Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBMNE:2026:7883 
 
Datum uitspraak:26-10-2026
Datum gepubliceerd:06-11-2026
Instantie:Rechtbank Midden-Nederland
Zaaknummers:12302689 UE VERZ 26-296
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:ontbinding arbeidsovereenkomst op de g-grond onder toekenning transitievergoeding en billijke vergoeding.
Trefwoorden:arbeidsconflict
arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND


Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer / rekestnummer: 12302689 \ UE VERZ 26-296


Beschikking van 26 oktober 2026


in de zaak van

de besloten vennootschap

Brasserie Oud-Zuilen B.V.,
gevestigd in Oud Zuilen, gemeente Stichtse Vecht,
verzoekster, verweerster in het tegenverzoek,
hierna te noemen: Brasserie Oud-Zuilen,
gemachtigde: mr. E. Doornbos,

tegen



[verweerder]
,
wonende in [woonplaats] ,
verweerder, verzoeker in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. N.I.F. van der Meijden, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.




1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1-4, door de kantonrechter ontvangen op 2 juli 2026
- het verweerschrift met producties 1-14 en een tegenverzoek
- de producties 5-7 en een videobericht van Brasserie Oud-Zuilen.



1.2
De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 21 september 2026. Namens Brasserie Oud-Zuilen was aanwezig de heer [A] , met zijn gemachtigde. [verweerder] was aanwezig, ook met zijn gemachtigde. Brasserie Oud-Zuilen heeft haar standpunt toegelicht met een pleitnota. Partijen hebben op elkaar kunnen reageren en vragen beantwoord van de kantonrechter. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.



1.3
De beschikking is bepaald op vandaag.





2De kern van de zaak


[verweerder] , 50 jaar oud, is sinds 1 september 2019 in dienst bij Brasserie Oud-Zuilen als [functie 1] . Brasserie Oud-Zuilen verzoekt in deze procedure om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] , omdat er volgens haar sprake is van verwijtbaar handelen of een verstoorde arbeidsverhouding of andere redenen. De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake is van verwijtbaar handelen, maar wel van een verstoorde arbeidsverhouding. De arbeidsovereenkomst wordt daarom ontbonden per 1 januari 2027. Dat gebeurt met toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding. De proceskosten komen voor rekening van Brasserie Oud-Zuilen.




3De beoordeling


Achtergrond



3.1
Brasserie Oud-Zuilen wordt aangestuurd door de eigenaar van het restaurant, de heer [A] (hierna: [A] ). [A] en [verweerder] waren al voor het aangaan van de arbeidsovereenkomst goed bevriend.



3.2

[A] heeft [verweerder] op 3 januari 2026 een brief (gedateerd 30 december 2025) overhandigd met het onderwerp “Eerste officiële waarschuwing / opsomming van de afgelopen periode”. In die brief zijn diverse klachten opgesomd over het functioneren en de houding van [verweerder] . Verder is [verweerder] medegedeeld dat de functie van [functie 1] niet past bij het functioneren van [verweerder] van de afgelopen zes jaar. Daarom heeft Brasserie Oud-Zuilen [verweerder] vanaf 1 januari 2026 ingedeeld als [functie 2] . Ten slotte heeft Brasserie Oud-Zuilen aangekondigd dat een tweede waarschuwing zal volgen als de houding en werkwijze van [verweerder] niet binnen een maand positief veranderd zijn.



3.3
Op 4 januari 2026 heeft [verweerder] zich ziek gemeld.



3.4
In maart 2026 heeft mediation plaatsgevonden, zonder succes.



3.5
De bedrijfsarts heeft laatstelijk op 25 juni 2026 geconstateerd dat er geen mogelijkheden zijn voor [verweerder] om te hervatten in (passende) arbeid.


Opzegverbod tijdens ziekte staat niet aan ontbinding in de weg




3.6

[verweerder] was ten tijde van het indienen van het ontbindingsverzoek arbeidsongeschikt. Op de mondelinge behandeling was dat nog steeds zo. Dat betekent dat het opzegverbod tijdens ziekte van toepassing is. Desondanks kan de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden als het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft of als sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen.



3.7
In dit geval is in ieder geval sprake van een situatie waarin voortzetting van het dienstverband niet in het belang van [verweerder] is. [verweerder] is ziek geworden nadat hij de waarschuwingsbrief van [A] had ontvangen. De bedrijfsarts heeft op
7 mei 2026 al geconstateerd dat het voortduren van het arbeidsconflict een negatief effect heeft op het herstel van [verweerder] . Het conflict is niet opgelost en inmiddels is [verweerder] doorverwezen naar traumatherapie, waar hij voor op de wachtlijst staat. Op de mondelinge behandeling is door (de gemachtigde van) [verweerder] verklaard dat een einde van het dienstverband beter is voor [verweerder] en dat hij graag van de zaak af wil. Voortzetting van het dienstverband zou het herstel van [verweerder] , naar de kantonrechter ter zitting is gebleken, dan ook eerder belemmeren dan ondersteunen.


Redelijke grond




3.8
Een arbeidsovereenkomst kan alleen ontbonden worden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.



3.9
Brasserie Oud-Zuilen heeft in haar verzoekschrift drie gronden genoemd waarom zij vindt dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst moet ontbinden: primair vanwege verwijtbaar handelen van [verweerder] , subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, meer subsidiair vanwege overige omstandigheden.


De arbeidsovereenkomst wordt niet ontbonden op grond van verwijtbaar handelen




3.10
Om tot ontbinding wegens verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer te kunnen overgaan moet sprake zijn van zodanig verwijtbaar handelen, dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ook moet het voor ontbinding wegens verwijtbaar handelen voor de werknemer duidelijk zijn wat door de werkgever als ontoelaatbaar gedrag wordt beschouwd.



3.11
Volgens Brasserie Oud-Zuilen voerde [verweerder] zijn werkzaamheden niet naar behoren uit, heeft hij bij het bereiden van zijn aioli eigendommen van Brasserie Oud-Zuilen zonder toestemming meegenomen, en heeft hij zich de fooienpot van collega’s toegeëigend.



3.12
De kantonrechter is het met [verweerder] eens dat de in het verzoekschrift (en de waarschuwingsbrief) genoemde verwijten die gaan over zijn gezondheid en leefstijl niet relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of de arbeidsovereenkomst op de e-grond moet worden ontbonden. Dat geldt ook voor de klachten over de werkhouding en het functioneren van [verweerder] . Als Brasserie Oud-Zuilen vindt dat er om die reden einde aan de arbeidsovereenkomst moet komen dan had zij haar verzoek moeten baseren op de zogenoemde d-grond. Dat heeft Brasserie Oud-Zuilen niet gedaan. Overigens had Brasserie Oud-Zuilen in dat geval ‘een dossier’ moeten opbouwen waardoor het voor [verweerder] duidelijk was dat er een structurele verbetering nodig was op het gebied van, bijvoorbeeld, op tijd komen, rookpauzes en het bedenken van nieuwe gerechten. Daarvan is niet gebleken.



3.13
De twee verwijten die overblijven - het zonder toestemming van Brasserie Oud-Zuilen eigendommen van Brasserie Oud-Zuilen gebruiken bij het bereiden van aioli en het meenemen van de envelop met fooi - kunnen in de gegeven omstandigheden geen redelijke grond voor ontbinding opleveren om de navolgende redenen.



3.14
Niet ter discussie staat dat [verweerder] in zijn eigen tijd de keuken van Brasserie Oud-Zuilen mocht gebruiken om aioli te bereiden met de door hem zelf meegenomen producten. De kantonrechter begrijpt dat daar in juni 2024 een einde aan is gekomen nadat Brasserie Oud-Zuilen [verweerder] er op had gewezen dat hij zich niet aan die afspraak had gehouden omdat hij producten van Brasserie Oud-Zuilen had gebruikt. Of dat inderdaad zo was – volgens [verweerder] klopt het verwijt niet en is een lege emmer ten onrechte aangemerkt als een volle emmer – kan in het midden blijven. Omdat deze kwestie zich na juni 2024 niet meer heeft voorgedaan kan Brasserie Oud-Zuilen dit niet in 2026 aanvoeren ter onderbouwing van het gestelde ernstig verwijtbaar handelen door [verweerder] . Daar is meer voor nodig. Het mag zo zijn dat Brasserie Oud-Zuilen vanwege de vriendschapsrelatie met [verweerder] en uit angst voor verlies van haar [functie 1] veel door de vingers heeft gezien en dat voor haar in december 2025 de maat vol was, maar dat laat onverlet dat het ook haar plicht is om [verweerder] tijdig en ondubbelzinnig duidelijk te maken welke gedragingen voor Brasserie Oud-Zuilen niet langer toelaatbaar waren.



3.15
Het meenemen van de envelop met fooiengeld kan in dit geval ook niet als ernstig verwijtbaar worden aangemerkt. [verweerder] heeft hierover verklaard dat hij op de dag van zijn ziekmelding zijn receptenmap mee naar huis heeft genomen en dat hij zich er niet van bewust was dat de envelop met € 50,- fooiengeld in die map zat. Op 13 maart 2026 (tijdens de mediation) werd hij ermee geconfronteerd dat de envelop in zijn bezit was. [verweerder] heeft daarna aangeboden het geld over te maken. Uiteindelijk heeft hij de envelop op de zitting aan Brasserie Oud-Zuilen overhandigd. Hoewel [verweerder] dit bedrag naar het oordeel van de kantonrechter al veel eerder had kunnen overmaken is dit te weinig voor de conclusie dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.


Er is wel sprake van een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsverhouding




3.16
Brasserie Oud-Zuilen heeft subsidiair een verstoring van de arbeidsrelatie aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd. Uit de inhoud van de waarschuwingsbrief, de processtukken en dat wat partijen op de zitting hebben verklaard is voldoende duidelijk geworden dat er een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsrelatie tussen partijen is ontstaan. Het vertrouwen dat nodig is voor een goede samenwerking over en weer is er niet meer. [verweerder] erkent dat ook.



3.17
Omdat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op de zogenoemde g-grond, komt de kantonrechter niet toe aan beoordeling van de h-grond als meer subsidiaire grond voor het ontbindingsverzoek.


Herplaatsing is niet mogelijk




3.18
Omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en Brasserie Oud-Zuilen een kleine onderneming is, is er geen reden om te oordelen dat herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn nog mogelijk is. Dat er een andere passende functie denkbaar is binnen Brasserie Oud-Zuilen waarin [verweerder] herplaatst zou kunnen worden is overigens ook niet gesteld noch gebleken.





De arbeidsovereenkomst eindigt op 1 januari 2027




3.19
Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. De kantonrechter bepaalt het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 januari 2027. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, gelet op de opzegtermijn van twee maanden. Zoals hierna wordt overwogen, kan Brasserie Oud-Zuilen in dit verband een ernstig verwijt worden gemaakt. De proceduretijd wordt daarom niet in mindering gebracht op de geldende opzegtermijn.


Brasserie Oud-Zuilen moet een transitievergoeding betalen




3.20

[verweerder] heeft recht op de transitievergoeding. Er is immers geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van [verweerder] . Het verzoek van [verweerder] om Brasserie Oud-Zuilen te veroordelen tot betaling van die transitievergoeding wordt daarom toegewezen. Het door [verweerder] berekende bedrag van € 9.565,57 bruto is gebaseerd op een bruto loon van € 3.664,98 per maand + 8% vakantietoeslag en een uitdienstdatum van 1 december 2026. Deze onweersproken loonbestanddelen leiden bij een ontbinding met ingang van 1 januari 2027 tot een transitievergoeding van € 9.679,17 bruto. Dit bedrag wordt toegewezen.



3.21
De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.


Brasserie Oud-Zuilen moet een billijke vergoeding betalen




3.22

[verweerder] maakt aanspraak op een billijke vergoeding van € 48.935,79 bruto, wat neerkomt op een jaarsalaris, vermeerderd met een bedrag van € 5.000,- voor pensioenschade.



3.23
Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate heeft geschonden. De kantonrechter weegt bij deze beoordeling alle omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang mee. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, waardoor de vertrouwensbreuk is ontstaan.



3.24
Overwogen wordt dat beide partijen hun aandeel hebben gehad in de verstoring van de arbeidsrelatie die tot de ontbinding heeft geleid. Uit de gedingstukken en de verklaringen van partijen op de zitting komt het beeld naar voren van een arbeidsrelatie die door de vriendschap van [verweerder] en [A] nooit echt zakelijk is geworden - waarbij [A] [verweerder] wel op onderdelen van de brief mondeling heeft gewezen en waarbij [verweerder] niet erg open leek te staan voor de kritiekpunten van [A] - wat uiteindelijk heeft geleid tot een verstoring in de arbeidsrelatie. De waarschuwingsbrief die op 3 januari 2026 aan [verweerder] is overhandigd heeft daarbij gewerkt als een katalysator. Dat [verweerder] zich overvallen heeft gevoeld door de zes pagina’s tellende officiële waarschuwing vol met verwijten die teruggaan tot 2021 én de onmiddellijke degradatie van [functie 1] naar [functie 2] , is alleszins aannemelijk. Deze gang van zaken verdient geen schoonheidsprijs en getuigt niet van goed werkgeverschap. De kantonrechter merkt deze handelwijze van Brasserie Oud-Zuilen dan ook aan als ernstig verwijtbaar.



3.25
De kantonrechter komt tot een lagere billijke vergoeding dan [verweerder] .
Overwogen wordt dat naast het eigen aandeel van [verweerder] in de verstoring van de arbeidsverhouding het verwijtbaar handelen van Brasserie Oud-Zuilen al voor een deel gecompenseerd is bij het bepalen van de ontbindingsdatum waarbij de proceduretijd niet in mindering is gebracht. Brasserie Oud-Zuilen moet het loon van [verweerder] tot 1 januari 2027 doorbetalen. Daarna zal [verweerder] inkomen hebben uit een ziektewet- dan wel werkloosheidsuitkering die op de billijke vergoeding in mindering strekt. Verder moeten de kansen van [verweerder] op een nieuwe baan worden meegewogen. In het voordeel van [verweerder] spreekt dat hij veel werkervaring heeft in een vak waarvoor regelmatig vacatures zijn. Aan de andere kant kan de gezondheidstoestand van [verweerder] er aan in de weg staan dat hij zich actief op de arbeidsmarkt begeeft. Aangenomen dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een positief effect heeft op zijn herstel gaat de kantonrechter er (met [verweerder] ) vanuit dat hij binnen zes maanden na nu wel weer inkomen zou moeten kunnen verwerven. Verder neemt de kantonrechter mee dat hoewel de billijke vergoeding geen bestraffende functie heeft zij wel kan dienen om de werkgever er toe te bewegen een volgende keer zorgvuldiger met de belangen van werknemers om te gaan.
Al deze elementen in samenhang beschouwd leiden de kantonrechter tot de vaststelling van een billijke vergoeding van € 6.000,-.



3.26
De door [verweerder] verzochte wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.


Intrekkingsmogelijkheid




3.27
Omdat aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van [verweerder] een billijke vergoeding wordt verbonden, wordt Brasserie Oud-Zuilen in de gelegenheid gesteld om het verzoek in te trekken, binnen de hierna genoemde termijn.


De proceskosten in het verzoek en in het tegenverzoek




3.28
De proceskosten komen voor rekening van Brasserie Oud-Zuilen omdat er sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van Brasserie Oud-Zuilen. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] in het verzoek en het tegenverzoek worden begroot op
€ 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten) plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing). Deze veroordeling geldt zowel in het geval Brasserie Oud-Zuilen haar verzoek intrekt als in het geval Brasserie Oud-Zuilen haar verzoek niet intrekt.



Uitvoerbaarheid bij voorraad




3.29
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, dat wil zeggen dat Brasserie Oud-Zuilen moet uitvoeren wat daar in staat, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.





4De beslissing

De kantonrechter


op het verzoek en het tegenverzoek



4.1
stelt Brasserie Oud-Zuilen in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk
9 november 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij,


Voor het geval Brasserie Oud-Zuilen het verzoek niet binnen die termijn intrekt:




4.2
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 januari 2027,



4.3
veroordeelt Brasserie Oud-Zuilen om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 9.679,17 bruto, onder afgifte van een deugdelijke specificatie, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd,



4.4
veroordeelt Brasserie Oud-Zuilen om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 6.000,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,



4.5
veroordeelt Brasserie Oud-Zuilen in de proceskosten van € 1.009,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Brasserie Oud-Zuilen niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,



4.6
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,



4.7
wijst het meer of anders verzochte af.


Voor het geval Brasserie Oud-Zuilen het verzoek binnen die termijn intrekt:




4.8
veroordeelt Brasserie Oud-Zuilen in de proceskosten van € 1.009,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Brasserie Oud-Zuilen niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,



4.9
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.



4.10
wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.F.A. van Buitenen en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2026 door mr. A.A.T. Werner.



1257



Artikel 7:671b lid 6 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW)


Artikel 7:669 lid 3 BW


Artikel 7:669 lid 1 BW


Artikel 7:669 lid 3, sub e, g, en h BW


Artikel 7:673 lid 7 sub c BW


Artikel 7:686a BW


Artikel 7:671b lid 9 BW


Hoge Raad 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:193


Artikel 7:686a lid 6 BW.
Link naar deze uitspraak