|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2025:12491 | | | | | Datum uitspraak | : | 06-11-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 04-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | HAA 24/5286 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | WOZ In beroep de waarde van de woning verlaagd. Geschil PKV. Op verweerder rust de bewijslast rust aannemelijk te maken dat de aan eiser verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase geen kosten verbonden zijn. Uit het door eiser gestelde en uit de door hem overgelegde samenwerkingsovereenkomst tussen [bedrijf 1] B.V. en de gemachtigde volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser een vergoeding moet betalen aan [bedrijf 1] B.V. wanneer zijn WOZ-waarde (in beroep) wordt verminderd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder te weinig ingebracht voor de conclusie dat er op eiser geen verplichting rust of zal rusten om kosten ter zake van de in de bezwaarfase verleende rechtsbijstand te voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser recht op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase en de beroepsfase. Er is sprake van samenhangende zaken. Vergoeding van het woningwaarderapport van [bedrijf 3] € 128,26 en vergoeding griffierecht . | | Trefwoorden | : | wettelijke rente | | | woz waarde | | | woz-beschikking | | | woz-waarde | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/5286
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: D. van der Locht),
en
de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 27 december 2023.
Verweerder heeft bij beschikking van 25 februari 2023 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ), de waarde van de onroerende zaak [straatnaam] [huisnummer] in [woonplaats] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 386.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelastingen 2023 bekendgemaakt.
Verweerder heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de waarde van de woning gehandhaafd.
Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.
In beroep heeft verweerder de waarde van de woning verminderd naar € 341.000.
Bij brief van 10 oktober 2025 heeft eiser een nader stuk ingediend.
Verweerder heeft hierop gereageerd met een vooruit gezonde pleitnota.
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Op verzoek van partijen heeft de zitting digitaal plaatsgevonden via een Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Hieraan hebben deelgenomen namens eiser mr. [naam 1] , kantoorgenoot van de gemachtigde en mr. [naam 2] namens verweerder.
Feiten
1. Eiser is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. Eiser heeft zich in de bezwaarfase laten bijstaan door een gemachtigde die werkzaam is bij [bedrijf 1] B.V. In beroep wordt eiser bijgestaan door D. van der Locht, werkzaam bij [bedrijf 3] .
2. Verweerder heeft in beroep de WOZ-waarde van de woning verlaagd naar € 341.000.
De WOZ-waarde
3. Partijen zijn het erover eens geworden dat de waarde van de woning op de waardepeildatum € 341.000 bedraagt. De rechtbank ziet geen reden hierover anders te oordelen en stelt de waarde vast op € 341.000. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard.
Kostenvergoeding voor de bezwaarfase
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij slechts de kosten van rechtsbijstand voor de beroepsfase hoeft te vergoeden en niet voor de bezwaarfase. Verweerder verwijst daartoe naar de website van [bedrijf 1] B.V. waarop het volgende is vermeld: “Lukt het ons niet uw WOZ-waarde te corrigeren? Dan krijgen wij ook geen vergoeding. Goed om te weten: we brengen nooit kosten bij u in rekening”. Ook verwijst verweerder naar een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 november 2024 (ECLI:GHDHA:2024:2611) en een uitspraak van rechtbank Limburg van 18 april 2025 (ECLI: RBLIM:2025:3661) waarin volgens verweerder in een soortgelijke situatie is geoordeeld dat de proceskosten van de bezwaarfase niet voor vergoeding in aanmerking kwamen omdat nergens uit blijkt dat op eiser een verplichting zal komen te rusten om de kosten ter zake de in bezwaar verleende rechtsbijstand te voldoen. Aan eiser zijn geen kosten in rekening gebracht voor de verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase aangezien het bezwaar ongegrond is verklaard. Mocht de rechtbank hier anders over denken dan verzoekt verweerder een lagere wegingsfactor toe te passen voor de proceshandelingen. Beide gemachtigden hanteren een gestandaardiseerde werkwijze, met in vrijwel iedere procedure algemeen geformuleerde bezwaar-en beroepschriften. Conform de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 4 september 2023 (4 september 2023, RBMNE:2023:4482), verzoekt verweerder om de categorie ‘zeer licht’ (wegingsfactor 0,25) omdat er sprake is van algemeen geformuleerde en gestandaardiseerde bezwaar- en beroepsgronden. Wat betreft het ingebrachte taxatierapport, is verweerder gelet op het voorgaande primair van mening dat er geen kosten zijn gemaakt in de bezwaarfase en dus geen vergoeding noodzakelijk is. Subsidiair is hij van mening dat sprake is van matiging van de kosten voor het door gemachtigde ingebrachte taxatierapport. Het is niet aannemelijk dat de taxateur meer dan een geringe hoeveelheid tijd aan het rapport heeft besteed. Voor het Gerechtshof Den Haag (12 september 2024, ECLI:GHDHA:2024:1795) was dit aanleiding om een tijdsbesteding van 10 minuten redelijk te achten en de vergoeding voor de kosten van het taxatierapport vast te stellen op € 10,69. Dit komt neer een tijdsbesteding van 10 minuten, tegen een uurtarief van € 53,-, te vermeerderen met 21 procent BTW. Dit heeft het Hof herhaald op 26 september 2024 (GHDHA:2024:1915) en 12 december 2024 (GHDHA:2024:2368). De Rechtbank Oost-Brabant gaat bij dergelijke geautomatiseerde taxatierapporten, van een ander no- cure-no-pay-bureau, zelfs uit van een tijdsbesteding van 5 minuten (16 april 2025, SHE 24/1299). Gelet op het voorgaande verzoekt verweerder om voor de vaststelling van de vergoeding ter zake van het taxatierapport aan te knopen bij voornoemde uitspraken en deze vast te stellen op € 0,-, dan wel € 5,35.
5. Eiser stelt dat de conclusie van verweerder dat geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase dient te worden toegekend onjuist is. Hij verwijst in dit verband naar een uitspraak van rechtbank Limburg van 10 juli 2025 ROE 24/2300 en naar het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 9 januari 2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:67). Dat een andere gemachtigde de bezwaarfase heeft doorlopen, betekent niet dat daarmee zonder meer geen recht bestaat op een proceskostenvergoeding voor die fase. Eiser heeft immers ook voor de bezwaarfase een rechtsbijstandverlener ingeschakeld en daarbij afspraken gemaakt over een kostenvergoeding. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een samenwerkingsovereenkomst tussen [bedrijf 3] / [bedrijf 2] en [bedrijf 1] . In deze overeenkomst is bepaald dat, indien het beroep gegrond wordt verklaard, [bedrijf 2] B.V. een vergoeding verschuldigd is aan [bedrijf 1] B.V. voor de werkzaamheden die in de bezwaarfase zijn verricht. De hoogte van deze vergoeding is gelijk aan het deel dat op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht toerekenbaar is aan de bezwaarfase. Een relevant gedeelte van deze samenwerkingsovereenkomst heeft eiser als bijlage bij het nader stuk van 10 oktober 2025 gevoegd. Bij een gegrond beroep wordt gefactureerd nadat verweerder de proceskosten daadwerkelijk aan eiser heeft uitgekeerd. Op dat moment is eiser dus wel kosten verschuldigd, namelijk ter hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding. Deze vergoeding ziet op de volledige procesgang waaronder de bezwaarfase, de beroepsfase en het griffierecht. Nu de WOZ-waarde in beroep is verlaagd dient volgens eiser voor de proceskostenvergoeding een wegingsfactor van 1 te worden toegepast voor de beroepsfase.
6. De samenwerkingsovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:
6.1
Hoogte vergoeding
Indien [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] een lead doorstuurt van een zaak ter behandeling in
(hoger)beroep en/of cassatie is [bedrijf 2] een vergoeding aan [bedrijf 1] verschuldigd wanneer de zaak geschikt is of gegrond is verklaard.
De vergoeding is in dat geval gelijk aan het deel dat op basis van het Besluit proceskosten
bestuursrecht toerekenbaar is aan de bezwaarfase.
7. De tekst van de machtiging van [bedrijf 1] door eiser, gedagtekend 21 februari 2023 luidt als volgt:
“Ik machtig de medewerkers van [bedrijf 1] B.V. en eventueel door haar ingeschakelde derden om mij te vertegenwoordigen, voor mijn belang op te komen en in rechte op te treden in alle aangelegenheden omtrent de WOZ-beschikking 2023 voor mijn pand, waaronder de bezwaar- en (hoger)beroepsprocedure voor deze beschikking. Ook geef ik opdracht aan mijn gemeente Bergen (NH.) om de wettelijke vergoeding voor het inschakelen van juridische bijstand (proceskostenvergoeding) rechtstreeks op rekening van [bedrijf 1] over te maken zodat [bedrijf 1] haar dienst gratis aan mij kan verlenen (cessie)”
8. In het bezwaarschrift wordt vermeld, voor zover van belang:
“(Nieuwe) werkwijze [bedrijf 1]
Wij werken samen met onze collega’s bij [bedrijf 4] [bedrijf 5] [bedrijf 2] voor o.a. beroepsprocedures. Dat betekent dat zaken waarbij de uitspraak op bezwaar aanleiding geeft tot een beroepsprocedure, deze door een van deze partijen wordt gevoerd”.
9. Voor de beroepsfase is sprake van een ‘doormachtiging’, gedagtekend 28 juni 2023, waarin wordt vermeld:
“Ondergetekende [naam 3] , in dit verband handelend in hoedanigheid
van rechtsgeldig vertegenwoordiger van [bedrijf 1] B.V. te Amsterdam,
verklaart bij deze volmacht te verlenen aan en te machtigen de heer D.W.P.J. van der Locht dan wel ieder andere medewerker werkzaam bij [bedrijf 2] B.V., om op basis van de eerder door belastingplichtige afgegeven machtiging aan [bedrijf 1] B.V., de (hoger)beroepsprocedure te voeren aangaande het door [bedrijf 1] B.V.
behandelde bezwaar voor het belastingjaar 2023, onder welke werkzaamheden in
ieder geval dienen te worden verstaan:
1. beroep en/of hoger beroep in te stellen, te verschijnen, ter zake het woord te voeren en alle processuele handelingen te verrichten, welke de lasthebber noodzakelijk, nuttig of wenselijk voorkomen;
2. al datgene te verrichten wat ondergetekenden, zelf tegenwoordig zijnde, zouden mogen, moeten of kunnen doen, behoudens de gevallen waarin ingevolge wettelijk voorschrift of bevel van de rechter de persoonlijke verschijning van de lastgevers wordt vereist dan wel overlegging van een bijzondere volmacht voorgeschreven is. Hierbij wordt tevens de eerder door belastingplichtige bij voorbaat gecedeerde vordering uit hoofde van eventueel te ontvangen proceskostenvergoedingen overgedragen aan [bedrijf 2] B.V”.
Beoordeling door de rechtbank
10. Uit voorgenoemde uitspraken leidt de rechtbank af dat op verweerder de bewijslast rust aannemelijk te maken dat de aan eiser verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase geen kosten verbonden zijn. Uit het door eiser gestelde en uit de door hem overgelegde samenwerkingsovereenkomst tussen [bedrijf 1] B.V. en de gemachtigde volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser een vergoeding moet betalen aan [bedrijf 1] B.V. wanneer zijn WOZ-waarde (in beroep) wordt verminderd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder te weinig ingebracht voor de conclusie dat er op eiser geen verplichting rust of zal rusten om kosten ter zake van de in de bezwaarfase verleende rechtsbijstand te voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser recht op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
11. Nu de waarde van de woning in beroep is verminderd is het beroep gegrond, zal de uitspraak op bezwaar worden vernietigd en zullen de waardebeschikking en de aanslag worden herroepen.
12. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser in bezwaar en in beroep.
13. Zoals ter zitting bevestigd door de gemachtigde van eiser wordt onderhavige zaak bij de veroordeling van de proceskosten door de rechtbank aangemerkt als samenhangende zaak in de zin van artikel 3, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) met de procedures met de kenmerken HAA 24/4682, HAA 24/3255, HAA 24/4527, HAA 24/5072 en HAA 24/4628.
14. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 368,28 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 0,75 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 647 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907). De rechtbank hanteert daarbij een wegingsfactor van 0,5 (licht gewicht), omdat de waardering van woningen op grond van de Wet WOZ tot de categorie ‘licht’ behoort en een factor 1,5 wegens samenhang. Toegekend wordt € 368,28.
15. Eiser heeft verzocht om vergoeding van het woningwaarderapport van [bedrijf 3] ten bedrage van € 128,26. De rechtbank ziet aanleiding tot vergoeding van het rapport. Het is echter niet aannemelijk dat de taxateur van [bedrijf 3] meer dan een geringe hoeveelheid tijd aan het rapport heeft besteed. De rechtbank stelt de vergoeding voor de kosten van het woningwaarderapport daarom vast op (afgerond) € 10,69 (1/6 uur x € 53 te vermeerderen met 21% BTW) omdat zij een tijdsbesteding van tien minuten redelijk acht (vgl. ECLI:NL:RBDHA:2024:2368, ECLI:NL:HR:2025:933 en ECLI:NL:HR:2025:661).
16. Nu het beroep gegrond wordt verklaard dient verweerder tevens het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden ten bedrage van € 51.
17. Op grond van artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ moeten de te vergoeden bedragen voor proceskosten en griffierecht worden betaald op een bankrekening op naam van eiser.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- wijzigt de beschikking aldus dat de vastgestelde waarde wordt verminderd tot € 341.000;
- vermindert de aanslag onroerendezaakbelasting tot een berekend naar een waarde van € 341.000;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 368,25;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank, tot aan de dag van algehele voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van N.E. Joacim, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|