|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2025:15473 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 13-01-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | 11778063 25-4284 | | Rechtsgebied | : | Arbeidsrecht | | Indicatie | : | Verzetzaak. Een werknemer heeft een eigen restaurant geopend, kort nadat zijn arbeidsovereenkomst op grond van een vaststellingsovereenkomst was geëindigd. De kantonrechter is van oordeel dat de vaststellingsovereenkomst niet onder invloed van bedrog dan wel dwaling tot stand is gekomen. De buitengerechtelijke (gedeeltelijke) vernietiging van de vaststellingsovereenkomst door de werkgever is daarom niet rechtsgeldig. Van een rechtsgeldige opzegging door de werknemer zelf is ook geen sprake. De werkgever moet de vaststellingsovereenkomst nakomen. De door de werkgever gevorderde schadevergoeding, bestaande uit loon tijdens de ziekteperiode van de werknemer, wordt afgewezen. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | huurovereenkomst | | | uitkering | | | vaststellingsovereenkomst | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11778063 \ CV EXPL 25-4284
Vonnis in verzet van 24 december 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats],
de eisende partij in het verzet,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. M.F. van der Sleen,
[toevoeging met nr: 4QT3302]
tegen
BASTION HOTELGROEP B.V.,
te Utrecht,
de gedaagde partij in het verzet,
hierna te noemen: Bastion ,
gemachtigde: mr. F.L. Bakker.
De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om een werknemer die een eigen restaurant heeft geopend, kort nadat zijn arbeidsovereenkomst op grond van een vaststellingsovereenkomst was geëindigd. De kantonrechter is van oordeel dat de vaststellingsovereenkomst niet onder invloed van bedrog dan wel dwaling tot stand is gekomen. De buitengerechtelijke (gedeeltelijke) vernietiging van de vaststellingsovereenkomst is daarom niet rechtsgeldig. Van een rechtsgeldige opzegging door de werknemer zelf is ook geen sprake. De werkgever moet de vaststellingsovereenkomst nakomen. De door de werkgever gevorderde schadevergoeding, bestaande uit loon tijdens de ziekteperiode van de werknemer, wordt afgewezen.
1De procedure
1.1.
Bastion heeft bij inleidende dagvaarding van 25 maart 2025 een vordering ingesteld tegen [eiser]. [eiser] is niet verschenen, waarna [eiser] bij verstekvonnis van 21 mei 2025 (gedeeltelijk) is veroordeeld.
1.2.
Bij dagvaarding van 19 juni 2025 is [eiser] in verzet gekomen van dat verstekvonnis.
1.3.
Op 27 november 2025 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht, waarbij beide partijen gebruik hebben gemaakt van pleitaantekeningen.
2De feiten
2.1.
[eiser] is op 7 september 2020 in dienst getreden bij Bastion. [eiser] was laatstelijk werkzaam als Assistent Hotel Manager, tegen een salaris van
€ 2.544,02 bruto per maand, exclusief vakantiegeld.
2.2.
Op 16 augustus 2023 heeft [eiser] zijn eenmanszaak, een restaurant, ingeschreven in het Handelsregister.
2.3.
Op 12 oktober 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en de hotelmanager, mw. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), waarin [eiser] is aangesproken op zijn houding en gedrag richting collega’s.
2.4.
Op 18 oktober 2023 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden waarin het functioneren van [eiser] als onvoldoende is beoordeeld. Daartegen heeft [eiser] bezwaar gemaakt.
2.5.
Eind oktober/begin november 2023 is [eiser] met toestemming van Bastion naar zijn ouders in Syrië gereisd. [eiser] keerde later terug dan de afgesproken veertien dagen, omdat hij naar eigen zeggen ziek was. Bastion heeft daarop het loon tijdelijk opgeschort, waarna de betaling na discussie is hervat.
2.6.
Op 30 oktober 2023 heeft Bastion aan [eiser] meegedeeld dat de beoordeling niet wordt aangepast, dat [eiser] niet langer de mogelijkheid krijgt om door te groeien binnen Bastion en dat bij ieder volgend incident een officiële waarschuwing volgt, die kan leiden tot een ontslag op staande voet.
2.7.
Op 14 november 2023 heeft [eiser] zich ziekgemeld en sindsdien is hij langdurig uitgevallen.
2.8.
Op 16 april 2024 heeft Bastion in een e-mail een werkhervattingsplan gestuurd naar [eiser], wat op 12 april 2024 met [eiser] is besproken. In dezelfde e-mail staat dat aan [eiser] is gevraagd om alvast te gaan nadenken over zijn toekomst binnen Bastion na volledig herstel.
2.9.
Op 10 juni 2024 hebben [eiser] en Bastion een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2024 met wederzijds goedvinden werd beëindigd. In de vaststellingsovereenkomst zijn partijen onder meer overeengekomen:
“1. (…) Aan werknemer zal een beëindigingsvergoeding worden voldaan van € 4.000,00 bruto. (…)
2. Werknemer is vanaf datum ondertekening van deze Overeenkomst vrijgesteld voor het verrichten van werkzaamheden met behoud van salaris € 2.544,02 bruto. Werkgever zal het salaris onverkort doorbetalen tot de Einddatum.
(…)
7. Werkgever vergoedt de advocaatkosten van Werknemer tot maximaal het bedrag van €750,= exclusief BTW maar inclusief kantoorkosten. (…)
(…)
9. Werknemer is op het moment van ondertekenen van deze overeenkomst niet arbeidsongeschikt en heeft ook niet de intentie zich ziek te melden. (…)"
(…)
12. Beide partijen hebben bij de totstandkoming van deze overeenkomst alle voor hen relevante onderwerpen ter sprake gebracht en erkennen dat er tussen hen verder niets meer te regelen is. Behoudens de afspraken zoals vastgelegd in de onderhavige vaststellingsovereenkomst, bestaan er tussen partijen geen andere afspraken en/of overeenkomsten meer, althans deze afspraken en/of overeenkomsten worden te niet gedaan met deze vaststellingsovereenkomst, die bedoelt afspraken om te komen tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst uitputtend te regelen.
Met inachtneming en na uitvoering van het in deze overeenkomst bepaalde, zullen partijen dan ook over en weer algeheel en finaal jegens elkander gekweten zijn en zullen zij niets meer van elkaar te vorderen hebben, noch uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, noch uit hoofde van de uitvoering en de beëindiging daarvan, noch uit welken anderen hoofde ook. (…)”
2.10.
Op 17 juni 2024 stond een artikel in de IJmuider Courant met als titel: “Steakhouse vestigt zich aan Plein 1945, horecaplein komt zo dichterbij”. In het artikel staat vermeld dat het restaurant een project van [eiser] betreft.
2.11.
Op 19 juni 2024 heeft mw. [betrokkene 2], HR manager (hierna: [betrokkene 2]) uitgenodigd op het hoofdkantoor in Utrecht om [eiser] te confronteren met het krantenartikel. In dat gesprek heeft zij aangegeven af te zien van de vaststellingsovereenkomst, omdat [eiser] onjuiste informatie aan haar had verstrekt.
Tijdens dit gesprek heeft [eiser] de tekst: “Ik wil stoppen bij Bastion Hotels per 01-07-2024” op een briefje geschreven en dit briefje ondertekend.
2.12.
Diezelfde middag heeft [eiser] in een e-mail aan [betrokkene 2] aangegeven dat hij zich gedwongen voelde om ontslag te nemen en dat de bedrijfsarts hem arbeidsongeschikt acht.
2.13.
Op 5 augustus 2024 is het restaurant van [eiser] geopend, nadat de gemeente Velsen op 1 augustus 2024 de daarvoor benodigde exploitatievergunning had verleend.
2.14.
Op 3 oktober 2024 heeft Bastion de vaststellingsovereenkomst gedeeltelijk vernietigd wegens bedrog dan wel dwaling, voor het gedeelte van de vaststellingsovereenkomst waaruit volgt dat Bastion enige betaling aan [eiser] moet verrichten. Volgens Bastion had [eiser] tijdens de onderhandelingen over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst moeten meedelen dat hij een restaurant aan het opzetten was dan wel had opgezet, waarmee [eiser] concreet uitzicht had op ander werk.
2.15.
[eiser] is vervolgens een kortgedingprocedure gestart, waarin hij nakoming van de vaststellingsovereenkomst heeft gevorderd.
2.16.
Bij kortgedingvonnis van 23 oktober 2024 is de vordering van [eiser] toegewezen, omdat aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de (gedeeltelijke) vernietiging niet gerechtvaardigd was gedaan en deze geen rechtsgevolg heeft gehad.
2.17.
Bastion heeft aan [eiser] betaald waartoe zij is veroordeeld in kort geding.
3De vordering en het verweer
3.1.
Bastion heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd om [eiser] te veroordelen om aan Bastion terug te betalen al hetgeen zij uit hoofde van het kortgedingvonnis van 23 oktober 2024 aan [eiser] heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft Bastion gevorderd om [eiser] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 18.448,39 bruto aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente, en een veroordeling in de proceskosten.
3.2.
Bastion heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat de vaststellingsovereenkomst onder invloed van bedrog dan wel dwaling tot stand is gekomen. [eiser] had Bastion moeten informeren over het feit dat hij concreet zicht had op de exploitatie van een eigen restaurant. Dit heeft hij niet gedaan. Bastion heeft de vaststellingsovereenkomst daarom terecht buitengerechtelijk (gedeeltelijk) vernietigd. [eiser] kan aan de vaststellingsovereenkomst geen recht op betaling ontlenen. Daarnaast stelt Bastion zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2024 is geëindigd door de opzegging van [eiser] op 19 juni 2024. Als wordt geoordeeld dat deze opzegging door [eiser] niet rechtsgeldig was, is de arbeidsovereenkomst volgens Bastion geëindigd met ingang van 1 augustus 2024 op grond van het niet-vernietigde deel van de vaststellingsovereenkomst. Daarnaast meent Bastion dat zij recht heeft op een schadevergoeding wegens wanprestatie, bestaande uit het salaris vanaf datum ziekmelding tot aan de einddatum van de arbeidsovereenkomst. Volgens Bastion heeft [eiser] de periode waarin hij arbeidsongeschikt was gebruikt om zijn restaurant op te zetten, terwijl hij volgens de bedrijfsarts niet geschikt was voor zijn eigen en ander werk. [eiser] had melding moeten doen van deze werkzaamheden en door dat niet te doen heeft Bastion schade geleden. Als Bastion hiervan op de hoogte was geweest, had zij de salarisbetaling gestaakt dan wel [eiser] op staande voet ontslagen, aldus Bastion.
3.3.
In het verstekvonnis zijn de vorderingen van Bastion toegewezen, behoudens de gevorderde schadevergoeding.
3.4.
[eiser] vordert, in de verzetdagvaarding, ontheffing van de veroordeling en afwijzing van de oorspronkelijke vordering. Daarnaast vordert [eiser] een volledige proceskostenveroordeling. [eiser] voert daartoe aan dat Bastion ten onrechte stelt dat sprake is van bedrog dan wel dwaling, op grond waarvan zij meent de vaststellingsovereenkomst (gedeeltelijk) buitengerechtelijk te hebben vernietigd. Er is geen sprake van een door [eiser] gegeven onjuiste voorstelling van zaken. Bastion is daarom gehouden tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst. Er is volgens [eiser] geen sprake van een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst op 19 juni 2024. Tot slot bestaat er geen grond voor toekenning van een schadevergoeding.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] te laat in verzet is gekomen, zodat [eiser] ontvankelijk is in het verzet.
Er is geen sprake van een rechtsgeldige opzegging door [eiser]
4.2.
Allereerst moet de vraag worden beantwoord of de arbeidsovereenkomst van [eiser] rechtsgeldig is geëindigd door een opzegging door [eiser] zelf.
4.3.
Vooropgesteld wordt dat aan een opzegging door een werknemer strenge eisen worden gesteld. Van een rechtsgeldige opzegging is slechts sprake indien deze is gedaan op een duidelijke en ondubbelzinnige wijze, waaruit blijkt dat de werknemer de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk en weloverwogen wenst te beëindigen. Daarbij rust op de werkgever de verplichting zich ervan te vergewissen dat de werknemer zijn wil in vrijheid heeft gevormd en zich bewust is van de gevolgen van een dergelijke opzegging.
4.4.
Vaststaat dat [eiser] op 19 juni 2024 is uitgenodigd voor een gesprek met [betrokkene 2], omdat zij hem wilde confronteren met een krantenartikel waarin wordt vermeld dat [eiser] voornemens zou zijn een eigen restaurant te openen. Verder staat vast dat dit gesprek heeft geleid tot een door [eiser] handgeschreven verklaring op een briefje, inhoudende dat hij per 1 juli 2024 uit dienst gaat. Tot slot staat vast dat hij diezelfde dag nog per e-mail aan Bastion heeft laten weten dat hij zich gedwongen voelde om ontslag te nemen. Tijdens de zitting heeft [eiser] verklaard dat hij tijdens het gesprek op 19 juni 2024 onder druk is gezet om op te zeggen. Volgens [eiser] heeft [betrokkene 2] daarbij gezegd dat hij het reeds ontvangen loon tijdens zijn ziekteperiode zou moeten terugbetalen, dan wel dat zijn salaris zou worden stopgezet indien hij zijn arbeidsovereenkomst niet zou opzeggen. [eiser] heeft voorts verklaard dat [betrokkene 2] deze mededelingen kracht bijzette met handgebaren, waaronder het met de vuist op tafel slaan. Bastion heeft deze gang van zaken onvoldoende (gemotiveerd) weersproken.
4.5.
Gelet op deze omstandigheden lijkt het er veeleer op dat de verklaring van [eiser] niet het resultaat is geweest van een eigen, vrije en weloverwogen beslissing, maar tot stand is gekomen onder druk van Bastion. In dat licht kan aan het handgeschreven briefje niet de betekenis worden toegekend van een ondubbelzinnige en duidelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst door [eiser].
4.6.
Daarbij komt dat Bastion [eiser] niet heeft gewezen op de ingrijpende gevolgen van een eigen opzegging, zoals het verlies van aanspraak op loon en een eventuele uitkering. Dit bevestigt het oordeel dat van een rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door opzegging door [eiser] geen sprake is.
Er is geen sprake van bedrog dan wel dwaling
4.7.
De vraag die vervolgens voorligt, is of Bastion de vaststellingsovereenkomst die partijen op 10 juni 2024 hebben gesloten, terecht op 3 oktober 2024 gedeeltelijk buitengerechtelijk heeft vernietigd wegens bedrog dan wel dwaling.
4.8.
Een vaststellingsovereenkomst heeft als doel om een geschil tussen partijen af te wikkelen of toekomstige geschillen te voorkomen door de rechten en verplichtingen van partijen duidelijk vast te leggen. Het sluiten van een dergelijke overeenkomst biedt partijen rechtszekerheid en voorkomt dat zij in een later stadium opnieuw over dezelfde kwesties in discussie raken. Een beroep op bedrog of dwaling met betrekking tot het sluiten van een vaststellingsovereenkomst moet met terughoudendheid worden beoordeeld. Slechts wanneer duidelijk is dat een wilsgebrek aanwezig is, kan tot vernietiging van de overeenkomst worden overgegaan.
4.9.
Bastion stelt dat in dit geval op [eiser] een zelfstandige mededelingsplicht rustte, omdat hij tijdens de onderhandelingen over het einde van de arbeidsovereenkomst concreet uitzicht had op ander werk, te weten het opstarten van een eigen restaurant. Volgens Bastion had [eiser] dit moeten melden, omdat dit informatie betreft die van wezenlijk belang zou zijn voor de beslissing van Bastion om de vaststellingsovereenkomst aan te gaan. [eiser] betwist dat op hem een dergelijke mededelingsplicht rustte. Ook betwist [eiser] dat Bastion bij een juiste voorstelling van zaken de vaststellingsovereenkomst niet zou zijn aangegaan.
4.10.
In beginsel geldt dat partijen bij onderhandelingen zelf verantwoordelijk zijn voor het vergaren van informatie die zij nodig achten. Een werknemer heeft slechts een zelfstandige mededelingsplicht als sprake is van een concreet en op details uitgewerkt aanbod tot het aangaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst. Daaronder kan ook vallen een concreet en vergevorderd plan voor het starten van een eigen onderneming.
4.11.
De kantonrechter is van oordeel dat op [eiser] tijdens de onderhandelingen over en het sluiten van de vaststellingsovereenkomst geen zelfstandige mededelingsplicht rustte om Bastion te informeren over de stand van zaken rondom zijn plannen om (samen met zijn neef) een eigen restaurant te openen. Voor dat oordeel zijn de volgende omstandigheden van belang.
4.12.
Allereerst is vast komen te staan dat Bastion vóór het aangaan van de vaststellingsovereenkomst op de hoogte was van het voornemen van [eiser] om in de toekomst een eigen restaurant te openen. [eiser] heeft aangevoerd dat meerdere personen binnen Bastion hier al in 2023 van wisten en dat [betrokkene 1], de hotelmanager, hem zelfs heeft geholpen met het opstellen van een ondernemersplan. Bastion heeft deze stelling slechts bij gebrek aan wetenschap weersproken. Dat komt voor haar rekening en risico, nu zij dit eenvoudig had kunnen navragen bij de hotelmanager. Bastion heeft tijdens de onderhandelingen niet gevraagd naar het al dan niet bestaan van concreet uitzicht op ander werk of naar de voortgang van de plannen van [eiser]. Gelet op het feit dat Bastion wist dat [eiser] (toekomst)plannen had om een eigen restaurant te openen, had het op haar weg gelegen hierover gerichte vragen te stellen. Dat de persoon die namens Bastion met [eiser] onderhandelde ([betrokkene 2]) niet op de hoogte was van deze plannen, kan [eiser] niet worden tegengeworpen.
4.13.
Daarnaast is van belang dat partijen van mening verschillen over de vraag wie het initiatief tot beëindiging van het dienstverband heeft genomen. Uit de overgelegde WhatsApp-correspondentie (productie 9 bij inleidende dagvaarding) kan niet worden afgeleid dat dit initiatief bij [eiser] lag, zoals Bastion heeft aangevoerd. [eiser] heeft verklaard dat voorafgaand aan deze correspondentie een gesprek heeft plaatsgevonden met de regiomanager van Bastion, waarin zij het onderwerp van een vaststellingsovereenkomst heeft ingebracht. Hoewel op basis van de stukken niet met zekerheid kan worden vastgesteld wie het initiatief heeft genomen, is het door [eiser] geschetste beeld dat dit bij Bastion lag, op grond van de hierna te bespreken gang van zaken niet meteen onaannemelijk.
4.14.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt namelijk dat Bastion al geruime tijd vóór het sluiten van de vaststellingsovereenkomst geen toekomst meer zag voor [eiser] binnen de organisatie. Zo heeft Bastion op 30 oktober 2023 aan [eiser] meegedeeld, na een negatieve beoordeling, geen doorgroeimogelijkheden meer te zien en is [eiser] op 12 april 2024 verzocht na te denken over zijn toekomst binnen Bastion na zijn herstel. Ter zitting heeft Bastion bovendien uitdrukkelijk verklaard dat zij ten tijde van het aanbieden van de vaststellingsovereenkomst geen toekomstmogelijkheden meer zag voor [eiser] en het vertrouwen in [eiser] had verloren, met name door zijn houding en gedrag richting andere collega’s en de gebeurtenissen rondom zijn te late terugkeer uit Syrië in november 2023. Deze omstandigheden wijzen erop dat Bastion zelf een zelfstandig belang had bij beëindiging van het dienstverband.
4.15.
Tot slot is van belang dat niet precies is komen vast te staan in welk stadium de plannen voor het openen van het restaurant zich bevonden ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Weliswaar kan worden vastgesteld dat er al serieuze stappen waren gezet richting het realiseren van een eigen onderneming (samen met zijn neef), maar vaststaat dat de vergunning pas op 1 augustus 2024 is verleend.
4.16.
Tegen deze achtergrond kan niet worden geconcludeerd dat op [eiser] een zelfstandige mededelingsplicht rustte en dat Bastion de vaststellingsovereenkomst niet zou hebben gesloten indien zij volledig op de hoogte was geweest van de voortgang van de restaurantplannen. Van bedrog of dwaling is dan ook geen sprake.
4.17.
Dit betekent dat Bastion de vaststellingsovereenkomst ten onrechte gedeeltelijk buitengerechtelijk heeft vernietigd. Bastion dient de vaststellingsovereenkomst van 10 juni 2024 dan ook na te komen.
Bastion heeft geen recht op een schadevergoeding
4.18.
Bastion vordert van [eiser] een schadevergoeding, bestaande uit het loon over de periode van datum ziekmelding tot het einde van het dienstverband. Bastion stelt dat zij schade heeft geleden omdat [eiser] gedurende zijn ziekteperiode werkzaamheden heeft verricht in verband met de voorbereiding van het openen van zijn eigen restaurant, zonder dit aan Bastion te melden. Volgens Bastion is [eiser] dit verplicht op grond van de NHG-cao, de re-integratieverplichtingen en de algemene plicht tot goed werknemerschap. Volgens Bastion zou zij, indien zij hiervan op de hoogte was geweest, [eiser] op staande voet hebben ontslagen of het loon hebben gestaakt. Bastion vordert daarom vergoeding van het door haar gestelde schadebedrag. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft Bastion verwezen naar diverse stukken van de bedrijfsarts, waaronder de probleemanalyse van 4 januari 2024, die heeft geoordeeld dat [eiser] gelet op zijn beperkingen niet geschikt was voor zijn eigen en ander werk.
4.19.
[eiser] heeft weersproken dat hij tijdens zijn ziekteperiode zelf (structureel) werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van het restaurant. Volgens [eiser] heeft hij het ondernemersplan (met medeweten van Bastion, zie r.o. 4.12) opgesteld voordat hij arbeidsongeschikt werd. De overige voorbereidingen begonnen pas vanaf het aangaan van de huurovereenkomst van het pand eind mei, waarvan zijn neef het leeuwendeel heeft gedaan. Op de zitting heeft [eiser] verklaard dat hij de verbouwingswerkzaamheden heeft uitbesteed. Desgevraagd heeft hij verklaard alleen de vergunning te hebben aangevraagd en het huurcontract te hebben ondertekend. De kantonrechter is van oordeel dat Bastion, in reactie op de gemotiveerde betwisting door [eiser], onvoldoende heeft aangetoond dat [eiser] daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht die niet waren te verenigen met de door de bedrijfsarts vastgestelde beperkingen. Dat sprake was van structureel en/of (in relatie tot zijn beperkingen te) zwaar werk dat het herstel van [eiser] belemmerde is onvoldoende gebleken. Het verzoek tot terugbetaling van het betaalde loon tijdens arbeidsongeschiktheid zal daarom worden afgewezen.
Conclusie
4.20.
De conclusie is dat het verzet gegrond is. Het verstekvonnis kan dan ook niet in stand blijven. De oorspronkelijke vordering van Bastion zal, voor zover dat al niet was gebeurd, alsnog worden afgewezen.
Geen volledige proceskostenveroordeling
4.21.
[eiser] heeft verzocht om Bastion te veroordelen in de volledige proceskosten. Daartoe voert [eiser] aan dat Bastion in het kortgedingvonnis is veroordeeld tot betaling voortvloeiende uit de vaststellingsovereenkomst, welke betaling vervolgens zonder voorbehoud is verricht, en dat hij daarna is gedagvaard zonder hiervan vooraf op de hoogte te zijn gesteld. Volgens [eiser] is daarmee sprake van rauwelijks dagvaarden en, mede gelet op de proceshouding van Bastion, misbruik van procesrecht.
4.22.
De kantonrechter overweegt dat voor een volledige proceskostenveroordeling slechts plaats is indien sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen. Daarvan is onder meer sprake indien een vordering wordt ingesteld terwijl op voorhand evident is dat deze ongegrond is, of indien wordt geprocedeerd op een wijze die in strijd is met de eisen van een behoorlijke procesorde.
4.23.
De kantonrechter is van oordeel dat deze hoge lat in dit geval niet wordt gehaald. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat geen sprake is van een evidente ongegrondheid van de door Bastion ingestelde schadevergoeding, zoals [eiser] stelt. Dat Bastion de betaling heeft verricht zonder voorbehoud en [eiser] vervolgens heeft gedagvaard zonder voorafgaande aankondiging, is onvoldoende om te concluderen dat sprake is van misbruik van procesrecht. Daarbij weegt tevens mee dat Bastion het verstekvonnis niet heeft geëxecuteerd.
4.24.
Het verzoek van [eiser] tot veroordeling van Bastion in de volledige proceskosten zal daarom worden afgewezen.
4.25.
Omdat Bastion ongelijk krijgt, zal zij overeenkomstig het liquidatietarief in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Bastion niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
Totaal
€
947,00
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
verklaart het verzet gegrond en vernietigt het op 21 mei 2025 onder zaaknummer 11628004 CV EXPL 25-2192 gewezen verstekvonnis,
en opnieuw rechtdoende:
5.2.
wijst de vordering van Bastion af,
5.2.
veroordeelt Bastion tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [eiser] worden vastgesteld op een bedrag van € 947,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|