Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:1028 
 
Datum uitspraak:18-03-2026
Datum gepubliceerd:10-04-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:LEE 25/1357
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:PW. Deze uitspraak gaat over de intrekking, beëindiging en terugvordering van de algemene en bijzondere bijstand van eiseres op grond van de PW. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres en X een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd vanaf 1 januari 2018 en dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden door dit niet te melden. Het college mocht op basis van de gegeven motivering niet komen tot intrekking van de algemene en bijzondere bijstand van eiseres per 1 januari 2018 en terugvordering daarvan over de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 april 2024. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is in zoverre gegrond. De rechtbank komt verder tot het oordeel dat het college terecht heeft gesteld dat X zijn hoofdverblijf vanaf 1 mei 2024 op het uitkeringsadres van eiseres had en dat de intrekking van de uitkering per die datum in stand kan blijven.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/1357

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R.M. van der Horn),

en

het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] , het college
(gemachtigde: A. Horlings).


Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de intrekking, beëindiging en terugvordering van de algemene en bijzondere bijstand van eiseres op grond van de Participatiewet (PW). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres en X een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd vanaf 1 januari 2018 en dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden door dit niet te melden. Het college mocht op basis van de gegeven motivering niet komen tot intrekking van de algemene en bijzondere bijstand van eiseres per 1 januari 2018 en terugvordering daarvan over de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 april 2024. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is in zoverre gegrond. De rechtbank komt verder tot het oordeel dat het college terecht heeft gesteld dat X zijn hoofdverblijf vanaf 1 mei 2024 op het uitkeringsadres van eiseres had en dat de intrekking van de uitkering per die datum in stand kan blijven.



Inleiding en procesverloop

1. Bij haar beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.
Eiseres ontvangt sinds 11 maart 2013 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder, die 21 jaar of ouder is. Zij woont sinds 17 april 2014 samen met haar twee kinderen op een adres te [woonplaats] (uitkeringsadres). Eén van de kinderen is door [naam vriend] (X), de vriend van eiseres, erkend.



1.2.
Op 29 november 2023 is bij het college een anonieme melding binnengekomen dat er een man bij eiseres op het uitkeringsadres woont. Omdat het vermoeden bestond dat eiseres en X een gezamenlijke huishouding voerden en zij dit niet aan het college had gemeld, heeft de sociale recherche een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. In dat kader zijn de bankafschriften van eiseres en X opgevraagd vanaf 1 januari 2018 en zijn in de periode van 30 januari 2024 tot en met 28 april 2024 stelselmatige observaties verricht bij het uitkeringsadres. Verder zijn eiseres en X op 29 mei 2024 aangehouden in de woning van eiseres en voorgeleid aan een hulpofficier van Justitie en vervolgens door de sociale recherche verhoord. Daarnaast zijn op 29 mei 2024 (voormalige) buren verhoord als getuige. De bevindingen van het onderzoek zijn opgenomen in een rapport uitkeringsfraude van 9 juli 2024.



1.3.
In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien om over te gaan tot de volgende besluitvorming. Met het besluit van 3 juni 2024 (besluit 1) heeft het college de bijstand van eiseres ingetrokken per 1 mei 2024. Met het besluit van 20 september 2024 (besluit 2) heeft het college de algemene en bijzondere bijstand van eiseres met ingang van 1 januari 2018 ingetrokken en de over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2023 de ten onrechte betaalde algemene bijstand tot een bedrag van € 95.505,67 bruto teruggevorderd. Daarnaast heeft het college de ten onrechte betaalde algemene bijstand over de periode van 1 januari 2024 tot en met 30 april 2024 tot een bedrag van € 4.878,56 netto teruggevorderd van eiseres en de ten onrechte betaalde bijzondere bijstand over de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 april 2024 tot een bedrag van € 14.494,16 netto teruggevorderd van eiseres. Eiseres heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Op
14 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.



1.4.
Met het bestreden besluit van 26 maart 2025 heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat in de situatie van eiseres geen sprake is van zorgbehoevendheid en dat eiseres verwijtbaar de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij vanaf 1 januari 2018 op het uitkeringsadres een gezamenlijke huishouding voerde met X. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is het college niet gebleken.



1.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft op 7 mei 2025 de gronden van het beroep ingediend. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Op 6 november 2025 heeft eiseres de gronden van het beroep aangevuld.



1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026, met toestemming van partijen, gevoegd op zitting behandeld met de zaak van X met zaaknummer LEE 25/1755. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde, eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college. Ook was op de zitting aanwezig [naam GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog, verbonden aan [naam organisatie 1] . Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In de zaak LEE 25/1755 wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.




Standpunten van partijen

2. Eiseres voert aan dat zij een sterk verminderd doenvermogen heeft en zorgbehoeftig is. Door haar beperkingen heeft eiseres niet dan wel onvoldoende kunnen overzien wat precies onder het voeren van een gezamenlijke huishouding in de PW wordt verstaan. Dit is van belang om te concluderen of eiseres verwijtbaar haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiseres naar een rapportage van een neuropsychologisch onderzoek van het UMCG van 14 november 2014 en een brief van een arts van [organisatie] van 1 april 2022. Verder brengt eiseres naar voren dat de observaties van na de anonieme melding van 29 november 2023 niet representatief zijn voor de hele periode daarvoor. De overige omstandigheden zijn onvoldoende voor de conclusie van het college dat vanaf 1 januari 2018 sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding van eiseres en X. Tot slot voldoet de motivering van het college in het bestreden besluit over de intrekking en terugvordering van algemene en bijzondere bijstand niet aan de rechtspraak van de Raad.3. Het college stelt in het verweerschrift dat hoewel het doenvermogen van eiseres beperkt is, zij gehouden blijft aan haar informatieverplichting te voldoen. Het had eiseres redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de woon- en leefsituatie van belang is voor het recht op bijstand. Eiseres heeft tijdens meerdere gesprekken in de afgelopen jaren nooit melding gemaakt van een verandering in haar woon- en leefsituatie. Eiseres is verwijtbaar de op haar rustende inlichtingenverplichting niet nagekomen. Het college volgt eiseres niet in haar standpunt dat zij zorgbehoevend is als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW. Observaties laten zien dat eiseres zelf in staat is haar kinderen naar school of sport te brengen, zelfstandig boodschappen te doen en in haar dagelijkse behoeften te voorzien. De persoonlijke situatie van eiseres is voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit grondig onderzocht en alle relevante feiten, waaronder observaties, medische rapporten en verklaringen, zijn zorgvuldig meegewogen. Daarnaast is rekening gehouden met de medische situatie van eiseres, waarbij ook is meegewogen dat geen zorgindicatie is toegekend.



Beoordeling door de rechtbank

4. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college terecht de bijstandsuitkering heeft ingetrokken met ingang van 1 januari 2018 en de ten onrechte betaalde bijstand (periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2023, algemene bijstand totaal € 95.505,67 bruto; periode van 1 januari 2024 tot en met 30 april 2024, algemene bijstand totaal € 4.878,56 netto) en bijzondere bijstand (periode van 1 januari 2018 tot en met 30 april 2024, totaal € 14.494,16 netto) van eiseres heeft teruggevorderd. Daarnaast moet de rechtbank de vraag beantwoorden of het college terecht de bijstandsuitkering van eiseres per 1 mei 2024 heeft ingetrokken. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiseres, die hierna zullen worden besproken.


Gezamenlijke huishouding – zorgbehoefte

5. Zorgbehoevend is het duurzaam afhankelijk zijn van hulp bij de meest algemene dagelijkse levensverrichtingen. Dit staat in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW. Geen gezamenlijke huishouding wordt verondersteld met een ander dan een bloedverwant in de tweede graad, terwijl een van beiden zorgbehoeftig is.

5.1.
Als zorgbehoeftig wordt beschouwd de persoon die door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke of geestelijke stoornis in aanmerking komt voor een opname in een Wlz-inrichting of duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen, of op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.



5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft gesteld dat eiseres niet zorgbehoeftig is zoals hiervoor omschreven. In het bestreden besluit heeft het college dat deugdelijk gemotiveerd. In dit verband heeft het college gesteld dat – hoewel eiseres hersenletsel heeft, lijdt aan vergeetachtigheid en een gebrek aan structuur heeft – eiseres in staat is haar dagelijkse activiteiten zelf te verrichten, zoals het doen van boodschappen en het verzorgen van de kinderen. Daarbij heeft het college van belang geacht dat eiseres geen zorgindicatie heeft aangevraagd en dat zij geen gebruik maakt van een persoonsgebonden budget of andere zorgvoorzieningen. De rechtbank volgt het college hierin en in wat het daarover in het verweerschrift heeft uiteengezet. De omstandigheden dat X aanvullende zorg biedt aan eiseres, dat eiseres al jaren onder behandeling is bij [naam organisatie 2] en hulp en begeleiding krijgt van andere instanties (waaronder [naam instantie] ), zoals de GZ-psycholoog op de zitting heeft toegelicht, leidt niet tot een ander oordeel. Het is duidelijk dat eiseres vanwege haar psychiatrische problematiek een zorgbehoefte heeft, maar uit het dossier is niet gebleken dat zij duurzaam aangewezen is op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen. Daar komt bij dat niet gebleken is dat eiseres voldoet aan de criteria om in aanmerking te komen voor een Wlz-indicatie. Dat eiseres vanwege haar gezondheidssituatie ontheven is van de arbeids- en sollicitatieverplichtingen, wil nog niet zeggen dat zij zorgbehoeftig is volgens de definitie van de PW.


Intrekking van de algemene en bijzondere bijstand per 1 januari 2018

6. Het bestreden besluit wordt getoetst voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 april 2024 (te beoordelen periode).



6.1.
Als uitgangspunt geldt dat het besluit tot intrekking van algemene en bijzondere bijstand een voor eiseres belastend besluit is. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat eiseres gedurende de gehele te beoordelen periode de op haar rustende inlichtingenverplichting, zoals neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de PW, heeft geschonden door geen melding te maken van een gezamenlijke huishouding met X op het uitkeringsadres.



6.2.
Verder is van belang dat vaststaat dat uit de relatie van eiseres en X twee kinderen zijn geboren. X heeft één kind erkend. Voor de beantwoording van de vraag of in de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding is daarom op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW uitsluitend van belang of eiseres en X hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.



6.3.
Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Als aannemelijk is dat eiseres en X op hetzelfde adres hun hoofdverblijf hebben gehad, maakt het niet uit dat zij ingeschreven staan op verschillende adressen. Dit is vaste rechtspraak van de Raad.


6.4.
Naar het oordeel van de rechtbank bieden de onderzoeksresultaten, op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat X vanaf 1 januari 2018 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres van eiseres. Anders dan het college stelt, kunnen de stelselmatige observaties de conclusie dat X vanaf 1 januari 2018 zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft gehad niet dragen. De observaties zijn namelijk alleen maar gedaan in de periode van 30 januari 2024 tot en met 28 april 2024 en kunnen dan ook als zodanig geen feitelijke grondslag bieden voor de periode voorafgaand aan 30 januari 2024. Ook voor de heimelijke waarnemingen die zijn gedaan op 12 april 2023, 12 juli 2023 en 12 december 2023 geldt dat deze waarnemingen als zodanig geen feitelijke grondslag bieden voor de gehele te beoordelen periode. Dat uit de analyse van de bankafschriften en het pingedrag blijkt dat X zijn uitgaven bij supermarkten nagenoeg alleen in [woonplaats] doet en dat de transacties in [plaats] voornamelijk bij cafés, restaurants en kledingzaken zijn gedaan, is daarvoor ook niet voldoende. Dat geldt eveneens voor de beelden van [naam bedrijf] , waarop te zien is dat de auto van X in 2014, 2015, 2016 en 2023 bij de woning van eiseres geparkeerd stond. Van belang hierbij is dat de beelden van [naam bedrijf] in 2014, 2015 en 2016 buiten de te beoordelen periode vallen. Dat de auto van X in 2023 voor de deur van de woning van eiseres geparkeerd stond, is slechts een aanwijzing dat X op dat moment op het uitkeringsadres verbleef. Dit zegt echter niets over zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres in de gehele te beoordelen periode. Eiseres bestrijdt overigens ook niet dat X regelmatig bij haar is vanwege haar medische situatie en de kinderen. Daaruit kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van X en daarmee het hoofdverblijf zich in de gehele te beoordelen periode, en meer in het bijzonder vanaf 1 januari 2018, op het uitkeringsadres van eiseres bevond.



6.5.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de in de processen-verbaal opgetekende verklaringen van de getuigen ook geen toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat X vanaf 1 januari 2018 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Deze verklaringen wekken wel de indruk dat X al jaren veelvuldig op het uitkeringsadres van eiseres verbleef, maar maken hoofdverblijf daar op zichzelf, zonder ander concreet bewijs niet aannemelijk vanaf 1 januari 2018. Uit de op 29 mei 2024 als getuige gehoorde buurtbewoners blijkt dat de zij X vaak op het uitkeringsadres hebben gezien en dat hij in de tuin aan het werk was. Maar uit hun verklaringen wordt niet duidelijk in welke periodes deze buurtbewoners X op het uitkeringsadres hebben gezien. De sociaal rechercheurs hebben de buurtbewoners daarover ook geen nadere concrete vragen gesteld. Deze verklaringen zijn daarom onvoldoende concreet en specifiek over het exacte verblijf van X op het uitkeringsadres van eiseres en de duur daarvan. Weliswaar hebben meerdere buurtbewoners verklaard dat X regelmatig op het uitkeringsadres aanwezig was, maar dat maakt nog niet aannemelijk dat X daar vanaf 1 januari 2018 zijn hoofdverblijf had. De enkele aanwezigheid van X op het uitkeringskeringsadres is daarvoor namelijk niet genoeg. Daarbij is van belang dat X zelf heeft verklaard dat hij regelmatig bij eiseres komt voor de kinderen en dat zijn zoon [naam zoon] op dinsdag, woensdag, vrijdag en zaterdag naar voetbal moet en dat hij hem tussen 20:00 en 21:00 uur terugbrengt naar huis. Ook eiseres heeft verklaard dat X redelijk vaak bij haar was voor de kinderen, dat X regelmatig bij haar komt sinds haar zoon [naam zoon] voetbalt en dat hij een sleutel van de woning heeft vanwege medische zaken en de kinderen. Daarnaast is van belang dat eiser na een miskraam van eiseres in januari 2024 vaker bij haar was om haar te ondersteunen. Het is vanuit dat oogpunt wel begrijpelijk dat de buurtbewoners X regelmatig bij het uitkeringsadres van eiseres hebben gezien.



6.6.
Uit 6.4 en 6.5 volgt dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat X vanaf
1 januari 2018 zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres van eiseres had en daarmee ook niet dat per die datum sprake was van een gezamenlijke huishouding. Het college heeft dus niet voldaan aan de in 5.4 beschreven bewijslast die op hem rust. Er bestaat dan ook geen deugdelijke grondslag voor de intrekking van het recht op algemene en bijzondere bijstand van eiseres per 1 januari 2018. Aan de vraag of eiseres haar inlichtingenverplichting heeft geschonden komt de rechtbank niet meer toe. Het voorgaande heeft ook tot gevolg dat het college de gemaakte kosten van algemene en bijzondere bijstand over de periode van
1 januari 2018 tot en met 30 april 2024 ten onrechte van eiseres heeft teruggevorderd.


Intrekking algemene en bijzondere bijstand per 1 mei 2024
7. Het bestreden besluit wordt getoetst voor de periode van 1 mei 2024, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 3 juni 2024, de datum van het intrekkingsbesluit (te beoordelen periode).



7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat X in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had in de woning op het uitkeringsadres van eiseres. Uit de verklaringen van eiseres en X en de getuigenverklaringen van 29 mei 2024 komt naar voren dat X in ieder geval vanaf 1 mei 2024 bijna dagelijks op het uitkeringsadres van eiseres verblijft, dat de persoonlijke spullen van X in de woning van eiseres liggen en dat hij een sleutel heeft van de woning. Dit duidt erop dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven van X in de te beoordelen periode op het uitkeringsadres van eiseres is geweest. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of eiseres haar inlichtingenverplichting heeft geschonden.


Schending inlichtingenverplichting



7.2.
De rechtbank volgt het college in het standpunt dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW heeft geschonden. Zij legt hierna uit waarom.



7.3.
Wijzigingen in de woon- en leefsituatie kunnen van invloed zijn op de hoogte van de bijstandsuitkering en moeten aan het college worden doorgegeven. Eiseres had bij het college moeten melden dat X vanaf 1 mei 2024 zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. De stelling van eiseres dat zij een beperkt doenvermogen had en dat daardoor het schenden van de inlichtingenverplichting haar niet te verwijten valt, volgt de rechtbank niet. In dit verband is van belang dat het college in het verweerschrift gemotiveerd heeft uiteengezet dat de verplichting tot tijdige en volledige informatievoorziening bij aanvang van de uitkering aan eiseres is uitgelegd. Daarbij heeft het college erop gewezen dat eiseres jaarlijks een wijzigingsformulier ontving waarin zij werd verzocht relevante wijzigingen te melden. De rechtbank volgt het college hierin. Dat eiseres door haar hersenletsel vergeetachtig is en moeite heeft met het aanbrengen van structuur in haar dagelijkse leven, en dat deze beperkingen invloed hebben op haar doenvermogen, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank wijst er ook op dat eiseres zelf heeft verklaard dat de aanwezigheid van X veranderde in verband met haar medische situatie. Dat eiseres stelt dat uit de processen-verbaal van verhoor duidelijk volgt dat zij onder een gezamenlijke huishouding iets anders verstaat dan het college, ontslaat haar niet van de inlichtingenverplichting.


7.4.
Nu uit het voorgaande volgt dat eiseres haar inlichtingenverplichting heeft geschonden, was het college verplicht het recht op bijstand in te trekken. Het college heeft dus terecht het recht op algemene en bijzondere bijstand van eiseres ingetrokken per 1 mei 2024. Het bestreden besluit houdt daarom in zoverre stand.




Conclusie en gevolgen

8. Uit 6.4 tot en met 6.6 volgt dat voor de periode van 1 januari 2018 tot en met
30 april 2024 onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie dat X vanaf
1 januari 2018 zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had, en dat eiseres haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Voor die periode kan de intrekking van algemene en bijzondere bijstand dus geen standhouden. Dit betekent dat de terugvordering over die periode ook niet in stand kan blijven. Voor de periode vanaf 1 mei 2024 bestaat wel voldoende feitelijke grondslag voor de intrekking van algemene en bijzondere bijstand.


8.1.
Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb, voor zover het ziet op de intrekking en de terugvordering van de algemene en bijzondere bijstand over de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 april 2024. De rechtbank ziet geen reden om zelf een beslissing over het bezwaar te nemen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank geeft het college hiervoor een termijn van zes weken.



8.2.
Gelet op 8.1 krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten van in totaal
€ 1.868,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en
1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Het college moet deze vergoeding betalen. Eiseres krijgt ook het in beroep betaalde griffierecht terug.




















Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit van 26 maart 2025 voor zover het ziet op de


intrekking en terugvordering van algemene en bijzondere bijstand over de periode van
1 januari 2018 tot en met 30 april 2024;
- draagt het college op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw
besluit op het bezwaar van eiseres te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;


bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;


veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.



Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.A. Ruiter, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.












griffier


rechter
















Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Op 30 januari 2024 heeft de Officier van Justitie een bevel stelselmatige observaties afgegeven.


Zie het proces-verbaal aanhouding en voorgeleiding van 29 mei 2024.


Centrale Raad van Beroep (de Raad). De uitspraken van de Raad van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2192, 2193, 2194 en 2195.


Wet langdurige zorg.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 24 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:218, en de daarin onder 5.17 genoemde uitspraken.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 20 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:327.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:367.


Die staan in het onderzoeksrapport van 9 juli 2024.


Dat staat in artikel 54, derde lid, van de PW.


Algemene wet bestuursrecht.
Link naar deze uitspraak