Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNHO:2026:7644 
 
Datum uitspraak:19-02-2026
Datum gepubliceerd:29-06-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:HAA 24/1113
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:NATUURBESCHERMING. FAUNABEHEERPLAN. JACHT. TOETSINGSCRITERIA. Gedeputeerde staten hoeven de staat van instandhouding van een wildsoort en de door de wildsoort veroorzaakte schade in het jachtgebied niet te betrekken bij een besluit tot goedkeuring van het faunabeheerplan voor de jacht.
Trefwoorden:landbouw
landbouw, natuur en voedselkwaliteit
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 24/1113
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen

stichting De Faunabescherming, uit Amstelveen, eiseres (hierna: de Faunabescherming)
gemachtigden: mr. B.N. Kloostra en mr. L. Mahammad, advocaten te Amsterdam

en

gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland, verweerder
gemachtigden: mr. T.C. Leemans en K. Groenevelt, beiden beleidsmedewerker in dienst van de provincie.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: stichting Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland, uit Haarlem (hierna: FBE)
gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , beiden ecoloog in dienst van de FBE.

Eveneens als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).

Samenvatting


1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van de Faunabescherming tegen het besluit waarmee verweerder het Faunabeheerplan Wildsoorten 2023-2029 heeft goedgekeurd.



1.2.
De Faunabescherming is het met de goedkeuring van het faunabeheerplan niet eens. Zij voert daartoe een beroepsgrond aan. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank het goedkeuringsbesluit.



1.3.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat die beroepsgrond niet meebrengt dat het college het faunabeheerplan niet kon goedkeuren. De door de Faunabescherming aangevoerde (ongunstige) staat van instandhouding van de wildsoorten vormt geen grond voor weigering van de goedkeuring. De Faunabescherming krijgt dus geen gelijk en haar beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop


2.1.
De FBE heeft op 21 juni 2023 het Faunabeheerplan Wildsoorten 2023-2029 (hierna: faunabeheerplan) vastgesteld. Bij besluit van 11 juli 2023 heeft verweerder het faunabeheerplan goedgekeurd. De Faunabescherming heeft bij bezwaarschrift van 22 augustus 2023, bij verweerder ingekomen op 23 augustus 2023, bezwaar gemaakt tegen het goedkeuringsbesluit. Bij besluit van 9 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.



2.2.
De Faunabescherming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2025 op zitting behandeld, samen met het beroep geregistreerd onder nummer HAA 24/1115. Dit beroep, ingesteld door zes wildbeheereenheden, is ook gericht tegen het bestreden besluit. Aan de zitting hebben namens de Faunabescherming deelgenomen [naam] , vice-voorzitter van de Faunabescherming, bijgestaan door mr. L. Mohammad. Aan de zitting hebben verder deelgenomen de gemachtigden van verweerder en de gemachtigden van de FBE.




Beoordeling door de rechtbank


Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet


3.1.
Het bestreden besluit is genomen op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Op 1 januari 2024 zijn de Aanvullingswet natuur Omgevingswet en de Omgevingswet in werking getreden en is de Wnb ingetrokken. Als een aanvraag om goedkeuring van een faunabeheerplan is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het oude recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.



3.2.
De aanvraag om goedkeuring is in dit geval ingediend op 30 juni 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wnb en de Omgevingsverordening NH2020 nog van toepassing zijn.



3.3.
Enige voor deze zaak relevante bepalingen uit de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, de Wnb en de Omgevingsverordening NH2020 zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.


Bevoegdheid rechtbank



3.4.
De rechtbank stelt voorop, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, dat het goedkeuringsbesluit, dat betrekking heeft op een faunabeheerplan voor (uitsluitend) de jacht, een voor (bezwaar en) beroep vatbaar besluit is en de rechtbank bevoegd is het beroep te behandelen.


Het bestreden besluit

4. In het bestreden besluit heeft verweerder vooropgesteld dat een goedgekeurd faunabeheerplan is vereist om de jacht te kunnen uitoefenen. Om te bezien of het door de FBE vastgestelde faunabeheerplan kon worden goedgekeurd, heeft verweerder dat plan, zo stelt hij, getoetst aan de inhoudelijke eisen die de Wnb stelt aan het opstellen, vaststellen en goedkeuren van een faunabeheerplan en tevens bezien of het faunabeheerplan voldoet aan de inhoudelijke eisen die afdeling 6.11 Omgevingsverordening NH2020 daaraan stelt. Om de jachthouder goed invulling te kunnen laten geven aan diens verantwoordelijkheid tot het in stand houden van een goede wildstand en het voorkomen van schade door de wildsoorten in het jachtveld is in het faunabeheerplan informatie gegeven over de wildsoorten wilde eend, fazant, houtduif, haas en konijn, is het aantal in eerdere jaren gedode dieren per jaar vermeld en een indicatie gegeven van de (potentiële) schade. Verder is daarin inzicht gegeven in de trendontwikkeling van de populaties, de staat van instandhouding van de wildsoorten en de wijze waarop de ontwikkeling van populaties, de beheergegevens en de schade worden gemonitord. Volgens verweerder voldoet het faunabeheerplan aan de daaraan te stellen eisen.


Heeft verweerder te beperkt getoetst?



5.1.
De Faunabescherming voert aan dat het college in het goedkeuringsbesluit ten onrechte niet heeft getoetst of de staat van instandhouding van de wildsoorten voldoende gunstig is en of er sprake is van schade in de jachtperiode die door de wildsoorten wordt veroorzaakt. De verplichting daartoe volgt volgens haar uit artikel 3.20, derde lid, Wnb. Op grond van dit artikel moet verweerder er volgens de Faunabescherming op toezien dat de jachthouder datgene doet wat een goed jachthouder betaamt om een redelijke stand van het in zijn jachtveld aanwezige wild te handhaven. De toets, die volgt uit artikel 7, vierde lid, van de Vogelrichtlijn (Vrl), is, aldus De Faunabescherming, nog indringender. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 maart 2020 betoogt de Faunabescherming dat afwijkingen uit hoofde van artikel 9 Vrl alleen kunnen worden toegestaan als wordt gewaarborgd dat de populatie van de betrokken soorten op een ‘bevredigend niveau’ wordt gehandhaafd en dat, indien dat niet het geval is, de vogeljacht hoe dan ook niet kan worden beschouwd als een verstandig gebruik en ecologisch evenwichtige regulering van de betrokken vogelsoorten en bijgevolg geen toelaatbare vorm van exploitatie vormt. De Faunabescherming voert per soort – wilde eend, fazant, houtduif, haas en konijn – aan dat er sprake is van een ongunstige staat van instandhouding en dat onvoldoende is aangetoond dat door deze soorten schade zou zijn veroorzaakt. Volgens de Faunabescherming heeft verweerder het faunabeheerplan daarom niet mogen goedkeuren.



5.2.
De rechtbank begrijpt het standpunt van de Faunabescherming aldus dat de staat van instandhouding van de vijf wildsoorten zodanig (slecht) is, dat de jacht daarop niet mag worden toegestaan en dat daarom goedkeuring aan het faunabeheerplan, dat uitsluitend ziet op jacht, had moeten worden onthouden, zodat de jacht ook niet mag worden uitgeoefend.



5.3.
De rechtbank volgt de Faunabescherming niet in dat standpunt. Zoals verweerder ook heeft aangevoerd in het bestreden besluit, volgt uit artikel 3.22, tweede lid, Wnb dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) bepaalt of en in hoeverre de jacht is geopend. Uit artikel 3.22, vijfde lid, Wnb volgt dat de jacht niet wordt geopend op soorten waarvan de staat van instandhouding in het geding is. Bij zijn besluit de jacht op een soort al dan niet te openen, beoordeelt de minister derhalve of de staat van instandhouding daaraan al dan niet in de weg staat. Die toets voert de minister telkens uit en heeft er toe geleid dat de jacht op het konijn thans niet is geopend. Een (goedgekeurd) faunabeheerplan is gelet op artikel 3.12, eerste lid, Wnb verder wel vereist voor het mogen uitoefenen van de jacht, maar, anders dan de Faunabescherming aanvoert en de rechtbank Gelderland in haar uitspraak van 17 december 2024 oordeelde, volgt uit artikel 3.20, derde lid, Wnb of enige andere bepaling in de Wnb niet dat verweerder bij de goedkeuring nogmaals – in aanvulling op de beoordeling van de minister over het al dan niet openstellen van de jacht – de staat van instandhouding van de wildsoorten moet beoordelen en goedkeuring aan het faunabeheerplan (voor jacht) zou moeten onthouden als de staat van instandhouding van een of meer van de wildsoorten niet gunstig is. Anders dan de Faunabescherming nog aanvoert, mag verweerder de goedkeuring ook niet onthouden op de enkele grond dat onvoldoende aannemelijk zou zijn gemaakt dat sprake is van schade in de jachtperiode die door wildsoorten zou worden veroorzaakt. Een verplichting tot onthouding van goedkeuring volgt evenmin uit de door de Faunabescherming aangehaalde jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU. Daarbij geldt dat niet verweerder maar de jachthouder zelf normadressaat is van artikel 3.20, derde lid, Wnb. De wetgever heeft – nadat de jacht op de soorten door de minister is opengesteld – aan de jachthouder bij uitstek het recht gegeven en daarmee de verantwoordelijkheid aan hem opgedragen om binnen diens jachtgebied zorg te dragen voor de handhaving van een redelijke wildstand en het voorkomen van schade door in zijn jachtveld aanwezig wild. Het betoog van de Faunabescherming dat verweerder in het goedkeuringsbesluit ten onrechte niet heeft getoetst of sprake is van een gunstige staat van instandhouding van de wildsoorten en of er sprake is van schade in de jachtperiode die door wildsoorten zou wordt veroorzaakt, faalt dan ook.



5.4.
Hetgeen de Faunabescherming heeft aangevoerd, kan daarom niet leiden tot het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat het door de FBE vastgestelde faunabeheerplan (voor jacht) voldoet aan de vereisten die aan dat faunabeheerplan zijn gesteld in wet- en regelgeving.


Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn



6.1.
De Faunabescherming heeft ter zitting verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van een redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).



6.2.
Volgens vaste rechtspraak is in beginsel sprake van overschrijding van die termijn als bij behandeling van zaken als deze, de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank meer dan anderhalf jaar heeft geduurd, terwijl doorgaans sprake is van een te lange behandelingsduur als de periode van bezwaar en beroep in totaal meer dan twee jaar heeft geduurd. Per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden, is in de regel een immateriële schadevergoeding van € 500,00 gepast. De te beoordelen duur van de termijn begint met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank uitspraak doet.



6.3.
Het bezwaarschrift is op 23 augustus 2023 ingekomen. De termijn is daarom op die datum gestart. Op het moment van de uitspraak van 20 februari 2026 zijn sinds die datum twee jaar en bijna zes maanden verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van de Faunabescherming vindt de rechtbank aanknopingspunten voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar had mogen bedragen. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met bijna zes maanden. Daarbij past een vergoeding van immateriële schade van € 500,-.



6.4.
De bezwaarprocedure heeft niet langer dan een half jaar geduurd. De overschrijding is daarom geheel aan de rechtbank te wijten. De Staat zal daarom de schadevergoeding van
€ 500,- voor zijn rekening moeten nemen.




Conclusie en gevolgen


7.1.
Het beroep is ongegrond. De goedkeuring blijft in stand. Dat betekent dat de Faunabescherming het griffierecht niet terugkrijgt. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.



7.2.
De Faunabescherming komt wel in aanmerking voor schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep. De Staat zal worden opgedragen het schadebedrag van € 500,- aan de Faunabescherming te betalen.




Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep ongegrond;


wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting toe;


veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan de Faunabescherming van het schadebedrag van € 500,-.



Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. R. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.












griffier


voorzitter






Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage wettelijk kader


De bepalingen zijn opgenomen voor zover aangehaald.


Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (gecodificeerde versie)


Artikel 7
(…)
4. De lidstaten zien erop toe dat bij de beoefening van de jacht, eventueel met inbegrip van de valkenjacht, zoals deze voortvloeit uit de toepassing van de geldende nationale maatregelen, de principes van een verstandig gebruik en een ecologisch evenwichtige regulering van de betrokken vogelsoorten in acht worden genomen, en dat deze beoefening wat de populatie van deze soorten, in het bijzonder van de trekvogels betreft, verenigbaar is met de uit artikel 2 voortvloeiende bepalingen.
(…)


Aanvullingswet natuur Omgevingswet


Artikel 2.9. (eerbiedigend overgangsrecht procedures)
1. Als voor de inwerkingtreding van deze wet een aanvraag om een besluit op grond van de Wet natuurbescherming is ingediend, blijft het oude recht van toepassing:
a. als tegen het besluit beroep openstaat, tot het besluit onherroepelijk is (…)


Wet natuurbescherming


Artikel 3.12
1. Er zijn faunabeheereenheden die voor hun werkgebied een faunabeheerplan vaststellen. Het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht geschieden overeenkomstig het faunabeheerplan.
(…)

Artikel 3.20
1. In afwijking van de artikelen 3.1, eerste en vierde lid, 3.5, eerste en tweede lid, en 3.10, eerste lid, is het de jachthouder toegestaan in zijn jachtveld wild te vangen, te doden en te verontrusten, en met het oog daarop op te sporen ter uitoefening van de jacht, indien is voldaan aan het bij en krachtens deze paragraaf en paragraaf 3.6 bepaalde.
2. Wild als bedoeld in het eerste lid zijn in het wild levende dieren van de volgende soorten:
a. fazant (Phasianus colchicus);
b. wilde eend (Anas platyrhynchos);
c. houtduif (Columba palumbus);
d. haas (Lepus Europaeus);
e. konijn (Oryctolagus cuniculus).
3. De jachthouder doet datgene wat een goed jachthouder betaamt om een redelijke stand van de in zijn jachtveld aanwezige wild als bedoeld in het tweede lid te handhaven, dan wel, bij het ontbreken daarvan, te bereiken, en om schade door in zijn jachtveld aanwezig wild als bedoeld in het tweede lid te voorkomen.(…)

Artikel 3.22, voor zover hier van belang
1. Het is verboden om de jacht op wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, uit te oefenen indien de jacht op de betreffende soort niet is geopend.
2. Bij ministeriële regeling wordt bepaald in hoeverre de jacht is geopend. De opening van de jacht kan naar plaats of tijd worden beperkt.(…)
5. De jacht wordt niet geopend op soorten waarvan de staat van instandhouding in het geding is.



Overeenkomstig de Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935 over het voeren van verweer in procedures bij een bestuursrechtelijk college waarin verzocht wordt om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de minister afgezien van verweer.


De rechtbank verwijst ten overvloede naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:875, overweging 7.4.


De Faunabescherming wijst in dat verband op de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland van 17 december 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:9045.


ECLI:EU:C:2020:291, overweging 68.


Thans: de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.


Dat volgt uit artikel 3.5 van de Regeling natuurbescherming
Link naar deze uitspraak