|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2026:4436 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 16-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | HAA 25/3577 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Wht; aanvraagtermijn. Aannemelijk is geworden dat sprake was van bijzondere omstandigheden waardoor belanghebbende niet in staat was om het verzoek tot herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag tijdig in te dienen. De aanvraag is verschoonbaar te laat gedaan en dient alsnog inhoudelijk in behandeling te worden genomen door verweerder. | | Trefwoorden | : | kinderopvangtoeslag | | | | Uitspraak | Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3577
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. R.T. Poort),
en
Belastingdienst Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft bij beschikking de aanvraag van belanghebbende om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag afgewezen.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard en de beschikking gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en op de zaak betrekking hebbende stukken.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2025 te Haarlem. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] .
Overwegingen
Feiten
1. Op 8 januari 2025 heeft belanghebbende bij verweerder telefonisch een verzoek ingediend tot een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag vanaf het jaar 2005 tot en met het jaar 2019 om vast te stellen of zij in aanmerking komt voor een vergoeding op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: de Wht).
2. Bij besluit van 19 maart 2025 heeft verweerder het verzoek van belanghebbende afgewezen omdat het volgens verweerder te laat is ingediend. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. Verweerder heeft met dagtekening 11 juli 2025 beslist op het bezwaar.
Geschil
3. In geschil is of verweerder het verzoek van belanghebbende tot herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag terecht heeft afgewezen vanwege de te late indiening daarvan.
4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat overschrijding van de aanmeldtermijn verschoonbaar is, zodat de situatie van belanghebbende in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag alsnog herbeoordeeld dient te worden door verweerder.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de beslissing op bezwaar en tot wijziging van de beschikking waarbij wordt beslist dat belanghebbende ontvankelijk is in haar verzoek tot herbeoordeling. Belanghebbende verzoekt de rechtbank primair om verweerder op te dragen de herbeoordeling uit te voeren, subsidiair verzoekt belanghebbende om een beslissing in goede justitie. Tot slot verzoekt belanghebbende tot veroordeling van verweerder in de door haar gemaakte proceskosten.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, zodat de termijnoverschrijding bij het doen van de aanvraag om een herbeoordeling niet verschoonbaar is.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
6. Voor de volledige weergave van de standpunten van partijen en de onderbouwing daarvan, verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
Juridisch kader
7. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, volgt dat verweerder compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem of haar in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat ten aanzien van hem of haar de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die vóór 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
8. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wht, dient een aanvraag voor compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, vóór 1 januari 2024 te zijn ingediend. In 2023 valt 31 december 2023 (de laatste dag van de termijn) op een zondag. Nu de maandag daarop nieuwjaarsdag en dus een feestdag is, is de aanmeldtermijn verlengd tot 2 januari 2024, op grond van artikel 6.1, tweede lid, van de Wht, in samenhang gelezen met artikel 1 van de Algemene termijnenwet. De uiterste aanvraagdatum is door de wetgever dwingend geformuleerd.
9. Uit de parlementaire geschiedenis van genoemde bepaling volgt dat het stellen van een harde aanmeldingsdeadline volgens de wetgever noodzakelijk is om de hersteloperatie beheersbaar en uitvoerbaar te houden. Zonder een dergelijke deadline zou de operatie onnodig kunnen worden uitgerekt, wat de uitvoerbaarheid zou bemoeilijken en de beschikbare middelen zou kunnen overbelasten. De wetgever heeft daarbij wel het volgende overwogen (Kamerstukken II 2023/24, 24 515, nr. 732, p. 2-3):
“Het kabinet zal daarom niet komen met een voorstel om de in de wet vastgelegde einddatum van 31 december 2023 te schrappen. Wel ziet het kabinet het belang van het helpen van ouders in bijzondere situaties en daar zal het kabinet dan ook voor zorgen.
(…)
Dat laat onverlet dat het kabinet van mening is dat ouders die zich in een bijzondere situatie bevinden waardoor het niet eerder mogelijk was zich aan te melden en die zich in een schrijnende situatie bevinden, kans moeten hebben hun zaak te laten beoordelen. Daarom heeft het kabinet besloten om in gevallen waarin er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, gekeken zal worden of er sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. De ouder dient dan aan te geven waarom het niet is gelukt om zich op tijd aan te melden en in welke schrijnende situatie de ouder zich bevindt. De wetgever heeft daarbij geen voorbeelden geformuleerd, maar heeft deze ruimte opengelaten voor verweerder om hieraan in de praktijk een nadere invulling te geven.”
10. Door diverse Kamerleden zijn vragen gesteld over de indieningstermijn, waarbij ook zorgen zijn geuit over de mogelijkheid dat mensen door een te late aanvraag buiten de boot zouden kunnen vallen (Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1281 en 24 515, nr. 732). Daarop is door de staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane onder meer als volgt geantwoord (zie Reactie van 14 december 2023 op Schriftelijk Overleg naar aanleiding van de Kamerbrief Stand van zaken diverse moties d.d. 24 november 2023, kenmerk 2023-0000281453, p. 5, 7 en 8):
“Ouders die zich na afloop van de aanmeldtermijn alsnog melden bij UHT [Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen] zal gevraagd worden naar de reden van de aanmelding na de sluitingstermijn. Indien er dan sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor een ouder zich niet eerder heeft kunnen melden bij UHT dan wordt de aanvraag alsnog in behandeling genomen. Wat onder bijzondere omstandigheden valt waardoor een geslaagd beroep gedaan kan worden op een verschoonbare termijnoverschrijding is sterk afhankelijk van het individuele geval. Elke casus is uniek en UHT moet de vrijheid hebben om de argumentatie van een ouder te kunnen wegen, zonder op voorhand te zijn ingeperkt.
(…)
Wat onder bijzondere omstandigheden valt waardoor een geslaagd beroep kan worden gedaan op een verschoonbare termijnoverschrijding is sterk afhankelijk van het individuele geval. Elke casus is uniek en UHT moet de vrijheid hebben om de argumentatie van een ouder te kunnen wegen, zonder op voorhand te zijn ingeperkt. Dit is maatwerk. Tegen een afwijzing op een beroep op een verschoonbare termijnoverschrijding staat bezwaar en beroep open.
(…)
Ouders kunnen altijd een beroep doen op een verschoonbare termijnoverschrijding om alsnog in aanmerking te komen voor herstel. Het kabinet stelt vooraf geen deadline waarbinnen een dergelijk verzoek gedaan moet worden. Wel kan het eventuele tijdsverloop tussen 31 december 2023 en de daadwerkelijke aanmelding van invloed zijn op de beoordeling of er sprake is van een bijzondere omstandigheid welke een beroep op een verschoonbare termijnoverschrijding rechtvaardigt.”
11. Daarbij maakt de in artikel 9.1, eerste lid, van de Wht, opgenomen hardheidsclausule het mogelijk om van het bepaalde in artikel 6.1 van de Wht af te wijken, voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.
De aanvraagtermijn en verschoonbaarheid
12. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de aanvraag tot herbeoordeling na 2 januari 2024 heeft ingediend, zodat niet aan de voorwaarden van artikel 6.1 van de Wht is voldaan.
13. Zoals hiervoor onder 9 en 10 is overwogen volgt uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 6.1 van de Wht dat van verweerder wordt verwacht dat hij maatwerk levert en beoordeelt of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in gevallen waarin er bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de aanvrager in verzuim is geweest.
14. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de beoordeling van de verschoonbare termijnoverschrijding in het kader van de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht wordt ingeperkt. Hoewel de aanmeldtermijn in artikel 6.1. van de Wht dwingend is geformuleerd, ziet de rechtbank in de parlementaire geschiedenis voldoende aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat een termijnoverschrijding onder bijzondere omstandigheden verschoonbaar is en de termijnoverschrijding de belanghebbende dan niet kan worden tegengeworpen. De wetgever heeft hierbij opgemerkt dat elke casus uniek is en dat verweerder de vrijheid moet hebben om de argumentatie van een ouder te kunnen wegen, zonder op voorhand te zijn ingeperkt. De wetgever heeft daarbij, naar eigen zeggen, geen voorbeelden geformuleerd, maar laat verweerder de ruimte om hieraan in de praktijk een nadere invulling te geven.
15. Hoewel de aanvraag in het kader van de Wht niet als verzoekschrift kan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 60 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, vindt de rechtbank voor haar oordeel ook steun in hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1871 (zie ook HR 2 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1795), heeft geoordeeld inzake overeenkomstige toepassing van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht bij verzoeken om ambtshalve vermindering:
“Een schriftelijk verzoek om ambtshalve vermindering is een verzoekschrift als bedoeld in artikel 60 AWR. Dat artikel bepaalt dat op een na afloop van de termijn ingediend verzoekschrift artikel 6:11 van de Awb van overeenkomstige toepassing is. Het Hof is er daarom terecht vanuit gegaan dat de inspecteur een na afloop van de vijfjaarstermijn van artikel 45aa, letter a, van de Uitvoeringsregeling ingediend verzoek in behandeling moet nemen indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.”
16. Belanghebbende heeft meerdere omstandigheden aangevoerd om aan te geven waarom zij niet eerder in staat was om de aanvraag in te dienen. Belanghebbende heeft sinds lange tijd te maken met zware privé omstandigheden en medische problemen. Ruim 20 jaar bevindt belanghebbende zich in een moeilijke financiële situatie. In 2011 is bij haar voor het eerst een burn-out vastgesteld en in 2021 is bij belanghebbende depressie en borderline vastgesteld. In 2023 had belanghebbende te maken met aangezichtsverlamming en daaraan gerelateerde oogklachten, stressgerelateerde klachten en ernstige slaapproblemen, waarvoor slaapmedicatie (temazepam) werd voorgeschreven. In 2023 moest belanghebbende meerdere medische onderzoeken ondergaan, waaronder een MRI van de hersenen en een baarmoederhalskankeronderzoek. Daarnaast werd belanghebbende in 2023 geconfronteerd met het ongeneeslijk ziek worden van haar goede vriendin en raakte zij nauw betrokken bij het palliatieve zorgtraject. Ook werd in 2023 haar relatie beëindigd.
16. Verweerder heeft het bestaan van de bovengenoemde medische klachten en persoonlijke omstandigheden op zichzelf niet betwist, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat daaruit niet volgt dat belanghebbende zodanig in haar doenvermogen was aangetast dat zij daardoor niet op tijd de aanvraag had kunnen indienen. Daarnaast stelt verweerder dat de aanvraag door belanghebbende onredelijk laat is ingediend.
18. Op basis van de stukken in het dossier en de verklaringen van belanghebbende ter zitting acht de rechtbank aannemelijk dat sprake is geweest van bijzondere omstandigheden waardoor belanghebbende niet in staat was de aanvraag tijdig in te dienen. Ook is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag gegeven de omstandigheden van belanghebbende niet onredelijk laat is ingediend. Het tijdsverloop tussen 31 december 2023 en de daadwerkelijke aanmelding, brengt de rechtbank dus niet tot een ander oordeel. In dat verband merkt de rechtbank op dat belanghebbende ter zitting op indringende wijze heeft uiteengezet dat de samenloop van de genoemde omstandigheden ertoe heeft geleid dat zij zich in 2023 en 2024 grotendeels had afgesloten van de buitenwereld en nieuwsberichten haar niet bereikten. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende daardoor de informatie over de herstelregeling en de aanmeldtermijn niet heeft meegekregen. De rechtbank acht in dit verband ook van belang dat belanghebbende zich in 2024 bij de huisarts heeft gemeld in verband met psychische klachten die al langere tijd speelden en dat belanghebbende in 2023 en de jaren ervoor een intensief en langdurig behandeltraject bij de GGZ had doorlopen. Zij is doorverwezen naar een psycholoog en stond in 2024 op de wachtlijst voor behandeling. De behandeling is vervolgens pas begin 2025 wederom opgestart. De rechtbank leidt uit die gang van zaken af dat de situatie waarin belanghebbende zich in 2023 bevond, onverminderd heeft voortgeduurd tot begin 2025. In combinatie met de overige omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van bijzondere en persoonlijk ontwrichtende omstandigheden die maakten dat belanghebbende zich niet eerder dan 8 januari 2025 heeft kunnen aanmelden bij verweerder voor een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag. De rechtbank is onder deze omstandigheden, in tegenstelling tot verweerder, van oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is en de aanvraag alsnog in behandeling moet worden genomen.
Conclusie
19. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. De rechtbank zal daarom de beslissing op bezwaar vernietigen.
20. De rechtbank ziet geen mogelijkheden voor finale geschilbeslechting, zoals belanghebbende subsidiair heeft verzocht, nu de zaak tot nu toe alleen ging over de vraag of de te late indiening van de aanvraag verschoonbaar is en een inhoudelijke heroverweging dus nog moet plaatsvinden. De rechtbank zal daarom bepalen dat er opnieuw moet worden beslist op het bezwaarschrift door verweerder en dat het verzoek van belanghebbende inhoudelijk in behandeling wordt genomen.
Proceskosten
21. Omdat het beroep gegrond zal worden verklaard, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door belanghebbende gemaakte proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
21. De rechtbank zal verweerder tevens opdragen aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht van € 53 te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder het verzoek van belanghebbende tot herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag vanaf het jaar 2005 tot en met het jaar 2019 in behandeling dient te nemen;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.200, en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van
mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|