|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2026:14332 | | | | | Datum uitspraak | : | 14-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 06-11-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | C/15/372776/ HA ZA 25-799 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Waren de onderhandelingen tussen partijen over de overdracht van het bedrijf van gedaagden aan eisers al zo ver gevorderd dat de gemaakte afspraken moeten worden nagekomen? De rechtbank is van oordeel dat partijen nog geen overeenstemming hadden over alle belangrijke punten van de overeenkomst, zij verschilende bijvoorbeeld over de overnamesom. De vordering van eisers tot nakoming van de gemaakte afspraken wordt afgewezen. Ook wordt de vordering afgewezen dat gedaagden een vergoeding moeten betalen voor de door eisers in het bedrijf verrichte werkzaamheden. De werkzaamheden van eiseres sub 2 zijn al afgerekend. Voor het vergoeden van werkzaamheden van eiser sub 1 is geen grond. | | Trefwoorden | : | veestapel | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/372776 / HA ZA 25-799
Vonnis van 14 oktober 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
1 [eiser sub 1] ,
hierna te noemen: [eiser sub 1] ,2. [eiseres sub 2],
hierna te noemen: [eiseres sub 2] ,
beiden te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. R.A.M. Schram,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,2. [gedaagde sub 2],
beiden te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. H.M. van Eerten.
De zaak in het kort
[eisers] en [gedaagden] hebben overleg met elkaar gehad over de overdracht van het bedrijf van [gedaagden] aan [eisers] Dit overleg is afgebroken omdat partijen van mening verschillen over de door [eisers] te betalen overnamesom voor het bedrijf. In deze procedure stellen [eisers] dat partijen overeenstemming hadden over alle belangrijke punten van de overeenkomst. [eisers] vorderen daarom dat [gedaagden] de gemaakte afspraken moeten nakomen. Als die vordering niet kan worden toegewezen, vorderen [eisers] dat [gedaagden] een vergoeding voor de door [eisers] in het bedrijf verrichte werkzaamheden moeten betalen. De rechtbank wijst beide vorderingen af. Er is tussen partijen geen overeenkomst tot stand gekomen over de overdracht van het bedrijf aan [eisers] Over de vergoeding die [eisers] vorderen, beslist de rechtbank dat de werkzaamheden van [eiseres sub 2] al zijn afgerekend. Dat zij meer uur heeft gewerkt dan is afgerekend, blijkt niet. Voor het vergoeden van werkzaamheden van [eiser sub 1] is geen grond.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding (met producties 1 tot en met 11),
de conclusie van antwoord (met producties 1 tot en met 3),
het tussenvonnis van 11 maart 2026,
bericht van 5 september 2026 namens [eisers] (met productie),
de akte inbreng aanvullende producties van 11 september 2026 namens [gedaagde sub 1] (met producties 4 tot en met 10),
de mondelinge behandeling van 23 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mrs. Schram en Van Eerten hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij tijdens de mondelinge behandeling aan de rechtbank hebben overgelegd en die daarmee onderdeel zijn geworden van de processtukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagden] exploiteren een melk- en pluimveebedrijf (hierna: het bedrijf) door middel van een maatschap met de naam [maatschap] . Zij hebben twee volwassen dochters, [dochter 1] en [dochter 2] . Met het oog op de fiscale gevolgen van het toekomstige overdracht van het bedrijf aan een derde, zijn [dochter 1] en [dochter 2] sinds 1 januari 2021 tot de maatschap en dus tot het bedrijf toegetreden.
2.2.
[eisers] komen uit hetzelfde dorp als [gedaagden] [eiser sub 1] heeft in het verleden stage gelopen bij [gedaagde sub 1] .
2.3.
Vanaf de zomer van 2021 hebben partijen overleg met elkaar gevoerd over overdracht van het bedrijf aan [eisers] Eind 2021 hebben [gedaagden] aan [eisers] meegedeeld deze overdracht zodanig vorm te willen geven dat dit voor hen en hun dochters fiscaal gezien zo gunstig mogelijk zou zijn. Dit kan door gebruik te maken van de bedrijfsopvolgingsregeling (de zogenaamde BOR).
2.4.
Partijen hebben afgesproken dat [eiseres sub 2] vanaf januari 2023 op ZZP-basis tegen een uurtarief van € 27,50 binnen het bedrijf zal gaan werken. Vanaf 2023 heeft [eiser sub 1] ook activiteiten binnen het bedrijf ontplooid om het bedrijf beter te leren kennen.
2.5.
De adviseur van [gedaagden] heeft naar aanleiding van een gesprek tussen partijen op 19 juli 2023 een memo (Memo I) opgesteld met als titel “Denkrichting overname [maatschap] door [eiser sub 1] en [eiseres sub 2]” (opmerking rechtbank: [eisers] ). [eisers] hebben memo I verder uitgewerkt en daarin een aantal vragen opgenomen. Deze memo (Memo II) hebben [eisers] aan [gedaagden] en hun adviseur gezonden. Naar aanleiding van de beantwoordde vragen hebben [eisers] Memo II geüpdatet. Deze versie van de memo (Memo III) hebben [eisers] aan [gedaagden] en hun adviseur gezonden. In Memo III is (onder andere) het volgende opgenomen:
´Na 01/01/2025 gaan [eiser sub 1] , [eiseres sub 2] , [dochter 1] en [dochter 2] verder tot en met 31/12/2029 waarna [dochter 1] en [dochter 2] hun deel geruisloos overdoen aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] waar een overname som tegen overstaat van €6.5000.000.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] nemen de schulden over (verwachting €3.500.000) en dan blijft er €3.000.000 over wat aan [dochter 1] en [dochter 2] betaald moet worden of op een andere manier wordt dit beschikbaar gesteld aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . In Theorie is het belangrijk te weten dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] het bedrijf geruisloos overnemen.
Inclusief:
Belastingclaim over 650k – claim op grond
Grond
Gebouwen
Machines/ inventaris
Veestapel
Voorraden
Vorderingen
Productierechten
Overige belastingclaims (productierechten, inventaris, gebouwen, etc)’
2.6.
Op 26 september 2024 hebben partijen en [dochter 1] en [dochter 2] een voorovereenkomst ondertekend. Partijen bij de voorovereenkomst verklaren in deze voorovereenkomst ‘per 1 januari 2024 met elkaar in ieder geval het volgende te zijn overeengekomen ten aanzien van de tussen hen overeengekomen onderneming:
De onderneming heeft ten doel het gezamenlijk en voor gemeenschappelijke rekening uitoefenen van een melk- en pluimveebedrijf en het ondernemen van alles wat daarmee verband houdt, zulks in de meest uitgebreide zin van het woord.
De onderneming heeft een aanvang genomen op 1 januari 2024 en vanaf deze datum zijn alle handelingen door de ondergetekenden verricht binnen het doel van de onderneming, verricht voor rekening van de onderneming.
De winstverdeling zal in de definitieve samenwerkingsovereenkomst nader verdeeld worden.
Het bestuur van de onderneming is opgedragen aan de vennoten. In de definitieve samenwerkingsovereenkomst zal het bestuur nader verdeeld worden.
De onderneming van de vennoten sub 1, sub 2, sub 3 en sub 4 (rechtbank: [gedaagden] en de dochters van [gedaagde sub 1] ) zal (deels) worden ingebracht in de nieuwe onderneming.
Indien de onderneming op 1 mei 2025 nog niet tot stand is gekomen, zal (behoudens verlenging) deze verklaring worden geacht van rechtswege te zijn vernietigd.’
2.7.
Tijdens een bespreking op 28 november 2024 bleek dat partijen een verschil van mening hadden over de hoogte van de overnamesom voor het bedrijf. Volgens [eisers] was het de bedoeling dat zij activa van het bedrijf zouden overnemen samen met de schuld van 3,5 miljoen euro en dat zij daarvoor dan 3 miljoen euro zouden betalen. Volgens [gedaagde sub 1] zouden [eisers] de activa en de betreffende schuld overnemen en daarbij nog 6,5 miljoen euro betalen. De bespreking is vervolgens afgebroken en partijen hebben daarna geen overeenstemming meer weten te bereiken.
2.8.
Op 23 januari 2025 hebben [gedaagden] een bedrag van € 27.104,69 en op 24 februari 2025 een bedrag van € 900,- aan [eisers] betaald in verband met de door [eiseres sub 2] verrichte werkzaamheden in het bedrijf in 2024.
2.9.
Bij brief van 10 maart 2025 hebben [eisers] [gedaagden] gesommeerd de afspraken na te komen en mee te werken aan overdracht van het bedrijf tegen een koopsom van € 6.500.000,-.
3Het geschil
3.1.
[eisers] vorderen – samengevat – bij vonnis
primair [gedaagden] te veroordelen tot nakoming van de gemaakte afspraken en medewerking te verlenen aan de overdracht aan [eisers] van het bedrijf en de hierbij behorende activa, zoals omschreven in paragraaf 21 van de dagvaarding, op straffe van een dwangsom,
subsidiair
[gedaagden] te veroordelen om op basis van de gemaakte afspraken nader in overleg te treden met (zo begrijpt de rechtbank) [eisers] en zo nodig (voor zover er nog openstaande punten zouden zijn) te onderhandelen met [eisers] over overdracht aan [eisers] van de in paragraaf 21 van de dagvaarding genoemde zaken, op straffe van een dwangsom;
voor zover de in sub a genoemde onderhandeling niet leidt tot overdracht van de bedoelde zaken, [gedaagden] te veroordelen om aan [eisers] € 196.294,31 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;
meer subsidiair [gedaagden] te veroordelen om aan [eisers] € 196.294,31 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente,
steeds met veroordeling van [gedaagde sub 1] in de proceskosten.
3.2.
Aan hun vorderingen leggen [eisers] ten grondslag dat tussen partijen overeenstemming bestond over alle essentialia van de overdracht van het bedrijf aan [eisers] Het bedrijf dan wel de activa werden verkocht voor een koopsom van € 6.500.000,- en partijen hadden overeenstemming welke activa tot de koop behoorden. Daarnaast was vastgelegd hoe de koopsom zou worden betaald en wanneer betaling en levering zou plaatsvinden.
Het subsidiair door [eisers] gevorderde bedrag ziet op de door [eisers] in het bedrijf gewerkte uren en de door [eisers] gemaakte (externe) kosten. Het is niet meer dan redelijk dat door [gedaagden] een vergoeding voor deze kosten worden betaald.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] stellen dat de vorderingen van [eisers] moet worden afgewezen en dat [eisers] in de kosten van de procedure moeten worden veroordeeld. [gedaagden] betwisten dat er tussen partijen wilsovereenstemming is bereikt over de overdracht van het bedrijf aan [eisers] De aanname van [eisers] dat op de overnamesom van het bedrijf ook de passiva van het bedrijf in mindering zouden strekken, is een boekhoudkundige misvatting. [gedaagden] hadden er geen rekening mee hoeven houden dat [eisers] daarvan zou uitgaan. [gedaagden] wijzen er daarnaast op dat er nog een aantal omstandigheden rondom de overdracht van het bedrijf onbepaald was zodat ook daarom niet kan worden gesproken van wilsovereenstemming.
[gedaagden] betwisten dat zij zijn overeengekomen dat naast [eiseres sub 2] ook [eiser sub 1] op ZZP basis voor het bedrijf zou werken. [eiser sub 1] was vooral bezig met het leren kennen van het bedrijf. [gedaagden] hebben aan [eiseres sub 2] een vergoeding betaald voor de werkzaamheden die zij in 2024 heeft verricht, gelijk aan de vergoeding die zij over het werk in het jaar 2023 waren overeengekomen, terwijl zij minder heeft gewerkt. Uit de administratie van [gedaagde sub 1] blijkt dit ook. [gedaagden] wijzen er tot slot op dat er geen rechtvaardiging is om af te wijken van het uitgangspunt dat partijen de door hun bij de onderhandelingen gemaakte kosten zelf dienen te dragen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De rechtbank zal de vorderingen van [eisers] afwijzen. Hierna zal zij uitleggen waarom.
Geen overeenkomst
4.2.
Vast staat dat partijen sinds de zomer van 2021 tot en met november 2024 met elkaar hebben gesproken over overname van het bedrijf door [eisers] Partijen zijn onder andere, ter voorbereiding van de (mogelijke) overdracht van het bedrijf, overeengekomen dat [eiseres sub 2] en [eiser sub 1] (op welke wijze dan ook) werkzaamheden in het bedrijf zouden verrichten.
4.3.
De rechtbank heeft [eisers] bij de mondelinge behandeling gevraagd wat er is overeengekomen en wat [gedaagden] zouden moeten doen om medewerking te verlenen aan het uitvoeren van de gemaakte afspraken, zoals [eisers] primair vorderen. Dit omdat [eisers] voor de gemaakte afspraken vooral lijken te verwijzen naar Memo III en het volgens dat memo uiteindelijk de dochters van [gedaagden] zijn die de centrale rol spelen bij de uitvoering van die afspraken. [dochter 1] en [dochter 2] waren immers al toegetreden tot de maatschap waarin het bedrijf werd gevoerd en het actief van het bedrijf zou vervolgens terechtkomen in een maatschap tussen [dochter 1] en [dochter 2] en [eisers] , waarna [dochter 1] en [dochter 2] uit die maatschap zouden treden.
In antwoord op de vraag van de rechtbank hebben [eisers] zich tijdens de mondelinge behandeling op het standpunt gesteld dat de intentie van partijen was dat tussen hen een zogenaamde activa-overdracht zou plaatsvinden waarbij [eisers] de activa van het bedrijf en de schuld van 3,5 miljoen euro zouden overnemen en vervolgens 3 miljoen euro zouden (bij)betalen. Dat [gedaagden] de voorkeur hebben uitgesproken deze overeenkomst via het toe- en uittreden uit maatschappen vorm te geven, doet niet af aan hun verplichting om de overdracht van activa aan [eisers] na te komen, zo begrijpt de rechtbank het standpunt van [eisers]
4.4.
[gedaagden] betwisten het standpunt van [eisers] en voeren aan dat het bedoeling van partijen was dat de overdracht van het bedrijf in ieder geval zou plaatsvinden door middel van toe- en uittreden uit een maatschap. Dit wegens de fiscale voordelen die verbonden zijn aan de BOR. Dit verweer van [gedaagden] slaagt.
4.5.
Uit de feitelijke gang van zaken kan niets anders worden afgeleid dan dat het de bedoeling van partijen was dat [gedaagden] wilden stoppen met het bedrijf en dat overdracht naar derden op fiscaalvriendelijke wijze zou moeten plaatsvinden, met toepassing van de BOR. Het gebruik van de BOR was daarbij voor [gedaagde sub 1] cruciaal. [eisers] wisten dit en bij het overleg over de wijze van overgang van het bedrijf naar [eisers] , is dat ook altijd het uitgangspunt geweest en uitgewerkt in Memo III. Ter uitvoering van het voornemen van [gedaagden] waren [dochter 1] en [dochter 2] ook al per 1 januari 2021 tot de maatschap van [gedaagden] toegetreden. Verder hadden partijen het voornemen dat [eisers] vanaf 1 januari 2024 tot de maatschap zou toetreden. [gedaagden] zelf zouden vervolgens per 31 december 2024 uittreden, waarbij de overgebleven maten tegenover de uittredende maten gehouden zijn hun maatschapsaandeel te voldoen. De bedoeling was dat de dochters van [gedaagden] vervolgens na vijf jaar, op 31 december 2029, uit de maatschap zouden treden. [eisers] zou in die situatie het maatschapsaandeel van de dochters van [gedaagden] overnemen. Op die manier kon door [gedaagden] gebruik worden gemaakt van de BOR.
4.6.
Dat partijen overeenstemming hadden over de essentialia van een overeenkomst is ook verder niet gebleken. Weliswaar geeft Memo III op hoofdlijnen weer op welke wijze het bedrijf zou overgaan naar [eisers] en lijkt daaruit ook te volgen dat, zoals [eisers] stellen, [eisers] slechts 3,5 miljoen zouden hoeven (bij)betalen, maar over andere essentiële delen van de overeenkomst, bestond op dat moment nog geen overeenstemming. In dit verband is van belang dat, hoewel partijen al sinds 2021 met elkaar in gesprek waren over overdracht van het bedrijf aan [eisers] , er tussen hen, in september 2024, enkel een voorovereenkomst is gesloten. Partijen verklaren eensluidend dat die voorovereenkomst slechts is gesloten met het doel om bij de totstandkoming van een maatschap waarin [eisers] ook deelnemen, met terugwerkende kracht, 1 januari 2024 als begindatum voor die maatschap te kunnen hanteren. De voorovereenkomst verwijst naar een nog op te stellen definitieve samenwerkingsovereenkomst. Deze definitieve samenwerkingsovereenkomst is niet opgesteld.
4.7.
Kennelijk was het partijen in september 2024 nog niet gelukt overeenstemming te krijgen over de relevante onderwerpen betreffende de maatschap die zou worden aangegaan. [gedaagden] hebben in hun conclusie van antwoord 12 punten genoemd die nog onbepaald waren. Hoewel niet alle daargenoemde punten essentialia van de te sluiten overeenkomst zijn, geldt dat in ieder geval wel voor de vraag (i) welke vergoeding voor het in gebruik en genot verschaffen van de onroerende zaken aan (de dochters van) [gedaagden] wordt toegerekend voordat zij hun maatschapsaandelen in de zogenaamde werkmaatschappij geruisloos aan [eisers] zullen hebben overgedragen, (ii) van welke aan de dochters van [gedaagden] toe te rekenen winstaandelen in de werkmaatschappij tot 1/1/2030, zou moeten worden uitgegaan en (iii) welke arbeidsinbreng elke maat levert en welke vergoeding daarvoor wordt gerekend. Het verweer van [eisers] dat hierover tussen partijen geen geschil van inzicht bestond, snijdt geen hout. Dat hierover overeenstemming bestond, blijkt namelijk evenmin. Daar voegt de rechtbank nog aan toe dat uit wat [eisers] hebben aangevoerd niet blijkt dat [dochter 1] en [dochter 2] met [gedaagden] en [eisers] overeenstemming hadden bereikt over deze punten. [dochter 1] en [dochter 2] waren slechts partij bij de voorovereenkomst, maar zoals hiervoor al overwogen, tot een definitieve samenwerkingsovereenkomst waarbij [dochter 1] en [dochter 2] partij waren, is het niet gekomen.
4.8.
Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen waarbij [gedaagden] zich hebben verplicht (direct of indirect) hun bedrijf aan [eisers] over te dragen.
Geen nader overleg
4.9.
Voor het geval de rechtbank oordeelt dat [gedaagden] niet verplicht zijn hun bedrijf aan [eisers] over te dragen, vorderen [eisers] dat de rechtbank [gedaagden] veroordeelt, kort gezegd, om op basis van de gemaakte afspraken nader in overleg te treden met [eisers] en, zo nodig met [eisers] te onderhandelen over eventueel nog openstaande punten.
4.10.
De rechtbank zal ook deze vordering afwijzen. Niet alleen hebben [eisers] niet onderbouwd waarom [gedaagde sub 1] hiertoe veroordeeld zouden moeten worden, maar de vordering is ook te onbepaald. [eisers] hebben niet duidelijk gemaakt op welke punten partijen nog nader overleg met elkaar zouden moeten voeren en waarom dat zou kunnen leiden tot een overeenkomst tot overdracht van het bedrijf aan [eisers]
Geen (extra) vergoeding voor werkzaamheden
4.11.
Voor het geval de rechtbank oordeelt dat [gedaagden] niet verplicht zijn hun bedrijf aan [eisers] over te dragen, vorderen [eisers] betaling/ vergoeding van de door [eisers] gewerkte uren in het bedrijf van [gedaagden] Voor [eiseres sub 2] betreft het de uren over het jaar 2024 en voor [eiser sub 1] de jaren 2023 en 2024. [eisers] voeren aan dat het redelijk is dat [eiseres sub 2] en [eiser sub 1] de uren die zij voor [gedaagden] hebben gewerkt vergoed krijgen. Voor [eiseres sub 2] was weliswaar een uurtarief afgesproken van € 27,50 per uur, maar [eiseres sub 2] is dat lage tarief overeengekomen met daarbij het uitgangspunt dat [eisers] in 2024 zouden meedelen in het resultaat van de maatschap, aldus [eisers] Doordat [eisers] niet meedelen in het resultaat van het bedrijf, is het redelijk dat [eiseres sub 2] over het jaar 2024 een marktconforme vergoeding van € 45,- exclusief btw per uur voor de door haar gewerkte uren ontvangt. [eiser sub 1] heeft gedurende 2023 en 2024 veel werkzaamheden voor de maatschap verricht. Het is redelijk dat hij daar ook een vergoeding van € 45,- exclusief btw per uur ontvangt. In totaal hebben [eisers] 3706,75 uur voor [gedaagden] gewerkt, zodat zij recht hebben op een vergoeding van € 166.803,75 exclusief btw (= € 201.832,5 inclusief btw). Rekening houdend met de betalingen van [gedaagden] aan [eiseres sub 2] , resteert door [eisers] te vorderen € 196.294,31.
[gedaagden] hebben de vordering betwist.
4.12.
De rechtbank zal deze vordering ook afwijzen. Zij legt dit uit.
4.13.
Vast staat dat [gedaagden] en [eiseres sub 2] per 1 januari 2023 een overeenkomst van opdracht hebben gesloten op grond waarvan [eiseres sub 2] in opdracht van [gedaagden] werkzaamheden uitvoert tegen een uurtarief van € 27,50 per uur. Wat betreft het uurtarief van [eiseres sub 2] stelt de rechtbank vast dat partijen geen andere afspraken hebben gemaakt dan de afspraken die zij over 2023 hebben gemaakt. Dat betekent dat de werkzaamheden van [eiseres sub 2] ook over 2024 werden uitgevoerd tegen een uurtarief van € 27,50 uur. Dat dit uurtarief volgens [eisers] te laag is en enkel tussen partijen is afgesproken omdat [eiseres sub 2] er vanuit ging dat zij ook haar winstaandeel uit de maatschap zou ontvangen, maakt dit niet anders. Het feit dat de onderhandelingen tussen partijen zijn afgebroken, maakt op zich niet dat [eiseres sub 2] recht heeft op een hoger uurtarief. Ook niet als dit uurtarief laag is ten opzichte van wat gebruikelijk is in de branche, zoals [eisers] betogen.
4.14.
Partijen hebben geen discussie over het aantal door [eiseres sub 2] gewerkte uren in 2023. Wel over de gewerkte uren in 2024. Wat betreft de administratie van de door [eiseres sub 2] gewerkte uren, is het de rechtbank gebleken dat [gedaagden] steeds op een kalender hebben bijgehouden welke uren [eiseres sub 2] heeft gewerkt. Over de in 2023 gewerkte uren heeft dat niet geleid tot enige discussie. Op basis van deze registratie hebben [gedaagden] ook over 2024 een vergoeding voor de werkzaamheden van [eiseres sub 2] betaald. [eisers] stellen dat [eiseres sub 2] veel meer werkzaamheden heeft verricht dan waarvoor zij een vergoeding hebben ontvangen. Zij verwijzen daarvoor naar de urenspecificatie in productie 9 en de 710 pagina’s die zij (zonder nadere toelichting) als productie bij het bericht van 5 september 2026 hebben overgelegd. Uit wat [eisers] hebben aangevoerd kan de rechtbank echter niet afleiden dat [eiseres sub 2] in 2024 meer uren in opdracht van [gedaagden] heeft gewerkt dan door [gedaagden] zijn uitbetaald. De rechtbank wijst er in dat verband op dat het niet tot haar taken behoort om in een 710 pagina’s tellende productie uit te zoeken of de stelling van een partij juist is.
4.15.
Ten aanzien van [eiser sub 1] discussiëren partijen over de vraag of [eiser sub 1] alleen/overwegend op het bedrijf aanwezig was om het bedrijf te leren kennen of dat hij ook daadwerkelijk werkzaamheden voor het bedrijf/de maatschap uitvoerde. De rechtbank laat dat in het midden. Vast staat in ieder geval wel dat partijen geen afspraken hebben gemaakt dat [eiser sub 1] voor zijn werkzaamheden een vergoeding zou ontvangen. Dat betekent dat er in beginsel ook geen grond is waarom [gedaagden] [eiser sub 1] zou moeten betalen voor zijn werkzaamheden. Dat kan anders zijn indien er een andere juridische grondslag is waarom [eiser sub 1] recht heeft op betaling. Daarvoor hebben [eisers] echter niets concreets aangevoerd. Dat de voorgenomen overdracht van het bedrijf aan [eisers] niet doorgaat en dat het “niet meer dan redelijk” is dat de door [eiser sub 1] gewerkte uren worden vergoed, levert geen deugdelijke juridische grondslag op. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eisers] verder gesteld dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagden] en dat zij daarom een vergoeding voor de werkzaamheden van [eiser sub 1] moeten betalen. Ook voor deze juridische grondslag hebben [eisers] onvoldoende aangevoerd. Zo hebben [eisers] nagelaten te stellen waaruit de verrijking van [gedaagden] heeft bestaan en waarom [eisers] schade heeft geleden (is verarmd). Dat [gedaagden] “anders voor de werkzaamheden van [eiser sub 1] had moeten betalen”, zoals zij ter zitting betoogden, is onjuist omdat partijen nu juist geen vergoeding voor de werkzaamheden van [eiser sub 1] waren overeengekomen.
Proceskosten
4.16.
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht
€
2.723,00
- salaris advocaat
€
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
8.682,00
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 8.682,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.
MKG/JG | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|