Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2025:5289 
 
Datum uitspraak:19-12-2025
Datum gepubliceerd:02-01-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:25/2517
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Mijnbouwschade. Fysieke schade. Gedeeltelijke afwijzing. Wateroverlast door verkeerd afschot in combinatie met zetting. Bewijsvermoeden weerlegd, geen reden voor twijfel aan oordeel deskundige. Ongegrond.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/2517

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut
(gemachtigden: mrs. S.C. Goldbohm en B.P. van der Togt).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag tot vergoeding van schade aan de woning van eiser, veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser onvoldoende heeft aangevoerd op basis waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de conclusies van de door het Instituut ingeschakelde deskundigen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Eiser heeft op 12 oktober 2021 een aanvraag ingediend voor een vergoeding van schade aan zijn woning. Het Instituut heeft deze aanvraag met het besluit van 16 augustus 2022 gedeeltelijk afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het Instituut bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.


2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het Instituut heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift, voorzien van een deskundigenbericht van deskundigen D. Kiestra en M. Ottevanger van deskundigenbureau 10BE.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van het Instituut en deskundige Kiestra.






Beoordeling door de rechtbank


Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser is sinds 2008 de eigenaar van de in 1894 gebouwde tussenwoning aan de [adres] te [plaats]. Bij zijn aanvraag heeft eiser aangegeven dat het hemelwater niet via de reguliere afvoerpijp naar beneden afloopt maar zich sinds enkele jaren aan het andere einde van de goot verzameld, waardoor een overstroming ontstaat die via de achtermuur op het binnenplaatsje terecht komt. Naar aanleiding van zijn schademelding bij het Instituut, heeft deskundige H. Bakker van deskundigenbureau 10BE op 5 november 2021 een schadeopname uitgevoerd. Vervolgens heeft deskundige Bakker op 25 november 2021 adviesrapport V1 opgeleverd, waarin drie schades worden beoordeeld. De wateroverlast is opgenomen als schade 1, waarbij deskundige Bakker het Instituut heeft geadviseerd om hiervoor geen schadevergoeding toe te kennen. Voor schades 2 en 3 is wel een schadevergoeding geadviseerd.

Eiser heeft op het adviesrapport gereageerd met een zienswijze, omdat hij het niet eens was met de beoordeling van schade 1. Naar aanleiding van de zienswijze heeft het Instituut nader advies gevraagd. Deskundige Bakker heeft hier in het adviesrapport V2 van 20 juli 2022 op gereageerd, waarbij hij, na het geven van een nadere toelichting daarop, bij zijn conclusie is gebleven dat schade 1 een andere oorzaak heeft dan trillingen door mijnbouwactiviteiten. Met het primaire besluit heeft eiser, in overeenstemming met de adviesrapporten, een schadevergoeding van € 3.505,11 ontvangen voor schades 2 en 3.


3.1.
Eiser heeft op 9 september 2022 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.



3.2.
Het Instituut heeft de Bezwaaradviescommissie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen om advies gevraagd. De Bezwaaradviescommissie heeft op 1 maart 2023 een hoorzitting gehouden. Aan deskundige J. van Donselaar van deskundigenbureau 10BE is gevraagd om tijdens de hoorzitting een nadere toelichting te geven.



3.3.
De Bezwaaradviescommissie heeft het Instituut vervolgens over schade 1 als volgt geadviseerd:


‘De Bezwaaradviescommissie onderschrijft de conclusie van Bakker en Van Donselaar dat de wateroverlast wordt veroorzaakt door het verzakken van de balkonbalustrade als gevolg van ongelijke zetting door een verschil in bovenbelasting. De balkonbalustrade heeft niet meer dan een esthetische functie, omdat geen dakoppervlak in de daar aanwezige afdekkingsgoot afwatert. Daardoor komt ook bij hevige regenval slechts een minimale hoeveelheid water in de goot. In de oorspronkelijke situatie werd het regenwater naar beide kanten afgevoerd, ook vanwege de geringe hoeveelheid zonder overlast. Door verschilzetting van de woning, die niet mijnbouwgerelateerd is, is het afschot naar de linkerkant van het pand verhoogd. Gelet op de bevindingen van Bakker en Van Donselaar is sprake van een evidente en aantoonbare andere oorzaak van deze schade dan mijnbouw. Bovendien acht zij het -gelet op de trillingssnelheden ter plaatse- ook niet aannemelijk dat bodembeweging als gevolg van mijnbouw deze schade heeft veroorzaakt. Hieromtrent overweegt de Bezwaaradviescommissie dat, gelet op het rapport van ir. Van Staalduinen en ing. Everts van 23 oktober 2020, kan worden uitgesloten dat de zetting is veroorzaakt door bodemtrillingen als gevolg van mijnbouwactiviteiten, omdat de maximale trillingssnelheid ter plaatse 7,60 mm/s bedraagt met een overschrijdingskans van 1%. In dat rapport is uiteengezet dat bij zandlagen een minimale trillingssnelheid van 16 mm/s nodig is wil er sprake zijn van het risico op zetting door bodemtrillingen als gevolg van mijnbouwactiviteiten. Voor andere grondsoorten, zoals klei en veen, is een nog hogere trillingssnelheid benodigd (40 mm/s). Gelet op al het voorgaande acht de Bezwaaradviescommissie het bewijsvermoeden weerlegd; zij volgt [eiser] dan ook niet in zijn bezwaar en adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.’




3.4.
Op 10 juni 2025 heeft het Instituut het bezwaar, in overeenstemming met het advies van de Bezwaaradviescommissie, ongegrond verklaard.


Toetsingskader

4. Niet in geschil is dat het bewijsvermoeden van toepassing is op de schade aan de woning van eiser. Op grond van het bewijsvermoeden wordt vermoed, bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of gasopslag bij Norg zou kunnen zijn, dat die schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.



4.1.
Volgens de vaste werkwijze acht het Instituut het bewijsvermoeden weerlegd als het aan de hand van een adviesrapport is aangetoond dat de schade is te herleiden tot een evidente en autonome oorzaak, waarvan (met een hoge mate van zekerheid) aannemelijk is dat die bodembeweging als (mede)oorzaak van die schade uitsluit. Deze werkwijze is aanvaardbaar geacht.



4.2.
In het kader van de vergewisplicht toetst het Instituut aan de hand van welke feiten de ingeschakelde deskundige tot de conclusie is gekomen dat er met een voldoende hoge mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak voor de schade is aan te wijzen. Het Instituut acht het bewijsvermoeden pas weerlegd als de deskundige een hoge mate van zekerheid heeft over de oorzaak van de door hem aangewezen schade, wat aansluit bij de bedoelingen van het Panel van deskundigen. Van de deskundige wordt niet gevergd dat hij met 100% zekerheid kan uitsluiten dat de schade is ontstaan en/of verergerd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten.



4.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), mag een bestuursorgaan, als in een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze verslag is gedaan van het door de deskundige verrichte onderzoek en op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, bij het nemen van een besluit van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid naar voren zijn gebracht.


Ingeschakelde deskundigen

5. Eiser zet vraagtekens bij de door het Instituut ingeschakelde deskundigen. Zo vraagt hij zich af hoe zij aan hun kennis over bevingsschade zijn gekomen. Daarbij merkt hij op dat er -afgezien van de schadeopname door deskundige Bakker- enkel bureaustudies zijn uitgevoerd door de deskundigen, en naar aanleiding van zijn zienswijze is er geen heropname uitgevoerd. Deskundige Van Donselaar baseert zijn conclusies op basis van foto’s van Google Street View. Daarnaast voert eiser aan dat een onafhankelijke, andere deskundige het adviesrapport V1 had moeten herzien, in plaats van deskundige Bakker.



5.1.
Het Instituut betoogt met betrekking tot de vereiste kennis, dat hier een bouwkundige beoordeling gevergd wordt. De ingeschakelde deskundigen zijn bij uitstek geschikt om een dergelijke beoordeling te geven, waarbij zij uitgaan van de staande wetenschappelijke inzichten die op dit onderwerp voorhanden zijn. Daarnaast meent het Instituut dat deskundigen Van Donselaar, Kiestra en Ottevanger, niet gehouden waren om nogmaals ter plaatse onderzoek te verrichten. Naar aanleiding van de door deskundige Bakker uitgevoerde schadeopname, beschikten de deskundigen namelijk over voldoende duidelijke foto’s om het Instituut nader te kunnen adviseren.



5.2.
De rechtbank begrijpt hetgeen eiser naar voren heeft gebracht zo, dat hij zich er op beroept dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden.



5.3.
De rechtbank komt tot het oordeel dat er geen sprake is van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank geen concrete omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat in dit geval getwijfeld moet worden aan de deskundig- en/of onpartijdigheid van de ingeschakelde deskundigen. Hij heeft zijn zorgen en twijfels geuit, maar wat is aangevoerd, is onvoldoende concreet en objectief onderbouwd. Er is geen reden om aan te nemen dat een beoordeling door de deskundigen Van Donselaar, Kiestra en Ottevanger op basis van foto’s niet mogelijk was. Het beschikbare (foto)materiaal geeft een duidelijk beeld van de situatie. Het Instituut heeft in hetgeen eiser hiertoe heeft aangedragen geen aanleiding hoeven zien om te twijfelen aan het advies van de onafhankelijke deskundigen.



5.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.


Is het bewijsvermoeden weerlegd ten aanzien van schade 1?

6. Eiser stelt zich op het standpunt dat het Instituut niet met absolute zekerheid kan concluderen dat schade 1 niet is veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten. Er moet volgens eiser ruimte gelaten worden voor het inzicht dat er nog zeer grote onzekerheden zijn met betrekking tot de beschikbare kennis over bevingen. De conclusie van de deskundigen dat schades 2 en 3 wel, en schade 1 niet door mijnbouwactiviteiten is veroorzaakt, is niet logisch en daarom niet te volgen. Eiser heeft in beroep foto’s overlegd waarop te zien zou zijn dat het hoogteverschil van de balkonbalustrade 3,4 centimeter is, gemeten van uiterst links tot uiterst recht. Een door eiser ingeschakelde bouwondernemer heeft bevestigd dat er sprake is van een verkeerd afschot, waarbij deze niet door het tegenschot, maar door de houten bekisting wordt bepaald. Het naar links verzakken van de bekisting is volgens deze bouwondernemer mogelijk veroorzaakt door ofwel trillingen, ofwel verzakking (bodemdaling) als gevolg van mijnbouwactiviteiten. Eiser heeft een schade geleden van
€ 14.000,- voor schade 1, die hij vergoed wil zien.



6.1.
Het Instituut meent dat de deskundigen met een voldoende hoge mate van zekerheid een autonome oorzaak voor het ontstaan van schade 1 hebben aangewezen, te weten een combinatie van het verkeerde, namelijk te weinige, afschot en een lichte verzakking van de gevel die daarop een negatieve invloed heeft. De verzakking is het gevolg van de werking van het gebouw op de weinig draagkrachtige ondergrond. Tijdens de zitting heeft deskundige Kiestra hier echter bij opgemerkt dat de schade ook was opgetreden als er geen sprake was geweest van verzakking. Daarnaast wijst het Instituut erop dat de grenswaarden voor trillingssnelheden die op grond van het vaste beoordelingskader van het Instituut van toepassing zijn, in dit geval niet zijn overschreden.



6.2.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Het Instituut heeft verschillende deskundigen betrokken bij de beoordeling van schade 1, ook na de instelling van beroep door eiser. Zij hebben allen geconcludeerd dat de oorzaak evident en aantoonbaar uitsluitend een andere is dan bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten. Er is door de deskundigen naar het oordeel van de rechtbank, voldoende inzichtelijk gemaakt dat er sprake is van een verkeerd afschot en dat aangenomen kan worden dat dit de hoofdoorzaak van de schade is. Daartoe zijn door de deskundigen grondboringen en sonderingen verricht om de aard en samenstelling van de ondergrond te onderzoeken, bouwtekeningen en de constructie van de balkonbalustrade bestudeerd, en is op basis van oude foto’s van Streetview en Streetsmart naar de verzakking van de gevel door de tijd heen gekeken. Deskundigen Kiestra en Ottevanger hebben daarover in beroep naar aanleiding van de bevindingen van de bouwaannemer van eiser, aangegeven en onderbouwd onder meer door middel van berekeningen, dat de nieuwe afvoer niet juist is uitgevoerd met te weinig afschot over de volledige lengte. De zetting in de gevel heeft hier bovenop negatief aan bijgedragen. Of de later aangebrachte hemelwaterafvoer direct na de installatie goed heeft gefunctioneerd over de volledige lengte, moet worden betwijfeld omdat dan de gehele gevel sinds de aanleg circa 54 millimeter verzakt zou moeten zijn over een lengte van 5 meter. Dit zou extreem veel schade aan de gevel hebben doen ontstaan, met een duidelijkere visuele zetting over de hele lengte. De door de deskundigen aan het Instituut uitgebrachte adviezen zijn voldoende concludent en navolgbaar. Van een absolute zekerheid, waar eiser over spreekt, hoeft bovendien geen sprake te zijn.



6.3.
Eiser zet hier onvoldoende tegenover. Hij stelt zich op het standpunt dat de conclusie van de deskundigen over de oorzaak van de schade niet kan kloppen, maar dat standpunt heeft hij niet nader onderbouwd, bijvoorbeeld in de vorm van een contra-expertiserapport. Hij heeft wel een aannemer om advies gevraagd, maar deze heeft enkel geconcludeerd dat de verzakking zou kunnen zijn ontstaan door trillingen of bodemdaling als gevolg van mijnbouwactiviteiten. Daarop is inhoudelijk gereageerd door diverse deskundigen die het Instituut heeft ingeschakeld en die gemotiveerd en onderbouwd hebben aangegeven dat de oorzaak evident en aantoonbaar uitsluitend een andere is dan bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten. Ook de opmerking van eiser dat het vreemd is dat de invloed van mijnbouwactiviteiten op schades 2 en 3 niet, maar op schade 1 wél, kan worden uitgesloten, kan niet leiden tot de conclusie dat de beoordeling van

schade 1 daarom niet juist is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser al met al met wat hij heeft aangevoerd geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die maken dat getwijfeld moet worden aan het advies van de deskundigen.



6.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.





Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het Instituut het bezwaar terecht ongegrond heeft verklaard. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Schuiling, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Huizenga-Bergsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 6:177a, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW).


ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631.


ABRvS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374, r.o. 69-70; ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631, r.o. 88 en 92.


ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631.


Zie ook ABRvS 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2947, r.o. 13.


Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Zie hierover ook paragraaf 4.2. van deze uitspraak.
Link naar deze uitspraak