|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2024:5450 | | | | | Datum uitspraak | : | 20-09-2024 | | Datum gepubliceerd | : | 10-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | LEE 23/1919 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | - | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | ammoniakemissie | | | bedrijfswoning | | | bestemmingsplan | | | digestaat | | | melkrundveehouderij | | | meststoffen | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | stallen | | | stikstofdepositie | | | veehouderij | | | wabo | | | wet milieubeheer | | Wetreferenties | : | Besluit omgevingsrecht 2.2aa
| | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/1919
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2024 in de zaak tussen
Stichting Natuurbeschermingswacht Meppel en omstreken, uit Meppel, eiseres
(gemachtigden: H.J.M. Baptist en G.W. Starre),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel, het college
(gemachtigde: mr. G. Siebel).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit Meppel, de vergunninghouder(gemachtigde: R.J. Stapel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een monomestvergister op het terrein behorende bij het adres [adres].
1.1.
Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 26 september 2022 verleend. Met het bestreden besluit van 16 maart 2023 op het bezwaar van eiseres is het college bij de vergunningverlening gebleven.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van de vergunninghouder.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de omgevingsvergunning voor het bouwen en het gebruiken van de monomestvergister in strijd met het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) voor die vergister. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Relevante feiten en omstandigheden
4. De vergunninghouder is eigenaar van een melkrundveehouderij op het perceel [adres] (het perceel). Op het perceel staan meerdere schuren, sleufsilo’s, een bedrijfswoning en een mestsilo. De inrichting ligt op enkele kilometers afstand van het Natura 2000-gebied ‘Holtingerveld’.
5. De vergunninghouder heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen en gebruiken van een monomestvergister op het perceel in strijd met het geldende bestemmingsplan en voor het uitvoeren van een activiteit waarvoor een beperkte milieutoets is vereist (artikel 2.1, eerste lid, onder a, c en i, van de Wabo).
Overgangsrecht Omgevingswet
6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
6.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 22 juni 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, de Wet natuurbescherming en het Besluit omgevingsrecht (Bor), zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.
6.2.
De voor de beoordeling van dit beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. AERIUS-berekeningen en omvang project
7. Eiseres betoogt dat het college ten onrechte niet motiveert hoe de gekozen invoergegevens voor de AERIUS-calculator tot stand zijn gekomen. De AERIUS-berekeningen hebben in dit geval ook geen waarde, omdat alleen calculaties over de oprichting van de vergister en/of een WKK zijn ingediend. Eiseres verwijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en betoogt dat een AERIUS-calculatie op het gehele project moet zien. Opknippen in deelprojecten is niet toegestaan. Volgens eiseres vormt de monomestvergister één project met het agrarisch bedrijf op het perceel. Zonder dat bedrijf kan die vergister niet functioneren, nu de mest via dat bedrijf aan de vergister wordt geleverd. Daar komt bij dat er relevante wijzigingen plaatsvinden bij de veehouderij zelf, namelijk dat de stalvloer wordt dichtgelegd. Eiseres bestrijdt dat rookgas in het proces van de vergister de enige emissie is, nu bij mestverwerking de stikstofemissie toeneemt. Eiseres verwijst daarbij naar een modelstudie van de Wageningen Universiteit waarin is geconcludeerd dat het aanwenden van digestaat leidt tot een toename van de ammoniakemissie ten opzichte van drijfmest. Volgens eiseres is in het DLV-advies bovendien niet betrokken dat biogas ook waterstofsulfide bevat dat bij verbranding in de WKK omgezet zal worden in zwaveldioxide dat een sterk verzurende stof is. Verzuring door zwaveldioxide is een concreet aanknopingspunt voor twijfel en mogelijk significante effecten die ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten, aldus eiseres. Door na te laten om het hele project te beoordelen, heeft het college ten onrechte geen zekerheid verkregen dat er geen significante effecten kunnen ontstaan op Natura 2000-gebieden en ten onrechte niet de openbare voorbereidingsprocedure toegepast, aldus eiseres.
7.1.
Het college voert samengevat aan dat hij ten tijde van het bestreden besluit op bezwaar niet beschikte over de nadere onderbouwing van de maatwerkinvoergegevens. Na dat besluit heeft het college van de vergunninghouder nieuwe en aanvullende AERIUS-projectberekeningen gekregen. Eiseres heeft met de nu overgelegde gegevens alsnog de beschikking gekregen over de informatie die nodig is om de gemaakte keuzes, de gebruikte gegevens en de aannames te beoordelen. Volgens het college blijkt uit die berekeningen dat met de aanleg en het gebruik van de vergunde vergister geen sprake is van een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Gelet daarop is er geen vergunning nodig als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2aa van het Bor. Er bestond daarom geen aanleiding om de openbare voorbereidingsprocedure te volgen. De WKK is in de gebruiksfase de enige emissiebron voor stikstof. Voor het overige is de mestvergister een gesloten systeem. Waterstofsulfide wordt uit het biogas gefilterd voorafgaande aan ontbranding in de WKK. Ontbranding daarvan zou los van de nadelige milieueffecten ook nadelig zijn voor de werking en de levensduur van de WKK. Weliswaar veroorzaakt (het rookgas uit) de WKK emissies, maar die toename staat volgens het college (minimaal) in een één-op-één-relatie tot een afname in de emissies als gevolg van de toepassing van mest op het land van de vergunninghouder. In zoverre is er in dit geval dan ook geen sprake van het ongeoorloofd opknippen van een project, aldus het college. Volgens het college had een zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit niet tot een ander rechtsgevolg geleid en zijn derden zoals eiseres niet benadeeld door de onzorgvuldigheid in de voorbereiding van de besluitvorming. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen daarom in stand blijven, aldus het college.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat het college erkent dat het bestreden besluit op bezwaar gebrekkig is wat betreft (de conclusies van het college gebaseerd op) de AERIUS-berekeningen. Vaststaat dat de vergunninghouder het college in de bezwaarfase onvoldoende inzicht heeft gegeven in de maatwerkinvoergegevens, dat het college in die fase de AERIUS-berekeningen onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht en dat die berekeningen niet het standpunt van het college in het bestreden besluit kunnen dragen dat met het onderhavige project uitgesloten is dat sprake is van significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Het bestreden besluit op bezwaar is daarom op dit punt niet voldoende zorgvuldig voorbereid en niet voorzien van een deugdelijke motivering. Het besluit komt voor vernietiging in aanmerking.
7.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval te bepalen dat rechtsgevolgen van het bestreden besluit op bezwaar geheel of gedeeltelijk in stand blijven. De rechtbank is van oordeel dat het college zich niet zonder meer op het standpunt kon stellen dat in dit geval geen sprake is van processen binnen de melkrundveehouderij die niet onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en die niet betrokken hoefden te worden bij de beoordeling van de vergunningaanvraag voor het oprichten van de monomestvergister. Zij overweegt daartoe het volgende.
7.4.
De rechtbank overweegt dat de feiten en omstandigheden van dit geval niet het standpunt van het college rechtvaardigen dat de monomestvergister afzonderlijk van andere processen in de melkrundveehouderij moet worden beoordeeld. Daarbij is van belang dat uit de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag blijkt dat voor het mestvergistingsproces bedrijfseigen mest wordt gebruikt, dat dagelijks in meerdere batches direct uit de stallen wordt ingevoerd in de vergister. Het vergistingsproces is dus volledig afhankelijk van (de aanvoer van) dagverse mest vanuit de melkrundveehouderij. Ook is van belang dat op de situatietekening bij die ruimtelijke onderbouwing staat dat de vloer van de vaarzenstal wordt dichtgelegd en mest wordt verpompt naar mestput 1. Het project ziet dus mede op het aanpassen van die stal en het verbinden van die stal met de monomestvergister. Verder is van belang dat op de zitting namens de vergunninghouder is aangegeven dat het digestaat, dat na het vergistingsproces overblijft, wordt toegepast op het eigen land van de vergunninghouder. Daarmee is duidelijk dat niet uitgesloten kan worden dat (het uitrijden van) dat digestaat tot emissies zal leiden. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de onderhavige aanvraag enkel ziet op de mestvergistingsinstallatie zelf en dat processen als het toevoeren van de mest, stalaanpassingen in verband hiermee en het toepassen van digestaat op eigen land van de vergunninghouder geen onderdeel vormen van de aanvraag. Vaststaat dat de mestvergistingsinstallatie niet kan functioneren zonder de toevoer van mest uit het eigen bedrijf en dat het digestaat dat door het vergistingsproces als restproduct ontstaat op de een of andere manier moeten worden verwerkt binnen het eigen bedrijf. Nu het college niet het gehele mestvergistingsproces, inclusief het uitrijden van digestaat, heeft betrokken bij zijn beoordeling van de aanvraag, kon het college naar het oordeel van de rechtbank niet op grond van de voorliggende informatie op voorhand uitsluiten dat er met dit project geen significante effecten zijn op een Natura 2000-gebied. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het door eiseres naar voren gebrachte onderzoek van de WUR volgt dat de uiteindelijke ammoniakemissie afhangt van meerdere factoren zoals het toepassen van dagontmesting en het aanpassen van de stalvloer.
7.5.
De AERIUS-berekeningen die in de beroepsfase zijn aangeleverd en door het college zijn beoordeeld, gaan uit van een te beperkte omvang van het onderhavige project in de gebruiksfase. Die berekeningen zien namelijk niet op alle processen die horen bij het in gebruik hebben van de aangevraagd monomestvergister. Het college zal daarom opnieuw onderzoek moeten (laten) doen en een nieuwe afweging moeten maken over de vraag of het project significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Afhankelijk van de uitkomst daarvan zal bij het nemen van een nieuw besluit op de aanvraag de reguliere of de openbare voorbereidingsprocedure moeten worden toegepast. Het bestreden besluit op bezwaar is op dit punt niet voldoende zorgvuldig voorbereid en niet voorzien van een deugdelijke motivering. Het besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en moet daarom worden vernietigd.
8. Deze beroepsgrond slaagt.
Chemische installatie
9. Eiseres betoogt dat de monomestvergister een chemische installatie is als bedoeld onder 4 van bijlage 1 bij het Verdrag van Aarhus (het Verdrag). In de vergister is sprake van meerdere chemische processen. Ook om die reden heeft het college ten onrechte niet de openbare voorbereidingsprocedure toegepast volgens eiseres.
9.1.
Het college voert samengevat aan dat de monomestvergister geen chemische installatie is. Bij chemische installaties gaat het om de fabricage van meststoffen, terwijl de verwerking van dierlijke mest in een mestvergistingsinstallatie doorgaans wordt beschouwd als het bewerken van mest (en digestaat). Volgens het college is er in dit geval evident geen sprake van de fabricage van meststoffen, hoogstens van het bewerken of verwerken van meststoffen. Daarnaast moet een monomestvergister niet begrepen worden als een installatie behorende tot de energiesector als bedoeld in het Verdrag, maar als een agrarische nevenactiviteit, aldus het college.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet kan worden gevolgd in haar betoog dat de onderhavige monomestvergister een chemische installatie is als bedoeld in het Verdrag. In dit geval is er geen sprake van fabricage van meststoffen of groepen van stoffen op industriële schaal. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat beoogd wordt om jaarlijks ongeveer 5.800 ton rundveemest afkomstig uit het eigen melkrundveebedrijf in de monomestvergister te vergisten. De producten van de aangevraagde monomestvergister, te weten biogas en digestaat, zijn bedoeld voor eigen gebruik binnen de inrichting van de vergunninghouder. Daarmee is geen sprake van fabricage op industriële schaal.
10. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit op bezwaar in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Het college moet een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Het college moet daarbij rekening houden met wat in overwegingen 7.4. en 7.5. is overwogen.
11.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht van 365,- aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigden van eiseres een beroepschrift hebben ingediend en aan de zitting hebben deelgenomen. Er bestaat geen aanleiding om de reiskosten van die gemachtigden te laten vergoeden. Reiskosten voor een gemachtigde komen op grond van artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit op bezwaar van 16 maart 2023;
- draagt het college op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van
eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 365,- aan eiseres moet
vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan
eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter, in aanwezigheid van mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier.De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, Aarhus, 25-06-1998 (Verdrag van Aarhus)
Artikel 6
1. Elke Partij:
a. past de bepalingen van dit artikel toe ten aanzien van besluiten over het al dan niet toestaan van voorgestelde activiteiten vermeld in bijlage I;
[…]
Bijlage I. Lijst van activiteiten bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a
1. Energiesector:
[…]
– Installaties voor vergassing en vloeibaarmaking;
[…]
4. Chemische industrie: onder fabricage in de zin van de categorieën van activiteiten van deze paragraaf wordt verstaan de fabricage van in de onderdelen a. tot en met g. genoemde stoffen of groepen van stoffen op industriële schaal door chemische omzetting:
[…]
c. Chemische installaties voor de fabricage van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen);
[…]
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 7:121. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.
Artikel 8:72
1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk.
2. De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.
3. De bestuursrechter kan bepalen dat:
de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, of
zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.
4. De bestuursrechter kan, indien toepassing van het derde lid niet mogelijk is, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij:
a. bepalen dat wettelijke voorschriften over de voorbereiding van het nieuwe besluit of de andere handeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven;
b. het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk;
[…]
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]
[…]
i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke
leefomgeving.
Artikel 2.121. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:
1º met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake
afwijking,
2º in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3º in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Artikel 2.27
1. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.
2. In afwijking van artikel 10:32 van de Algemene wet bestuursrecht is afdeling 10.2.1 van die wet, met uitzondering van artikel 10:28, niet van toepassing met betrekking tot de verklaring.
3. De verklaring kan slechts worden gegeven of geweigerd in het belang dat in de betrokken wet of algemene maatregel van bestuur is aangegeven.
4. Het bestuursorgaan dat de verklaring geeft, bepaalt daarbij dat aan de omgevingsvergunning de daarbij aangegeven voorschriften die nodig zijn met het oog op het belang, bedoeld in het derde lid, worden verbonden.
5. De verklaring wordt vermeld in de beschikking op de aanvraag. Een exemplaar ervan wordt bij ieder exemplaar van die beschikking gevoegd.
Artikel 3.10
1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:
a. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°;
b. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d;
c .een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e;
d. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, voor zover voor die activiteit krachtens artikel 2.26, derde lid, een adviseur is aangewezen;
e. een geval waarin een verklaring vereist is, als bedoeld in artikel 2.27;
f. een geval dat behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie met mogelijk belangrijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving of de belangen van derden;
g. een activiteit als bedoeld in artikel 2.19, voor zover dat in het betrokken wettelijk voorschrift is aangegeven.
2. Het bevoegd gezag kan bepalen dat de toepassing van artikel 3.1 of afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geheel of gedeeltelijk achterwege blijft, indien:
a. de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvan de uitvoering als gevolg van een ongewone omstandigheid op korte termijn nodig is;
b. de uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie dat vereist.
3. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een verandering van een inrichting of mijnbouwwerk of de werking daarvan, die niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunning is toegestaan, waarvoor geen verplichting bestaat tot het maken van een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer, en die niet leidt tot een andere inrichting of mijnbouwwerk dan waarvoor eerder een omgevingsvergunning is verleend.
4. Indien op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, zijn tevens de artikelen 13.6, 13.9 en 13.11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer van toepassing.
Wet natuurbescherming
Artikel 2.7
1. Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8.
2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
3. Gedeputeerde staten verlenen een vergunning als bedoeld in het tweede lid uitsluitend indien is voldaan aan artikel 2.8.
4. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing op projecten ten aanzien waarvan bij of krachtens enige wettelijke bepaling een besluit is vereist, indien bij of krachtens die wet is bepaald dat dat besluit uitsluitend wordt vastgesteld indien is voldaan aan artikel 2.8.
Artikel 2.8
1. Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.
2. In afwijking van het eerste lid hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project.
3. Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
4. In afwijking van het derde lid kan, ondanks het feit dat uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, het plan worden vastgesteld, onderscheidenlijk de vergunning worden verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a.er zijn geen alternatieve oplossingen;
b.het plan, onderscheidenlijk het project, bedoeld in het eerste lid, is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
c.de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
5. Ingeval het plan, onderscheidenlijk het project, bedoeld in het eerste lid, significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, geldt, in afwijking van het vierde lid, onderdeel b, de voorwaarde dat het plan, onderscheidenlijk het project nodig is vanwege:
a.argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of
b.andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie.
6. Een advies van de Europese Commissie als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, wordt door Onze Minister gevraagd. Het bestuursorgaan, onderscheidenlijk gedeputeerde staten doen daartoe een verzoek aan Onze Minister.
7. Compenserende maatregelen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, maken onderdeel uit van het plan. De verplichting om compenserende maatregelen te treffen maakt onderdeel uit van de vergunning voor het project, bedoeld in het eerste lid, tenzij die verplichting volgt uit het programma, bedoeld in artikel 1.13a, tweede lid. Het bestuursorgaan dat het plan vaststelt meldt, onderscheidenlijk gedeputeerde staten melden de compenserende maatregelen aan Onze Minister, die de Europese Commissie van de maatregelen op de hoogte stelt.
8. Ingeval een compenserende maatregel voorziet in de ontwikkeling of verbetering van leefgebieden voor vogels, natuurlijke habitats of habitats voor soorten buiten een Natura 2000-gebied, draagt Onze Minister ervoor zorg dat deze leefgebieden of habitats een Natura 2000-gebied, of een onderdeel van een Natura 2000-gebied worden.
Besluit omgevingsrecht
Artikel 2.2a[…]
8. Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid van de Wet milieubeheer, wordt tevens aangewezen het oprichten van een installatie voor het vergisten van uitsluitend dierlijke mest met een verwerkingscapaciteit van ten hoogste 25.000 kubieke meter per jaar, alsmede het uitbreiden van de capaciteit van de installatie, het uitbreiden van de opslagcapaciteit voor vergistinggas of het wijzigen of uitbreiden van de bewerking van vergistinggas bij een dergelijke installatie.
Artikel 2.2.aa
Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:
a. het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste en tweede lid, of 9.4, eerste, achtste of negende lid, van die wet, artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding of artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet, voor zover dat project, onderscheidenlijk die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor dat project geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is aangevraagd of verleend.
Artikel 6.10a
1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a of b, wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.
2. Indien de activiteit betrekking heeft op een project of handeling behorend tot een in artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming aangewezen categorie van projecten en handelingen, wordt in het eerste lid in plaats van «gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben» gelezen «Onze Minister van Economische Zaken heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft».
3. Het eerste lid, al dan niet in samenhang met het tweede lid, is niet van toepassing indien gedeputeerde staten als bedoeld in het eerste lid tevens het bevoegd gezag zijn, onderscheidenlijk indien Onze Minister van Economische Zaken tevens het bevoegd gezag is, om te beslissen op de desbetreffende aanvraag om een omgevingsvergunning.
4. Een verklaring kan slechts worden gegeven:
a.voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.aa, onderdeel a: op de gronden, die zijn aangegeven in artikel 2.8 en artikel 5.5, derde lid, van de Wet natuurbescherming, het bepaalde krachtens artikel 2.9, vierde lid, van die wet en artikel 2.14 van het Besluit natuurbescherming.
b.voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b:
1°.voor zover het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming: op de gronden, aangegeven in artikel 3.3, vierde lid, van de Wet natuurbescherming;
2°.voor zover het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming: op de gronden, aangegeven in artikel 3.8, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming;3°.voor zover het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming: op de gronden, aangegeven in artikel 3.8, vijfde lid, of 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming.
5. Ingeval de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, wordt in voorkomend geval in de verklaring opgenomen hoeveel ontwikkelingsruimte overeenkomstig artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van het Besluit natuurbescherming wordt toegedeeld aan het project.
Het rapport ‘Berekeningen emissies en economie voor verschillende scenario’s voor verwaarding van rundveemest; NL Next Level Mestverwaarden’, Wageningen Livestock Research, Openbaar Rapport 1372. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|