Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNHO:2026:7672 
 
Datum uitspraak:22-01-2026
Datum gepubliceerd:30-06-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:HAA 24/2711
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Omgevingsvergunning bouwen, strijdig gebruik en OBM voor uitbreiden veestapel en bouwen nieuwe varkensstal. Passeren gebrek. Beroep ongegrond.
Trefwoorden:activiteitenbesluit
agrarisch
ammoniak
ammoniakemissie
bedrijfswoning
bestemmingsplan
biologisch
buitengebied
fijnstof
geurhinder
landbouw
landbouwbeleid
omgevingsvergunning
perceel
stallen
stalsysteem
stikstofdepositie
varkens
veehouderij
veestapel
vleesvarkens
wabo
wet milieubeheer
zeugen
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 24/2711

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres 1] en [eiseres 2] , uit Middenbeemster, eisers
gemachtigde: mr. R.J. Grasmeijer, werkzaam bij DAS rechtsbijstand,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend,
gemachtigden: mr. J.P.H. de Bruijn en mr. M.C.A.M. Veerman.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel de maatschap [derde-partij] uit Middenbeemster (derde-partij).

Als partij van rechtswege neemt aan deze zaak deel de raad van de gemeente Purmerend, gemachtigde: mr. J.P.H. de Bruijn en mr. M.C.A.M. Veerman.

Samenvatting


1.1.
Deze uitspraak gaat over de aan derde-partij verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een serrestal bij haar bestaande varkensboerderij in Middenbeemster en het uitbreiden van de veestapel. Eisers zijn het met het verlenen van deze omgevingsvergunning niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning niet heeft hoeven weigeren. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Omdat er wel een gebrek aan het besluit kleeft, maar dat gebrek kan worden gepasseerd, komen eisers in aanmerking voor een vergoeding van hun proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.3.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat de totstandkoming van het besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en of het college al dan niet weigeringsgronden had moeten toepassen zodat van het verlenen van de gevraagde toestemmingen had moeten worden afgezien. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.





Enige feiten en procesverloop


2.1.
Derde-partij exploiteert aan de [adres] in Middenbeemster de veehouderij ‘ [naam veehouderij] ’. Het vlees van de in het bedrijf gefokte varkens brengt het bedrijf op de markt als ‘streekproduct Het [naam veehouderij] ’. De bestaande inrichting heeft een omvang van 230 zeugen en 825 vleesvarkens. Op 6 augustus 2019 heeft derde-partij het college gevraagd om een omgevingsvergunning voor het realiseren van een innovatieve serrestal. Na wijziging van de aanvraag, verzoekt de vergunninghouder vergunning voor 1680 vleesvarkens, 297 zeugen, 900 biggen en een dekbeer (het project).
Eisers bewonen de woningen op het nabij gelegen perceel bij het bedrijf van de vergunninghouder. De kortste afstand van hun woningen tot de geplande nieuwe stal is 145 meter.



2.2.
Op 29 februari 2024 heeft de raad van de gemeente Purmerend ten behoeve van het project, voor zover dat ziet op afwijking van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, een verklaring van geen bedenkingen afgegeven. Bij besluit van 18 maart 2024 heeft het college beslist dat het opstellen van een milieueffectrapport niet is vereist. Daarna heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken van het bestemmingsplan en beperkte milieutoets verleend bij besluit van 27 maart 2024 (hierna: het bestreden besluit).



2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Nadien heeft mr. Grasmeijer zich als gemachtigde gesteld en aanvullend gronden ingediend. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college en de raad. Namens derde-partij zijn haar maten [voorletter] (zoon) en [voorletters] (vader) [achternaam] verschenen.




Totstandkoming van het besluit


De aanvraag


3.1.
Met haar aanvraag wil derde-partij haar activiteiten uitbreiden en wijzigen. Zij wil daartoe de veestapel vergroten en naast de huidige stallen een nieuwe vleesvarkensstal bouwen. Het plan is om op den duur de huidige vleesvarkensstallen te vervangen of buiten gebruik te nemen. De gevraagde varkensstal is een zogenoemde serrestal. Dit type stal wordt uitgevoerd met een licht doorlatend dak dat de dieren een dag- en nachtritme geeft. De beoogde stal heeft een omvang van 3.875 m2 (36,9 bij 105 meter) en een goothoogte van 5,5 meter. De stal zal zijn verdeeld in twee grote afdelingen waardoor minder elektriciteit wordt verbruikt om het klimaat te regelen dan in een reguliere varkensstal. Dat komt mede door de luchtbuffer en vooral door de verdeling van de lucht in de stal. Om de benodigde luchtverversing te waarborgen, vindt er mechanische afzuiging plaats aan de zijkant (westkant) van de stal. Met de bouw van de aangevraagde stal kan het bedrijf groeien naar een omvang van maximaal 297 zeugen, 900 biggen, 1680 vleesvarkens en 1 dekbeer. Op deze manier kan het bedrijf een gesloten bedrijfsvoering creëren. Dat houdt in dat alle dieren vanaf de geboorte tot zij slachtrijp zijn op het bedrijf blijven.



3.2.
De aanvraag ziet op de volgende activiteiten:
- het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo);
- het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo; en
- het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, Wabo. In samenhang met artikel 2.2a Besluit omgevingsrecht (Bor) wordt deze toestemming de ‘omgevingsvergunning beperkte milieutoets’ (hierna: OBM) genoemd.


Het bestreden besluit

4. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend omdat voor de bouwtoestemming geen sprake is van weigeringsgronden. Het project is in overeenstemming met de redelijke eisen van welstand en voldoet aan de regels zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012 en de Bouwverordening. Het project is weliswaar in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, maar omdat de gemeenteraad middels de afgifte van een verklaring van geen bedenkingen heeft aangegeven aan het project te willen meewerken, betreft ook de strijdigheid met het bestemmingsplan geen weigeringsgrond (meer) voor de gevraagde omgevingsvergunning. Verder is volgens het college niet gebleken van een weigeringsgrond voor de gevraagde OBM. Via een vormvrije mer-beoordeling heeft het college geconcludeerd dat voor het project geen milieueffectrapportage (MER) behoeft te worden opgesteld. Getoetst zijn de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Het college stelt verder dat de activiteit niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor emissie van zwevende deeltjes (fijnstof) (PM10). De uitstoot van fijnstof heeft het college als niet in betekende mate (NIBM) geclassificeerd. De maximale normen voor geuremissie worden volgens het college ook niet overschreden. Van strijd met de luchtkwaliteitsgrenswaarden is daarom geen sprake. De gevraagde omgevingsvergunning kan daarom volgens het college worden verleend.


Overgangsrecht Omgevingswet



5.1.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.



5.2.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 6 augustus 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wet milieubeheer, de Wet geurhinder en veehouderij, Wet ammoniak en veehouderij, de Wabo en de daarbij horende uitvoeringsbesluiten (Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm), Besluit milieueffectrapportage, Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv), Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) en Bor) en het bestemmingsplan Buitengebied Beemster/partiële herziening 2021, zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.





Beoordeling door de rechtbank


Onzorgvuldige besluitvormingsproces


6.1.
Eisers voeren aan dat zij en de andere omwonenden bij de besluitvorming niet serieus zijn genomen door het college. Zij hebben zich gedurende het gehele traject genegeerd gevoeld. De behandeling van door hen ingebrachte zienswijzen werd steeds uitgesteld zonder eisers te informeren over de reden waarom. Achteraf bleek dat het zo lang heeft geduurd omdat derde-partij na het indienen van hun zienwijzen op het ontwerpbesluit in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te passen. Niet alleen zijn eisers daarvan ten onrechte niet op de hoogte gebracht, zij hebben ook ten onrechte niet mogen reageren op de aangepaste aanvraag, te meer nu de consequenties voor omwonenden door de aanpassing groter zijn geworden. Zij hebben wel een reactie ingezonden, maar daarmee is volgens hen niets gedaan.


6.2.1.
De rechtbank stelt vast dat derde-partij, in overleg met het college, ruim na het nemen van het ontwerpbesluit en na afloop van de periode van terinzagelegging van het ontwerp de aanvraag heeft aangepast. Uit het systeem van vergunningverlening zoals neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Wabo vloeit voort dat in beginsel op de aanvraag moet worden beslist zoals die is ingediend en bekendgemaakt. Bij toepassing van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb is het na het ter inzage leggen van de aanvraag en het ontwerp van het besluit, behoudens uitzonderingen, niet meer geoorloofd de aanvraag nog te wijzigen en aan te vullen. Uitzonderingen zijn alleen toelaatbaar als vaststaat dat geen derden zijn benadeeld. Als het (ontwerp)besluit in verband met een dergelijke gewijzigde aanvraag wordt gewijzigd, dient daarvan een ontwerp opnieuw aan inspraak te worden onderworpen.



6.2.2.
Aan het bestreden besluit kleeft dus een gebrek omdat derde-partij de aanvraag na de ter inzage legging van het ontwerpbesluit (en daarbij horende eerdere aanvraag) heeft gewijzigd, het college op de gewijzigde aanvraag heeft beslist en het college eisers niet in de gelegenheid heeft gesteld eerst op een gewijzigd ontwerpbesluit te reageren. De rechtbank ziet evenwel aanleiding het constateerde gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 Awb. Daarbij is van belang dat eisers in beroep voldoende gelegenheid hebben gehad hun bezwaren tegen het gewijzigde project kenbaar te maken, van welke gelegenheid zij ook gebruik hebben gemaakt. Niet aannemelijk is, zo zal hierna blijken, dat naar aanleiding van de bezwaren van eisers tegen de vergunning, die zij bij zienswijze nog kenbaar hadden kunnen maken, nader onderzoek aan de zijde van het college en de raad was vereist, alvorens op de gewijzigde aanvraag te beslissen.



6.2.3.
Dit heeft tot gevolg dat het bestreden besluit niet vanwege het geconstateerde gebrek wordt vernietigd. Eisers komen vanwege dit passeren wel in aanmerking voor een vergoeding van door hen gemaakte proceskosten en het door hen betaalde griffierecht. De rechtbank komt hierop terug onder Conclusie en gevolgen.



Omgevingsvergunning beperkte milieutoets



Het toetsingskader




7.1.
De vergunning is – onder meer – verleend als OBM. Het toetsingskader voor verlening van de OBM is neergelegd in artikel 2.17 Wabo in samenhang gelezen met artikel 5.13b Bor.



7.2.
In artikel 2.2a Bor zijn de activiteiten aangewezen waarvoor een OBM is vereist. Tussen partijen is niet in geschil dat de door derde-partij beoogde activiteiten waarop de aanvraag ziet, activiteiten betreffen die in artikel 2.2a eerste lid, aanhef en onder f, g en h en artikel 2.2a, vierde lid, aanhef en onder a, sub 4 Bor zijn aangewezen als activiteiten waarvoor een OBM is vereist.



7.3.
De weigeringsgronden voor de OBM staan in artikel 5.13b Bor.
In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat een omgevingsvergunning voor de categorieën activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, eerste lid, onder a tot en met i, wordt geweigerd indien het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17, eerste lid, Wet milieubeheer (Wm), heeft beslist dat een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Op grond van dat artikel 7.17, zoals dat tot 1 januari 2024 luidde, neemt het bevoegd gezag een besluit over de vraag of voor de activiteit, vanwege belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
In het zesde lid van artikel 5.13b Bor is bepaald dat een omgevingsvergunning voor de categorieën activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, vierde lid, onder a, Bor wordt geweigerd, indien de activiteit leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10), bedoeld in bijlage 2, voorschrift 4.1, Wm, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd bij of krachtens artikel 5.16 van die wet.
Uit artikel 5.16 Wm volgt dat bij verlening van de OBM moet worden beoordeeld dat wordt voldaan aan een of meer van de luchtkwaliteitscriteria genoemd in dat artikel.



7.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat de vraag of een MER moet worden gemaakt kan worden beantwoord middels een zogenoemde vormvrije MER-beoordeling. Niet in geschil is immers dat met de aanvraag de aantallen in de kolom gevallen in categorie D14 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage niet wordt overschreden.



7.5.
De rechtbank stelt daarbij voorop dat de juistheid van het besluit op grond van artikel 7.17 Wm of al dan niet een MER is vereist, niet door de rechtbank kan worden beoordeeld, omdat beroep tegen een zodanig besluit in eerste en enige aanleg op grond van artikel 2 van Bijlage 2 “Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak” bij de Awb wordt ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Weigeringsgrond 1): had de OBM moeten worden geweigerd vanwege het aspect geur?



8.1.
Eisers voeren aan dat een MER had moeten worden opgesteld. Nu dit niet is gedaan, had het college de gevraagde OBM moeten weigeren. Eisers wijzen er op dat de afstand van de woning van een van hen met 145 meter kleiner is dan de algemeen geaccepteerde VNG-richtafstand van 200 meter voor geur. Eisers betwijfelen daarom de conclusie in het geuronderzoek dat de geurbelasting aanvaardbaar is. Daarbij geldt volgens eisers ook dat ten onrechte is gerekend met een geurreductiefactor van 45%. Het toegepaste stalsysteem waarmee deze factor zou worden behaald (Biofilters JW Espo BWL 2020.06) staat namelijk niet genoemd bij de toepasselijke diercategorie in bijlage 1 bij de Rgv. Daarom is volgens eisers niet de zekerheid verkregen dat sprake is van een aanvaardbare geursituatie.



8.2.
Het college heeft zich in het bestreden besluit over het aspect geur (als onderdeel van ‘kenmerken van het project’) onder verwijzing naar het onderzoek ‘Overzicht aantal dieren en emissie van ammoniak, geur en fijnstof’ van 16 november 2023’ op het standpunt gesteld dat de geurbelasting afneemt ten opzichte van de vergunde situatie. De meest nabijgelegen woningen liggen binnen de begrenzing van de inrichting en zijn daarom geen gevoelige objecten voor emissies veroorzaakt door de inrichting. De andere woningen liggen op meer dan 100 meter afstand. De geuremissie op de geurgevoelige objecten is gemeten met een V-stacks berekening als bedoeld in artikel 2 Rgv waaruit volgt dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten in de directe omgeving buiten de grenzen van de inrichting maximaal 7 ou/m3 bedraagt. Daarmee wordt voldaan aan de geurnorm van 8 ou/m3 die via het Abm en de Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) voor de inrichting geldt.



8.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het er in het bestreden besluit, nader toegelicht in het verweerschrift, terecht op gewezen dat de Rgv niet van toepassing is bij de beoordeling of een OBM moet worden geweigerd, omdat de Wet geurhinder en veehouderij alleen betrekking heeft op omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, Wabo. Het aspect geur geeft daarom geen grond de gevraagde OBM te weigeren. Dat neemt niet weg dat het college er terecht op wijst dat de inrichting wel moet voldoen aan de regels uit het Abm. De rechtbank merkt daar – in dit verband ten overvloede – op dat op grond van artikel 3.121 Abm de geurbelasting in dat kader wel wordt bepaald op de wijze zoals is vastgesteld in de Rgv. Op grond van artikel 2 Rgv wordt de geurbelasting berekend met inachtneming van het verspreidingsmodel V-stacks aan de hand van de voor de betreffende diercategorie in bijlage 1 opgenomen geuremissiefactor. Het college heeft in dit geval kunnen aanknopen bij de in de bijlage genoemde geuremissiefactor van 12,7 omdat deze geuremissiefactor hoort bij een ‘biologisch luchtwassysteem 45% geurreductie’ en in de beschrijving van het bij derde-partij te gebruiken biologisch luchtwassysteem ook is aangegeven dat dat systeem een geurreductie heeft van 45%. Nu het college is uitgegaan van de juiste gegevens, en eisers de berekening niet hebben betwist, heeft het college met die berekening afdoende gemotiveerd dat ter zake de geurgevoelige objecten wordt voldaan aan de geurnorm uit het Abm en dat er ook geen verslechtering optreedt wat geur betreft als gevolg van de ontwikkeling.


Weigeringsgrond 1) Had de OBM moeten worden geweigerd in verband met het aspect fijnstof (artikel 5.13b, zesde lid, Bor)



9.1.
Eisers voeren aan dat er geen zekerheid is verkregen dat sprake is van een aanvaardbare situatie voor zover het de luchtkwaliteit betreft, nu verweerder geen rekening lijkt te hebben gehouden met de (bewoner van de) woning die zich op een afstand van slechts 65 meter van emissiepunten van de inrichting bevindt. Het college had daarom de gevraagde OBM moeten weigeren.


9.2.1.
Met het college in stelt de rechtbank vast dat eisers met hun beroepsgrond niet opkomen voor hun eigen belangen, maar voor de belangen van de bewoners van de [straat] [nummer 1] en [nummer 2] . In dat zogenaamde relativiteitsvereiste, dat is neergelegd in artikel 8:69a Awb, ligt besloten dat degene die vernietiging van een besluit beoogt zich in beginsel niet met succes kan beroepen op belangen van anderen, zodat deze beroepsgrond van eisers reeds daarom geen succes kan hebben. De rechtbank, merkt daar, in wezen ten overvloede bij op dat verweerder deze woningen terecht niet heeft betrokken in de beoordeling of wordt voldaan aan de luchtkwaliteitseisen voor fijnstof, neergelegd in artikel 5.16 Wm. De woningen [straat] [nummer 1] en [nummer 2] liggen namelijk binnen de grenzen van de inrichting en zijn daarmee geen gevoelige objecten voor emissies veroorzaakt door de inrichting.



9.2.2.
Verweerder heeft verder voldoende gemotiveerd dat met de aangevraagde emissie van 99703 gram fijnstof de inrichting zowel ter plaatse van de woningen van eisers als ook de woningen aan de [straat] [nummer 1] en [nummer 2] niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Het college heeft in het aspect fijnstof daarom geen grond hoeven zien de gevraagde OBM te weigeren.


Weigeringsgrond 1) Had er een MER moeten worden opgesteld voor het aspect ammoniak/stikstof




10.1.
Eisers voeren aan dat er ten onrechte, onder verwijzing naar de emissiefactoren in de Rav, is uitgegaan van een reductie van 70% op het aspect ammoniak/stikstof. Uit rechtspraak volgt, aldus eisers, dat over die factoren en daarmee over de werking van stalsystemen onvoldoende zekerheid bestaat. Het gaat hier weliswaar om een ander stalsysteem dan in de genoemde rechtspraak aan de orde was, maar ook bij dit stalsysteem staat niet vast of zekerheid is verkregen dat een reductie van 70% zal optreden. Niet is daarom duidelijk of negatieve gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten. De OBM had daarom moeten worden geweigerd.



10.2.
Het college stelt in het bestreden besluit onder verwijzing naar het ‘Overzicht aantal dieren en emissie van ammoniak, geur en fijnstof’ van 13 november 2023 dat de ammoniakemissie in de beoogde situatie, met de nageschakelde techniek van een biofilter, lager zal zijn dan eerder vergund. Het college stelt verder dat geen natuurvergunning op grond van de Wet natuurbescherming is gevraagd omdat de vergunninghouder had aangetoond dat de stikstofdepositie niet hoger is dan de stikstofdepostitie die was toegestaan in de referentiesituatie, zodat middels intern salderen de nieuwe activiteit is toegestaan. In de beoogde situatie wordt ter reductie van ammoniakemissie gebruik gemaakt van een biofilter. Volgens het college heeft derde-partij onder verwijzing naar verschillende documenten afdoende onderbouwd dat een gemiddeld minimaal reductiepercentage van ammoniakemissie van 70% behaald wordt, zoals in de Rav lijst is opgenomen. Voor de gebruiks- en de bouwfase geldt op basis van berekeningen dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden ten opzichte van referentiesituatie.


10.3.1.
De rechtbank stelt ook hier voorop, dat in deze procedure bij de rechtbank niet beoordeeld kan worden of vanwege stikstofemissie een MER is vereist, omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State daar in eerste aanleg over oordeelt. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eisers, mede gelet op door hen aangehaalde uitspraken, echter aldus dat deze ziet op de uitgevoerde toets aan de Wnb. Wanneer evenwel het relativiteitsvereiste neergelegd in artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van beroepsgronden die zouden zijn gericht tegen de beoordeling in het kader van de Wnb, kan ook de Wnb-beoordeling in het kader van de vraag of een OBM moet worden geweigerd, niet door eisers worden aangevochten. Van die situatie is hier sprake omdat de bepalingen van de Wnb niet strekken tot bescherming van de belangen van eisers, maar tot bescherming van de natuurwaarden van Natura 2000-gebieden.. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, polder Zeevang, is immers gelegen op een afstand van 1,5 km van de woningen van eisers en maakt dus geen deel uit van hun directe leefomgeving. Daarbij geldt dat van een verwevenheid tussen de belangen van eisers en de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen ook geen sprake is. De afstand van de woningen van eisers tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, zo is tussen partijen niet in geschil, is daartoe te groot.



10.3.2.
Verweerder wijst er verder in het verweerschrift terecht op dat – anders dan in het zogenoemde natuurspoor – de emissiefactoren in het milieurecht wettelijk waren voorgeschreven via (het ten tijde van de aanvraag en tot 1 januari 2024 nog geldende) artikel 3, eerste lid, Wet ammoniak en veehouderij (Wav) en artikel 2, eerste lid, Rav. In laatstgenoemd artikel was geregeld dat de ammoniakemissie van een veehouderij werd vastgesteld aan de hand van de emissiefactoren uit bijlage 1 bij de Rav. Per stalsysteem was in bijlage 1 bij de Rav een emissiefactor opgenomen die moest worden vermenigvuldigd met het aantal dierplaatsen om de totale emissie van de stal te kunnen berekenen in kg NH3 per jaar. De twijfel die eisers hebben geuit, leidt er niet toe dat het college niet van de emissiefactoren in de Rav heeft mogen uitgaan voor de berekening van de ammoniakemissie bij de aangevraagde veehouderij in het kader van het milieuspoor. Daartoe is niet alleen van belang dat de emissiefactoren op grond van artikel 3, eerste lid, Wav verplicht staan voorgeschreven voor de berekening van de ammoniakemissie van veehouderijen, maar het college ook afdoende heeft gemotiveerd dat dit stalsysteem voldoet. Eisers hebben onvoldoende onderbouwd dat het college niet tot die conclusie kon komen. De enkele stelling dat er over andere stalsystemen twijfels aan de daadwerkelijke reductie bestaan, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank stelt vast dat het college de ammoniakemissie in de bestaande en beoogde situatie in overeenstemming met de emissiefactoren uit de Rav heeft vastgesteld op respectievelijk 4422,3 kg NH3 per jaar en 2.410,6 kg NH3 per jaar. Gelet daarop heeft het college redelijkerwijs kunnen vaststellen dat in de beoogde situatie sprake zal zijn van een afname van de ammoniakemissie. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft het college ook voor wat betreft het aspect Ammoniak/stikstof geen reden hoeven zien de gevraagde OBM te weigeren.

Tussenconclusie weigeringsgrond 1) Er had een MER moeten worden opgesteld

11. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is heeft het college er in deze procedure van uit kunnen gaan dat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt. Aan weigeringsgrond 1) is derhalve niet voldaan.


Weigeringsgrond 2) Overschrijding grenswaarden PM10

12. De door eisers in dit kader opgeworpen beroepsgrond is hiervoor onder 9.1. en verder reeds besproken. De rechtbank komt tot de conclusie dat college ook op dit punt geen reden heeft hoeven zien de gevraagde OBM te weigeren.


Tussenconclusie weigeringsgrond 2) Overschrijding grenswaarden PM10

13. De rechtbank concludeert dan ook dat ook aan weigeringsgrond 2) niet is voldaan.


Conclusie weigeringsgronden OBM

14. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt de rechtbank tot het oordeel dat er geen weigeringsgrond uit artikel 5.13b, eerste lid, van het Bor is en dat het college de OBM terecht heeft verleend.


Aanhaakplicht natuurtoestemming




15.1.1.
Eisers voeren, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 december 2024, aan dat niet intern gesaldeerd had mogen worden.



15.1.2.
De rechtbank begrijpt dat eisers daarmee hebben willen betogen dat een natuurvergunning op grond van de Wnb nodig is en dat omdat deze niet is aangevraagd voorafgaand aan de onderhavige aanvraag, de (aanvraag voor een) natuurvergunning had moeten worden aangehaakt op de voet van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, Wabo, bezien in samenhang met artikel 2.2aa Bor.



15.2.1.
Het relativiteitsvereiste staat echter in de weg aan beoordeling van de vraag of derde-partij al dan niet ook een natuurvergunning had moeten aanvragen. De Wnb beschermt immers niet het belang van eisers, maar dat van de natuur. De natuurvergunning zou betrekking hebben op stikstofdepositie. Het Natura 2000-gebied dat met die depositie te maken zou kunnen krijgen, ligt op zodanige afstand dat het niet kan worden geacht te zijn verweven met het directe woon- en leefgebied van eisers, omdat het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, polder Zeevang, 1,5 kilometer van de woning van eisers is gelegen. De procedurele norm die is geschonden (er is niet aangehaakt) ziet aldus op een norm die niet strekt tot bescherming van het belang van eisers.



15.2.2.
De beoordeling van de aanhaakplicht ten tijde van de aanvraag voor de Wabo-omgevingsvergunning staat los van de vraag of derde-partij voor het voorgenomen project (alsnog) een natuurvergunning nodig heeft. Dat dienen derde-partij en het bevoegde bestuursorgaan, gedeputeerde staten van Noord-Holland, te bezien op basis van het kader voor de beoordeling van de natuurvergunningplicht. Daarbij dient de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 december 2024 wellicht in de beoordeling te worden betrokken.


Toestemming strijdig gebruik



De vergunde situatie



16.1.1.
Voor de gronden waarop de varkensboerderij is gevestigd, geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Beemster 2012 – Partiële herziening 2021’. De gronden hebben daarin de bestemming ‘Agrarisch – Intensieve veehouderij’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ gekregen. In het bestemmingsplan is voor het perceel een bouwvlak aangewezen. Op grond van de planregels mogen bedrijfsgebouwen alleen binnen dit bouwvlak worden opgericht. Het bebouwingspercentage van het bouwvlak bedraagt maximaal 65%. De op grond van het bestemmingsplan toegestane maximale goothoogte bedraagt 5 meter.



16.1.2.
De omvang van het bouwvlak bedraagt ongeveer 8.750 m2. Gelet op het bebouwingspercentage mag er binnen het bouwvlak 5.687 m2 aan bedrijfsgebouwen worden opgericht. De bestaande bebouwing binnen het bouwvlak bedraagt ongeveer 3.360 m2.


De aanvraag wijkt af van het bestemmingsplan




16.2.
De aangevraagde stal valt deels binnen en deels buiten het bouwvlak. Het deel dat buiten het bouwvlak wordt gerealiseerd, heeft een omvang van 1.365 m2. Het deel van de stal dat binnen het bouwvlak wordt opgericht heeft een omvang van 2.510 m2. Met die toevoeging aan bebouwing binnen het bouwvlak wordt het maximale bebouwingspercentage binnen het bouwvlak overschreden met 2% (183 m2). De goothoogte van de beoogde stal is met 5,5 meter een halve meter hoger dan het bestemmingsplan toelaat.


Verklaring van geen bedenkingen gemeenteraad


16.3.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor het project alleen de vereiste vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° Wabo.
Op grond van artikel 2.27, eerste lid, Wabo en artikel 6.5, eerste lid, Bor is in dat geval voor het project een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de raad van de gemeente Purmerend vereist. Het is daarom in deze gevallen de raad die beslist of de afwijking van het bestemmingsplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.



16.3.2.
De raad heeft bij besluit van 29 februari 2024 de vvgb verleend. De raad wil aan het project meewerken om voor dit agrarisch bedrijf een goed ondernemersklimaat te behouden. De Beemster is, aldus de raad, primair een agrarisch gebied; de agrarische bedrijven die hier werkzaam zijn, zorgen voor de instandhouding van het open landschap dat bij de Beemster als erfgoed van uitzonderlijke universele waarde hoort. Het is daarom van belang dat voor deze bedrijven de juiste voorwaarden worden geschapen om hun bedrijf te kunnen voeren, aldus de raad. De nieuwe stal zorgt voor een verbeterde bedrijfsvoering en een groter dierenwelzijn. Op het perceel is 5.668 m2 bebouwing toegestaan. Met de nieuwe stal komt daar 1.548 m2 bij. Omdat de nieuwe stal dicht tegen de bestaande bebouwing komt te staan, blijft de bebouwing geconcentreerd. Aan de zuidkant worden bomen geplaatst die het zicht op de stal wegnemen. De westzijde ligt zo ver van andere bebouwing dat voor niemand afbreuk aan het uitzicht ontstaat. Het plan doet daardoor volgens de raad geen afbreuk aan de landelijke kwaliteiten van de Beemster. Verder geldt dat binnen alle normen wordt gebleven en de aanvraag niet in strijd is met de regelgeving. In de Omgevingsverordening NH2022 van de provincie Noord-Holland is als instructieregel opgenomen dat de omvang van het bouwperceel ten hoogste twee hectare bedraagt. In het bestemmingsplan is in artikel 6.3 twee hectare ook als maximale omvang voor afwijking van de bouwregels opgenomen. De raad acht de afwijking van het bestemmingsplan daarom, gelet op de door de vergunninghouder overgelegde ruimtelijke onderbouwing, niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft in zijn afweging verder betrokken dat derde-partij een recht van overpad heeft om gebruik te maken van de toegangsweg naar de boerderij. Derde-partij is met een aantal omwonenden overeengekomen dat hij de vernieuwing van de toegangsweg op zich zal nemen en zal financieren. Omdat derde-partij niet met alle omwonenden tot dit vergelijk is kunnen komen, heeft de raad aangegeven dat aan de omgevingsvergunning het voorschrift moet worden verbonden dat na afloop van de werkzaamheden de toegangsweg hersteld dient te worden op de manier zoals aangegeven door de ingeschakelde aannemer.


Toestemming college




16.4.
Het college heeft vervolgens de gevraagde toestemming tot afwijking van het bestemmingsplan verleend. Aan de toestemming zijn voorschriften verbonden, waaronder de voorwaarde dat de vergunninghouder binnen een half jaar na het gereedkomen van het bouwplan, moet zorgdragen voor de vernieuwing van de weg – het overpad – welke bekend staat als het [naam pad] . Dat pad verbindt het perceel [adres] , waar de boerderij is gelegen, en de [straat] , zoals omschreven in het document ‘Toelichting werkzaamheden [straat] Middenbeemster’ van aannemersbedrijf Zwammerdam Groep, welke als bijlage bij de vergunning is gevoegd.


Toetsingskader


16.5.1.
Op grond van artikel 6.5, tweede lid, Bor kan een vvgb alleen worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.



16.5.2.
De rechtmatigheid van het besluit van de raad over de vvgb wordt getoetst in het kader van het beroep tegen het besluit van het college over de omgevingsvergunning. De raad komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om een vvgb te geven, beleidsruimte toe. De raad moet de betrokken belangen daarbij afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.


Bewoners bedrijfswoning geen band met bedrijf




17.1.
Eisers voeren aan dat de ruimtelijke onderbouwing er ten onrechte geen melding van maakt dat de bedrijfswoning een twee-onder-een kapwoning is en dat een van deze woningen wordt bewoond door mensen die buiten de sfeer van het bedrijf vallen.



17.2.
De rechtbank begrijpt dat eisers bedoelen aan te voeren dat ten aanzien van de bewoners van die (bedrijfs)woningen milieunormen worden overschreden, terwijl een derde een van de woningen bewoond en niet werkzaam is in het bedrijf. De rechtbank overweegt daaromtrent dat de bedrijfswoningen waarop eisers doelen, de woningen [straat] [nummer 1] of [nummer 2] betreffen. Eisers zijn niet de bewoners van deze woningen. Het relativiteitsvereiste staat reeds aan gegrondverklaring van het beroep op deze stelling in de weg, omdat het daarbij dus niet gaat om een eigen belang van eisers en eisers niet kunnen opkomen voor zover het de belangen van de bewoners van een van bedoelde woningen betreft. De rechtbank merkt daar – ten overvloede – nog bij op dat de beide woningen binnen de begrenzing van de inrichting liggen. Die woningen vormen daarom, ongeacht wie die woningen bewoont, geen gevoelige objecten voor emissies die door de inrichting worden veroorzaakt. Eventuele overschrijding van voor woningen geldende milieunormen maakt daarom niet dat het bouwen van de nieuwe stal nabij die woning in strijd komt met een goede ruimtelijke ordening.


Strijd met landelijk, provinciaal en gemeentelijk beleid



18.1.
Eisers voeren aan dat er met cijfers wordt gegoocheld om de overschrijding van het bebouwingspercentage met 27% te vergoelijken ten gunste van de agrarische sector.
Ook achten zij het de vraag hoe legitiem de opmerking van het college is dat derde-partij zorgt voor de instandhouding van het open landschap als deze zijn hele perceel volzet met bedrijfsbebouwing.
Eisers vragen zich ook af of de gemeente zich er bewust van is dat derde-partij – na verlening van de onderhavige vergunning – een aanvraag gaat indienen voor een windturbine en het vergroten van de bestaande stallen.
Weliswaar is in beleid niet ingezet op het verkleinen van de veestapel, maar er is wel ingezet op het verlagen van de stikstofdepositie. De gemeente doet dat met deze vergunning niet. Het is, aldus eisers, ook tekenend dat de door de vergunninghouder voorgestelde toepassing van innovatieve maatregelen niet ingezet worden om bestaande emissies terug te dringen maar om een toename in vervuiling (een soort van) acceptabel te maken. Het landelijk beleid is er, aldus eisers, op gericht om dieraantallen niet uit te breiden na het nemen van emissie beperkende maatregelen om te voorkomen dat op hetzelfde emissie niveau wordt gebleven. Dat is nu precies wat hier volgens eisers wel is gebeurd: de latente vergunningsruimte wordt hier na bijna 25 jaar alsnog benut waardoor er ondanks emissie beperkende maatregelen juist sprake is van een toename van emissie van milieubelastende stoffen terwijl het gepresenteerd wordt als een emissiereductie.
Ook de consequenties van meststofoverschot in den lande zijn, aldus eisers, inmiddels reden voor verregaande politieke maatregelen als uitkoop van ondernemingen. Dat is, aldus eisers, voor het college en de raad ten onrechte geen reden om het eigen beleid met betrekking tot het niet toestaan van verhoging van dieraantallen niet te handhaven.



18.2.
De raad en het college wijzen er op dat er geen landelijk, provinciaal of gemeentelijk beleid geldt, dat is gericht op het verkleinen van de veestapel. Het landelijk Gemeenschappelijk Landbouwbeleid zet wel in op het aanmoedigen van duurzame landbouw en nieuwe landbouwtechnieken. Het provinciaal beleid zet in op de ontwikkeling van een toekomstbestendig agribusinesslandschap. Omdat de agrarische bedrijven de economische dragers en beheerders van de Beemster zijn, voert de gemeente, aldus raad en college, het beleid dat die bedrijven de mogelijkheid moeten hebben om hun bedrijf uit te (blijven) oefenen. Aanleiding voor discussie over de verkleining van de veestapel is veelal het ontstaan van meer stikstofdepositie op kwetsbare Natura 2000-gebieden. Uit de stikstofberekeningen blijkt dat als gevolg van het plan niet meer stikstofdepositie op kwetsbare Natura 2000-gebieden ontstaat. Het college wijst er verder op dat. als er door derde-partij nog een of meer andere aanvragen voor projecten als een windmolen of een andere stal wordt ingediend, deze op zijn eigen merites zullen worden beoordeeld.



18.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raad in de vvgb afdoende gemotiveerd dat en waarom het project geen afbreuk doet aan de landschappelijke kwaliteiten van de Beemster. Voor zover eisers betogen dat met de verleende toestemming niet wordt gehandeld in overeenstemming met geldend beleid om te komen tot een verlaging van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, overweegt de rechtbank dat aan de bespreking van die beroepsgrond het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a Awb in de weg staat. De normen die strekken tot bescherming van die gebieden, strekken immers, vanwege de afstand van de woningen van eisers tot die gebieden, niet (ook) tot de bescherming van de belangen van eisers. Nu het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, polder Zeevang – nog daargelaten of dat voor stikstof gevoelige habitats omvat -, ligt op meer dan 1 kilometer van de woningen van eisers, maakt geen Natura 2000-gebied zodanig deel uit van hun directe leefomgeving dat het daarmee is te vereenzelvigen.


Verslechtering woon- en leefklimaat



19.1.
Eisers voeren aan dat niet kan worden beweerd dat door de aangevraagde situatie te vergelijken met een nooit gerealiseerde papieren werkelijkheid de situatie wordt verbeterd. De schaalvergroting betekent in realiteit meer dieren, meer mest, meer stikstof, meer fijnstof en meer geuroverlast. Dergelijke oude vergunningen alsnog benutten bijt het niet verder willen verslechteren van de leefomgeving.
Als het echt zou gaan om dierenwelzijn, dan zou de zijn ingezet op het beter leven keurmerk. Daarvan is, behoudens de vergroting van de ruimte per vleesvarken, geen sprake.
De aanvraag heeft derde-partij, zo betogen eisers, aangepast omdat de beoogde emissiearme stal als onvoldoende is beoordeeld. Dat is pas gedaan na een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in 2023, terwijl de rechtbank Overijssel al in 2022 op de ineffectiviteit van dit stalsysteem had gewezen.
Van het nu gekozen staltype wordt gezegd dat het effectief en doelmatig is, maar in mindere mate, en dat daarom de dieraantallen iets naar beneden zijn bijgesteld. Dit voorkomt, aldus eisers, echter niet dat de geurbelasting voor omwonenden aanzienlijk hoger ligt dan in de oorspronkelijke aanvraag, die al veel hoger is dan in de huidige – feitelijke – situatie.
In de commissievergadering, waarin de raad de aanvraag van de vergunninghouder heeft besproken, heeft derde-partij alsnog aangegeven dat hij wil omschakelen naar het ‘beter leven’-keurmerk. Na uitvoering van de vergunde plannen kan het bedrijf, aldus eisers, evenwel hoogstwaarschijnlijk nooit voldoen aan de eisen die daarvoor worden gesteld.
Het komt nu over alsof het oorspronkelijke plan snel is aangepast vanwege een rechterlijke uitspraak om emissie- en geurnormoverschrijding te voorkomen. Uiteindelijk gaat ook de aangepaste aanvraag over een enorme stal waarvan het interieur ook nog kan worden aangepast (voor meer dieren dan nu wordt vergund), aldus steeds eisers.



19.2.
Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 8.3 en 9.2.1. en 9.2.2. is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de raad heeft kunnen oordelen dat de verleende omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan op de punten geur en fijnstof geen afbreuk doet aan een goede ruimtelijke ordening, temeer nu derde-partij met rapporten heeft onderbouwd dat er een verbetering optreedt op deze aspecten ten opzichte van zowel de vergunde als de bestaande situatie, welke onderbouwing de raad voor zijn rekening heeft genomen. Eisers hebben de juistheid van die vaststellingen door de raad niet met overtuigend bewijs weerlegd. Voor zover eisers menen dat de aspecten meer mest en meer stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan verlening van de omgevingsvergunning in de weg staan, volgt de rechtbank hen daarin niet. Het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a Awb staat in de beoordeling betrekking van die beroepsgronden van eisers, en dus aan vernietiging van het bestreden besluit op deze punten in de weg.


Evidente privaatrechtelijke belemmering en onacceptabele consequentie overpad situatie?



20.1.
In de zienswijze op het ontwerpbesluit betoogden eisers – heel kort gezegd – dat de toegangsweg in delen eigendom is van de eigenaren van de aanpalende percelen, waaronder eisers. Er geldt voor derde-partij een recht van overpad op de weg. Eisers betogen dat zij uitsluitend onder voorwaarden die gelden voor het recht op overpad over de weg, kunnen instemmen met de wijziging (toename) in verkeersdruk door de vergroting van de inrichting. Ter voorkoming van overlast hebben omwonenden derde-partij bij herhaling gevraagd om de overlast (door zwaar-transportverkeer) te minimaliseren en om aan te geven hoe de (onrechtmatige) verzwaring van de erfdienstbaarheid wordt teruggedrongen. In dat verband stellen eisers dat het volgens hen op grond van het recht op overpad toegestane aantal verkeersbewegingen nu al met regelmaat wordt overschreden en dat dat alleen maar erger wordt met de vergunde toename van het aantal dieren. Eisers betogen dat het college deze consequenties van de omgevingsvergunning niet kan afwentelen op de omwonenden.


20.2.1.
De rechtbank stelt vast, hetgeen tussen partijen niet in geschil is, dat op de toegangsweg een erfdienstbaarheid rust in de vorm van een recht van overpad voor derde-partij. Het betoog van eisers dat verzwaring van de verkeersdruk aan het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning in de weg staat, volgt de rechtbank niet. In dat verband is van belang dat derde-partij op grond van de erfdienstbaarheid al gebruik mag maken van de toegangsweg. De stelling dat het recht van overpad door verlening van de vergunning intensiever zal worden gebruikt dan voorheen en dat daarom in strijd met dat recht zal worden gehandeld, waartegen eisers zich kunnen verzetten, hebben eisers niet nader onderbouwd, zodat niet evident is dat derde-partij met de nieuwe vergunning in strijd met het recht van overpad zal gaan handelen. Daarom is niet aannemelijk dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan vergunningverlening voor afwijking van het bestemmingplan in de weg staat. Daarbij komt dat derde-partij ter zitting – onbestreden - heeft toegelicht dat ook in de nieuwe situatie sprake zal zijn van drie tot vier vrachtwagens per week en dat van intensivering van het gebruik van de weg op grond van de erfdienstbaarheid daarom geen sprake is.



20.2.2.
De rechtbank merkt daar nog bij op dat met een voorschrift bij de omgevingsvergunning een verplichting aan derde-partij is opgelegd die ziet op het herstel van de weg na de bouwwerkzaamheden. Daarmee heeft het college in de afweging de vergunning te verlenen (mede) rekening gehouden met de belangen van de omwonenden.


Watertoets




21.1.
Eisers twijfelen aan de juistheid van de watertoets van 5 februari 2021 en menen dat daarom vergunning voor afwijking van het bestemmingsplan moet worden geweigerd. Het is volgens hen duidelijk dat een “Biofilter” – de techniek die in het stalsysteem wordt gebruikt - spuiwater veroorzaakt. In de watertoets ter beoordeling van een goede ruimtelijke ordening heeft de raad, noch het college een afweging opgenomen over de afvoer van dit spuiwater. Onduidelijk is of dit zal worden afgevoerd of in de omgeving zal worden geloosd. Uit onderzoek van Wageningen University & Research volgt dat het raadzaam is om spuiwater niet in (sloten in) de omgeving te lozen. Omdat uit het besluit niet blijkt hoe met dit spuiwater zal worden omgegaan, kon voor het project geen toestemming worden verleend, aldus eisers.



21.2.
In het verweerschrift, ter zitting bevestigd door derde-partij, stelt het college dat bij het beoogde biologische luchtwassysteem geen spuiwater ontstaat. De rechtbank ziet geen reden hieraan te twijfelen waardoor het betoog van eisers feitelijke grondslag mist. De rechtbank laat dit betoog daarom verder buiten beschouwing.


Conclusie toestemming voor het afwijken van het bestemmingsplan



21.3.
De raad heeft dus kunnen concluderen dat de afwijking van het bestemmingsplan, een grotere stal met de daarbij horende emissies van fijnstof en geur, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de vvgb dus kunnen verlenen. Het college heeft de vergunning voor afwijken van het bestemmingsplan vervolgens kunnen verlenen.


Bouwtoestemming


22. De rechtbank stelt vast, hetgeen ter zitting door eisers is bevestigd, dat tegen de bouwtoestemming, anders dan de strijdigheid met het geldende bestemmingplan, geen beroepsgronden zijn gericht. Gelet hierop en hetgeen hiervoor is overwogen over de toestemming voor het met het bestemmingsplan strijdig gebruik, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning voor zover dit betrekking heeft op de bouwtoestemming had moeten weigeren.




Conclusie en gevolgen


23.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft.



23.2.
Omdat de rechtbank een gebrek heeft gepasseerd met toepassing artikel 6:22 Awb ziet de rechtbank wel aanleiding het college te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,- (1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 1). Het college is om dezelfde reden gehouden het door eisers betaalde griffierecht te vergoeden.





Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep ongegrond;


draag het college op om het griffierecht van € 187,00 aan eisers te vergoeden;


veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eisers.




Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzitter, en mr. R.H.M. Bruin en mr. R. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.













griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO1999


2000 stuks mestvarkens, 750 stuks zeugen en 3750 stuks gespeende biggen.


Het college wijst naar het onderzoek ‘Overzicht aantal dieren en emissie van ammoniak, geur en fijnstof’ van 16 november 2023


Dit is de berekening ‘Beemsterlantvarken [adres] Middenbeemster’ van 13 november 2023, berekend met V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020 © DNV GL


Zie artikel 2 in combinatie met artikel 1 Wgv, die voor zover van belang luidden:
“omgevingsvergunning: omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht” en:
“Bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot met 9.” Welke wettelijke bepalingen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ook toepast in bijvoorbeeld de uitspraak van 9 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3075 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/).


Eisers verwijzen naar de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 juli 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:4557 en de uitspraken van de Afdeling van 18 september 2024. ECLI:NL:RVS:2024:3356, 3569 en 3570


Bovendien hebben het college en de vergunninghouder onbestreden gesteld dat in dat Natura 2000 geen voor stikstof gevoelige habitats voorkomen.


ECLI:NL:RVS:2024:4923 (hierna: de uitspraak Rendac)


Vergelijk de overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereisten van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706


Artikel 6.42 “Agrarische bedrijven”, eerste lid, aanhef en onder c, Omgevingsverordening NH2000.
Link naar deze uitspraak