproken. [verzoeker] gaat ter onderbouwing van zijn standpunt dat geen sprake is van een dringende reden voornamelijk in op de wijze waarop [verweerder] de snelheidsovertredingen en het privégebruik van de bedrijfsbus heeft vastgesteld. [verweerder] heeft zich volgens [verzoeker] uitsluitend en zonder toelichting gebaseerd op haar eigen gps- en ritregistraties en daardoor niet voldoende onderbouwd dat sprake is van voldoende ernstige en aan [verzoeker] toe te rekenen gedragingen. [verweerder] heeft tegenover die stelling de gegevens uit het Moving Intelligence systeem van de bedrijfsbus in het geding gebracht en de werking van de ritregistraties en het track en trace-systeem via dat systeem toegelicht. Daaruit blijkt dat het systeem waar de bedrijfsbus van is voorzien is ingericht om ritgegevens te registreren, waaronder de gereden snelheid. De geregistreerde snelheden van de bedrijfsbus worden bepaald aan de hand van GPS. Een geregistreerde rit kan niet worden gewijzigd en de onderliggende GPS-gegevens kunnen niet worden aangepast. Dat deze gegevens niet betrouwbaar zouden zijn, heeft [verzoeker] niet aangetoond. De kantonrechter heeft dan ook geen reden om aan de betrouwbaarheid van die geregistreerde snelheidsovertredingen te twijfelen. Zowel in de arbeidsovereenkomst als in het personeelshandboek is [verzoeker] erop gewezen dat [verweerder] de mogelijkheid heeft om het gebruik van de bedrijfsbus via een GPS en track en trace-systeem te monitoren en om de naleving van de afspraken over het gebruik van de bedrijfsbus te controleren. [verzoeker] is eerder twee keer op het overtreden van de snelheid met de bedrijfsbus aangesproken. [verweerder] heeft hem daarvoor op 4 februari 2026 en
26 juni 2026 officiële waarschuwing gegeven. [verzoeker] was er dus ook van op de hoogte dat de ritgegevens van de bedrijfsbus werden geregistreerd. [verzoeker] heeft zich na een gesprek met [verweerder] op 26 juni 2026, waarin hem de tweede officiële waarschuwing is gegeven voor onder andere te hard rijden en in welk gesprek [verweerder] hem duidelijk had gemaakt dat dit de laatste waarschuwing was en nieuwe incidenten kunnen leiden tot beëindiging van het dienstverband, nog diezelfde dag wederom schuldig gemaakt aan een forse snelheidsovertreding. In de dagen daarna heeft [verzoeker] nog eens vier keer fors te hard gereden. Naar het oordeel van de kantonrechter is begrijpelijk dat het door [verzoeker] vertoonde gedrag onacceptabel is voor [verweerder] .
4.10
Bij een ontslag op staande voet moeten zoals in r.o. 4.6. overwogen ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer worden meegewogen. Ook als de gevolgen voor de werknemer ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en ernst van de dringende reden tot de conclusie leiden dat het ontslag op staande voet gerechtvaardigd is. [verzoeker] heeft gewezen op zijn psychische gesteldheid en zijn financiële problemen. Zijn financiële problemen waren al aanwezig voor het ontslag en zijn door het ontslag nog ernstiger geworden met als gevolg een dreigende ontbinding van zijn huurovereenkomst door een huurachterstand en mogelijk een uithuiszetting. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] aangegeven dat zij bij de beslissing om [verzoeker] op staande voet te ontslaan, anders dan [verzoeker] meent, wel degelijk rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] . [verweerder] heeft er in een eerder stadium alles aan gedaan om [verzoeker] te helpen (onder andere door hem een renteloze lening te geven en contact te hebben met zijn financieel begeleider), maar dat de mogelijkheden om hem te helpen nu op zijn. De kantonrechter begrijpt dat de omstandigheden en de gevolgen van het ontslag op staande voet voor [verzoeker] ingrijpend zijn. De door [verzoeker] aangevoerde persoonlijke omstandigheden maken echter niet dat het ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd zou zijn. De vijf forse snelheidsovertredingen in vijf dagen tijd, waarvan één direct na het gesprek waarin [verweerder] [verzoeker] waarschuwde om zich niet opnieuw aan snelheidsovertredingen schuldig te maken, zijn dermate ernstig dat zijn persoonlijke omstandigheden niet kunnen afdoen aan de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet.
4.11
[verzoeker] betwist dat hij privé van de bedrijfsbus gebruik heeft gemaakt. Omdat de snelheidsovertredingen al een dringende reden voor het ontslag op staande voet opleveren, laat de kantonrechter de vraag of [verzoeker] privé gebruik heeft gemaakt van de bedrijfsbus verder in het midden.
De dringende reden is onverwijld medegedeeld
4.12
Volgens [verzoeker] heeft [verweerder] het ontslag en de dringende reden niet ondubbelzinnig en gelijktijdig aan [verzoeker] medegedeeld. Aan het vereiste van onverwijlde mededeling van de dringende reden zou daarom volgens [verzoeker] niet zijn voldaan. De kantonrechter volgt dit niet. In de e-mail van 9 juli 2026 van [verweerder] aan [verzoeker] heeft [verweerder] zowel het ontslag als de redenen voor het ontslag duidelijk benoemd. Dat [verweerder] , zoals [verzoeker] stelt, voorafgaand aan die e-mail niet met [verzoeker] over het ontslag en de redenen daarvoor heeft gesproken, leidt niet tot de conclusie dat [verweerder] niet aan de onverwijlde mededeling zou hebben voldaan. De kantonrechter wijst er gelet op de stelling van [verzoeker] nog op dat [verweerder] op 8 juli 2026 met [verzoeker] in gesprek wilde gaan. [verzoeker] is echter op die afspraak niet verschenen en [verweerder] heeft [verzoeker] op 9 juli 2026 vergeefs telefonisch proberen te bereiken. [verweerder] heeft op 9 juli 2026 de bedrijfsbus bij de woning van [verzoeker] heeft opgehaald, maar de broer van [verzoeker] heeft de deur open gedaan en de directeur van [verweerder] te woord heeft gestaan. Van de omstandigheid dat [verweerder] [verzoeker] voorafgaande aan de e-mail van 9 juli 2026 niet heeft gesproken over het ontslag, valt [verweerder] daardoor ook geen verwijt te maken. Ook het feit dat in de e-mail van 9 juli 2026 nog abusievelijk wordt verwezen naar een gesprek dat zou hebben plaatsgevonden betekent niet - anders dan [verzoeker] bepleit - dat de redenen van het ontslag niet ondubbelzinnig zouden zijn vermeld. Die staan namelijk in dezelfde e-mail opgesomd.
Conclusie
4.13
[verweerder] heeft het ontslag onverwijld gegeven, om een dringende reden en onder onverwijlde mededeling van die reden aan [verzoeker] . Het ontslag is dus rechtsgeldig gegeven. Het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt daarom afgewezen. Dit betekent dat ook de verzoeken van [verzoeker] tot betaling van (achterstallig) loon en een gefixeerde schadevergoeding en om hem toe te laten tot de werkvloer, zullen worden afgewezen. Omdat het ontslag rechtsgeldig is gegeven, kan [verweerder] van dat ontslag geen ernstig verwijt worden gemaakt. Dit betekent dat het verzoek van [verzoeker] tot het toekennen van een billijke vergoeding ook zal worden afgewezen.
Geen voorlopige voorziening ex art. 223 Rv
4.14
Het verzoek van [verzoeker] om de betaling van (achterstallig) salaris met wettelijke verhoging en wettelijke rente en met overlegging van salarisspecificaties bij wijze van voorlopige voorziening toe te wijzen, wordt door het oordeel dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, afgewezen.
[verzoeker] heeft geen recht op de transitievergoeding
4.15
[verzoeker] verzoekt om toekenning van de transitievergoeding, omdat de arbeidsovereenkomst is beëindigd op initiatief van [verweerder] . De werkgever is in beginsel aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd als de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever is geëindigd. De werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding kwijtraken als het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer (artikel 7:673 lid 7 BW).
4.16
[verzoeker] is rechtsgeldig op staande voet ontslagen. Een ontslag op staande voet betekent niet automatisch dat de werknemer ook geen recht heeft op een transitievergoeding. Maar in dit geval leveren de snelheidsovertredingen die de dringende reden vormen voor het ontslag ook ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] op, omdat [verzoeker] tot vijf keer toe forse snelheidsovertredingen heeft begaan nadat [verweerder] hem al twee keer had gewaarschuwd naar aanleiding van forse snelheidsovertredingen waar [verzoeker] zich schuldig aan had gemaakt. Daarom hoeft [verweerder] geen transitievergoeding aan [verzoeker] te betalen.
[verzoeker] heeft geen recht op uitbetaling van ingehouden bekeuringen en gedeeltelijk wel op het eigen risico
4.17
[verweerder] heeft twee keer een bekeuring van € 458,08 voor rijden met een mobiele telefoon in zijn hand en € 100,00 en € 200,00 aan eigen risico na schade aan de bedrijfsbus op het salaris van [verzoeker] ingehouden. Volgens [verzoeker] heeft [verweerder] dit ten onrechte gedaan, omdat niet vastgesteld kan worden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan rijden met een mobiele telefoon in zijn hand en het veroorzaken van de schade.
4.18
De kantonrechter beoordeelt dit als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [verweerder] op verzoek van [verzoeker] al eerder foto’s had opgevraagd bij het Openbaar Ministerie van het rijden met mobiele telefoon in de hand. Deze zijn ook bij het verweerschrift gevoegd. Naar het oordeel van de kantonrechter is [verzoeker] op goede grond aangesproken tot betaling van de verkeersboetes. [verweerder] heeft voldoende onderbouwd dat de boetes het gevolg zijn van verkeersovertredingen die zijn opgelegd voor het tweemaal rijden door [verzoeker] met mobiele telefoon in de hand. [verzoeker] is dus gehouden de verkeersboetes te betalen.
4.19
Ten aanzien van het verrekenen van eigen risico na schade aan de bedrijfsbus geldt het volgende. Een werknemer die bij de uitvoering van de overeenkomst schade toebrengt aan de werkgever is niet jegens de werkgever aansprakelijk, tenzij de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid (artikel 7:661 lid 1 BW). Hiervan kan ten nadele van de werknemer alleen worden afgeweken bij schriftelijke overeenkomst en voor zover de werknemer verzekerd is (artikel 7:661 lid 2 BW). Ten aanzien van het eigen risico van
€ 100,00 geldt dat [verweerder] schriftelijk de afspraak heeft gemaakt met [verzoeker] dat hij dit eigen risico betaalt. Ten aanzien van het eigen risico van € 200,00 na een andere schade stelt [verweerder] dat zij tijdens een gesprek op kantoor over het inhouden van dit eigen risico op het salaris met [verzoeker] heeft gesproken en [verzoeker] toen ook met deze inhouding heeft ingestemd. Dit is echter geen schriftelijke overeenkomst en dat is op de grond van artikel 7:661 lid 2 BW wel vereist. [verweerder] had het eigen risico dus niet mogen inhouden. De kantonrechter zal [verweerder] dan ook veroordelen om € 200,00 netto aan [verzoeker] te betalen. De kantonrechter wijst het verzoek om dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke verhoging af nu [verweerder] niet eerder is gevraagd om betaling van dit bedrag.
Concurrentie- en relatiebeding zijn nietig
4.20
In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst staan een concurrentiebeding en een relatiebeding. [verzoeker] heeft verzocht om voor recht te verklaren dat deze bedingen nietig zijn dan wel dat [verweerder] aan die bedingen geen rechten kan ontlenen. Uit artikel 7:653 BW volgt dat een concurrentie- en relatiebeding alleen geldig is in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Tussen [verzoeker] en [verweerder] bestond een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Op grond van artikel 7:653 lid 2 BW kunnen een concurrentie- en relatiebeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd worden opgenomen als die bedingen schriftelijk zijn gemotiveerd en uit die motivering blijkt dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Het concurrentie- en relatiebeding zoals [verweerder] die in de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] heeft opgenomen, voldoen daar niet aan. Dit betekent dat het concurrentie- en relatiebeding nietig zijn. Het verzoek van [verzoeker] op dit punt zal daarom worden toegewezen.
Tegenverzoeken van [verweerder]
Gefixeerde schadevergoeding
4.21
[verweerder] heeft verzocht om [verzoeker] te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding. [verweerder] meent hier recht op te hebben, omdat [verzoeker] door zijn handelen een dringende reden heeft gegeven voor het ontslag op staande voet en de arbeidsovereenkomst daardoor onverwijld is beëindigd, terwijl de arbeidsovereenkomst niet tussentijds kon worden opgezegd. [verweerder] maakt daarom aanspraak op een vergoeding gelijk aan het loon over de resterende looptijd van de arbeidsovereenkomst.
4.22
Op basis van artikel 7:677 lid 2 in samenhang met lid 3 onder b BW is de partij die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst geduurd zou hebben indien deze van rechtswege zou zijn geëindigd. De arbeidsovereenkomst zou van rechtswege eindigen op 30 november 2026. Dit komt neer op een schadevergoeding van ruim vier maanden (van 10 juli 2026 tot en met 30 november 2026). [verweerder] heeft de gefixeerde schadevergoeding over deze periode berekend op
€ 14.496,39.
4.23
Volgens [verzoeker] is geen sprake van opzet of schuld van zijn kant en kan van een gefixeerde schadevergoeding daarom geen sprake zijn. Hiervoor is al overwogen dat [verzoeker] met de vijf forse snelheidsovertredingen ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Het verweer dat geen sprake zou zijn van opzet of schuld en [verzoeker] niet gehouden kan worden tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding kan niet slagen. De kantonrechter kan de gefixeerde schadevergoeding op grond van artikel 7:677 lid 5 onder a BW wel matigen als haar dit met het oog op de omstandigheden billijk voorkomt. [verzoeker] heeft een beroep op matiging gedaan en daarbij gewezen op de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] , waaronder (ernstige) financiële problemen en de dreiging van een uithuiszetting. [verweerder] heeft ter zitting aangegeven dat zij zich bij een eventuele matiging zal neerleggen. De kantonrechter ziet in de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] aanleiding om de gefixeerde schadevergoeding te matigen. De kantonrechter zal [verzoeker] veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding voor de duur van één maand. Dit betekent dat [verzoeker] € 3.078,00 bruto aan [verweerder] moet betalen.
[verzoeker] moet het restant van de geldlening betalen
4.24
[verweerder] stelt dat zij een bedrag van € 3.370,33 aan [verzoeker] heeft geleend. De overeenkomst van geldlening die [verweerder] en [verzoeker] op 9 januari 2026 hebben gesloten, heeft [verzoeker] als productie 34 bij haar verweerschrift in het geding gebracht. [verzoeker] heeft de lening grotendeels terugbetaald door verrekening met zijn salaris. Van de lening staat nog een bedrag van € 187,77 open. [verzoeker] heeft dit niet weersproken. De kantonrechter zal [verzoeker] veroordelen tot betaling van het resterende bedrag van
€ 187,77. Ook de verzochte wettelijke rente vanaf de datum van de beschikking tot aan de dag van volledige betaling kan worden toegewezen.
Proceskosten
4.25
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
12378556
4.26
Door de beslissing die op het gelijkluidende tegenverzoek in het verzoekschrift van [verzoeker] is genomen, heeft [verweerder] geen belang meer bij een beslissing op haar zelfstandige verzoek. De kantonrechter zal [verweerder] daarom in dit verzoekschrift niet-ontvankelijk verklaren.
4.27
[verweerder] heeft ter zitting aangegeven dat zij voor haar separate verzoekschrift geen aanspraak maakt op een vergoeding van de proceskosten. De kantonrechter laat de proceskosten daarom verder buiten beschouwing.
5De beslissing
De kantonrechter:
12364473
op de verzoeken van [verzoeker]
5.1
veroordeelt [verweerder] om binnen twee dagen na het wijzen van deze beschikking aan [verzoeker] tegen behoorlijke bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 200,00 netto;
5.2
verklaart voor recht dat het concurrentie- en relatiebeding opgenomen onder artikel 12 en 13 van de arbeidsovereenkomst nietig zijn;
5.3
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.4
wijst het meer of anders verzochte af,
op het tegenverzoek van [verweerder]
5.5
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van
€ 3.078,00 bruto,
5.6
veroordeelt [verzoeker] tot betaling aan [verweerder] van € 187,77 aan restant geldlening, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de beschikking tot aan de dag van volledige betaling,
5.7
wijst het meer of anders verzochte af,
op het verzoek en het tegenverzoek
5.8
verklaart de beschikking in het verzoek en tegenverzoek uitvoerbaar bij voorraad,
12378556
5.9
verklaart [verweerder] niet-ontvankelijk in haar verzoekschrift.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.R. van der Vos en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2026.
41264 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|