|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2016:5832 | | | | | Datum uitspraak | : | 10-03-2016 | | Datum gepubliceerd | : | 13-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | 4748807 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | verzoek ex artikel 7:681 BW
voorlopige voorziening
voorwaardelijk ontbindingsverzoek ex artikel 7:671 b BW | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | levensonderhoud | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaaknummers: 4748807 AR VERZ 16-10 (artikel 7:681 BW)
4748866 AR VERZ 16-11 (artikel 223 Rv)
4813053 AR VERZ 16-32 (artikel 7:671b BW)
beschikking van de kantonrechter van 10 maart 2016
inzake
[naam werkneemster]
,
wonende te Drachten,
verzoekster in de zaken 4748807 AR VERZ 16-10 en 4748866 AR VERZ 16-11,
verweerster in de zaak 4813053 AR VERZ 16-32,
gemachtigde: mr. N.E. van Uitert,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
A.S. Watson (Health & Beauty Continental Europe) B.V.,
gevestigd te Renswoude,
verweerster in de zaken 4748807 AR VERZ 16-10 en 4748866 AR VERZ 16-11,
verzoekster in de zaak 4813053 AR VERZ 16-32,
gemachtigde: mr. R.M. Kerkhof.
Partijen zullen hierna [naam werkneemster] en Watson worden genoemd.
1Procesverloop
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, binnen gekomen op 15 januari 2016;
- het verweerschrift, tevens houdende een voorwaardelijk ontbindingsverzoek ex
artikel 7:671 b BW;
- de mondelinge behandeling van 11 februari 2016.
1.2
Ten slotte is de beschikking bepaald op heden
2De feiten
2.1
Watson exploiteert in Nederland onder andere de winkelketen Kruidvat. In ieder filiaal van Kruidvat is een filiaalmanager verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken. De filiaalmanager wordt daarbij ondersteund door een assistent-filiaalmanager. Bij afwezigheid van zowel de filiaalmanager als de assistent-filiaalmanager is een daartoe aangewezen verkoopmedewerker bevoegd en verantwoordelijk voor de leiding van het filiaal.
2.2
[naam werkneemster] is sedert 20 juni 2011 in dienst van Watson, laatstelijk in de functie van verkoopmedewerkster Kruidvat in het filiaal te Drachten (Kruidvatfiliaal 7896 aan de Stationsweg te Drachten) voor 20 uur per week, tegen een bruto salaris van € 935,13 per maand (exclusief vakantiegeld en overige emolumenten). De vestiging van Kruidvat te Drachten is op donderdag geopend tot 21.00 uur.
2.3
Watson hanteert gedragsregels ("Gedragsregels Filiaalmedewerkers Kruidvat, Prijsmepper en Trekpleister A.S. Watson Health & Beauty (Continental Europe) B.V.") waaraan een medewerker van Kruidvat zich dient te houden wanneer hij/zij onder werktijd voor eigen gebruik aankopen doet in het filiaal waar hij/zij werkzaam is. In deze gedragsregels is, voor zover van belang, het volgende bepaald:
"8. AANKOPEN DOOR MEDEWERKERS
8.1
Algemeen
Personeelsaankopen die niet voor directe consumptie zijn worden uitsluitend gedaan in de 15 minuten voor sluitingstijd. Indien je werktijd eerder eindigt dan de sluitingstijd van het filiaal waar je werkzaam bent, dan doe je de aankopen buiten werktijd. De aankoop reken je af volgens de normale procedure op de door de leidinggevende aangewezen kassa. Bij het afrekenen zijn altijd minimaal twee personen aanwezig. De kassabon wordt afgetekend door de leidinggevende. De aankopen worden gecontroleerd door de leidinggevende bij het einde van de werktijd van de medewerker. De aankopen moeten dezelfde dag meegenomen worden. Personeelsaankopen van artikelen ter consumptie tijdens werktijd worden vóór consumptie afgerekend. Aangekochte goederen zonder kassabon, respectievelijk zonder bewijs van betaling worden als niet gekochte goederen beschouwd. De leidinggevende is bevoegd om de gekochte goederen, zolang deze zich nog in de bedrijfsgebouwen bevinden, op elk gewenst moment te controleren aan de hand van de kassabon. Het niet of niet correct afrekenen van goederen is diefstal en wordt beschouwd als een dringende reden voor ontslag op staande voet.
(….)
10DIEFSTAL EN FRAUDE
Het wegnemen van geld of goederen of het meewerken daaraan, met inbegrip van (consumptie) van kapotte of beschadigde artikelen die het eigendom van A.S. Watson zijn, is diefstal. Diefstal of fraude door een medewerker, in welke vorm dan ook, is altijd een reden voor ontslag op staande voet. Er wordt altijd aangifte gedaan bij de politie, waarna de naam van de medewerker wordt toegevoegd aan het Waarschuwingsregister via de Stichting Fraude Aanpak Detailhandel (FAD). Het waarschuwingsregister is toegankelijk voor andere deelnemende ondernemingen. Tevens wordt overgegaan tot het verhalen van de kosten van fraudeonderzoek. In geval van diefstal door een collega informeer je je leidinggevende. Als je dit liever in vertrouwen of anoniem doet, kun je ook contact opnemen met het fraudemeldpunt via telefoonnummer (….)."
2.4
Watson verspreidt onder al haar medewerkers maandelijks het interne communicatieblad "2thePoint". In de uitgave van mei 2014 is in dit blad een artikel verschenen met de titel "Wij pikken diefstal niet!". In dit artikel, afkomstig van de afdeling derving en veiligheid van Watson (hierna verder te noemen: DV), is het volgende aangegeven:
"We hebben er jammer genoeg dagelijks mee te maken; winkelcriminaliteit. Maar fraude? Diefstal? Wij pikken het niet! Ook niet van onze collega's, want helaas komt diefstal door eigen medewerkers ook nog steeds voor. Samen met jou willen we dit terugdringen. Op Intranet vind je cijfers en andere informatie over criminaliteit in Nederlandse winkels.
In deze 2thePoint alvast een paar tips die winkelcriminaliteit tegengaan. Want werken met vertrouwen werkt veel prettiger.
Volg de geldende regels en procedures
(….)
Zijn er vermoedens van fraude binnen je team? Meld dit direct aan je districtsmanager of de afdeling derving & veiligheid (….)
Of meld je vermoedens van fraude anoniem (….)"
2.5
Op 4 juni 2015 zijn op Intranet (de interne website van Watson), dat in ieder filiaal van Kruidvat beschikbaar is voor het personeel, de volgende, van DV afkomstige, mededelingen verschenen, voor zover van belang:
"Fraude? Diefstal? Wij pikken het niet!
04-06-2015 -- Dagelijks hebben we te maken met winkelcriminaliteit. (….). Ongeveer 47,8% van de totale winkelcriminaliteit wordt veroorzaakt door winkeldieven, 25,7% door diefstal van eigen medewerkers en 26,5% procent door interne fouten (bijv. breuk en THT) en schade door leveranciers. Elke dag werken we binnen de gehele organisatie hard aan om alle vormen van criminaliteit tegen te gaan. Met de volgende tips kan jij je steentje bijdragen om de winkelcriminaliteit terug te dringen:
- Volg de geldende regels en procedures
(….)
- Helaas worden we ook geconfronteerd niet diefstal door eigen medewerkers. Dit geven we minimaal evenveel aandacht als de gewone winkeldiefstallen. Ook jullie kunnen helpen diefstal door eigen medewerkers terug te dringen. Daarom enkele tips:
- Maak fraude bespreekbaar in je team. Volg de geldende regels en procedures.
- Heb je vermoedens van fraude binnen je team? Meld het direct aan je District manager of Derving en Veiligheid (….). Ook kan je fraude vermoedens volledig anoniem melden op fraudenummer (….) of (….).
Samen proberen we winkelcriminaliteit te voorkomen. Daarom is het motto van Derving &Veiligheid: Fraude? Diefstal? Wij pikken het niet! Lees meer over fraude en diefstal in de nieuwste WATSgoingON."
2.6
In de editie van juni 2015 van het personeelsblad WATSgoingON is een artikel verschenen waarin is aangegeven dat Watson korte metten maakt met interne fraude. In dit artikel is onder meer de filiaalmanager van de vestiging van Kruidvat te Putten (filiaal 1287) aan het woord, die verteld over door een (ondergeschikte) collega gepleegde fraude.
2.7
Op donderdag 12 november 2015 waren de filiaalmanager en de
assistent-filiaalmanager afwezig en was [naam werkneemster] aangewezen als de verantwoordelijke medewerker voor de gang van zaken in de vestiging van Kruidvat te Drachten. Op die dag, tegen sluitingstijd, heeft [naam werkneemster] een aantal persoonlijke aankopen gedaan in deze vestiging, dus in haar 'eigen' filiaal. Ter zake van deze transactie is een kassabon, met nummer 405, opgemaakt.
2.8
De kassabon vermeldt, voor zover van belang, de volgende gegevens:
Aant. Artikel Bedrag
FIETSSTOEL ACHTER 29.99
KORTING 50% OP=OP -15.00
OPSTAPJE GRIJS 5.99
KORTING 50% OP=OP -2.99
SCHMINKSET 0.99
BORDJES 0.79
VLAGGENLIJN 1.29
TAFELKLEED 1.29
SERVETTEN 0.79
INLEGZOOL 0.79
SMALL PIANO AVENGERS 1.99
PEPERNOTENBAKJE 0.79
CHOCOLADE LETTER 0.69
CHOCOLADE LETTER 0.69
CHOCOLADE LETTER 0.69
KRUIDVAT CHOCOLADE 1.09
NAVOLLING BRISE 2.79
KORTING 0.00
KORTING IN UW VOORDEEL -0.79
KORTING 0.00
NAVULLING BRISE 2.79
KORTING 0.00
KORTING IN UW VOORDEEL - 0.79
FOTOFRAME 1.79
KORTING 0.00
FOTOFRAME 1.79
FOTOFRAME 1.79
FOTOFRAME 1.79
FOTOFRAME 1.79
DAMES T-SHIRT 6.99
KORTING 0.00
OPBERGBOX 10 LTR 1.99
KORTING 50% OP=OP -1.00
OPBERGBOX 10 LTR 1.99
KORTING 50% OP=OP -0.99
OPBERGBOX 4.99
KORTING 50% OP=OP -2.50
BLONDES BLAUW 5.70
HOKA #4
HOKA #4
ORDER PROMOTIONS:
MIXMATCHKORTING -9.99
31 SUBTOTAAL 50.00
VVV CADEAUBON 25.00
(….)
31 SUBTOTAAL 25.00
VVV CADEAUBON 25.00
(….)
WISSELGELD 0.00
(….)
==================================
TOTALE ACTIEKORTING 34.05
==================================
C0014 #405 20:57:07 12NOV2015
2.9
Op 13 november 2015 heeft Watson een anonieme melding ontvangen dat zich bij de aankopen door [naam werkneemster] onregelmatigheden hebben voorgedaan. Naar aanleiding van deze melding heeft DV nader onderzoek gedaan. De camerabeelden van 12 november 2015 en van de dagen in de daarop volgende week (week 47 van 2015) zijn bekeken, alsmede de kassa uitdraai (kassabon) terzake de door [naam werkneemster] op 12 november 2015 gedane aankopen. Voor dit onderzoek heeft Watson Headline, een particulier adviesbureau, ingeschakeld.
2.10
In een handgeschreven transcript (productie 2 bij het verweerschrift, tevens houdende een voorwaardelijk ontbindingsverzoek van Watson) heeft Headline/DV aangegeven wat de camera op 12 november 2015, vanaf omstreeks 18:30 uur, heeft geregistreerd ten aanzien van [naam werkneemster] . In dit transcript is het volgende aangegeven:
18:26 pakt ze uit de kooi een fietsstoel
18:32 pakt ze 2 opstapjes uit de kooi en legt deze op een kar
18:34 pakt ze een gele sticker rol uit de Pos meter
18:35 pakt ze 5 chocoladeletters uit de kooi legt deze op de kar
18:36 legt ze er een inlegzool bij
18:36:45 doet ze de producten in een rood krat
18:37 pakt ze de fotolijstjes uit de kooi en doet deze ook in het krat
18:37 legt ze nog een chocoladeletter erbij
18:38 legt ze 2 kleine opbergboxen erbij
18:38 legt ze 1 grote opbergbox en 2 middel opbergboxen erbij
18:39 legt ze de small piano avengers erbij
20:25 pakt ze 1 sinterklaas schoorsteen en legt deze ook bij de kar
20:49 pakt ze de kar en gaat naar de kassa
20:52 geeft ze haar code aan [naam collega] zodat [naam collega] wel door kan gaan met kassa draaien en dan gaat [naam werkneemster] op kassa 1 haar eigen spullen afrekenen met de code van [naam collega]
20:53 meld [naam werkneemster] haar aan op kassa 1
20:54 pakt ze nog even de fietsstoel uit het magazijn
20:54:37 scant ze de fietsstoel
20:55:30 scant ze 1 opstapje terwijl ze 2 in de handen heeft
20:55:49 scant ze de spullen uit het rode krat
20:56:33 scant ze de chocoladeletters, ze heeft 5 in haar hand maar ze scant er maar 3
20:56:39 scant ze nog een 1 groene chocoladeletter
20:57:43 pakt ze de panty, "probeert" deze te scannen maar doet dit niet
20:58:16 scant ze de fotolijstjes
20:59 scant ze een T-shirt
21:00:00 scant ze 2 kleine opbergboxen
21:00:08 scant ze 1 middel opbergbox maar heeft er 2 vast
21:02:30 berekend ze 9,99 korting
21:04:51 komt [naam collega] erbij om haar te "controleren" of zoiets
21:07:41 is ze bij de kassa klaar
21:29 gaat ze met de spullen naar buiten
2.11
Naar aanleiding van de bevindingen heeft op 20 november 2015, vanaf 13.00 uur, een gesprek plaatsgevonden tussen [A] , medewerker van Headline, en [naam werkneemster] , in aanwezigheid van [B] , districtsmanager Kruidvat. Van het gesprek is een verklaring opgesteld, die [naam werkneemster] om ongeveer 14.45 uur heeft ondertekend. In de verklaring is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
"NAAM : [naam werkneemster]
(….)
CAISSIÉRENUMMER : [nummer]
(…). Ik ben sinds 20-06-2011 werkzaam bij het Kruidvat, momenteel in de functie van verkoopmedewerker in het Kruidvat te Drachten. Mijn kassagebruikersnummer is [nummer] U zegt mij dat u een onderzoek heeft gedaan naar mijn kassahandelingen en wel met name naar de persoonlijke aankopen van mij op 12 november 2015. Zie kassabon 405 gemaakt op kassa 1 om 20:57 uur. U vraagt aan mij of ik mij kan herinneren wat ik op dat moment heb aangekocht en ook of ik hiervan alles heb gescand en betaald heb. Ik kan mij hier een en ander nog van herinneren. Ik heb in de loop van de avond de spullen die ik wilde kopen op een karretje in het magazijn verzameld en tegen sluitingstijd ben ik hiermee naar de kassa gegaan. Alle spullen stonden op het karretje. Ik weet dat ik de spullen zelf heb gescand. U vraagt aan mij of ik hierbij alles heb gescand en voor zover ik weet heb ik dat ook gedaan. Ik had ook een aantal chocoladeletters gekocht. Ik weet dat dit er 5 waren. Nu zegt u mij dat er slechts 4 van zijn gescand. Ik schrik daar van want dat betekent dat ik er dus 1 niet betaald heb.
Ik heb die avond ook 5 opbergboxen gekocht en ik dacht dat ik deze ook alle 5 had gescand en had afgerekend. Nu laat u mij op de kassabon zien dat ik twee opbergboxen niet heb afgerekend, dat was een box van het format middel groot en een van het formaat groot. Deze boxen kosten € 2,50 en € 3,50. U vraagt aan mij hoeveel opstapjes ik heb gekocht, dat zijn er twee geweest, een voor boven en een voor beneden. U laat mij nu de kassabon zien en ik zie dat ik er slechts een heb gescand en heb afgerekend. U vraagt aan mij of ik de panty ook heb meegenomen. Ik ben daar niet zeker van. U vraagt aan mij of ik mij de schoorsteen kan herinneren die ik ook heb op karretje had gezet. Dit was een kartonnen uitklapbare schoorsteen en die kan ik mij herinneren want die had ik inderdaad op het karretje gezet. Ik schrik van het feit dat ik die ook niet heb afgerekend. Dit zie ik inderdaad op mijn kassabon. U vraagt aan mij waarom ik in het magazijn een rol met gele afprijsstickers had gepakt.
Ik heb hiervan een 5 tal gele stickers gepakt en op de 5 fotolijstjes geplakt die ik ook heb gekocht. Ik heb hierdoor mijzelf een korting gegeven van 50%. Ik heb dit gedaan omdat ik wist dat deze lijstjes in de korting zouden komen. Ik had uitgerekend dat ik voor € 50,- aan boodschappen had. Ik had nog twee VVV kadobonnen à € 25,-. Toen ik klaar was met scannen was het totaalbedrag € 59,99. Vervolgens heb ik mij een korting van € 9,99 gegeven zodat het totaalbedrag € 50,- werd. Ik heb dat betaald met die 2 VVV bonnen. Ik dacht dat ik recht had op die korting vanwege de korting op de 5 fotolijstjes en op het T-shirt. Ik ben deze transactie gestart op het kassanummer van mijn collegaatje, dit is [nummer collega] , zij stond op de andere kassa en werkte onder mijn nummer. Ik had dit zo gedaan zodat we konden doorgaan met de klanten te helpen. Nadat ik klaar was met mijn kassabon heb ik haar erbij geroepen en heb haar de kassabon laten zien, laten controleren en heb ik aan haar uitgelegd waarom er de kortingen op stonden vermeld. Ik heb op deze manier 5 producten meegenomen die ik niet heb afgerekend. Dat was een opstapje, twee opbergboxen, 2 chocoladeletters, een schoorsteen en mogelijk een panty en het totale bedrag hiervan is € 15,38 exclusief de panty. U vraagt aan mij of ik gisteren, donderdag 19 november twee chocolade letters heb gekocht en of ik die ook heb betaald.
Ik heb inderdaad twee chocolade letters gekocht en die heb ik niet betaald. Ik dacht dat ik ze in de winkel had laten liggen om de volgende dag te betalen. Nu blijken ze daar niet meer te liggen maar ik kan ook niet herinneren dat ik ze mee heb genomen. Ik had ze niet betaald omdat ik geen voldoende saldo had. Ik heb gisteren ook aan een collegaatje twee CD's meegegeven. Ik had deze met een korting op gratis gezet en ik heb ze aan haar meegeven. Dit betreft kassabon 86 op kassa 2 om 20:57 uur.
Ik heb ook nog een rode opberg box van het Kruidvat die avond meegenomen. Die moet ik nog terugbrengen. Het totale bedrag wat door mij als schadebedrag is veroorzaakt komt uit op € 26,80. Ik ben bereid dit bedrag aan het Kruidvat te betalen. U heeft mij verteld dat u voor uw onderzoek gebruik heeft gemaakt van de video opnamen van het CCTV systeem en dat u deze op uw kantoor bewaart. U heeft ook gezegd dat deze ter beschikking staan van de politie. Ik begrijp dat. Ik heb dit zo gedaan, ik heb dit ook zo naar eer en geweten gedaan. Maar er zijn zo door mij wel fouten gemaakt en daar neem ik mijn verantwoording voor. U zegt mij dat het Kruidvat mogelijk bij de politie aangifte gaat doen van verduistering in dienstbetrekking, ik begrijp dat. Ik begrijp dat ik een deel van de kosten van het onderzoek zoals dit is gedaan door (….) Headline (….) aan het Kruidvat moet vergoeden. U zegt mij dat dit een bedrag is van € 633,25. Ik begrijp dit. Hierdoor komt de schade op € 660,05."
2.12
[naam werkneemster] heeft tevens op 20 november 2015 een door haarzelf geschreven verklaring afgelegd. Daarin heeft zij onder meer het volgende verklaard:
"Hierbij verklaar ik dat er een aantal dingen op mijn werk niet volgens de regels is gegaan. D.d. 12 november heb ik spullen afgerekend, naar mijn weten correct afgehandeld. Hierbij zaten producten die in de afprijzingen zaten, daar zat nog geen gele sticker op. Deze heb ik er zelf opgeplakt omdat ik wist dat deze in de (onleesbaar woord) afprijzingen zaten en voor duidelijkheid voor mijn collega bij het afrekenen. Nu bleek dat deze tijdens het scannen niet automatisch eraf gingen en heb zelf de korting verrekend.. Door drukte heb ik mijn collega op mijn nummer laten draaien en haar de aanwezige klanten laten helpen aan de kassa. En ik op haar nummer. Door die drukte en omdat het vlak voor sluitingstijd was, heb ik uiteindelijk zelf de producten afgerekend. Wat niet correct is. Ik loop bij mijn dokter voor diverse klachten waaronder mijn vergeetachtigheid. (….). De te benoemen dingen die verkeerd zijn gegaan:
- 1x scannen van opstapje i.p.v. 2
- 3x scannen van opbergbox i.p.v. 5
- fotolijstjes die blijkbaar niet in de afprijzingen zaten
- chocoladeletters niet op de dag afgerekend
- cd + dvd aan collega meegegeven terwijl dit officieel niet mag
- een panty waar ik niet van weet waar die is en waar geen code op zat en onbewust heb genomen.
En een rood krat die nog bij mij thuis staat."
2.13
Bij brief van 24 november 2015, voor zover van belang, heeft Watson [naam werkneemster] het volgende meegedeeld:
"Hiermee bevestigen wij u het gesprek van vrijdag 20 november 2015 met (….) [B] (….) en (…) [A] (….) waarin wij u met directe ingang op staande voet hebben ontslagen.
Redenen voor dit ontslag zijn:
U heeft zich onrechtmatig goederen toegeëigend, zonder te betalen en zonder dat u daartoe gerechtigd of gemachtigd was of anders daarvoor toestemming had gekregen.
U heeft u zelf korting op goederen toegeëigend zonder dat u daartoe gerechtigd of gemachtigd was of anders daarvoor toestemming had gekregen.
U heeft aan een collega goederen meegegeven zonder dat er voor die goederen betaald is.
Over bovengenoemde punten heeft u een volledige schriftelijke bekentenis afgelegd.
U hebt de gedragsregels en/of de procedures en/of de instructies gegeven door of namens (….) Watson niet nageleefd, en daarmee heeft u uw plichten als werknemer op zeer grovelijke wijze veronachtzaamd.
Het vertrouwen dat wij in u moeten kunnen stellen is hierdoor onherstelbaar geschaad. Gelet op het vorenstaande kan van ons redelijkerwijs niet gevergd worden het dienstverband met u te continueren.
Deze verwijten gelden ieder voor zich doch tevens in samenhang beschouwd, als dringende reden die leiden tot ontslag op staande voet. De arbeidsovereenkomst tussen u en onze onderneming is derhalve beëindigd op 20 november 2015."
2.14
Bij brief van 30 november 2015 heeft [naam werkneemster] Watson -samengevat weergegeven- verzocht het op staande voet gegeven ontslag te herroepen en het betalen van loon te hervatten.
3De verzoeken van [naam werkneemster]
3.1
verzoekt de kantonrechter om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
in de voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv:
Watson te veroordelen tot (door-)betaling van het salaris van € 935,13 bruto per maand, zulks op de gebruikelijke wijze en tijdstippen, vanaf 20 november 2015 en zolang de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd;
Watson te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% ex
artikel 7:625 BW over het onder A gevorderde bedrag;
Watson te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de onder A en B genoemde bedragen, vanaf de datum van verschuldigdheid van die bedragen;
in de bodemzaak:
primair:
het op 20 november 2015 gegeven ontslag te vernietigen;
te bepalen dat Watson [naam werkneemster] te werk moet stellen in haar functie van verkoopmedewerker met alle daarbij behorende taken binnen uiterlijk twee dagen na dagtekening van de in deze te wijzen beschikking, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor elke dag of deel daarvan dat Watson ook na betekening van de in deze te wijzen beschikking in gebreke mocht blijven aan een zodanige veroordeling te voldoen;
Alsmede om Watson te veroordelen tot betaling aan [naam werkneemster] van:
een bedrag van € 935,13 bruto per maand c.a., zulks op de gebruikelijke wijze en tijdstippen, ingaande 20 november 2015 en zolang de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd;
de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% over het onder F genoemde bedrag;
de wettelijke rente over de onder F en G gevorderde bedragen, vanaf de datum van verschuldigdheid van die bedragen;
subsidiair:
Voor het geval geoordeeld wordt dat er sprake is van een terecht gegeven ontslag op staande voet, echter zonder dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [naam werkneemster] , om Watson te veroordelen tot betaling aan [naam werkneemster] , binnen vijf dagen na de in dezen te wijzen beschikking, van:
I. een transitievergoeding van € 1.817,00 bruto, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;
meer subsidiair:
Voor het geval dat [naam werkneemster] er voor kiest om te berusten in de opzegging van de arbeidsovereenkomst om Watson te veroordelen tot betaling aan [naam werkneemster] , binnen vijf dagen na de in dezen te wijzen beschikking, van:
een billijke vergoeding conform artikel 7:681 BW onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;
een bedrag ter hoogte van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren conform artikel 7:672 lid 9 BW/ artikel 7:677 lid 4 BW, neerkomend op € 2.019,88 bruto, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;
een bedrag ter hoogte van de transitievergoeding van € 1.817,00 bruto, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;
de wettelijke rente over de onder J tot en met L gevorderde bedragen vanaf de datum van verschuldigdheid van die bedragen;
in het incident en in de hoofdzaak:
Watson te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van de in dezen te wijzen beschikking.
3.2
[naam werkneemster] heeft -samengevat en zakelijk weergegeven- het volgende aan haar verzoeken ten grondslag gelegd. Van een dringende reden voor een ontslag op staande voet is geen sprake. Weliswaar zijn op 12 november 2015 betreurenswaardige fouten gemaakt, maar nimmer bestond de intentie om op onrechtmatige wijze goederen en gelden van Watson toe te eigenen en/of goederen onrechtmatig te verstrekken aan collega's. Van diefstal en/of fraude is geen sprake geweest. Nimmer bestond de intentie om Watson te benadelen. In feite is alleen sprake geweest van vergissingen. Van belang is dat Watson, gelet op de door haar gehanteerde gedragsregels, toestaat dat een medewerker van Kruidvat onder werktijd artikelen mag kopen in het filiaal waar hij/zij werkzaam is. Watson moet dan ook aanvaarden dat een medewerker die aankopen doet in 'zijn/haar' filiaal, zoals [naam werkneemster] , zich vergist bij het afrekenen. Mensen maken nu eenmaal fouten. Overigens, daargelaten de gemaakte vergissingen, is bij het afrekenen gehandeld overeenkomstig de gedragsregels. De artikelen zijn afgerekend tegen sluitingstijd, waarna een ondergeschikte collega de kassabon heeft gecontroleerd die de kassabon vervolgens heeft afgetekend. Hierbij is van belang dat er geen voorschriften zijn die zich er tegen verzetten dat een leidinggevende een ondergeschikte collega laat tekenen voor een kassabon. [naam werkneemster] wijst verder op haar onberispelijke staat van dienst bij Watson/Kruidvat en haar goede functioneren. Een ontslag op staande voet is dan ook buitenproportioneel.
Watson had kunnen en derhalve moeten volstaan met een minder verstrekkende arbeidsrechtelijke maatregel, bijvoorbeeld een berisping, aldus [naam werkneemster] .
3.3
[naam werkneemster] is van mening dat nu het ontslag op staande voet vernietigbaar is en zij op zeer korte termijn niet meer in de kosten van haar levensonderhoud en dat van haar zoontje kan voorzien, zij er voorts recht en belang op heeft dat voor de duur van de procedure een voorlopige voorziening wordt getroffen in die zin dat Watson wordt veroordeeld tot doorbetaling van het loon.
3.4
Watson heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [naam werkneemster] , met veroordeling van [naam werkneemster] in de proceskosten.
4De tegenverzoeken van Watson
4.1
Watson verzoekt de kantonrechter om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voorwaardelijk, namelijk voor het geval in deze procedure dan wel in hoger beroep geoordeeld zou worden dat er geen sprake is van een dringende reden voor een ontslag op staande voet:
I. de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b BW op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, primair wegens verwijtbaar gedrag van [naam werkneemster]
(artikel 7:669 lid 3 onder e BW), subsidiair wegens een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:669 lid 3 onder g BW);
II. te bepalen dat [naam werkneemster] terzake de ontbinding geen recht heeft op een transitievergoeding, ongeacht of de ontbinding plaatsvindt op basis van de primair aangevoerde ontbindingsgrond of op basis van de subsidiair aangevoerde ontbindingsgrond;
III. [naam werkneemster] te veroordelen in de proceskosten.
4.2
Watson heeft -samengevat en zakelijk weergegeven- aan haar verzoek ten grondslag gelegd de in haar visie bestaande feiten en omstandigheden die zij ten grondslag heeft gelegd aan het ontslag op staande voet. [naam werkneemster] heeft zich kortgezegd schuldig gemaakt aan diefstal, fraude en verduistering en heeft zich niet gehouden aan de interne gedragsregels. Hierdoor heeft [naam werkneemster] het door Watson in haar gestelde vertrouwen geschonden en is door toedoen van [naam werkneemster] de arbeidsverhouding onherstelbaar verstoord. Nu [naam werkneemster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, kan zij jegens Watson geen aanspraak maken op een transitievergoeding.
4.3
Ter zitting heeft [naam werkneemster] aangegeven dat zij vanwege de late indiening van het voorwaardelijke ontbindingsverzoek (nog) geen, althans onvoldoende, gelegenheid heeft gehad om hierop te reageren en de kantonrechter verzocht hiertoe (meer) gelegenheid te bieden, voor zover dit nodig mocht zijn.
5De beoordeling van de verzoeken van [naam werkneemster]
in de bodemzaak
5.1
De kantonrechter overweegt allereerst dat [naam werkneemster] haar verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet tijdig heeft ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Voor zover het verzoek betrekking heeft op de transitievergoeding, is het eveneens tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.
5.2
De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat in zaken die voortvloeien uit de
Wet werk en zekerheid (Wwz), zoals deze zaak, het bewijsrecht in beginsel van toepassing is, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. In dit geval verzet de aard van de zaak zich niet tegen toepassing van het bewijsrecht.
5.3
Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder van de partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen als vorenbedoeld beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
5.4
Bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet dient de kantonrechter alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking te nemen. Hij moet hierbij de aard en ernst van de aangevoerde dringende reden afwegen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Relevant daarbij zijn aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer zijn werk heeft vervuld en ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Ook indien de gevolgen van een ontslag op staande voet ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd was. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden, de onverwijldheid van de opzegging en de gelijktijdige mededeling liggen in dit geval bij de werkgever.
5.5
Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet rechtsgeldig. Daarover wordt het volgende overwogen.
5.6
Watson heeft aan het ontslag op staande voet onder meer -samengevat weergegeven- ten grondslag gelegd dat [naam werkneemster] op 12 november 2015 een aantal artikelen heeft meegenomen uit de vestiging van Kruidvat te Drachten, zonder dat zij hiervoor heeft betaald. Zij heeft namelijk een aantal artikelen niet gescand. [naam werkneemster] heeft dit als zodanig erkend, maar zij heeft aangevoerd dat dit berust op een vergissing, als gevolg van vergeetachtigheid, waarvoor zij onder doktersbehandeling staat, zoals is aangegeven in haar (handgeschreven) verklaring van 20 november 2015. De kantonrechter verstaat dit verweer aldus dat [naam werkneemster] van mening is dat van diefstal in de zin van gedragsregel 10 geen sprake is geweest. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [naam werkneemster] dit verweer in het licht van de stellingen van Watson onvoldoende onderbouwd. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.7
Bij de beoordeling stelt de kantonrechter voorop dat [naam werkneemster] een ervaren verkoopmedewerker is waaraan Watson de leiding over de vestiging van Kruidvat te Drachten toevertrouwt wanneer de filiaalmanager en de assistent-filiaalmanager afwezig zijn. Van een dergelijke verkoopmedewerker mag verwacht worden dat het maken van fouten, in dit geval bij het scannen van artikelen bij de kassa, tot een minimum wordt beperkt, met dien verstande dat ook een ervaren verkoopmedewerker vanzelfsprekend wel eens een fout kan en mag maken. Uit het transcript van de camerabeelden (rechtsoverweging 2.8), waarvan de juistheid door [naam werkneemster] niet, althans onvoldoende, gemotiveerd is weersproken, blijkt dat [naam werkneemster] in een tijdbestek van circa 15 minuten zes keer een artikel niet heeft gescand.
Daarbij ging het bovendien niet steeds om te onderscheiden artikelen, maar om een aantal dezelfde producten. Zo heeft [naam werkneemster] van de vijf opbergboxen slechts drie gescand, terwijl uit het transcript blijkt dat [naam werkneemster] elke opbergbox in haar handen heeft gehad. Tegen deze achtergrond acht de kantonrechter ongeloofwaardig dat het niet scannen van deze artikelen (en dus het niet betalen van deze artikelen) moet worden toegeschreven aan vergeetachtigheid. Hierbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [naam werkneemster] weliswaar heeft gesteld dat zij onder doktersbehandeling staat voor onder meer vergeetachtigheid, maar [naam werkneemster] heeft dit verder niet onderbouwd. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [naam werkneemster] zich op 12 november 2015 schuldig heeft gemaakt aan diefstal, door op die bewuste dag, tegen sluitingstijd, artikelen mee naar huis te nemen, zonder hiervoor te betalen. Deze overtreding vormt naar het oordeel van de kantonrechter op zich zelf reeds een voldoende dringende reden voor een ontslag op staande voet. In dit verband wijst de kantonrechter op het gestelde in artikel 7:678 lid 2 sub d BW waaruit blijkt dat diefstal door een werknemer voor de werkgever een dringende reden kan vormen voor een beëindiging van de arbeidsverhouding.
5.8
Ter zitting heeft [naam werkneemster] gesteld dat Watson de gedragsregels niet bekend heeft gemaakt onder haar personeel. De kantonrechter laat in het midden of dit het geval is. Ook in het geval Watson de gedragsregels niet, althans niet vóór 12 november 2015, bekend heeft gemaakt aan [naam werkneemster] , rechtvaardigt dit niet de door [naam werkneemster] voorgestane conclusie dat zij niet op staande voet ontslagen had mogen worden. Zoals hiervoor, onder rechtsoverwegingen 2.4 tot en met 2.6, is overwogen, heeft Watson zowel in de door haar onder het personeel verspreide bladen alsook op haar (interne) website meermaals aandacht gevraagd voor het onderwerp winkelcriminaliteit en het gevaar van diefstal en fraude door eigen medewerkers. Daarbij is aangegeven dat het noodzaak is om de geldende regels en procedures te volgen en het vermoeden van diefstal en fraude kenbaar te maken, al dan niet anoniem. Gesteld noch gebleken is dat [naam werkneemster] van deze mededelingen geen kennis heeft genomen of kennis heeft kunnen nemen. [naam werkneemster] had dus, ook los van de vraag of de gedragsregels vóór 12 november 2015 aan haar door Watson bekend waren gemaakt, op 12 november 2015 te gelden als een gewaarschuwd mens. Maar ook indien Watson niet via haar (personeels-)bladen en haar website en ook niet langs andere wegen haar personeel had doordrongen van het kwalijke van diefstal en fraude op de werkplek, had dit [naam werkneemster] niet vrijgepleit. [naam werkneemster] had immers sowieso kunnen en moeten begrijpen dat diefstal kan leiden tot ernstige arbeidsrechtelijke consequenties, zoals een ontslag op staande voet.
5.9
Het vorenstaande voert tot de slotsom dat als onvoldoende betwist vaststaat dat [naam werkneemster] zich op 12 november 2015 schuldig heeft gemaakt aan diefstal. De kantonrechter acht dit zodanig ernstig dat dit, ondanks de ernstige gevolgen van het ontslag voor [naam werkneemster] , ontslag op staande voet wegens een dringende reden rechtvaardigt.
5.10
Waar diefstal reeds een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert, behoeven de andere feiten die Watson ten grondslag heeft gelegd aan het ontslag op staande voet (het aan zichzelf toekennen van korting, overtreding gedragsregel 8.1, het gratis meegeven van artikelen aan een collega) en de daarop betrekking hebbende stellingen van [naam werkneemster] geen bespreking meer.
5.11
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het aan [naam werkneemster] gegeven ontslag op staande voet stand houdt. De verzoeken onder D tot en met H zullen derhalve worden afgewezen. Het voorwaardelijke verzoek onder I zal ook worden afgewezen, nu de daar vermelde voorwaarde (een terecht ontslag op staande voet, maar zonder dat sprake is van een ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer) niet is vervuld.
De aan [naam werkneemster] verweten gedraging is immers wel degelijk ernstig verwijtbaar, zo volgt uit hetgeen hieraan voorafgaand is geoordeeld ten aanzien van de gegrondheid van het gegeven ontslag.
5.12
Ten aanzien van de verzoeken onder J tot en met M overweegt de kantonrechter als volgt. Bij een ontslag op staande voet heeft de werknemer de keuze om ofwel de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever te vernietigen (artikel 7:681 BW) ofwel in het ontslag als zodanig te berusten en een transitievergoeding (en eventueel een billijke vergoeding) te vorderen. Na het maken van een keuze, heeft de werknemer, behoudens bijzondere omstandigheden, nog de mogelijkheid om zijn keuze te wijzigen, de zogenaamde 'switch' (zie Hoge Raad 7 oktober 1994, NJ 1995, 171). Ingevolge dit arrest kan een werknemer die verzoekt de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen, behoudens bijzondere omstandigheden, van die keuze terugkomen door jegens de werkgever ondubbelzinnig van zijn beroep op vernietigbaarheid afstand te doen.
5.13
Nu [naam werkneemster] in de procedure niet ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van haar beroep op vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Watson, is de voorwaarde waaronder de verzoeken onder J tot en met M zijn ingesteld, nog niet vervuld. Voor zover [naam werkneemster] thans reeds een oordeel van de kantonrechter wenst over haar aanspraken op de in die verzoeken omschreven vergoedingen (waaronder een transitievergoeding en een billijke vergoeding), voor het geval zij op enig moment na het wijzen van het vonnis mocht besluiten te berusten in het ontslag, overweegt de kantonrechter dat, waar gesteld noch gebleken is dat [naam werkneemster] voornemens is te berusten in het ontslag op staande voet, zij haar belang bij beoordeling van deze verzoeken onvoldoende heeft onderbouwd. Reeds hierom dienen de verzoeken te worden afgewezen, nog daargelaten de vraag of [naam werkneemster] haar expliciete keuze voor deze switch, gelet op de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW, niet al had moeten maken binnen een termijn van twee maanden na de datum waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.
in de voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv
5.14
Nu in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven over de verzoeken van [naam werkneemster] , is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen. Een voorlopige voorziening op grond van dat artikel kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding. Dit verzoek zal derhalve worden afgewezen.
in de bodemzaak en in de voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv
5.15
[naam werkneemster] zal ter zake de door haar ingediende verzoeken als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van Watson worden vastgesteld op € 600,00 ter zake van salaris gemachtigde.
6De beoordeling van de verzoeken van Watson
6.1
Het ontbindingsverzoek en de annexe nevenverzoeken zijn ingesteld onder de voorwaarde dat in deze procedure dan wel in hoger beroep geoordeeld wordt dat er geen sprake is van een dringende reden voor een ontslag op staande voet. De eerste voorwaarde is niet vervuld, zodat de kantonrechter in zoverre niet toekomt aan een beoordeling van het verzoek tot ontbinding en de annexe nevenverzoeken. Ten aanzien van de tweede voorwaarde overweegt de kantonrechter als volgt.
6.2
In het kader van het inmiddels vervallen artikel 7:685 BW heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de mogelijkheid van een voorwaardelijke ontbinding diende te worden geaccepteerd (HR 21 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4670). Naar het oordeel van de kantonrechter verschilt de situatie onder het oude recht echter zodanig van de situatie onder de Wwz, dat de mogelijkheid van het instellen van een voorwaardelijke ontbinding (slechts nog) voor het geval in hoger beroep wordt geoordeeld dat er geen sprake is van een dringende reden voor een ontslag op staande voet onder de Wwz niet kan worden geaccepteerd. Hiertoe is het volgende redengevend. In de eerste plaats werd onder het oude recht de voorwaardelijke ontbinding beoordeeld door de kantonrechter, vaak tezamen met een voorlopig oordeel (als voorzieningenrechter) over de rechtsgeldigheid van het gegeven ontslag op staande voet, waarvan de vernietiging buiten rechte kon worden ingeroepen. Het oordeel in eerste aanleg over die rechtsgeldigheid werd pas in een (veel) later stadium gegeven door de (andere) bodemrechter. Onder de Wwz is vernietiging buiten rechte niet meer mogelijk en wordt, in beginsel zelfs gelijktijdig (zoals ook in het onderhavige geval), door dezelfde rechter in eerste aanleg geoordeeld over zowel de rechtsgeldigheid van het gegeven ontslag op staande voet als over de voorwaardelijke ontbinding. Als, zoals in dit geval, wordt geoordeeld dat door het ontslag op staande voet een rechtsgeldig einde aan de arbeidsovereenkomst is gekomen, is er daarmee geen arbeidsoverkomst (meer) die ontbonden kan worden. Voorts bracht onder het oude recht het feit dat slechts een voorlopig oordeel werd gegeven over de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet een lange periode van onzekerheid mee over de vraag of de arbeidsovereenkomst nu wel of niet was geëindigd, aan welke onzekerheid door de (voorwaardelijke) ontbinding een einde kon worden gemaakt. Dit argument gaat onder de Wwz niet meer op, nu onder de Wwz de beslissing op een ontbindingsverzoek appellabel is. Ook met een beslissing op het voorwaardelijk ontbindingsverzoek heeft de werkgever derhalve geen definitieve zekerheid over het eindigen van de arbeidsovereenkomst. Tot slot geldt dat voorheen in hoger beroep het ontslag op staande voet (alsnog) kon worden vernietigd, waardoor de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht herleefde. Onder de Wwz heeft de rechter in hoger beroep deze mogelijkheid niet. Hij kan weliswaar (ingevolge artikel 7:683 lid 3 BW) de arbeidsovereenkomst herstellen, desgewenst zelfs met terugwerkende kracht tot het moment waarop de (oude) arbeidsovereenkomst eindigde, maar dit leidt formeel niet tot herleving van de oude arbeidsovereenkomst. Er ontstaat dan een nieuwe arbeidsovereenkomst onder dezelfde voorwaarden. Daarnaast kan de rechter in hoger beroep ook kiezen voor de optie van de billijke vergoeding. Als zodanig staat die rechter dus thans een instrumentarium ter beschikking om, afhankelijk van de omstandigheden zoals die op moment van oordelen gewogen worden, te bepalen wat passend is. In eerste aanleg een oordeel geven over een verzoek tot ontbinding, voor het geval in hoger beroep wordt geoordeeld dat het verzoek tot vernietiging van de opzegging ten onrechte is afgewezen en de arbeidsovereenkomst in hoger beroep wordt hersteld, impliceert dat reeds nu zou worden geoordeeld over het doen eindigen van een mogelijk in hoger beroep met terugwerkende kracht nieuw te creëren arbeidsovereenkomst. Dat zou de rechter in hoger beroep te zeer voor de voeten lopen. Dit alles maakt dat in de onderhavige procedure, waarin is geoordeeld dat het ontslag op staande voet stand houdt, niet tevens en tezelfdertijd nog plaats is voor een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (en voorwaardelijke annexe nevenverzoeken), ingesteld voor het geval in hoger beroep de arbeidsovereenkomst wordt hersteld. De kantonrechter tekent daarbij aan dat dit oordeel bovendien geheel in lijn is met de bedoeling van de wetgever bij de invoering van de Wwz om de ontslagprocedure te vereenvoudigen en te dejuridiseren.
6.3
Gelet op het vorenstaande zal Watson niet-ontvankelijk worden verklaard in haar ontbindingsverzoek en de annexe nevenverzoeken. Gelet op dit oordeel bestaat geen aanleiding meer om [naam werkneemster] nog gelegenheid te bieden om te reageren op het ontbindingsverzoek en de annexe nevenverzoeken.
6.4
Nu deze voor Watson afwijzende beslissing is ingegeven door de beslissing dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, op welk punt Watson dus het gelijk aan haar zijde heeft gevonden, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
7De beslissing
De kantonrechter:
op de verzoeken van [naam werkneemster] (4748807 AR VERZ 16-10 en 4748866 AR VERZ 16-11):
7.1
wijst de verzoeken af;
7.2
veroordeelt [naam werkneemster] in de proceskosten, aan de zijde van Watson vastgesteld op
€ 600,00;
7.3
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
op de tegenverzoeken van Watson (4813053 AR VERZ 16-32):
7.4
verklaart Watson niet-ontvankelijk in haar voorwaardelijk ontbindingsverzoek en de voorwaardelijke annexe nevenverzoeken;
7.5
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2016 door
mr. J.A. Werkema, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. J.R. Leegsma.
c467 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|