|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2026:8124 | | | | | Datum uitspraak | : | 15-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 17-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | C/15/372212 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Verzoekster zat als passagier in een auto waarvan InterEurope de verzekeraar is. De bestuurder van de auto is op enig moment de macht over het stuur verloren als gevolg waarvan een aanrijding is ontstaan. Als gevolg van het ongeval heeft verzoekster ernstig letsel opgelopen. Verzoekster verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat InterEurope volledig aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg daarvan lijdt. InterEurope heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend, maar voert aan dat aan verzoekster een percentage eigen schuld moet worden toegerekend. Enerzijds omdat verzoekster tijdens het ongeval geen gordel droeg en anderzijds omdat zij is ingestapt bij een bestuurder die onder invloed van alcohol verkeerde. De rechtbank is van oordeel dat aan verzoekster een percentage eigen schuld moet worden toegerekend, maar dat ook een billijkheidscorrectie op zijn plaats is. Dit betekent dat InterEurope 75% van de schade van verzoekster als gevolg van het ongeval dient te vergoeden. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | vaststellingsovereenkomst | | | | Uitspraak | RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: C/15/372212 / HA RK 25-185
Beschikking van 15 mei 2026
in de zaak van
[verzoekster]
,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: mr. Y.Y. Boduç,
tegen
MECKLENBURGISCHE VERSICHERUNGS AG.
te Hannover (Duitsland),
in Nederland vertegenwoordigd door INTEREUROPE AG LAW SERVICE,
te Houten,
verwerende partij,
hierna te noemen: InterEurope,
advocaat: mr. S.S. Mollova.
De zaak in het kort
[verzoekster] zat als passagier in een auto waarvan InterEurope de verzekeraar is. De bestuurder van de auto is op enig moment de macht over het stuur verloren als gevolg waarvan een aanrijding is ontstaan. Als gevolg van het ongeval heeft [verzoekster] ernstig letsel opgelopen. [verzoekster] verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat InterEurope volledig aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg daarvan lijdt. InterEurope heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend, maar voert aan dat aan [verzoekster] een percentage eigen schuld moet worden toegerekend. Enerzijds omdat [verzoekster] tijdens het ongeval geen gordel droeg en anderzijds omdat zij is ingestapt bij een bestuurder die onder invloed van alcohol verkeerde. De rechtbank is van oordeel dat aan [verzoekster] een percentage eigen schuld moet worden toegerekend, maar dat ook een billijkheidscorrectie op zijn plaats is. Dit betekent dat InterEurope 75% van de schade van [verzoekster] als gevolg van het ongeval dient te vergoeden.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 33 producties;
- het verweerschrift met 3 producties;
- de nagezonden productie 34 en een politierapport van [verzoekster] ;
- het bezwaar van InterEurope tegen een deel van het nagezonden politierapport en de beslissing van de rechtbank om het bezwaar ter zitting te bespreken,
- de mondelinge behandeling van 2 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Boduç heeft gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, welke zijn overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank besloten om van het politierapport alleen de specifiek door [verzoekster] genoemde pagina’s 41 tot en met 51 en 61 tot en met 65 toe te staan, waarna InterEurope in een korte schorsing de gelegenheid heeft gekregen kennis te nemen van deze pagina’s.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
[verzoekster] was op 12 juni 2021 in Haarlem op een feestje ter ere van de opening van een shishalounge. Er werd haar een lift naar huis in [woonplaats] aangeboden door de heer [de bestuurder] (hierna: de bestuurder) en diens ex-partner [J.] (hierna: [J.] ), een goede vriendin van [verzoekster] . [verzoekster] is vervolgens als passagier in de auto met (Duits) kenteken [kenteken] (hierna: de auto) gestapt, die door [de bestuurder] werd bestuurd. De bestuurder is onderweg gestopt bij een tankstation. Kort nadat de weg richting Amsterdam vervolgd werd is de auto op de N200 bij Halfweg betrokken geraakt bij een verkeersongeval, als gevolg waarvan [verzoekster] ernstig letsel heeft opgelopen. [verzoekster] droeg ten tijde van het ongeval geen gordel.
2.2.
De bestuurder was ten tijde van het ongeval onder invloed van alchohol. Het alcoholpromillage in zijn bloed bedroeg ten tijde van het ongeval volgens het strafvonnis 2,15 mg/ml. Ook beschikte de bestuurder ten tijde van het ongeval niet over een geldig rijbewijs.
2.3.
De auto is verzekerd bij Mecklenburgische Versicherungs, die in Nederland wordt vertegenwoordigd door InterEurope.
2.4.
InterEurope heeft de aansprakelijkheid voor het ontstaan van het ongeval erkend. Partijen zijn het echter niet eens over de omvang van de schadevergoedingsplicht van InterEurope.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoekster] verzoekt – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking:
I. voor recht verklaart dat InterEurope volledig aansprakelijk is voor de door [verzoekster] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het verkeersongeval, dan wel dat InterEurope aansprakelijk is conform een door de rechtbank te bepalen percentage;
II. de kosten van het deelgeschil begroot conform de overgelegde urenspecificatie.
[verzoekster] heeft de rechtbank in haar verzoekschrift ook verzocht om InterEurope te gebieden een voorschot op de schade te betalen. Ter zitting hebben partijen echter afspraken gemaakt over een te betalen voorschot, zodat de rechtbank op dit punt niet meer hoeft te beslissen.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoekster] samengevat het volgende ten grondslag gelegd.
Volgens [verzoekster] is de bestuurder – en daarmee InterEurope – volledig aansprakelijk voor de door haar geleden en nog te lijden schade. Het is onterecht dat InterEurope een aftrek van 25% wil toepassen, omdat zij is meegereden met een bestuurder die onder invloed was van alcohol. Volgens [verzoekster] wist zij niet dat de bestuurder had gedronken en hoefde zij dat ook niet te weten. Zij heeft op geen enkel moment en op geen enkele manier aan hem gemerkt dat hij onder invloed was en zij heeft hem ook niet zien drinken. Het is ook onterecht dat InterEurope een aftrek van 25% wil toepassen, omdat zij geen gordel droeg ten tijde van het ongeval. Toen [verzoekster] bij het tankstation weer instapte, reed de bestuurder plots heel hard weg. Door de snelheid en het rijgedrag van de bestuurder werd [verzoekster] in haar stoel gedrukt en lukte het haar niet de gordel vast te maken. Kort hierna is de auto op de andere weghelft terecht gekomen en heeft de aanrijding plaatsgevonden. Volgens [verzoekster] kan het haar gelet op de omstandigheden niet worden aangerekend dat zij de gordel niet droeg. Het omdoen van de gordel is haar door het gedrag van de bestuurder onmogelijk gemaakt. Mocht de rechtbank toch tot een aftrek op basis van eigen schuld concluderen, dan meent [verzoekster] dat gelet op de billijkheidscorrectie toch haar hele schade vergoed moet worden.
3.3.
InterEurope verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe samengevat het volgende aan. [verzoekster] heeft erkend dat zij ten tijde van het ongeval de gordel niet droeg. Het niet dragen van de gordel heeft bijgedragen aan (de ernst van) het letsel van [verzoekster] . Uit vaste jurisprudentie volgt dat het niet dragen van een gordel onder deze omstandigheden leidt tot een percentage eigen schuld in de vorm van een gordelkorting van 25%. [verzoekster] stelt dat het voor haar onmogelijk was de gordel om te doen door het rijgedrag van de bestuurder. Niet is komen vast te staan dat de bestuurder extreem rijgedrag heeft vertoond bij het wegrijden van het tankstation. De verklaring van [J.] , die voorin naast de bestuurder op de passagiersstoel zat, spreekt de stelling van [verzoekster] ook tegen. Daarbij zat er tussen het moment van wegrijden en de aanrijding een tijdsperiode van in ieder geval bijna drie minuten. Gelet hierop kan niet worden volgehouden dat [verzoekster] geen reële mogelijkheid heeft gehad om de gordel om te doen.
Ook voor het meerijden met een dronken bestuurder dient een korting van 25% te worden toegepast. Ten tijde van het ongeval bedroeg het alcoholpromillage in het bloed van de bestuurder tussen de 2,15 en 2,56 mg/ml. Bij een dusdanig hoog promillage is het aannemelijk dat aanwezigen merken dat iemand gedronken heeft. Uit jurisprudenite volgt dat al bij een alcoholpromillage van 1,8 wordt geoordeeld dat het op basis van uiterlijke vertoningen voor aanwezigen kenbaar moet zijn dat alcohol is genuttigd. Het is verder onaannemelijk dat [verzoekster] geen alcohollucht heeft waargenomen. Een agent die na het ongeval ter plaatse kwam heeft verklaard dat de bestuurder naar alchohol rook. Verder zijn [verzoekster] en de bestuuder op hetzelfde feestje geweest en lag er een halfvolle fles vodka in de auto.
4De beoordeling
4.1.
[verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De rechtbank moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de rechtbank beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.
4.2.
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
4.3.
In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de vraag of InterEurope de volledige schade van [verzoekster] als gevolg van het ongeval moet vergoeden, of slechts een deel van de schade. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat (de verzekerde van) InterEurope aansprakelijk is voor de door [verzoekster] geleden en nog te lijden schade. Wel verschillen partijen van mening over de vraag of er sprake is van een percentage eigen schuld aan de zijde van [verzoekster] en zo ja, of de billijkheidscorectie moet worden toegepast. Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen of er voor het meerijden met een bestuurder die onder invloed van alcohol verkeerde en/of het niet dragen van een gordel door [verzoekster] een percentage eigen schuld moet worden toegepast. Ten slotte zal de rechtbank beoordelen of er aanleiding is om de billijkheidscorrectie toe te passen.
Eigen schuld door het niet dragen van de gordel
4.5.
Op grond van artikel 58a en 59 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV) zijn passagiers van een personenauto tijdens deelname aan het verkeer verplicht gebruik te maken van de voor hen beschikbare autogordel. De wettelijke verplichting tot het dragen van een autogordel is ingevoerd omdat uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat het dragen daarvan de kans op ernstig letstel bij aanrijdingen aanzienlijk vermindert. Als uitgangspunt heeft daarom te gelden dat het dragen van een autogordel een schadebeperkende maatregel is die door de passagier genomen dient te worden. Doet een passagier dat niet, dan is het in de jurisprudentie gebruikelijk om een percentage eigen schuld in de vorm van een gordelkorting van 25% toe te passen.
4.6.
De rechtbank stelt daarbij voorop dat het InterEurope is die een beroep doet op de eigen schuld van [verzoekster] in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit betekent dat de stelplicht en eventuele bewijslast ten aanzien van de eigen schuld op InterEurope rust. Als InterEurope de eigen schuld van [verzoekster] voldoende aannemelijk maakt, zal de rechtbank het in de jurisprudentie gehanteerde percentage van 25% toepassen.
4.7.
Het staat voor de rechtbank vast dat [verzoekster] haar gordel tijdens het ongeval niet droeg. Dit heeft zij immers zelf ook verklaard. [verzoekster] voert echter aan dat dit feit niet aan haar kan worden toegerekend. [verzoekster] stelt namelijk dat zij de gordel niet kon omdoen door het rijgedrag van de bestuurder. Door de snelheid en het rijgedrag van de bestuurder werd [verzoekster] in haar stoel gedrukt en belemmerd. De gordel blokkeerde telkens bij het uitrekken, waardoor het [verzoekster] niet lukte de gordel om te doen.
4.8.
InterEurope voert naar het oordeel van de rechtbank terecht aan dat van het door [verzoekster] gestelde rijgedrag door de bestuurder niets blijkt uit de verklaring van [J.] , die voorin op de passagiersstoel zat. [J.] heeft verklaard: “Na het tanken reden we verder naar [woonplaats] . Ik had contact met [verzoekster] . Zij was bezig met de muziek. Deze stond hard aan.” Daarnaast heeft InterEurope onbetwist aangevoerd dat de rit van het tankstation naar de plek van het ongeval een afstand van 4,5 kilometer bedraagt. Dit betekent dat de rit in ieder geval bijna drie minuten heeft geduurd, terwijl het omdoen van een gordel slechts seconden kost. Dat [verzoekster] geen enkele gelegenheid heeft gehad om haar gordel om te doen, is gelet op het voorgaande niet aannemelijk.
4.9.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat InterEurope voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het niet dragen van de gordel aan [verzoekster] kan worden toegerekend. Dit betekent dat de rechtbank de gordelkorting van 25% zal toepassen op de schadevergoedingsverlichting van InterEurope.
4.10.
[verzoekster] stelt nog dat het InterEurope geen onderbouwing heeft overgelegd waaruit blijkt dat het niet dragen van de gordel het letsel van [verzoekster] zou hebben voorkomen. Dat kan niet tot een ander oordeel leiden. Zoals in 4.5 is overwogen, is uit wetenschappelijk onderzoek immers gebleken dat het dragen van een gordel de kans op ernstig letstel bij aanrijdingen aanzienlijk vermindert.. Dat het in dit specifieke geval anders zou zijn, zoals [verzoekster] stelt, heeft zij niet onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.
Eigen schuld door meerijden met een bestuurder onder invloed
4.11.
Ook ten aanzien van het door meerijden door [verzoekster] met een bestuurder die onder invloed is van alcohol doet InterEurope een beroep op de eigen schuld uit artikel 6:101 BW. Ook hier geldt dat de stelplicht en eventuele bewijslast ten aanzien van deze eigen schuld op InterEurope rust, zodat het aan InterEurope is om de relevante feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen. Daarbij zal een causaliteitsafweging worden gemaakt, waarbij de mate waarin aan waarin de aan partijen toe te rekenen omstandigheden bij het ontstaan van de schade worden afgewogen.
4.12.
De rechtbank stelt vast dat uit het strafvonnis van 29 oktober 2024 – waaraan dwingende bewijskracht toekomt – volgt dat het alcoholpromillage in het bloed van de bestuurder 2,15 mg/ml was. Dit terwijl in Nederland voor beginnend bestuurders maximaal een promillage van 0,2 mg/ml en voor ervaren bestuurders maximaal een promillage van 0,5 mg/ml is toegestaan. InterEurope verwijst verder naar de verklaring van de agent die na het ongeval ter plaatse kwam. De agent verklaart: “Ik rook dat de adem van [de bestuurder] (lees: de bestuurder) riekte naar het inwendig gebruik van alcohol.”
[verzoekster] stelt dat zij niet heeft gemerkt dat de bestuurder had gedronken en dat zij geen direct contact met hem heeft gehad. Dit komt niet overeen met de verklaringen van [verzoekster] ter zitting. Zij heeft verklaard dat de bestuurder en [J.] samen naar haar toe zijn gekomen om haar een lift aan te bieden, dat zij vervolgens samen naar de auto zijn gelopen waarna zij zijn ingestapt. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank dus voldoende momenten geweest waarop [verzoekster] en de bestuurder dicht bij elkaar in de buurt zijn geweest. Gelet op het hoge alcoholpromillage in het bloed van de bestuurder kan het niet anders dan dat de bestuurder uiterlijke kenmerken vertoonde waardoor voor anderen, en dus ook voor [verzoekster] , kenbaar was dat hij onder invloed van een zodanige hoeveelheid alcohol was, dat hij geen auto meer mocht (en kon) besturen. Dit had [verzoekster] ervan moeten weerhouden bij hem in de auto testappen.
4.13.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat InterEurope voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat aan [verzoekster] een percentage eigen schuld toekomt omdat zij bij de bestuurder in de auto is gestapt, wetende dat hij teveel alcohol had gedronken om een auto te mogen en kunnen besturen.
4.14.
Wel is de rechtbank van oordeel dat bij de causaliteitsafweging geldt dat aan de bestuurder een aanzienlijk groter deel van de omstandigheden moet worden toegerekend. De bestuurder is namelijk onder invloed van alcohol en zonder dat hij over een geldig rijbewijs beschikte, met een snelheid van ongeveer 100 km/u (terwijl 50 was toegestaan) over een in het midden van de weg gelegen groenstrook gereden waardoor hij op de andere weghelft in botsing kwam met een tegenligger. De rechtbank acht daarom in plaats van het door InterEurope gestelde percentage van 25% een percentage eigen schuld van 15% passend.
Totaal percentage eigen schuld
4.15.
Dit betekent dat er in totaal naar het oordeel van de rechtbank aan de zijde van [verzoekster] sprake is van een percentage eigen schuld van 40%.
Billijkheidscorrectie
4.16.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de billijkheidscorrectie tot een andere verdeling dan de causale verdeling leidt. Voor toepassing van die correctie moet het gaan om de aanwezigheid van specifieke, individuele omstandigheden die tot gevolg hebben dat de billijkheid een andere verdeling eist dan de uitkomst van de beoordeling op basis van causaliteit. Daarbij moet rekening worden gehouden met onder andere de mate en ernst van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten, de ernst van het letsel en het al dan niet verzekerd zijn.
4.17.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een zeer ernstig verkeersongeval, waarbij de fouten van de bestuurder in veel zwaardere mate hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval en het door [verzoekster] opgelopen letsel dan de door [verzoekster] gemaakte fouten. Als gevolg van het ongeval heeft [verzoekster] ernstig letsel opgelopen, waaronder een gecompliceerde heupfractuur, een heupluxatie, een dijbeenfractuur en een armfractuur. [verzoekster] heeft als gevolg van het letsel gedurende langere tijd moeten revalideren. Daarbij geldt dat zij ook nu nog altijd klachten ervaart en dat zij niet verzekerd is voor haar schade.
4.18.
Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een billijkheidscorrectie van 15% op zijn plaats is.
Conclusie
4.19.
Het voorgaande betekent dat de schadevergoedingsverplichting van InterEurope 75% bedraagt. In die zin zal het verzoek van [verzoekster] worden toegewezen.
Kosten deelgeschil
4.20.
De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten.
4.21.
Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
4.22.
[verzoekster] maakt aanspraak op € 4.749,25 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. InterEurope voert aan dat het aantal bestede uren onredelijk is en dat het uurtarief bovenmatig is.
4.23.
De rechtbank is van oordeel dat aantal bestede uren (ruim 15) niet onredelijk is gelet op de aard en omvang van de zaak. Gelet op de relatief beperkte ervaring van de advocaat van [verzoekster] vindt de rechtbank wel het gehanteerde wat bovenmatig. De rechtbank vindt een uurtarief van € 225,- passend.
|4.24. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 15,7 uren × € 225,- exclusief btw, dus op € 4.274,33 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 1.374,-. In totaal zal de rechtbank de kosten begroten op een bedrag van € 5.648,33.
4.25.
Omdat de vergoedingsplicht van InterEurope op 75% is gesteld, is een correctie wegens eigen schuld aan de orde. InterEurope zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van (75% van € 5.648,33=) € 4.236,25.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat InterEurope voor een percentage van 75% schadeplichtig is voor de door [verzoekster] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het verkeersongeval,
5.2.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 5.648,33 inclusief btw en veroordeelt InterEurope tot betaling van 75% daarvan, te weten € 4.236,25, aan [verzoekster] ,
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. N. Boots, rechter, bijgestaan door de griffier mr. M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.
Rb Oost-Brabant 13 januari 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:7868, r.o. 2.9. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|