Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:1148 
 
Datum uitspraak:05-03-2026
Datum gepubliceerd:10-04-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:NL.TZ:2601 342 R-RK
Rechtsgebied:Insolventierecht
Indicatie:Afwijzing WSNP-verzoek. Beroep op hardheidsclausule niet geslaagd i.v.m. recente verslavingsproblematiek.
Trefwoorden:motorrijtuigenbelasting
omzetbelasting
zorgtoeslag
Wetreferenties:Faillissementswet 288
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht

Locatie: Assen

zaaknummer: NL.TZ:2601 342 R-RK

vonnis van 5 maart 2026

in de zaak van:


[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna te noemen: verzoeker.




PROCESGANG

Verzoeker heeft op 22 januari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).

Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 23 februari 2026. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met mevrouw [schuldhulpverlener van schuldhulpbedrijf] (hierna te noemen: de schuldhulpverlener).




RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.

Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.

Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
In verband hiermee wordt het volgende overwogen.

Verzoeker heeft een schuldenlast van € 73.588,99. Onder deze schuldenlast bevinden zich diverse belastingschulden van in totaal € 50.256,00. Het gaat om motorrijtuigenbelasting, omzetbelasting, zorgtoeslag en zorgverzekeringswet over 2023 tot en met 2025.
Omdat de schulden (mede) zijn ontstaan door verslavingsproblematiek doet verzoeker een beroep op de hardheidsclausule. In het verzoekschrift wordt hierover vermeld dat verzoeker voor zijn verslaving onder behandeling is geweest tot oktober 2024. Door stress heeft verzoeker vervolgens in december 2024 een terugval gehad. Op 30 maart 2025 is aan verzoeker een geldboete van € 859,00 opgelegd voor rijden onder invloed van drugs. Verzoeker heeft de verplichte cursus bij deze boete betaald en gevolgd. Verzoeker is op 22 januari 2026 begonnen met schematherapie bij [psycholoog] om terugvallen in de toekomst te voorkomen. Daarnaast heeft hij budgetbeheer aangevraagd. Verzoeker staat open voor beschermingsbewind als dat nodig is.

Bij het verzoekschrift zijn bankafschriften over de periode oktober 2025 tot en met januari 2026 gevoegd, waaruit diverse betalingen blijken aan verschillende goksites.

Verzoeker heeft op de zitting verklaard dat hij verslavingsgevoelig is. Desgevraagd geeft verzoeker bevestigd dat hij gokverslaafd is. Volgens verzoeker staat hij nu ingeschreven bij Cruks, zodat hij niet meer kan gokken. Daarnaast werkt verzoeker aan zijn verslavingsproblematiek door therapie te volgen. Naar eigen zeggen heeft verzoeker voor het laatst drugs gebruikt toen hij gepakt werd voor rijden onder invloed. Verzoeker is van mening dat hij nu klaar is om toegelaten te worden tot de Wsnp, omdat hij geen drugs meer gebruikt en omdat hij is gestopt met zijn onderneming.

De schuldhulpverlener heeft verklaard dat verzoeker gemaakte afspraken nakomt.


De beoordeling


De rechtbank stelt vast dat verzoeker ten aanzien van een deel van de schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat deze in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek tot toelating tot de Wsnp én door verslavingsproblematiek zijn ontstaan.

Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).

De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting niet voldoende gebleken dat de situatie waarin verzoeker nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. De rechtbank overweegt dat verzoeker een jaar geleden nog een terugval heeft gehad in zijn drugsverslaving en dat aan verzoeker op 30 maart 2025 nog een forse geldboete is opgelegd voor rijden onder invloed van drugs. Daarnaast is op de zitting naar voren gekomen dat ook sprake is van een gokverslaving. Omdat er (nog) geen beschermingsbewind is aangevraagd, de verslavingsproblematiek nog actueel is en de behandeling daarvan nog aan de gang is, acht de rechtbank het op dit moment te vroeg om verzoeker toe te laten tot de Wsnp. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

De rechtbank ziet echter wel dat verzoeker stappen in de goede richting heeft gemaakt. Verzoeker kan een nieuw verzoek om toelating tot de Wsnp doen wanneer er meer stabiliteit is in zijn financiële situatie en zijn verslaving onder controle is.




BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.


Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Gessel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
















Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.
Link naar deze uitspraak