|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2026:5063 | | | | | Datum uitspraak | : | 07-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 10-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | AWB - 24 _ 4888 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | IB. In geschil is of € 80 belastingrente terecht in rekening is gebracht. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is, omdat belanghebbende de aangifte IB/PVV te laat heeft ingediend. Dat de fiscale partner een teruggaaf krijgt, hoeft daarbij niet te worden meegenomen. Ook is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel, discriminatieverbod of détournement de pouvoir. Ongegrond. | | Trefwoorden | : | belastbaar inkomen uit werk en woning | | | heffingsrente | | | inkomstenbelasting | | | verzamelinkomen | | | | Uitspraak | Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/4888
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 83.006. Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft verweerder € 80 belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft op 24 juli 2023 bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte belastingrente.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 juli 2024 het bezwaar afgewezen en de beschikking belastingrente gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft voor de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2026 te Haarlem.
Belanghebbende is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. [naam 1] en mr. [naam 2] .
Overwegingen
Feiten
1. Belanghebbende is geboren op 25 januari 1992 en heeft in het onderhavige jaar een fiscaal partner, [naam 3] .
2. Met dagtekening 15 januari 2022 heeft verweerder een voorlopige aanslag IB/PVV 2022 opgelegd. De aanslag is gebaseerd op een inschatting van de situatie van belanghebbende in 2022 en bedraagt een te ontvangen bedrag van € 6.277.
3. Met dagtekening 15 februari 2022 heeft verweerder een gewijzigde voorlopige aanslag IB/PVV 2022 opgelegd. Deze aanslag is gebaseerd op het wijzigingsverzoek van belanghebbende en leidt tot een aanvullende teruggaaf van € 844.
4. Met dagtekening 29 augustus 2022 heeft verweerder een gewijzigde voorlopige aanslag IB/PVV 2022 opgelegd, gebaseerd op het wijzigingsverzoek van belanghebbende. Deze aanslag resulteert in een vermindering van de teruggaaf met € 123.
5. Belanghebbende heeft op 18 mei 2023 de aangifte IB/PVV 2022 ingediend. Het daarin vermelde verzamelinkomen bedraagt € 83.006 en bestaat uit loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.
6. Verweerder heeft met dagtekening 21 juli 2023 de definitieve aanslag IB/PVV 2022 vastgesteld, conform de ingediende aangifte. Het te betalen bedrag bedraagt € 7.957, inclusief € 80 aan belastingrente.
7. Met dagtekening 21 juli 2023 heeft verweerder de definitieve aanslag IB/PVV 2022 van de fiscaal partner [naam 3] vastgesteld. Het te ontvangen bedrag bedraagt € 7.836.
Geschil 8. In geschil is of de belastingrente van € 80 bij de aanslag IB/PVV 2022 terecht in rekening is gebracht.
9. Belanghebbende stelt dat de belastingrente onterecht in rekening is gebracht. Nu verweerder reeds de beschikking had over het merendeel van het bedrag waarover de rente is berekend, is de heffing van belastingrente in strijd met het evenredigheidsbeginsel en is er sprake van een onzorgvuldig tot stand gekomen besluit. De berekening van belastingrente zonder het in ogenschouw nemen van de fiscaal partner leidt tot buitenproportionele uitkomsten en is in strijd met het discriminatieverbod van artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP). Voorts stelt belanghebbende dat door de behandelaar in bezwaar is aangegeven dat belastingrente feitelijk fungeert als een soort sanctie voor het niet tijdig doen van aangifte. Een dergelijke toepassing acht belanghebbende in strijd met het verbod op détournement de pouvoir.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de rentebeschikking en vergoeding van immateriële schade wegens het overschrijden van de redelijke termijn.
10. Verweerder stelt dat terecht belastingrente is berekend, omdat de aangifte te laat is ingediend, de berekening conform de wettelijke regels is uitgevoerd en geen rekening hoeft te worden gehouden met een teruggave bij de fiscaal partner. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
11. Indien met betrekking tot de inkomstenbelasting na het verstrijken van een periode van zes maanden vanaf het einde van het tijdvak waarover de aanslag wordt vastgesteld een door de belastingplichtige te betalen bedrag wordt vastgesteld, wordt met betrekking tot die aanslag belastingrente in rekening gebracht (artikel 30fc, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)). De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt zes maanden na het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag invorderbaar is (artikel 30fc, tweede lid van de AWR). Indien de aanslag wordt vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte wordt belastingrente in rekening gebracht tot uiterlijk negentien weken na ontvangst van de aangifte (artikel 30fc, derde lid van de AWR). Er wordt in afwijking van het voorgaande geen belastingrente in rekening gebracht indien de aanslag IB/PVV is vastgesteld overeenkomstig een ingediende aangifte die is ontvangen voor de eerste dag van de vijfde maand na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven (artikel 30fc, vierde lid, van de AWR).
12. De rechtbank overweegt dat als artikel 30fc, vierde lid, van de AWR op dit geval wordt toegepast, verweerder geen belastingrente in rekening brengt indien (1) de aangifte IB/PVV voor het jaar 2022 vóór 1 mei 2023 is ingediend én (2) de aanslag overeenkomstig die ingediende aangifte wordt opgelegd. Nu de aangifte van belanghebbende pas na 1 mei 2023 is ontvangen, namelijk op 18 mei 2023, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht belastingrente in rekening heeft gebracht. Dat de aanslag conform de aangifte is vastgesteld doet hier niet aan af, omdat aan de eerste voorwaarde niet is voldaan. Het handelen van verweerder is in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke bepalingen.
Evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel
13. Belanghebbende stelt dat uit het door hem overgelegde overzicht van betalingen blijkt dat geen sprake kan zijn van het in rekening brengen van belastingrente over een bedrag van € 7.957. Volgens belanghebbende had verweerder het merendeel van het te betalen bedrag reeds onder zich, nu de definitieve aanslag IB/PVV 2022 van de echtgenoot resulteerde in een teruggave. Nu belastingrente is bedoeld om rentevoordelen of -nadelen te neutraliseren, verzet het evenredigheidsbeginsel zich ertegen dat rente wordt berekend over het volledige bedrag.
14. Zoals hiervoor besproken heeft verweerder in overeenstemming met de wettelijke bepalingen met betrekking tot de aan belanghebbende opgelegde aanslag IB/PVV 2022 bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. De beschikking belastingrente betreft een zogenoemde ‘gebonden beschikking’, bij het vaststellen waarvan de inspecteur geen beleidsvrijheid toekomt. Daardoor komt verweerder niet toe aan een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (vgl. Hoge Raad, 25 november 2011, nr. 10/05193, ECLI:NL:HR:2011:BU5656). Alsdan rest de vraag of de inspecteur de berekening van belastingrente in het onderhavige geval nochtans achterwege had moeten laten dan wel had dienen te beperken op de grond dat sprake is van een willekeurige of onredelijke heffing die de wetgever niet voor ogen kan hebben gehad (evenredigheidsbeginsel contra legem).
15. De sinds 1 januari 2013 geldende belastingrenteregeling is in tegenstelling tot de daarvoor geldende heffingsrente, geënt op de verzuimrenteregeling van de Awb. In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 003, nr. 3 blz. 32-33) is dat als volgt onder woorden gebracht:
“Het kabinet introduceert een nieuwe renteregeling voor het heffen en vergoeden van rente die aansluit op de regeling verzuimrente van de Awb. Die verzuimrenteregeling gaat ervan uit dat een bestuursorgaan rente in rekening brengt indien de burger niet op tijd aan zijn betalingsverplichting jegens het bestuursorgaan voldoet.
(..)
Kort en goed komt de nieuwe regeling er op neer dat de inspecteur belastingrente in rekening brengt als het opleggen van een belastingaanslag met een door de belanghebbende te betalen bedrag door toedoen van die belanghebbende te lang op zich laat wachten.”
16. Het staat vast dat belanghebbende ‘te laat’ aangifte IB/PVV voor het jaar 2022 heeft gedaan door deze pas op 18 mei 2023 in te dienen. Als gevolg daarvan heeft het opleggen van de aanslag door toedoen van belanghebbende later plaatsgevonden dan noodzakelijk zou zijn geweest. Belanghebbende had immers de aangifte voor 1 mei 2023 kunnen indienen. Ook had belanghebbende voor 1 mei 2023 om het opleggen van een nadere voorlopige aanslag kunnen verzoeken om de belastingrente te voorkomen. Er is in die zin sprake van een verzuim van belanghebbende. Het berekenen van belastingrente op de aan belanghebbende opgelegde aanslag IB/PVV 2022 is in deze situatie dan ook in overeenstemming met de ratio (verzuimgedachte) van de wettelijke regeling van de belastingrente.
17. De rechtbank deelt de stelling van belanghebbende niet dat bij de beoordeling van de evenredigheid tevens de teruggaaf IB/PVV 2022 aan zijn echtgenoot in aanmerking dient te worden genomen. Het in aanmerking nemen van teruggaven past niet bij het sinds 1 januari 2013 geldende verzuimrente-karakter van de belastingrenteregeling en dit gevolg – het voor de berekening van de verschuldigde belastingrente niet in aanmerking nemen van de teruggaaf – is bovendien door de wetgever onder ogen gezien en aanvaard (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:2520). De staatssecretaris van Financiën heeft onderzoek laten doen naar de regeling van de belastingrente. Het rapport daarvan heeft de staatssecretaris als bijlage bij een brief van 5 juli 2018, nr. 2018-0000115754, aan de Tweede Kamer gezonden. In die brief staat onder meer het volgende:
“In het onderzoek wordt vervolgens ingegaan op situaties waarin de Belastingdienst belastingrente in rekening brengt over een (gedeelte van) een tijdvak waarin een (gedeelte van) het te betalen bedrag al onder de Belastingdienst verkeerde. Hierbij houdt de Belastingdienst dus geen rekening met geld dat al in haar bezit was. Aan de hand van voorbeelden wordt een aantal van deze situaties beschreven. Dat deze situaties bij belastingplichtigen gevoelens van onredelijkheid oproepen, kan ik goed begrijpen. Kenmerkend aan de beschreven situaties is echter steeds dat de belastingplichtige op enig moment in verzuim is geweest, hetgeen een legitimering is voor het in rekening brengen van belastingrente. Dat de situaties zich kunnen voordoen is dus een gevolg van de aansluiting bij de verzuimgedachte. Daarin is met name van belang of sprake is van een verzuim en speelt het behalen van economisch voor- of nadeel geen bepalende rol. De situaties zijn dus in lijn met de uitgangspunten van de regeling belastingrente.
(...)
Een aantal andere beschreven aspecten van de regeling belastingrente is wel in lijn met de uitgangspunten van de regeling, maar kan desalniettemin als onrechtvaardig worden ervaren. (...) Ten tweede doel ik op situaties waarin belastingrente wordt berekend over (een gedeelte van) een tijdvak waarin (een gedeelte van) het te betalen bedrag al onder de Belastingdienst verkeerde. Deze situaties zijn het gevolg van aansluiting bij de verzuimgedachte. Aanpassing hiervan zou gepaard gaan met ingrijpende wijzigingen van de systematiek van de regeling belastingrente en kent zowel grote uitvoeringsgevolgen voor de Belastingdienst als budgettaire gevolgen."
18. De inhoud van de vermelde brief is voor de wetgever geen aanleiding geweest de regeling van de belastingrente op dit punt te wijzigen, zodat ervan uit kan worden gegaan dat de wetgever de vermelde gevolgen welbewust heeft aanvaard. In zijn arrest van 13 november 2020, nr. 20/01266, ECLI:NL:HR:2020:1778, overweegt de Hoge Raad met betrekking tot de wettelijke bepalingen inzake de belastingrente dan ook onder meer:
“2.3.2 (…) Deze wettelijke bepalingen laten niet toe om bij de berekening van ter zake van een belastingaanslag verschuldigde belastingrente acht te slaan op een recht op vermindering uit hoofde van een andere belastingaanslag of een andere beschikking met betrekking tot een andere belastingplicht. Dat geldt ook in een geval als dit, waarin de vermindering en de navordering rechtstreeks met elkaar samenhangen.”
19. Indien dit al geldt voor belastingaanslagen en teruggaven van en aan belanghebbende zelf, geldt dit nog meer indien het een teruggave aan zijn fiscale partner betreft. De conclusie van het voorgaande moet zijn dat de omstandigheid dat bij de berekening van belastingrente ten aanzien van een op te leggen belastingaanslag geen rekening wordt gehouden met een in (direct) verband met die op te leggen aanslag op een andere belastingaanslag aan een andere belastingplichtige terug te geven bedrag, berust op een uitdrukkelijk gemaakte afweging van de wetgever. In die afweging kan de (belasting)rechter niet treden, behoudens indien en voor zover het resultaat daarvan in strijd zou komen met internationaal recht met rechtstreekse werking (art. 94 Grondwet).
Artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 1 EP
20. Belanghebbende voert aan dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de zogenoemde verzuimgedachte weliswaar een rechtvaardiging vormt voor het in rekening brengen van belastingrente, maar dat de wetgever tegelijkertijd heeft erkend dat deze systematiek in bepaalde gevallen tot onrechtvaardige uitkomsten kan leiden. Daarbij is volgens hem onvoldoende aandacht besteed aan het proportionaliteitsvereiste. Volgens belanghebbende ontstaat door de gebruikte methode een ongelijke behandeling van belastingplichtigen met en zonder fiscaal partner, hetgeen in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 1 EP.
21. Bij de beantwoording van de vraag of volgens de verdragsrechtelijke bepalingen sprake is van een verboden ongelijke behandeling van gelijke gevallen, moet worden vooropgesteld dat niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verboden is. Er is alleen sprake van ongeoorloofde discriminatie wanneer een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor een ongelijke behandeling ontbreekt. Uit artikel 1 EP vloeit voort dat iedere natuurlijke of rechtspersoon recht heeft op het ongestoorde genot van zijn eigendom en dat die niemand zal worden ontnomen, behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. In de tweede alinea van artikel 1 EP is neergelegd dat deze bepalingen op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen te verzekeren.
22. Op fiscaal gebied komt aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en, in het bevestigende geval, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 11 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7267). In zijn algemeenheid kan gezegd worden dat de wetgever verschillende belastingmaatregelen heeft getroffen waardoor belastingplichtigen met fiscaal partner in de belastingheffing in sommige gevallen anders worden betrokken dan belastingplichtigen zonder fiscaal partner. Het maken van onderscheid tussen belastingplichtigen met fiscaal partner enerzijds en belastingplichtigen zonder fiscaal partner anderzijds kan ter verwezenlijking van bepaalde doelstellingen geoorloofd zijn. Voorts staat het de wetgever vrij om bij de regeling van belastingrente uit te gaan van individuele belastingheffing. De door de wetgever gemaakte keuzes zijn niet van iedere redelijke grond ontbloot. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van strijdigheid met artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 1 EP. Daarbij merkt de rechtbank op dat fiscaal partners bij het vaststellen van te betalen belasting ook bepaalde voordelen genieten die alleenstaanden niet kunnen laten gelden.
Verbod op détournement de pouvoir
23. Belanghebbende stelt dat door de behandelaar in bezwaar is aangegeven dat belastingrente feitelijk fungeert als een soort sanctie voor het niet tijdig doen van aangifte. De rechtbank overweegt dat de regeling van de belastingrente, zoals neergelegd in artikel 30fc AWR, naar haar aard en strekking geen punitieve sanctie is, maar een vergoeding voor het rentenadeel dat de fiscus lijdt doordat de belastingaanslag niet direct na afloop van het belastingjaar kan worden vastgesteld. Het feit dat de behandelaar in bezwaar de renteregeling tijdens de bezwaarfase heeft getypeerd als een "soort sanctie", maakt het juridische karakter van de regeling niet anders. Er is dan ook geen sprake van strijd met het verbod op détournement de pouvoir.
Slotsom
24. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade
25. De rechtbank overweegt ten aanzien van belanghebbende zijn verzoek om vergoeding van immateriële schade als volgt. Bij de behandeling van een zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet uitspraak doet binnen twee jaar na ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Verder geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover deze meer dan anderhalf jaar in beslag neemt, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven die termijn te verlengen. In zijn uitspraak van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:853) geoordeeld dat sprake is van een bijzondere omstandigheid indien het financiële belang minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In dat geval kan de rechter volstaan met enkel de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
26. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 24 juli 2023 tot aan deze uitspraak zijn twee jaar en ongeveer negen maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. Verder heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zijn financiële belang € 1.000 of meer is, nu het gaat om een bedrag van € 80 aan belastingrente. Naar het oordeel van de rechtbank doet de hiervoor genoemde bijzondere omstandigheid zich in het onderhavige geval voor en bestaat geen aanleiding voor de toekenning van vergoeding voor immateriële schade. De rechtbank zal het verzoek om vergoeding van immateriële schade daarom afwijzen en volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Proceskosten
27. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Brons griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|