Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNHO:2026:14834 
 
Datum uitspraak:26-10-2026
Datum gepubliceerd:04-11-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:HAA 25/5017
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Aanvraag bijzondere bijstand voor stofferings- en inrichtingskosten. Voorzienbaarheid. Reserveringsruimte: inkomen en schulden. Buitenwettelijk begunstigend beleid. Beroep op de hardheidsclausule, artikel 4:84 Awb en artikel 16 PW. Beroep ongegrond.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
huurovereenkomst
inkomensvoorzieningen
inkomstenbelasting
reserveringsruimte
uitkering
zorgtoeslag
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 25/5017

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres
(gemachtigde: mr. A. Azauiyat),

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, het college
(gemachtigden: O. Ebbing en J. Ockers).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor bijzondere bijstand voor de kosten van stoffering en inrichting. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



Procesverloop

2. Eiseres heeft op 9 juni 2025 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de Participatiewet (PW). De aanvraag ziet op de kosten van stoffering en inrichting voor een nieuw huurwoning en de eerste maandhuur. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 11 augustus 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.




Overwegingen

Achtergrond van de zaak
3. Eiseres woonde per 1 november 2015 in een woning in [plaats 3] , een zogenaamde satelliet woning. Vanaf halverwege januari 2025 verbleef zij hier niet meer, omdat zij bij haar moeder is gaan verblijven in verband met het herstel van een operatie. Zij huurt vanaf 28 april 2025 een woning in [plaats 1] . Zij ontvangt vanaf 28 april 2025 een bijstandsuitkering van het college.


Het bestreden besluit


4. In het bestreden besluit heeft het college de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten wel noodzakelijk zijn, maar niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Dit omdat de kosten voorzienbaar waren en eiseres had kunnen reserveren voor deze kosten en de woninginrichting waarover zij al beschikte en gebruik van maakte in haar vorige woning had kunnen meenemen naar haar nieuwe woning. Ook komt eiseres niet op grond van het beleid van het college voor bijzondere bijstand in aanmerking.
5. Eiseres voert – samengevat – het volgende aan. Er is sprake van bijzondere omstandigheden die het verlenen van bijzondere bijstand rechtvaardigen. Haar verhuizing was noodzakelijk en is het gevolg geweest van een onvoorziene noodzaak. Zij woonde gedurende negen jaar in een antikraakwoning in [plaats 3] , waar de woonomstandigheden erbarmelijk waren, wat een aanzienlijke negatieve impact op haar medische gesteldheid had. Zij is op 28 mei 2024 geïnformeerd dat het pand zou worden gesloopt en zij de woning diende te ontruimen. Eerst op dat moment werd zij ermee bekend dat zij de woning daadwerkelijk moest verlaten. Eiseres had geen keuze dan te verhuizen en zodoende is voldaan aan artikel 35 van de PW en is haar casus in overeenstemming met artikel 3.2.1, tweede lid, sub b of sub e, van de Beleidsregels gemeentelijke werk- en inkomensvoorzieningen Zaanstad 2019 (verder: de Beleidsregels). Ten tweede voert eiseres aan dat zij geen mogelijkheid had om te reserveren vanwege haar minimale inkomen en haar financiële situatie. Eiseres is ook van mening dat zij voldoet aan de eisen van artikel 3.8.1 van de Beleidsregels. Tot slot heeft eiseres een beroep gedaan op de hardheidsclausule, artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 16 van de PW.



Het oordeel van de rechtbank

6. Eiseres heeft tijdens de hoorzitting in bezwaar aangegeven dat de huur is betaald en er geen bezwaar (meer) is tegen de afwijzing van de aanvraag voor zover het de eerste huurkosten betreft. De rechtbank zal zich in de uitspraak gelet hierop, net als het college in het bestreden besluit, beperken tot de kosten van woninginrichting en stoffering.
7. Als uitgangspunt bij de beoordeling geldt op grond van vaste rechtspraak dat de kosten van woninginrichting incidentele algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan zijn, die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau dienen te worden voldaan. Daarbij geldt dat een inkomen op bijstandsniveau voorziet in alle (periodiek en incidenteel) voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten, dat wil zeggen: de bestaanskosten die kunnen worden gerekend tot het op minimumniveau algemeen gangbare bestedingspatroon. Alleen in bijzondere omstandigheden is aanvullend bijzondere bijstand nodig. Daarom kan op grond van artikel 35, eerste lid, van de PW alleen recht op bijzondere bijstand bestaan voor zover de betrokkene door bijzondere omstandigheden wordt geconfronteerd met kosten waarin de algemene bijstandsnorm niet voorziet of met kosten waarin de norm wel voorziet maar die hij door bijzondere omstandigheden niet uit de norm kan betalen. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten, is een aspect dat in laatstgenoemd kader moet worden beoordeeld. Daarbij geldt dat degene die een aanvraag doet voor bijzondere bijstand aannemelijk moet maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. De bijstand wordt in beginsel toereikend geacht om te kunnen reserveren.


Is er sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan eiseres niet heeft kunnen reserveren omdat de kosten niet voorzienbaar waren?



7.1
Met het college is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake was van een onvoorziene verhuizing en dat de kosten voorzienbaar waren. Uit de door eiseres overgelegde producties blijkt dat zij een tijdelijke huurovereenkomst had voor de studio in [plaats 3] met ingangsdatum 1 november 2015. In deze huurovereenkomst staat dat het gehuurde binnen afzienbare tijd zal worden verkocht, gesloopt of gerenoveerd om plaats te maken voor ver- en/of nieuwbouw, dat het gehuurde tijdelijk wordt verhuurd en er voor het gehuurde een vergunning is verleend voor het tijdvak 20 juli 2015 en behoudens verlenging eindigend op 20 juli 2025. Het was derhalve vanaf 1 november 2015 duidelijk dat het om een tijdelijke woning ging. Dat het eiseres vanwege haar specifieke situatie niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat sprake was van een tijdelijke woning heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet (voldoende) aannemelijk gemaakt. Bovendien is onweersproken dat eiseres al ruim negen jaar ingeschreven stond voor een woning.



7.2
Het college heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet behoort tot één van de doelgroepen genoemd in het tweede lid onder punten 2 en 5 van artikel 3.2.1 van de Beleidsregels. Het college stelt naar het oordeel van de rechtbank terecht dat er in het geval van eiseres geen sprake is van de onder punt 2 van de voormelde beleidsbepaling vermelde situatie dat een betrokkene komt vanuit een crisissituatie waardoor zij geen mogelijkheid heeft gehad om vooraf te reserveren. Eiseres is weliswaar mogelijk uit een crisissituatie in de woning in [plaats 3] gekomen, maar dat zij deze woning, waar zij van 1 november 2015 tot 1 april 2025 heeft kunnen verblijven, vanwege een crisissituatie moest verlaten heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. Evenmin heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat er in haar geval sprake was van de onder punt 5 van voormelde beleidsbepaling vermelde situatie dat een betrokkene vanwege sociale redenen met spoed moest verhuizen, zonder dat er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening. Onder punt 5 staat ook dat gestelde sociale redenen moeten worden onderbouwd met bewijsstukken van bijvoorbeeld de woningbouwvereniging of de politie. Door eiseres zijn dergelijke bewijsstukken niet overgelegd. De omstandigheid dat zij in mei 2024 een brief kreeg waarin zij werd geïnformeerd dat zij de woning diende te ontruimen, is hiervoor onvoldoende.


Vormt het ontbreken van reserveringsruimte in verband met het inkomen en schulden een bijzondere omstandigheid?




7.3.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij door haar inkomen en haar schulden niet heeft kunnen reserveren. Al in de aanvraagfase heeft zij haar aanslagen inkomstenbelasting overgelegd, waaruit overduidelijk blijkt dat zij altijd een inkomen heeft genoten onder bijstandsniveau. Zij verwijst wat betreft de schulden naar de nuancering in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 november 2023 waarin is overwogen dat het ontbreken van reserveringsruimte in verband met schulden onder bepaalde omstandigheden wel een bijzondere omstandigheid kan zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW. Gelet op haar benarde financiële situatie heeft zij op dit moment uitsluitend met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) een betalingsregeling kunnen treffen. Haar financiële omstandigheden laten niet toe dat zij tevens met de overige schuldeisers een regeling treft. Het aangaan van een lening ter dekking van de inrichtingskosten behoort evenmin tot de reële mogelijkheden, nu het voor haar – gelet op haar financiële positie – niet haalbaar is om een lening te verkrijgen en/of deze terug te betalen.


7.4.
Met betrekking tot de stelling van eiseres dat zij vanwege haar inkomen niet heeft kunnen reserveren voor de kosten van stoffering en inrichting van haar nieuwe woning heeft het college in het verweerschrift, onder verwijzing naar gegevens uit Suwinet, toegelicht dat eiseres vanaf in ieder geval 1 december 2021 een inkomen op bijstandsniveau ontvangt. Dit betrof ofwel een uitkering met een uitkering op grond van de toeslagenwet van het UWV ofwel een bijstandsuitkering, en betreft dus een inkomen op bijstandsniveau en niet onder bijstandsniveau. Verder heeft het college er op gewezen dat eiseres in de periode van 8 mei 2018 tot en met 23 juni 2019 een bijstandsuitkering van de gemeente [plaats 3] ontving, zij vervolgens van 24 juni 2019 tot en met 18 april 2021 inkomen heeft ontvangen van [bedrijf 1] . en van 1 april 2021 tot en met 1 december 2021 een inkomen heeft ontvangen van the [bedrijf 2] Ook ontvangt eiseres huurtoeslag en zorgtoeslag.



7.5.
De rechtbank overweegt dat uit de Suwinet-gegevens in het verweerschrift blijkt dat eiseres vanaf 2018 bijna geheel doorlopend een inkomen heeft ontvangen, waarvan niet is gebleken dat het onder bijstandsniveau is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met de verwijzing naar de overgelegde aanslagen inkomstenbelasting niet aannemelijk gemaakt dat zij sinds 2018 een inkomen onder bijstandsniveau had. Daarbij is van belang dat er slechts van drie jaren aanslagen zijn overgelegd, maar eiseres een periode van rond de negen jaar heeft gehad om te reserveren. Onder deze omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat zij de mogelijkheid heeft gehad om tijdig voor deze kosten te voorzien. Het college stelt zich op het standpunt dat de draagkrachtregel uit de beleidsregels niet van toepassing is, omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval en er voor de kosten gereserveerd zou moeten kunnen worden. De rechtbank volgt het college hierin.



7.6.
Met betrekking tot de schulden van eiseres overweegt de rechtbank het volgende. In de uitspraak van 21 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2263 heeft de CRvB overwogen:

“Anders dan voorheen is de Raad nu van oordeel dat onder bepaalde omstandigheden het ontbreken van reserveringsruimte in verband met schulden wel een bijzondere omstandigheid kan zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW. De reden hiervan is dat de wetgever met het in 4.3.2 verwoorde uitgangspunt met name het oog heeft gehad op schulden die zijn ontstaan door consumptieve overbesteding. De wetgever heeft daarnaast onderkend dat schulden ook een andere oorzaak kunnen hebben en ruimte gelaten om schulden onder bepaalde omstandigheden aan te merken als noodzakelijke bestaanskosten. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat door onvoorzienbare omstandigheden het inkomen sterk daalt nadat de lening is afgesloten, waardoor de betrokkene niet meer aan de aflossingsverplichtingen kan voldoen. Het is dan ook niet de bedoeling geweest om bijstandverlening voor schulden onder alle omstandigheden uit te sluiten.10 In het verlengde hiervan kan onder bepaalde omstandigheden het ontbreken van reserveringsruimte in verband met schulden een bijzondere omstandigheid zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW.”




7.7.
In de uitspraak van 6 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:38 heeft de CRvB overwogen:“(…)Als een aanvrager van bijzondere bijstand voor de kosten van incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten stelt dat hij voor die kosten niet heeft kunnen reserveren door een gebrek aan reserveringsruimte in verband met schulden, zal hij dat aannemelijk moeten maken. Vervolgens moet de bijstandverlenende instantie beoordelen of dat een bijzondere omstandigheid oplevert in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW. Hierbij kunnen onder meer de aard en het ontstaan van de schulden een rol spelen.


4.5.5.

Appellanten hebben niet aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zij in verband met (de aflossing van) schulden niet hebben kunnen reserveren voor de kosten waar het hier om gaat en ook niet dat zij geen lening bij de Kredietbank konden afsluiten. De enkele stelling op dit punt is niet toereikend. Zij hebben geen enkel inzicht gegeven in de omvang van de schulden en ook niet van de aard van de schulden en hoe en wanneer de schulden zijn ontstaan en of en wanneer daarop is afbetaald.”





7.8.
Met het college is de rechtbank van oordeel dat in het geval van eiseres het ontbreken van reserveringsruimte vanwege schulden geen bijzondere omstandigheid vormt. Uit het verweerschrift volgt dat is onderzocht welke schulden eiseres heeft en hoeveel zij op deze schulden aflost. Bij de beoordeling of sprake is van een bijzondere omstandigheid is de aard en de oorzaak van het ontstaan van de schulden van belang, maar ook moet blijken dat eiseres als gevolg van afbetaling van schulden niet heeft kunnen reserveren voor de gevraagde kosten. Weliswaar heeft eiseres aangetoond dat zij schulden heeft bij de Belastingdienst, het UWV en de DUO, maar zij heeft niet aannemelijk is gemaakt dat zij als gevolg van de afbetaling van de schulden niet heeft kunnen reserveren. Nu uit de overgelegde stukken blijkt dat eiseres € 14,- per maand aflost, zoals ter zitting is bevestigd, wat zij drie keer heeft gedaan, volgt hieruit naar het oordeel van de rechtbank niet dat zij als gevolg van afbetaling van schulden niet heeft kunnen reserveren. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting betoogd dat geen rekening hoeft te worden gehouden met de aflossing op de schulden, omdat niet is gebleken van schulden door consumptieve overbesteding. De rechtbank volgt dit standpunt niet omdat, nog daargelaten dat niet is onderbouwd dat eiseres gelet op haar financiële situatie uitsluitend met het UWV een betalingsregeling heeft kunnen treffen, geldt dat als er niet wordt afgelost, dit betekent dat er ruimte is om te reserveren.




Heeft het college de gevraagde bijzondere bijstand moeten toekennen op grond van artikel 3.8.1 van de Beleidsregels?




7.9.
In artikel 3.8.1 van de Beleidsregels heeft het college onder het kopje “Maatwerk bij de verlening van bijzondere bijstand” als beleid bepaald dat als er naar het oordeel van het college dringende omstandigheden aanwezig worden geacht om de alleenstaande of het gezin financiële ondersteuning te bieden, terwijl de kosten om deze financiële ondersteuning te verstrekken niet of niet geheel aangemerkt kunnen worden als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten van het bestaan, zoals bedoeld in artikel 35 van de wet, er ook sprake kan zijn van een noodzaak tot verlening van bijzondere bijstand als door deze bijzondere bijstand:1) hogere maatschappelijke kosten voor de gemeente in de toekomst worden voorkomen;2) een doorbraak wordt geforceerd in de omstandigheden van de persoon of het gezin of de situatie van de persoon of het gezin significant verbetert en de zelfredzaamheid daardoor wordt vergroot;(…)



7.10.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij voldoet aan de voorwaarden 1 en 2 van artikel 3.8.1 van de Beleidsregels. Met betrekking tot voorwaarde 1 stelt zij dat indien de bijzondere bijstand wordt geweigerd zij genoodzaakt zal zijn leningen aan te gaan die zij niet zal kunnen terugbetalen, met alle gevolgen van dien. Hierdoor bestaat het reële risico dat zij in de schuldhulpverlening van de gemeente terecht komt. Dit klemt temeer nu zij, gelet op haar medische toestand, naar verwachting op langere termijn niet zal kunnen werken en aangewezen zal blijven op een bijstandsuitkering. Met betrekking tot voorwaarde 2 stelt eiseres het volgende. Zij leeft thans in een lege, niet beklede woning. Zij is genoodzaakt regelmatig bij haar moeder te verblijven, omdat de leefomstandigheden in de woning erbarmelijk zijn. Deze situatie heeft bovendien een aanzienlijke negatieve impact op haar medische gesteldheid, die reeds ernstig is aangetast. Door toekenning van de bijzondere bijstand kan eiseres haar woning adequaat betrekken, haar leefsituatie stabiliseren en werken aan herstel van haar medische toestand.


7.11.
Het onder rechtsoverweging 7.9. omschreven beleid dient te worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid, voor zover op grond daarvan bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen kan worden verleend ook zonder dat zich bijzondere omstandigheden voordoen. Sinds de uitspraak van de CRvB van 15 mei 2025 wordt buitenwettelijk beleid voortaan ruimer getoetst. Dit betekent dat, anders dan voorheen, ook buitenwettelijk beleid wordt getoetst op rechtmatigheid en daarmee aan hoger geschreven recht, algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Daarbij wordt aangesloten bij de wijze van toetsing van binnenwettelijk beleid. Anders dan bij binnenwettelijk beleid wordt bij buitenwettelijk beleid de beslissingsruimte die het bestuursorgaan heeft om zijn beleid te bepalen, niet ingekaderd door de formulering en de systematiek van wettelijke voorschriften. Die zijn er immers niet. De beslissingsruimte is dus groot, wat in beginsel leidt tot een terughoudender toets dan bij binnenwettelijk beleid.


7.12.
Het college stelt zich wat betreft het eerste subonderdeel op het standpunt dat het feit dat eiseres schulden heeft, waarbij er bij de schuld bij het DUO geen aflossingsplicht is, er bij de schuld bij het UWV een betalingsregeling van € 14,00 per maand loopt en er bij de schuld bij de Belastingdienst geen aflossing plaats vindt, niet maakt dat zij geen lening aan kan gaan voor de stoffering- en woninginrichtingskosten. Bovendien kan ook op andere manieren gezocht worden naar oplossingen zoals op zoek gaan naar spullen via onder andere websites die gratis afgehaald kunnen worden. Niet is vastgesteld dat eiseres op lange termijn niet zal kunnen werken en aangewezen zal blijven op een bijstandsuitkering. Over het tweede subonderdeel heeft het college aangegeven dat het hem niet kan worden verweten dat eiseres thans in een lege, niet beklede woning leeft. Eiseres had wel degelijk kunnen reserveren voor de gevraagde kosten. Bovendien had zij de woninginrichting uit haar vorige woning kunnen meenemen, maar heeft zij er zelf voor gekozen dit niet te doen. Eiseres heeft er tevens voor gekozen haar vorige woning al eind januari 2025 niet meer te bewonen terwijl zij tot 1 april 2025 in de vorige woning kon verblijven. Zij is destijds bij haar moeder gaan verblijven. Het maatwerkartikel is alleen in zeer uitzonderlijke situaties van toepassing. Eiseres heeft niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken en/of met onderbouwde motivering kunnen aantonen aan welke doorbraak zij in haar situatie zou realiseren en welke escalatie zou kunnen worden voorkomen. Derhalve voldoet eiseres ook hieraan niet. Niet uitgesloten is bovendien dat eiseres met minimale middelen al haar intrek in de nieuwe huurwoning zou kunnen nemen.


7.13.
Gelet op de terughoudende toets is de rechtbank van oordeel dat het college zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Het college heeft hiermee, zoals ook ter zitting toegelicht, voldoende weerlegd dat die hogere maatschappelijke kosten zich in het geval van eiseres gaan voordoen. Het college heeft er in dit verband ook betekenis aan kunnen hechten dat ook op andere manieren gezocht kan worden naar spullen via onder andere websites, die gratis afgehaald kunnen worden. Het college heeft toegelicht dat eiseres (budgettaire) hulp kan krijgen. Het college heeft verder betekenis kunnen hechten aan de omstandigheid dat eiseres de woninginrichting uit haar vorige woning had kunnen meenemen. Dat eiseres thans niet wordt behandeld vanwege de (situatie in de) woning, is niet onderbouwd.


Het beroep op de hardheidsclausule, artikel 4:84 van de Awb en artikel 16 van de Pw




7.14.
Eiseres heeft aangevoerd dat het college in afwijking van de beleidsregels bijzondere bijstand kan verlenen aan een persoon die geen recht heeft op bijzondere bijstand, als er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de gevolgen van een afwijzing onevenredig zijn. Eiseres heeft in dit verband gewezen op haar medische situatie.



7.15.
Anders dan eiseres betoogt, kan zij aan artikel 16, eerste lid, van de PW geen aanspraak op bijzondere bijstand ontlenen. Deze afwijkingsbevoegdheid is niet van toepassing op een aanvraag om bijzondere bijstand die wordt afgewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de PW, zoals in casu het geval is. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de CRvB van 1 november 2016.Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet op grond van artikel 4:84 van de Awb wordt afgeweken van het beleid. Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Voor zover er sprake zou zijn van onevenredige gevolgen in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen, is dit, zoals hiervoor is overwogen, niet vanwege een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 35 van de PW. De rechtbank heeft het standpunt van het college dat eiseres niet behoort tot één van de doelgroepen genoemd in het tweede lid van artikel 3.2.1, tweede lid, van de Beleidsregels navolgbaar geacht. Daar komt bij dat ook al zou eiseres wel voldoen aan sub 2 en 5, nog steeds sprake is van een kan-bepaling op grond waarvan het college moet beoordelen of de kosten voorzienbaar waren. Eiseres stond ruim negen jaar ingeschreven voor een woning en had vooraf kunnen reserveren. Gelet daarop behoefde het college evenmin op grond van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van het beleid.



Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.


Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2026.











griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
























Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 27 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:870.


ECLI:NL:CRVB:2023:2263.


ECLI:NL:CRVB:2026:38, ro. 4.5.5.


ECLI:NL:CRVB:2025:700.


Zie de uitspraak van de CRvB van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4163.
Link naar deze uitspraak