|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2026:1754 | | | | | Datum uitspraak | : | 13-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 18-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | C/17/178566 / HA ZA 21-10 C/17/178566 / HA ZA 21-10 | | Rechtsgebied | : | Burgerlijk procesrecht | | Indicatie | : | Vergoeding van vertragingsschade na onrechtmatige handhaving waardoor werkzaamheden aan een geluidswal stilgelegd werden. Geen onrechtmatig handelen vastgesteld, geen voordeelstoerekening en geen vergoeding voor kosten van rechtsbijstand. | | Trefwoorden | : | aanlegvergunning | | | bestuursdwang | | | burgerlijk wetboek | | | terbeschikkingstelling | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Noord-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer: C/17/178566 / HA ZA 21-107
Vonnis in de hoofdzaak van 13 mei 2026
in de zaak van
GRONDNET B.V.,
te Heerenveen,
eisende partij,
hierna te noemen: GrondNet,
advocaat: mr. W.H.R. van Boetzelaer,
tegen
1PROVINCIE FRYSLÂN,
te Leeuwarden,
hierna te noemen: de provincie, 2. GEMEENTE WAADHOEKE,
te Franeker,
hierna te noemen: de gemeente,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. E.E. van der Kamp.
De kern van de zaak
GrondNet werkte vanaf 2008 aan de aanleg van een geluidswal bij Menaldum. In 2013 hebben de provincie en de gemeente zich op het standpunt gesteld dat GrondNet zich niet hield aan de vergunningseisen en dat zij verontreinigde grond gebruikte. De provincie en de gemeente hebben een aantal handhavingsbesluiten genomen. In 2016 en 2018 zijn deze besluiten onherroepelijk vernietigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Pas daarna kon GrondNet verder met de aanleg van de geluidswal. GrondNet is van mening dat de provincie en de gemeente onrechtmatig hebben gehandeld door het nemen van deze besluiten, door het doen van onrechtmatige (pers)uitlatingen en door haar tegen te werken. GrondNet vordert daarom een schadevergoeding. De provincie en de gemeente erkennen dat de handhavingsbesluiten onrechtmatig waren, maar betwisten dat zij onrechtmatige uitlatingen hebben gedaan of GrondNet hebben tegengewerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is niet vast komen te staan dat de provincie en de gemeente zich onrechtmatig hebben uitgelaten over GrondNet of GrondNet hebben tegengewerkt. GrondNet heeft wel schade geleden door de onrechtmatige handhaving. Daarom zal een schadevergoeding van € 117.724,00 worden toegewezen. De (omvangrijke) vordering zal verder worden afgewezen.
1De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 9 juni 2021
- de akte houdende inbreng productie alsmede vermindering van eis van GrondNet
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek alsmede wijziging van eis
- de conclusie van dupliek
- de akte uitlating producties van GrondNet
- het verzoek tot het houden van een mondelinge behandeling van GrondNet
- de aanvullende producties 44 tot en met 46 van de provincie en de gemeente
- de aanvullende producties 85 tot en met 88 van GrondNet
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 juli 2025
- de spreekaantekeningen van GrondNet
- de spreekaantekeningen van de provincie en de gemeente
- de aanhouding voor schikkingsonderhandelingen- de akte van de provincie en de gemeente.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
GrondNet exploiteert een onderneming in de tussenhandel in grond. Zij verdient geld aan het innemen van grond en verwerkt deze grond vervolgens door het naar een depot te brengen of te verwerken in bijvoorbeeld infrastructurele werken.
2.2.
De gemeente is de rechtsopvolger van de gemeente Menameradiel. Hierna wordt onder ‘de gemeente’ ook haar rechtsvoorganger begrepen.
2.3.
Op 29 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente (hierna: het college van B&W) aan GrondNet een aanlegvergunning verleend voor de aanleg van een aarden geluidswal aan de zuidzijde van [bedrijf 1] te Menaldum (hierna: de geluidswal). In de aanlegvergunning is onder meer bepaald dat de uitvoering moet gebeuren overeenkomstig de bij de vergunning behorende tekeningen en dat de wal moet worden opgeleverd uiterlijk vijf jaar na verlening van de aanlegvergunning.
2.4.
Op 30 januari 2013 heeft het college van B&W een ‘vooraankondiging handhaving’ aan GrondNet gestuurd. Hierin staat dat uit recent onderzoek is gebleken dat GrondNet niet voldoet of heeft voldaan aan een groot aantal voorwaarden waaronder de aanlegvergunning is verleend. Het gaat erom dat de geluidswal volgens het college van B&W aan de noordzijde veel breder is dan is vergund, dat de geluidswal niet binnen de vergunde termijn van vijf jaar is opgeleverd en dat grond van de klasse industrie (licht verontreinigde grond) is toegepast op plekken waar dat niet is toegestaan. In de brief staat verder dat het college van B&W voornemens is een last onder dwangsom op te leggen die inhoudt dat het GrondNet niet langer is toegestaan grond aan te voeren en grond te verwerken of toe te passen op de betreffende locatie, en dat de grond die in strijd met de verleende aanlegvergunning is gestort, moet worden verwijderd.
2.5.
Op 11 februari 2013 heeft het college van gedeputeerde staten van de provincie (hierna: GS) een ‘voorwaarschuwing’ aan GrondNet gestuurd. In deze brief staat onder meer dat GS hebben geconstateerd dat GrondNet bassins heeft uitgegraven in strijd met de Ontgrondingenwet en dat die bassins zijn opgevuld met grond van (vermoedelijk) klasse industrie, waardoor er risico bestaat op verontreiniging van de bodem. GS hebben aangekondigd dat zij voornemens zijn een last onder dwangsom aan GrondNet op te leggen, die inhoudt dat GrondNet de ontgrondingswerkzaamheden per direct moet staken, dat GrondNet de (klasse industrie) grond uit de bassins moet verwijderen en de ontgrondingen moet opvullen met de oorspronkelijke grond. GS hebben een bijlage aan de brief toegevoegd, waarin de vermoede ontgrondingen op een kaart met nummers 1 tot en met 7 zijn aangeduid:
2.6.
GrondNet is vervolgens in overleg getreden met de provincie en de gemeente over een oplossing. GrondNet heeft een plan van aanpak opgesteld en voorgelegd aan de provincie en de gemeente en heeft verzoeken tot legalisatie ingediend. GrondNet heeft met de provincie onder andere afgesproken dat zij de ontgrondingen met nummers 3, 5 en 7, zoals weergegeven op het kaartje van de provincie, ongedaan maakt en opvult met gebiedseigen schone grond. GrondNet heeft zich hieraan gehouden en deze ontgrondingen ongedaan gemaakt.
2.7.
Op 23 oktober 2013 heeft het college van B&W opnieuw een vooraankondiging handhaving aan GrondNet gestuurd. Hierin staat dat uit recente controles is gebleken dat GrondNet onder de geluidswal ontgravingen heeft verricht van ruim onder de 0,5 meter onder het maaiveld en dat in die ontgravingen grond van de klasse industrie en van de klasse niet-toepasbaar is gestort. Grond van de klasse niet-toepasbaar is verontreinigde grond die niet op deze locatie mag worden toegepast. In de brief staat verder dat het college van B&W voornemens is een last onder dwangsom aan GrondNet op te leggen, die eruit bestaat dat GrondNet de overtredingen ongedaan moet maken en de grond met klasse niet-toepasbaar en grond met klasse industrie die niet op basis van de verleende aanlegvergunning kan worden toegepast, moet verwijderen.
2.8.
Op 5 december 2013 heeft de gemeente een persbericht uitgebracht. Daarin staat dat de dimensionering van de geluidswal afwijkt van wat vergund is, de watergangen anders gedempt en gegraven lijken dan vergund en er sprake is van niet-vergunde ontgrondingsgaten. Verder staat in het bericht dat de oorspronkelijke kleilaag onder de wal en onder het oorspronkelijke maaiveld is afgegraven en daar grond van de klasse industrie en van de klasse niet-toepasbaar voor in de plaats gekomen is.
2.9.
Bij besluit van 10 april 2014 hebben GS GrondNet een last onder bestuursdwang opgelegd. De last houdt in dat GrondNet de ontgrondingen met nummers 1 en 2 zoals weergegeven op het hiervoor afgebeelde kaartje ongedaan moet maken en daarnaast de ontgrondingen onder de geluidswal en de achterliggende glooiingen ongedaan moet maken. Dit houdt in dat GrondNet de geroerde grond moet afgraven en de ontgronding met gebiedseigen materiaal moet opvullen.
2.10.
Bij besluit van 11 april 2014 heeft het college van B&W een last onder dwangsom aan GrondNet opgelegd. Deze last houdt - samengevat - in dat GrondNet de geluidswal moet afgraven en opnieuw moet opbouwen conform een faseringsschema dat in dertien fasen voorziet, waarbij grond van de klasse industrie alleen mag worden aangebracht op het maaiveld. Elke fase kent een begunstigingstermijn, waaraan een dwangsom per termijn is gekoppeld van € 500.000,00, met een maximum van € 6.500.000,00 voor de dertien termijnen tezamen. Na bezwaar door GrondNet heeft het college van B&W dit besluit op 30 oktober 2014 herroepen en opnieuw een last onder dwangsom aan GrondNet opgelegd met eenzelfde strekking, alleen dan met een maximaal te verbeuren dwangsom van
€ 5.200.000,00. Op 8 januari 2015 heeft het college van B&W de last gewijzigd, waar het gaat om het peilniveau van het maaiveld.
2.11.
Op 19 december 2014 heeft de provincie een persbericht uitgebracht. Hierin staat onder meer dat uit boringen is gebleken dat GrondNet illegale ontgrondingen heeft uitgevoerd en dat de provincie vasthoudt aan de bestuursdwang tegen GrondNet, die inhoudt dat de illegale ontgrondingen ongedaan gemaakt moeten worden.
2.12.
Na enkele bezwaar- en beroepsprocedures heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling bestuursrechtspraak) op 20 april 2016 (na vernietiging van de beslissing op bezwaar van 19 december 2014) het primaire besluit van 10 april 2014 van GS herroepen. Op 15 februari 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak de besluiten van 30 oktober 2014 en 8 januari 2015 van het college van B&W vernietigd. Het college van B&W heeft vervolgens op 20 juli 2017 een nieuw besluit op bezwaar genomen, dat op 11 juli 2018 door de Afdeling bestuursrechtspraak is vernietigd. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft daarbij het primaire besluit van 11 april 2014 herroepen, voor zover dat besluit betrekking heeft op het buiten het vergunde profiel aan de noordzijde van de wal aanbrengen van grond boven het maaiveld, en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
2.13.
In 2020 heeft GrondNet de werkzaamheden aan de geluidswal hervat.
2.14.
Bij besluit van 11 augustus 2020 heeft het college van B&W de aanlegtermijn voor de geluidswal verlengd tot en met 31 december 2022 en GrondNet toestemming gegeven tot het verwerken van nog 75.000 m3 grond.
3Het geschil
3.1.
GrondNet vordert - na haar wijziging van eis bij conclusie van repliek en haar vermindering van eis in haar spreekaantekeningen - dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de gemeente en de provincie ieder afzonderlijk voor haar deel dan wel hoofdelijk veroordeelt om aan GrondNet te betalen een schadevergoeding van € 1.081.979,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2018, althans 1 juli 2020, tot de datum van algehele voldoening,
II. de gemeente en de provincie ieder afzonderlijk voor haar deel dan wel hoofdelijk veroordeelt om aan GrondNet te betalen de volledige kosten van ondersteuning van [deskundige 2] (€ 12.941,35) en van [deskundige 1] (€ 22.506,00), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 augustus 2024 tot de datum van algehele voldoening,
III. de gemeente en de provincie ieder afzonderlijk voor haar deel dan wel hoofdelijk veroordeelt om aan GrondNet te betalen de volledige kosten van juridische ondersteuning van € 375.766,15 (tot 1 januari 2020), te vermeerderen met € 56.308,56 (van 1 januari 2021 tot 20 juni 2024), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2018, althans 1 juli 2020 tot de datum van algehele voldoening,
IV. de gemeente en de provincie ieder afzonderlijk voor haar deel dan wel hoofdelijk veroordeelt om aan GrondNet te betalen de buitengerechtelijke kosten van € 6.775,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 april 2021 tot de dag van algehele voldoening,
V. de gemeente en de provincie hoofdelijk, dan wel ieder afzonderlijk te veroordelen in de proceskosten, inclusief een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand.
3.2.
De provincie en de gemeente concluderen tot afwijzing van de vorderingen van GrondNet, met veroordeling van GrondNet in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
De onrechtmatigheid van de handhavingsbesluiten staat vast
4.1.
GrondNet heeft onder meer aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat de provincie en de gemeente onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld door het nemen van de besluiten van 10 april 2014 (de provincie), 11 april 2014, 30 oktober 2014 en 20 juli 2017 (de gemeente) (hierna gezamenlijk: de handhavingsbesluiten). De rechtbank overweegt dat al deze besluiten door de Afdeling bestuursrechtspraak zijn herroepen dan wel vernietigd. Tussen partijen staat vast dat (de bestuursorganen van) de provincie en de gemeente geen andere rechtmatige besluiten hadden kunnen nemen in de plaats van de vernietigde handhavingsbesluiten. Daarmee staat de onrechtmatigheid van de handhavingsbesluiten vast en moet worden beoordeeld of GrondNet schade heeft geleden die in causaal verband staat tot de onrechtmatige handhavingsbesluiten. Omdat er geen andere rechtmatige besluiten hadden kunnen worden genomen, gaat het daarbij om het ‘gewone’ conditio sine qua non-verband. Dat betekent dat moet worden onderzocht of de schade ook zou zijn ingetreden als de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust (de handhavingsbesluiten) wordt weggedacht.
De vertragingsschade bedraagt € 117.724,00
4.2.
Partijen zijn het erover eens dat GrondNet schade heeft geleden doordat zij door de handhaving door de provincie en de gemeente moest stoppen met het aanleggen van de geluidswal en zij dit werk pas jaren later kon voortzetten. De inkomsten die GrondNet heeft genoten uit het afmaken van de geluidswal heeft zij daardoor pas jaren later ontvangen. Dat leidt tot vertragingsschade.
4.3.
GrondNet stelt dat de vertragingsschade bestaat uit gemist rendement (€ 100.384,00) over een positief banksaldo en dat zij daarnaast extra kosten heeft moeten maken voor rente die zij moest betalen (€ 117.724,00) over een als gevolg van de handhaving ontstaan negatief banksaldo. De provincie en de gemeente zijn het eens met de berekening van deze bedragen, maar volgens hen kan slechts één van deze bedragen worden toegewezen. GrondNet had de inkomsten namelijk ofwel kunnen aanwenden als positief banksaldo om rendement te vergaren ofwel kunnen aanwenden om haar negatieve rekening-courant mee af te lossen. Toewijzing van beide bedragen leidt tot een dubbeltelling, aldus de provincie en de gemeente. Grondnet heeft dat bestreden.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat toewijzing van zowel het gemiste rendement als de betaalde rente niet aan de orde kan zijn. De provincie en de gemeente hebben terecht aangevoerd dat dan sprake is van een dubbeltelling. GrondNet vordert namelijk het misgelopen rendement over het volledige bedrag aan winst dat zij pas later heeft ontvangen, en daarnaast nog een bedrag aan betaalde rente. Dit kan niet naast elkaar bestaan; GrondNet had de winst óf kunnen laten renderen óf kunnen aanwenden om een negatief banksaldo mee af te lossen. Eén bedrag kan niet voor beide doeleinden tegelijk worden aangewend. GrondNet had de winst wel deels kunnen laten renderen en deels kunnen aanwenden voor het aflossen van het negatieve banksaldo. In dat geval had zij echter haar berekening hierop moeten aanpassen en niet, zoals zij nu heeft gedaan, het volledige bedrag aan gemiste winst als uitgangspunt moeten nemen voor beide berekeningen.
4.5.
Bij repliek heeft GrondNet gesteld dat zij, nadat zij in 2020 weer kon starten met de aanleg van de geluidswal, nog 95.822 m3 grond heeft aangevoerd tegen een prijs van € 5,75 per m3. Als deze grond tussen 2013 en 2015 aangevoerd had kunnen worden, dan was daarmee een winst van € 352.606,00 gerealiseerd, aldus GrondNet. Zij is daarbij echter uitgegaan van de (gestegen) innameprijs voor grond vanaf 2020, en niet van de innameprijs die gold tussen 2013 en 2015. De innameprijs bedroeg op dat moment € 4,25 per m3. De door GrondNet ingeschakelde deskundige [deskundige 1] is daar ook van uitgegaan. Dit leidt tot een gemiste omzet van € 407.244,00 (95.822 m3 x € 4,25 per m3). Volgens [deskundige 1] bedroeg de winstmarge 61 %, zodat de gemiste winst tussen 2013 en 2015 € 246.583,00 bedraagt. De provincie en de gemeente zijn het eens met deze berekening.
4.6.
GrondNet heeft niet gesteld op welke precieze datum in 2015 zij klaar had kunnen zijn met de aanleg van de geluidswal als de handhaving niet had plaatsgevonden. Evenmin is duidelijk op welke precieze datum in 2022 de geluidswal daadwerkelijk gereed was. In dat kader is bovendien van belang dat GrondNet stelt dat zij pas in juli 2020 verder kon met de aanleg van de geluidswal, terwijl de provincie en de gemeente van mening zijn dat GrondNet direct na de vernietiging van het laatste handhavingsbesluit op 11 juli 2018 verder had gekund. De rechtbank overweegt dat de vertraging in de aanleg van de geluidswal is ontstaan door toedoen van de provincie en de gemeente en dat GrondNet voldoende heeft onderbouwd dat zij niet vrijwel direct kon starten met de werkzaamheden door allerlei factoren die hoofdzakelijk in de risicosfeer van de provincie en de gemeente liggen. De rechtbank gaat daarom uit van een schadeperiode die loopt van 31 december 2015 tot en met 31 december 2022. GrondNet heeft de winst die zij zonder de onrechtmatige handhaving op 31 december 2015 had gerealiseerd daadwerkelijk pas op 31 december 2022 ontvangen.
4.7.
Bij het vaststellen van de hoogte van de schade gaat het om het maken van een vergelijking tussen de situatie zoals deze nu is en de situatie zoals die zou zijn geweest zonder de onrechtmatige handhavingsbesluiten. Partijen zijn het erover eens dat het negatieve banksaldo niet zou zijn ontstaan als er niet was gehandhaafd. In dat geval had GrondNet geen rente hoeven te betalen over een negatief banksaldo. De rechtbank gaat daarom ervan uit dat Grondnet zonder de handhaving de winst zou hebben aangewend om dit negatieve banksaldo af te lossen. Partijen zijn het erover eens dat Grondnet als gevolg van de handhaving tussen 2015 en 2022 € 117.724,00 meer rente heeft betaald. Dit bedrag zal worden toegewezen.
Geen vergoeding voor extra operationele kosten
4.8.
GrondNet vordert een vergoeding van € 163.766,00 voor extra operationele kosten die zij heeft moeten maken als gevolg van de onrechtmatige handhavingsbesluiten. Uit haar toelichting ter zitting blijkt dat dit bedrag uitsluitend ziet op de kosten voor het ongedaan maken van de ontgrondingen met nummers 3, 5 en 7. De provincie en de gemeente hebben betwist dat deze kosten het gevolg zijn van de onrechtmatige handhavingsbesluiten.
4.9.
De rechtbank stelt voorop dat de vooraankondiging van 11 februari 2013 van GS ten aanzien van de ontgrondingen met nummers 3, 5 en 7 nooit is gevolgd door een besluit, omdat GrondNet deze ontgrondingen al ongedaan had gemaakt in het kader van de afspraken die zij met de provincie had gemaakt. GrondNet heeft de handhaving op dit punt niet afgewacht, daar geen rechtsmiddel tegen aangewend en niet geprobeerd deze ontgrondingen te legaliseren. De stelling van GrondNet dat zij in het kader van de onrechtmatige handhavingsbesluiten genoodzaakt was deze ontgrondingen ongedaan te maken, is dus niet juist. Dat het besluit van 10 april 2014 van GS (dat op andere ontgrondingen zag) vernietigd is, betekent niet dat ook de vooraankondiging ten aanzien van de ontgrondingen met nummers 3, 5 en 7 onrechtmatig was.
4.10.
Naar het oordeel van de rechtbank is de inhoud van de vooraankondiging echter op één lijn te stellen met die van voorbereidingsbesluiten die wel zijn gevolgd door een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank zal daarom aansluiting zoeken bij de norm die in de rechtspraak is ontwikkeld voor het toetsen van de (on)rechtmatigheid van voorbereidingsbesluiten. Deze norm houdt in dat pas sprake is van onrechtmatigheid wanneer het bestuursorgaan niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van hem gevergd mocht worden met het oog op de voor hem kenbare belangen van de belanghebbende. Het feit dat een bestuursorgaan een voorbereidingsbesluit baseert op onjuiste inzichten of verkeerde gegevens is niet per definitie onrechtmatig. De concrete omstandigheden van het geval kunnen echter wel aanleiding geven voor het oordeel dat het bestuursorgaan onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. Bij deze beoordeling moet terughoudendheid worden betracht. Dat heeft te maken met het karakter van de voorbereidingsprocedure. Die strekt er mede toe om het bestuursorgaan informatie te verschaffen waarover het nog niet beschikt en om onjuiste inzichten die van zijn kant mochten bestaan, te corrigeren. Dit om zoveel mogelijk te bevorderden dat er vervolgens een juist besluit tot stand komt.
4.11.
Naar het oordeel van de rechtbank is, met inachtneming van dit toetsingskader, niet vast komen te staan dat de vooraankondiging van 11 februari 2013 van GS onrechtmatig was. GrondNet heeft hier namelijk onvoldoende voor gesteld. GrondNet heeft zich slechts in algemene zin op het standpunt gesteld dat de provincie en de gemeente tegen beter weten in hebben gehandhaafd en er alles aan hebben gedaan om haar tegen te werken. GrondNet heeft geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou volgen dat GS, gelet op de voor hen kenbare belangen van GrondNet, onzorgvuldig hebben gehandeld bij het uitbrengen van de vooraankondiging. Dit betekent dat de gevorderde vergoeding voor de kosten van het ongedaan maken van deze ontgrondingen zal worden afgewezen.
4.12.
De rechtbank overweegt tot slot dat de provincie en de gemeente hebben erkend dat een bedrag van € 40.583,00 voor vergoeding in aanmerking komt, omdat GrondNet voor dit bedrag aan extra kosten heeft moeten maken voor de afvoer van grond. GrondNet heeft echter expliciet aangegeven dat haar vordering van € 163.766,00 slechts ziet op de kosten voor het ongedaan maken van de ontgrondingen met nummers 3, 5 en 7, en dus niet op de kosten voor de afvoer van grond. Zij heeft ook overigens geen vergoeding van deze kosten gevorderd, zodat de rechtbank dit bedrag niet kan toewijzen.
Geen causaal verband tussen handhavingsbesluiten en het mislopen van andere opdrachten
4.13.
GrondNet vordert een vergoeding van € 700.105,00 voor gemist resultaat op overige opdrachten, naast de geluidswal in Menaldum. GrondNet heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat zij door de onrechtmatige handhavingsbesluiten, onrechtmatige persberichten en overige onrechtmatige uitlatingen van de provincie en de gemeente is gehinderd in het verkrijgen van andere opdrachten.
4.14.
Ten aanzien van de onrechtmatige handhavingsbesluiten heeft GrondNet gesteld dat er zonder deze handhavingsbesluiten geen negatieve persberichten en geen andere negatieve uitlatingen door (medewerkers van) de provincie en de gemeente zouden zijn geweest. Deze uitlatingen zijn steeds gedaan in het kader van de handhavingsbesluiten en daarmee zijn de handhavingsbesluiten de oorzaak van deze schade, aldus GrondNet.
4.15.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat de onrechtmatige handhavingsbesluiten zagen op de geluidswal. Deze besluiten lieten alle overige projecten van GrondNet onverlet. Er bestaat dus geen rechtstreeks causaal verband tussen de handhavingsbesluiten en de (on)mogelijkheid voor GrondNet om andere opdrachten te bemachtigen en uit te voeren. Voor zover dat het gevolg zou zijn van ander handelen van de provincie en de gemeente, is het door GrondNet kennelijk gebezigde uitgangspunt dat al het handelen van de provincie en de gemeente als het ware besmet is geraakt door de onrechtmatige handhavingsbesluiten onjuist. Dat de handhavingsbesluiten onrechtmatig waren, betekent nog niet automatisch dat ook het uitbrengen van de persberichten onrechtmatig was of dat de provincie en de gemeente andere onrechtmatige uitlatingen hebben gedaan. Alleen de onrechtmatigheid van de handhavingsbesluiten staat vast en daarnaast moet beoordeeld worden of de provincie en de gemeente ook op andere wijze onrechtmatig hebben gehandeld.
De vordering tot schadevergoeding voor het persbericht van de gemeente is verjaard
4.16.
Ten aanzien van het persbericht van 5 december 2013 van de gemeente komt de rechtbank niet toe aan de vraag of dit bericht onrechtmatig is jegens GrondNet, omdat de provincie en de gemeente terecht een beroep hebben gedaan op verjaring. Een vordering tot schadevergoeding verjaart na verloop van vijf jaar vanaf de dag nadat de benadeelde bekend was met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon. GrondNet heeft de gemeente per brief van 15 januari 2014 aansprakelijk gesteld voor de door GrondNet geleden en nog te lijden schade als gevolg van de negatieve publicaties. Daaruit volgt dat GrondNet die bekendheid in ieder geval op die datum had. De verjaringstermijn is daarom aangevangen op 16 januari 2014 en niet, zoals GrondNet heeft aangevoerd, pas nadat de handhavingsbesluiten in 2018 onherroepelijk waren vernietigd. GrondNet heeft de verjaring niet tijdig gestuit. Zij heeft weliswaar verwezen naar brieven van 20 juli 2018 en 4 oktober 2018, maar deze brieven gaan niet over (de vergoeding van) de schade die GrondNet stelt te hebben geleden door het persbericht. GrondNet heeft verder verwezen naar het minnelijke overleg tussen GrondNet en de gemeente, maar zo’n overleg heeft geen stuitende werking. Dit betekent dat, voor zover het persbericht onrechtmatig zou zijn en GrondNet hierdoor schade heeft geleden, deze vordering is verjaard.
Het persbericht van de provincie is niet onrechtmatig
4.17.
Volgens GrondNet is het persbericht van 19 december 2014 van de provincie onrechtmatig jegens haar, omdat alle beschuldigingen in dit persbericht achteraf onjuist zijn gebleken en het persbericht als zodanig voor GrondNet uitermate beschadigend is geweest. De provincie heeft betwist dat dit bericht onrechtmatig is jegens GrondNet.
4.18.
In het persbericht staat:
Boringen tonen illegale ontgrondingen geluidswal aan
De provincie Fryslân houdt vast aan de bestuursdwang tegen Grondnet BV en [bedrijf 1] BV. Die legde ze op wegens illegale ontgrondingen onder de geluidswal bij [bedrijf 1] (Menaam). [bedrijf 1] BV is eigenaar van de wal, Grondnet BV is de uitvoerder en vergunninghouder.
De provincie, gemeente Menameradiel en Wetterskip Fryslân startten in 2013 een onderzoek naar de geluidswal. Aanleiding was een vermoeden van illegale ontgrondingen. Die kwamen aan het licht door verschillende inspecties. Grondnet BV paste verontreinigde grond toe om de ontgrondingen weer op te vullen. Grondnet BV bestreed de beschuldigingen. Proefboringen moesten uitsluitsel bieden. Uit de boringen bleek dat Grondnet BV inderdaad illegale ontgrondingen heeft uitgevoerd. Die hebben op meerdere plekken plaatsgevonden. De bestuursdwang houdt in dat de eigenaar en de uitvoerder de illegale ontgrondingen ongedaan moeten maken.
4.19.
Volgens de provincie was de geluidswal al voor haar persbericht (herhaaldelijk) negatief in het nieuws geweest en bestond er daarom al interesse van het publiek en de media. De provincie heeft met haar persbericht beoogd een naar haar inzien juiste weergave van de feiten te geven waar zij op dat moment van uit had te gaan, zodat het publiek juist zou worden voorgelicht. Daarbij heeft de provincie zich niet kwaadsprekend uitgelaten over GrondNet als zodanig en heeft zij niet geschreven dat GrondNet als partij niet integer of niet betrouwbaar zou zijn. De uitlatingen hebben zich beperkt tot de gang van zaken rondom de geluidswal. Tot slot staat vast dat GrondNet illegale ontgrondingen heeft gedaan, omdat zij 0,5 meter heeft afgegraven zonder ontgrondingenvergunning. Die informatie in het persbericht is dus juist, aldus de provincie.
4.20.
De rechtbank overweegt dat voor het oordeel of de provincie met haar persbericht al dan niet onrechtmatig heeft gehandeld, niet allesbepalend is of één of meer uitlatingen daarin achteraf onjuist bleken te zijn. Het gaat steeds om de uitkomst van een afweging van twee belangen die tegenover elkaar staan. Het belang van GrondNet is dat zij niet door publicaties in de pers wordt blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen. Het belang van de provincie is dat misstanden die de samenleving raken niet, door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, kunnen blijven voortbestaan. Welk van deze belangen in een concreet geval zwaarder weegt, hangt af van de omstandigheden van dat geval, en in het bijzonder van de volgende omstandigheden:
de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie de verdenkingen betrekking hebben,
de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die de publicatie aan de kaak beoogt te stellen,
de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal,
e inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de onder a. tot en met c. bedoelde factoren,
de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de betreffende publicatie via de pers, in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden,
een mogelijke beperking van het door de perspublicatie te veroorzaken nadeel voor degene die erdoor wordt getroffen, in verband met de kans dat het betreffende stuk, ook zonder de verweten terbeschikkingstelling aan de pers, in de publiciteit zou zijn gekomen.
4.21.
Toegepast op deze zaak acht de rechtbank van belang dat de beschuldiging in het persbericht dat GrondNet illegale ontgrondingen heeft uitgevoerd en deze heeft opgevuld met verontreinigde grond ernstige gevolgen voor haar kan hebben. Als grondverwerker is haar reputatie belangrijk en die komt in gevaar als zij ervan wordt beschuldigd met verontreinigde grond te werken. Daar staat tegenover dat het van groot maatschappelijk belang is als er illegale ontgrondingen zijn gedaan die zijn opgevuld met verontreinigde grond. Al voor de start van de aanleg van de geluidswal, en dus zeker voor het nemen van de handhavingsbesluiten en het uitbrengen van dit persbericht, stond de geluidswal al in de publieke belangstelling, waarbij in het bijzonder aandacht was voor eventuele bodemverontreiniging. De provincie en de gemeente hebben krantenartikelen uit 2008 en 2009 overgelegd waaruit blijkt dat boeren uit de omgeving zich destijds al zorgen maakten over de toepassing van verontreinigde grond in de geluidswal en de vraag of die verontreiniging door het regenwater in de sloten bij hun beesten terecht zou komen. Het is daarom verdedigbaar dat de provincie het publiek wilde informeren over de stand van zaken. Dat er ontgrondingen waren geweest en dat er verontreinigde grond is toegepast, vond bovendien steun in de op dat moment beschikbare informatie. Dit bleek namelijk uit boringen die hebben plaatsgevonden. Achteraf heeft de Afdeling bestuursrechtspraak weliswaar geoordeeld dat niet vast is komen te staan dat GrondNet hier verantwoordelijk voor was, maar dat was ten tijde van het uitbrengen van het persbericht nog niet duidelijk. Tot slot is de kans groot dat de informatie over de ontgrondingen en de toepassing van verontreinigde grond, en daarmee de verdenking dat GrondNet hiermee te maken had, ook zonder het persbericht op andere wijze in de publiciteit zou zijn gekomen. De situatie en de bestuursrechtelijke procedures werden immers op de voet gevolgd door de media.
4.22.
Gelet op het grote maatschappelijke belang van de eventuele aanwezigheid van verontreinigde grond, de publieke belangstelling voor de geluidswal en de grote kans dat de informatie uit het persbericht ook op andere manieren naar buiten was gekomen, is de rechtbank van oordeel dat het uitbrengen van het persbericht door de provincie niet onrechtmatig was jegens GrondNet. Ook het feit dat de provincie geen rectificatie heeft uitgebracht na het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak, zoals GrondNet heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig. In de media verschenen namelijk al meerdere berichten waaruit bleek dat de provincie in het ongelijk was gesteld, zodat dit voldoende duidelijk was of kon zijn voor het publiek. Een rectificatie had hier niet het verschil gemaakt.
Het is niet vast komen te staan dat de provincie en de gemeente GrondNet hebben tegengewerkt
4.23.
GrondNet heeft verder gesteld dat de provincie en de gemeente haar hebben tegengewerkt door het doen van onrechtmatige uitlatingen bij het verkrijgen van andere opdrachten. GrondNet heeft dit onderbouwd met een aantal verklaringen van betrokkenen, waaruit volgens haar volgt dat de firma’s [bedrijf 2] en [bedrijf 3] door toedoen van de provincie en de gemeente niet meer met GrondNet wilden samenwerken en dat toekomstige afzetlocaties voor grond door toedoen van de provincie en de gemeente niet konden worden gerealiseerd.
4.24.
Voor wat betreft de gestelde gemiste opdrachten van [bedrijf 2] heeft GrondNet een verklaring van de heer M. Plat in het geding gebracht. In deze verklaring staat dat in december 2014 door een collega van de heer Plat is aangegeven dat door een afdelingshoofd van de gemeente werd opgemerkt dat zaken doen met GrondNet tot schade zou kunnen leiden in de contacten en daarmee in de te verlenen opdrachten van de gemeente. Na overleg binnen [bedrijf 2] is besloten dat contacten met GrondNet hangende het onderzoek naar GrondNet werden bevroren, omdat het commerciële belang van de opdrachten van de gemeente zwaarder wogen, aldus de verklaring van de heer Plat.
4.25.
De gemeente heeft de inhoud van deze verklaring betwist. Daarbij heeft de gemeente erop gewezen dat GrondNet, volgens een bericht van 9 maart 2016 op haar eigen website, in opdracht van [bedrijf 2] grond heeft afgevoerd in Heerenveen. Dit betekent volgens de gemeente dat GrondNet ook na december 2014 in opdracht van [bedrijf 2] werkzaamheden heeft verricht. GrondNet heeft dit niet weersproken, en evenmin haar stelling dat er wel degelijk opdrachten zijn gemist nader onderbouwd. Daarmee is niet vast komen te staan dat GrondNet door toedoen van de gemeente opdrachten van [bedrijf 2] heeft misgelopen.
4.26.
Ten aanzien van de gestelde misgelopen opdrachten van [bedrijf 3] heeft GrondNet verwezen naar een verklaring van de heer [naam 1] . Daarin staat dat [bedrijf 3] Noord-Oost in december 2013 haar contract met GrondNet heeft opgezegd omdat haar opdrachtgever Philips in de krant negatieve persverklaringen van de provincie en de gemeente over GrondNet had gelezen en dat Philips [bedrijf 3] daarom heeft opgedragen om per ommegaande de samenwerking met GrondNet te staken. De rechtbank begrijpt hieruit dat het gaat om het persbericht van de gemeente van 5 december 2013. Hiervoor is al geoordeeld dat een eventuele vordering tot schadevergoeding die terug te voeren is op de eventuele onrechtmatigheid van dit persbericht is verjaard. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling op dit punt.
4.27.
GrondNet heeft verder verwezen naar een verklaring van de heer [naam 2] . Hierin staat dat [naam 2] samen met GrondNet zou werken aan de aanleg van een grondwal in Harkema, maar dat de eigenaar van de betreffende locatie aan [naam 2] heeft gemeld dat bij GrondNet veel gedoe was van een andere grondwal en dat hij daarom niet met GrondNet wilde samenwerken. Uit deze verklaring volgt echter niet dat de provincie en de gemeente onrechtmatige uitlatingen bij [naam 2] gedaan zouden hebben of anderszins hierbij betrokken waren, zodat op basis van die verklaring niet vastgesteld kan worden dat de eigenaar van de locatie door toedoen van de provincie en de gemeente niet meer met GrondNet wilde samenwerken.
4.28.
In een door GrondNet overgelegde verklaring van de heer [naam 3] staat dat hij in 2013 GrondNet heeft benaderd voor het aanleggen van een GBT (grootschalige toepassing van grond), en dat hij na de aanvraag bij de betreffende gemeente al snel controle kreeg van FUMO (de gezamenlijke omgevingsdienst van de provincie en Friese gemeenten). De heren [naam 4] en [naam 5] hebben volgens deze verklaring van [naam 3] gemeld dat GrondNet onder een vergrootglas lag omdat zij vervuilde grond in geluidswallen stopte en dat het daarom niet verstandig was om zaken te doen met GrondNet. Daarop heeft [naam 3] besloten om de wal niet te laten uitvoeren door GrondNet, aldus de verklaring.
4.29.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet vast komen te staan dat (medewerkers van) de provincie en de gemeente tegen [naam 3] hebben gezegd dat het niet verstandig was om zaken te doen met GrondNet omdat zij vervuilde grond in geluidswallen stopte. De provincie en de gemeente hebben dat namelijk gemotiveerd betwist met een verwijzing naar verklaringen van genoemde heren [naam 4] en [naam 5] die zij hebben overgelegd. Zij hebben verklaard dat zij contact hadden met [naam 3] over geuroverlast en het lozen van mestvocht in de bodem en het oppervlaktewater, maar niet over de aanleg van een GBT/geluidswal. Volgens de provincie en de gemeente is [naam 3] failliet gegaan na handhaving wegens verontreiniging van het grondwater, en is dat alleen al reden genoeg voor het niet laten doorgaan van de aanleg van de GBT door GrondNet. Dit is door GrondNet niet weersproken, noch heeft zij haar stellingen op dit punt nader onderbouwd. Daarom is niet vast komen te staan dat GrondNet de opdracht is misgelopen door toedoen van de provincie en de gemeente.
4.30.
GrondNet heeft verder gesteld dat zij een aanvraag had gedaan voor de aanleg van een grondwal in Wergea, maar dat FUMO de opdrachtgever van dat werk heeft afgeraden om zaken te doen met GrondNet, waardoor het werk uiteindelijk niet aan haar is gegund. Dit is door de provincie en de gemeente betwist. De rechtbank is van oordeel dat GrondNet haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Zij heeft namelijk slechts verwezen naar een e-mail waar met de hand is bijgeschreven dat de aanvraag is afgekeurd op advies van [naam 5] en [naam 4] , zonder dat duidelijk is wie dit heeft geschreven en wat er precies zou zijn gebeurd.
4.31.
GrondNet heeft tot slot gesteld dat door toedoen van de provincie ten onrechte is gehandhaafd tegen de drie depots grond die GrondNet had gecreëerd bij SITA in Leeuwarden, en dat SITA daardoor wilde dat GrondNet die locaties zou opgeven. Volgens GrondNet was de heer [naam 5] betrokken bij deze handhaving. Dit is door de provincie en de gemeente betwist. De rechtbank overweegt dat GrondNet niet heeft toegelicht waarom de handhaving onterecht was, wat de rol van de provincie hierin was en waarom sprake zou zijn van onrechtmatig handelen jegens GrondNet. Bovendien blijkt uit de stellingen van GrondNet dat het SITA was die de samenwerking wilde beëindigen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom dat te wijten was aan de provincie en de gemeente.
4.32.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft GrondNet aangeboden ‘tegenbewijs’ te leveren tegen de verklaringen van de heren [naam 5] , [naam 4] en [naam 6] . Omdat GrondNet haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, gaat de rechtbank voorbij aan dit bewijsaanbod.
Geen vergoeding voor misgelopen overige opdrachten
4.33.
Hiervoor is geoordeeld dat een eventuele vordering tot schadevergoeding voor het persbericht van de gemeente is verjaard, dat het persbericht van de provincie niet onrechtmatig was en dat niet is komen vast te staan dat de provincie en de gemeente andere onrechtmatige uitlatingen hebben gedaan of GrondNet hebben tegengewerkt. Dat betekent dat de hierop gebaseerde vordering tot een vergoeding voor misgelopen overige opdrachten zal worden afgewezen.
4.34.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het aannemelijk is dat GrondNet wel degelijk last heeft gehad van de onrechtmatige handhaving en alle onrust die daar (in de media) bij kwam kijken. Ook is voorstelbaar dat zij - nadat de werkzaamheden aan de geluidswal waren stilgelegd - enige tijd nodig had om andere projecten op te starten en dat zij daardoor inkomsten is misgelopen. GrondNet heeft echter geen vergoeding gevorderd van deze frictiekosten, zodat de rechtbank het bij deze opmerking laat.
Het beroep van de provincie en de gemeente op voordeelstoerekening slaagt niet
4.35.
De provincie en de gemeente hebben erop gewezen dat GrondNet in de eerste jaren van de aanleg van de geluidswal, tot het stilleggen van het werk in 2013, grond kon innemen tegen een tarief van € 4,25 per ton. Toen GrondNet in 2020 verder ging met de aanleg van de geluidswal kon zij nog 95.822 ton grond innemen ten behoeve van de geluidswal tegen een hoger tarief van € 5,25 per ton. GrondNet heeft dus € 1,50 per ton grond meer verdiend dan zij had gedaan als zij de geluidswal in 2013 had kunnen afmaken. In totaal komt dit neer op een voordeel van € 143.733,00 dat GrondNet niet zou hebben genoten als er niet was gehandhaafd door de provincie en de gemeente. Dit voordeel moet in mindering worden gebracht op de door GrondNet geleden schade, aldus de provincie en de gemeente.
4.36.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet vast komen te staan dat GrondNet inderdaad voordeel heeft genoten doordat zij in 2020 een hogere innameprijs voor de grond kon rekenen dan in 2013. GrondNet heeft namelijk aangevoerd dat in deze zeven jaar niet alleen de innameprijs van grond is gestegen, maar ook haar kosten. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de kosten van het transport, de inhuur van een kraan en het loon van de machinist. De marge op de inname van de grond was volgens GrondNet in 2020 en 2013 gelijk. Dit komt de rechtbank niet onaannemelijk voor, terwijl de provincie en de gemeente - op wie de stelplicht rust - daar niets tegen hebben ingebracht. De rechtbank neemt daarom aan dat de kosten inderdaad zijn gestegen en daardoor is niet vast komen te staan dat GrondNet voordeel heeft genoten van de hogere innameprijs van de grond. Er is daarom alleen al om die reden geen plaats voor voordeelstoerekening of voor aftrek van dit vermeende voordeel bij de begroting van de schade.
Geen vergoeding voor de kosten van juridische bijstand
4.37.
GrondNet heeft vergoeding gevorderd van de kosten die zij heeft moeten maken voor rechtsbijstand tijdens de bestuursrechtelijke procedures en deze civielrechtelijke procedure. Het gaat om € 375.766,15 respectievelijk € 56.308,56. Naar het oordeel van de rechtbank komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.
4.38.
Voor wat betreft de kosten voor rechtsbijstand tijdens de bestuursrechtelijke procedures geldt dat de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar en van het beroep bij de bestuursrechter. Voor aanvullende rechtsbescherming door de civiele rechter is geen plaats, tenzij het een aanspraak betreft die de belanghebbende redelijkerwijs niet aan de bestuursrechter heeft kunnen voorleggen. Volgens GrondNet is deze uitzondering aan de orde. Zij had redelijkerwijs niet eerder om deze kostenveroordeling kunnen verzoeken, omdat pas met de onherroepelijke uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 11 juli 2018 vast is komen te staan dat de handhaving door de provincie en de gemeente volledig onrechtmatig was. Het was bij voorbaat kansloos om eerder te verzoeken om een vergoeding van deze kosten, omdat de provincie en de gemeente telkens met andere redenen kwamen waarom de handhaving wel terecht zou zijn, aldus GrondNet. De rechtbank volgt GrondNet hierin niet. Voor elk handhavingsbesluit geldt namelijk dat de onrechtmatigheid pas vast komt te staan na de onherroepelijke beslissing van de bestuursrechter. Het standpunt van GrondNet dat pas daarna een volledige proceskostenveroordeling kan worden verzocht, is onjuist omdat het in strijd is met het wettelijke systeem dat dit verzoek juist in de bestuursrechtelijke procedure moet worden gedaan. GrondNet had dus al in de bestuursrechtelijke procedures moeten verzoeken om een volledige kostenvergoeding en is daarmee in deze civielrechtelijke procedure te laat.
4.39.
Ten aanzien van de kosten voor rechtsbijstand tijdens deze civielrechtelijke procedure is de hoofdregel dat de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld in de proceskosten op basis van het liquidatietarief. Alleen in buitengewone omstandigheden, bijvoorbeeld in het geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen, is ruimte voor een vergoeding van de volledige proceskosten. Daarvan zou sprake zijn indien het verweer van de provincie en de gemeente, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van GrondNet achterwege had behoren te blijven. Daar is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van. Uit het voorgaande volgt immers dat onderdelen van het verweer van de provincie en de gemeente slagen.
Geen vergoeding voor deskundigenkosten
4.40.
GrondNet heeft verder een vergoeding gevorderd voor de kosten die zij heeft gemaakt voor de door haar ingeschakelde financieel deskundigen [deskundige 2] (€ 12.941,35) en van [deskundige 1] (€ 22.506,00). De rechtbank overweegt dat kosten ter vaststelling van de schade voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Daarvoor moet onder andere zijn voldaan aan de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets. Dat houdt in dat het verrichten van de werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk moet zijn geweest en dat de omvang van de gemaakte kosten ook redelijk is. In dat kader is van belang dat de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat de provincie en de gemeente alleen aansprakelijk zijn voor de schade die GrondNet heeft geleden door de onrechtmatige handhavingsbesluiten. De rapporten van [deskundige 2] en [deskundige 1] zien voor een groot deel op de berekening van andere schade, maar voor die vermeende schade zijn de provincie en de gemeente niet aansprakelijk. Het was dan ook niet redelijkerwijs noodzakelijk om kosten te maken voor het laten berekenen van de hoogte van die vermeende schade. Weliswaar komt de rechtbank mede op basis van het rapport van [deskundige 1] tot de slotsom dat een bedrag van € 117.724,00 toewijsbaar is, maar dit betreft een overzichtelijke berekening en deze had ook door GrondNet zelf gemaakt kunnen worden. De conclusie is dan ook dat niet is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets en dat de vordering tot vergoeding van de deskundigenkosten zal worden afgewezen.
Geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassowerkzaamheden
4.41.
GrondNet heeft een vergoeding van € 6.775,00 gevorderd als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. Volgens GrondNet heeft zij zich ingespannen om buiten rechte haar schade vergoed te krijgen. Zo zijn er verschillende overleggen geweest met de advocaat van de provincie en de gemeente en is er veel tijd en aandacht gaan zitten in het voor het voetlicht brengen van de schade die zij heeft geleden, aldus GrondNet. De rechtbank overweegt dat het ‘voor het voetlicht brengen van de schade’ valt onder het voorbereiden van een procedure en dat dit geen recht geeft op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Verder hebben de provincie en de gemeente erkend dat er inspanningen zijn verricht om buitengerechtelijk tot een oplossing te komen, maar die waren volgens hen vóór deze procedure heel gering. De inspanningen die er zijn geweest tijdens de procedure hebben volgens de provincie en de gemeente geresulteerd in de stukken die zijn ingediend in de procedure. Dit is door GrondNet niet weersproken. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat GrondNet onvoldoende heeft gesteld dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht die voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat GrondNet niet aan haar stelplicht heeft voldaan, gaat de rechtbank voorbij aan haar aanbod om een nadere onderbouwing, in de vorm van specificaties van de werkzaamheden van haar advocaat, in het geding te brengen. Dit deel van de vordering van GrondNet zal daarom worden afgewezen.
De provincie en de gemeente moeten wettelijke rente betalen
4.42.
GrondNet heeft gevorderd dat de provincie en de gemeente de wettelijke rente moeten betalen over de schadevergoeding vanaf 11 juli 2018 (de datum van de laatste uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak), dan wel vanaf 1 juli 2020 (de datum waarop GrondNet stelt dat zij het werk aan de geluidswal kon hervatten).
4.43.
De rechtbank overweegt dat de wettelijke rente verschuldigd is over de tijd dat de schuldenaar met de betaling in verzuim is geweest. In het geval van een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad, zoals hier aan de orde, treedt het verzuim in nadat de vordering tot schadevergoeding opeisbaar is geworden en de schuldenaar niet terstond betaalt. Hiervoor is al geoordeeld dat de vertragingsschade is berekend tot het moment dat GrondNet de werkzaamheden aan de geluidswal heeft afgerond, vastgesteld op 31 december 2022. Dat betekent dat de schadevergoeding op 1 januari 2023 opeisbaar was. De wettelijke rente over de schadevergoeding van € 117.724,00 zal daarom vanaf die datum worden toegewezen.
De provincie en de gemeente worden hoofdelijk veroordeeld
4.44.
Partijen zijn overeengekomen dat, voor zover de provincie en de gemeente zouden worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan GrondNet als gevolg van de onrechtmatige handhavingsbesluiten, de provincie en de gemeente zich hoofdelijk verbinden tot betaling van deze schadevergoeding. Gelet op deze afspraak tussen partijen zal de rechtbank de provincie en de gemeente hoofdelijk veroordelen tot betaling van de schadevergoeding en de wettelijke rente daarover.
Iedere partij draagt de eigen proceskosten
4.45.
Voor wat betreft de proceskostenveroordeling overweegt de rechtbank dat de vordering van GrondNet grotendeels wordt afgewezen. In die zin is zij de partij die overwegend in het ongelijk wordt gesteld. Daar staat tegenover dat er wel degelijk een bedrag aan schadevergoeding wordt toegewezen. De provincie en de gemeente waren voorafgaand aan deze procedure niet bereid tot enige betaling aan GrondNet, zodat zij genoodzaakt was om deze procedure te starten. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het redelijk is om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
veroordeelt de provincie en de gemeente hoofdelijk tot betaling aan GrondNet van een schadevergoeding van € 117.724,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 januari 2023 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart de onder 5.1. genomen beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman, mr. T.P. Hoekstra en mr. P. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
936
Hoge Raad 26 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3382 (Noord-Brabant/Janse). Zie ook ECLI:NL:PHR:2020:474.
Artikel 3:310 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).
Hoge Raad 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3866.
Hoge Raad 24 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AD2221 (Gemeenteraadslid).
Artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Hoge Raad 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1456.
Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360.
Artikel 6:96 lid 2 sub b BW.
Hoge Raad 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586.
Artikel 6:119 lid 1 BW.
Artikel 6:81 en 6:83 sub b BW. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|