|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2026:1784 | | | | | Datum uitspraak | : | 07-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 21-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | Bijlage bij LEE 25/985 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Bijlage met wet- en regelgeving bij de uitspraak in zaak LEE 25/985. De uitspraak van deze bijlage is opgenomen in ECLI:NL:RBNNE:2026:1785. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | herstructurering | | | landbouw | | | tuinbouw | | | vrijstelling | | | | Uitspraak | zaaknummer: LEE 25/985
Bijlage bij de uitspraak van de meervoudige belastingkamer in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.C. Klompé),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Groningen, de inspecteur
(gemachtigde: mr. [naam] MSc).
Deze bijlage bevat de relevante wet- en regelgeving (tekst 2024) die in de uitspraak wordt aangehaald.
Inhoud
RICHTLIJN 2003/96/EG VAN DE RAAD van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (Voor de EER relevante tekst), PB L 283/31 2
Artikel 1 2
Artikel 3 2
Artikel 14 2
Artikel 15 3
Wet op de accijns 5
Artikel 1 5
Artikel 25 5
Artikel 66 6
Burgerlijk Wetboek Boek 8 7
Artikel 1 7
RICHTLIJN 2003/96/EG VAN DE RAAD van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (Voor de EER relevante tekst), PB L 283/31
Artikel 1
De lidstaten heffen belasting op energieproducten en elektriciteit overeenkomstig deze richtlijn.
Artikel 3
De verwijzingen naar 'minerale oliën' en 'accijnzen' in Richtlijn 92/12/EEG (voorzover van toepassing op minerale oliën) zijn uit te leggen als verwijzingen naar alle energieproducten, elektriciteit en nationale indirecte belastingen bedoeld in artikel 2, respectievelijk artikel 4, lid 2, van de onderhavige richtlijn.
Artikel 14
1. Naast de algemene bepalingen van Richtlijn 92/12/EEG inzake vrijgesteld gebruik van belastbare producten, en onverminderd andere communautaire bepalingen, verlenen de lidstaten voor onderstaande producten vrijstelling van belasting, op voorwaarden die zij vaststellen met het doel een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstelling te verzekeren en fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen:
a. energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit en elektriciteit die wordt gebruikt tot instandhouding van het vermogen elektriciteit te produceren. De lidstaten kunnen deze producten echter uit milieubeleidsoverwegingen aan belasting onderwerpen zonder inachtneming van de in deze richtlijn vastgestelde minimumbelastingniveaus. In dat geval wordt de op deze producten geheven belasting niet in aanmerking genomen voor de inachtneming van het minimumbelastingniveau voor elektriciteit zoals vastgesteld in artikel 10;
energieproducten die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor andere luchtvaart dan particuliere plezier luchtvaart.
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder „particuliere plezierluchtvaart” verstaan het gebruik van een lucht vaartuig door de eigenaar daarvan of door de natuurlijke of rechtspersoon die het gebruik daarvan geniet door huur of anderszins, voor andere dan commerciële doeleinden en met name voor andere doeleinden dan voor het vervoer van personen of goederen of voor het verrichten van diensten onder bezwarende titel, dan wel ten behoeve van overheidsinstanties.
De lidstaten kunnen deze vrijstelling beperken tot leveringen van reactiemotorbrandstof (GN-code 2710 19 21);
energieproducten die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor de vaart op communautaire wateren (met inbegrip van visserij) en niet voor gebruik aan boord van particuliere pleziervaartuigen, en aan boord van een vaartuig opgewekte elektriciteit.
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder „particuliere pleziervaartuigen” verstaan vaartuigen die worden gebruikt door de eigenaar daarvan of door de natuurlijke of rechtspersoon die het gebruik daarvan geniet door huur of anderszins, voor andere dan commerciële doeleinden en met name voor andere doeleinden dan voor het vervoer van personen of goederen of voor het verrichten van diensten onder bezwarende titel, dan wel ten behoeve van overheidsinstanties.
2. De lidstaten kunnen de in lid 1, onder b) en c), bedoelde vrijstellingen beperken tot het internationale en het intracommunautaire vervoer. Daarnaast kan een lidstaat die met een andere lidstaat een bilaterale overeenkomst heeft gesloten, de in lid 1, onder b) en c), bedoelde vrijstellingen opschorten. In dergelijke gevallen kunnen de lidstaten een lager belastingniveau dan het in deze richtlijn vastgestelde minimumniveau toepassen.
Artikel 15
1. Onverminderd andere communautaire bepalingen, kunnen de lidstaten onder fiscaal toezicht gehele of gedeeltelijke belastingvrijstellingen of-verlagingen toepassen op:
a. belastbare producten die onder fiscaal toezicht worden gebruikt bij proefprojecten voor de technologische ontwikkeling van milieuvriendelijker producten of met betrekking tot brandstoffen uit hernieuwbare bronnen;
elektriciteit:
— afkomstig van zon, wind, golven, getijden of aard warmte;
— afkomstig van waterkracht, welke wordt opgewekt in waterkrachtcentrales;
— opgewekt uit biomassa of uit van biomassa afkomstige producten;
— opgewekt uit methaan dat vrijkomt in verlaten kolen mijnen;
— opgewekt uit brandstofcellen;
energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor warmtekrachtkoppeling;
elektriciteit, opgewekt uit warmtekrachtkoppeling, op voor waarde dat de installaties voor warmtekrachtkoppeling milieuvriendelijk zijn. De lidstaten mogen nationale definities van „milieuvriendelijke” warmtekrachtkoppeling (of warmte krachtkoppeling met hoog rendement) toepassen totdat de Raad op basis van een verslag en een voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen een gemeen schappelijke definitie aanneemt;
energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor het vervoer van goederen en personen per spoor, metro, tram en trolleybus;
energieproducten die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor de vaart op binnenwateren (met inbegrip van visserij) en niet voor gebruik aan boord van particuliere pleziervaartuigen, en aan boord van een vaartuig opgewekte elektriciteit;
aardgas in lidstaten waar het aandeel van aardgas in 2000 minder dan 15 % van het finale energieverbruik bedroeg.
De gehele of gedeeltelijke vrijstellingen of verlagingen kunnen van toepassing zijn gedurende een periode van ten hoogste tien jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn, of totdat het nationale aandeel van aardgas 25 % van het finale energieverbruik bedraagt, indien dat zich het eerst voordoet. Zodra het nationale aandeel van aardgas evenwel 20 % van het finale energieverbruik bedraagt, hanteren de betrokken lidstaten een strikt positief belastingniveau, dat jaarlijks wordt verhoogd zodat het aan het einde van boven genoemde periode ten minste het minimumbelastingniveau bereikt.
Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord Ierland mag de gehele of gedeeltelijke vrijstellingen of verlagingen voor aardgas afzonderlijk toepassen voor Noord Ierland;
elektriciteit, aardgas, kolen en vaste brandstoffen die worden gebruikt door huishoudens en/of door organisaties welke door de betrokken lidstaat als liefdadige instellingen worden erkend. Wanneer het gaat om liefdadige organisaties kunnen de lidstaten de vrijstelling of verlaging beperken tot het niet zakelijk gebruik. Indien gemengd gebruik plaatsvindt, wordt de belasting geheven naar evenredigheid van elk type gebruik. Wanneer een gebruik van weinig belang is, kan het als nihil worden behandeld;
i. aardgas en LPG die worden gebruikt voor voortbeweging;
motorbrandstoffen die worden gebruikt bij de vervaardiging, de ontwikkeling, het testen en het onderhoud van luchtvaartuigen en schepen;
motorbrandstoffen die worden gebruikt bij baggerwerken in bevaarbare waterlopen en in havens;
producten van GN-code 2705 die worden gebruikt voor verwarmingsdoeleinden.
2. De lidstaten kunnen het belastingbedrag dat de verbruiker heeft betaald voor de elektriciteit die wordt opgewekt met de in lid 1, onder b), bedoelde producten, volledig of gedeeltelijk aan de producent teruggeven.
3. De lidstaten kunnen een tot een nultarief verlaagd belastingniveau toepassen op energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor de landbouw, de tuinbouw, de visteelt en de bosbouw.
De Raad beziet, op basis van een voorstel van de Commissie vóór 1 januari 2008 of de toepassing van een tot een nultarief verlaagd belastingniveau wordt ingetrokken.
Wet op de accijns
Artikel 1
1. Onder de naam accijns wordt een belasting geheven van:
a. bier;
b. wijn;
c. tussenproducten;
d. overige alcoholhoudende producten;
e. minerale oliën; en
f. tabaksproducten.
2. De accijns wordt verschuldigd ter zake van de uitslag tot verbruik van de in het eerste lid bedoelde goederen.
Artikel 25
1. Onder minerale oliën worden verstaan de producten van de GN-codes:
a. 1507 tot en met 1518, indien deze zijn bestemd om te worden gebruikt als motorbrandstof of als brandstof voor verwarming;
b. 2706 tot en met 2710;
c. 2711, met uitzondering van aardgas;
d. 2712 tot en met 2715;
e. 2901 en 2902;
f. 2905 11 00, die niet langs synthetische weg zijn verkregen en zijn bestemd om te worden gebruikt als motorbrandstof of als brandstof voor verwarming;
g. 3403;
h. 3811;
i. 3817;
j. 3824 99 86, 3824 99 92 – met uitzondering van roestwerende preparaten die aminen als werkzame bestanddelen bevatten en anorganische preparaten voor het oplossen of voor het verdunnen van vernissen of van dergelijke producten –, 3824 99 93, 3824 99 96 – met uitzondering van roestwerende preparaten die aminen als werkzame bestanddelen bevatten en anorganische preparaten voor het oplossen of voor het verdunnen van vernissen of van dergelijke producten –, 3826 00 10 en 3826 00 90, indien deze zijn bestemd om te worden gebruikt als motorbrandstof of als brandstof voor verwarming.
2. Als minerale oliën worden mede aangemerkt:
a. andere producten dan minerale oliën als bedoeld in het eerste lid, die zijn bestemd voor gebruik, worden aangeboden voor verkoop of worden gebruikt als motorbrandstof, als additief of als vulstof in motorbrandstoffen;
b. andere koolwaterstoffen dan bedoeld in het eerste lid of in onderdeel a, die zijn bestemd voor gebruik, worden aangeboden voor verkoop of worden gebruikt voor verwarmingsdoeleinden, met uitzondering van steenkool, bruinkool, turf, andere soortgelijke vaste koolwaterstoffen en aardgas.
Artikel 66
1. Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt vrijstelling van accijns verleend ter zake van de uitslag tot verbruik van minerale oliën die worden gebruikt:
a. voor de aandrijving van schepen of als scheepsbehoeften aan boord van schepen;
b. voor de voortstuwing van luchtvaartuigen voor zover het betreft halfzware olie als bedoeld in GN-code 2710 19 21.
2. De vrijstelling als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, is niet van toepassing met betrekking tot minerale oliën die worden gebruikt voor pleziervaartuigen of plezierluchtvaartuigen dan wel worden gebruikt aan boord van schepen die kennelijk niet worden gebruikt om te varen.
3. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder een pleziervaartuig of een plezierluchtvaartuig: een vaartuig respectievelijk een luchtvaartuig dat wordt gebruikt door de eigenaar daarvan of door de natuurlijke of rechtspersoon die het gebruik daarvan geniet door huur of anderszins, voor andere dan commerciële doeleinden en met name voor andere doeleinden dan voor het vervoer van personen of goederen of voor het verrichten van diensten onder bezwarende titel, dan wel ten behoeve van overheidsinstanties.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Burgerlijk Wetboek Boek 8
Artikel 1
1. In dit wetboek worden onder schepen verstaan alle zaken, geen luchtvaartuig zijnde, die blijkens hun constructie bestemd zijn om te drijven en drijven of hebben gedreven.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen zaken, die geen schepen zijn, voor de toepassing van bepalingen van dit wetboek als schip worden aangewezen, dan wel bepalingen van dit wetboek niet van toepassing worden verklaard op zaken, die schepen zijn.
3. Voortbewegingswerktuigen en andere machinerieën worden bestanddeel van het schip op het ogenblik dat, na hun inbouw, hun bevestiging daaraan zodanig is als deze ook na voltooiing van het schip zal zijn.
4. Onder scheepstoebehoren worden verstaan de zaken, die, geen bestanddeel van het schip zijnde, bestemd zijn om het schip duurzaam te dienen en door hun vorm als zodanig zijn te herkennen, alsmede die navigatie- en communicatiemiddelen, die zodanig met het schip zijn verbonden, dat zij daarvan kunnen worden afgescheiden, zonder dat beschadiging van betekenis aan hen of aan het schip wordt toegebracht.
5. Behoudens afwijkende bedingen wordt het scheepstoebehoren tot het schip gerekend. Een afwijkend beding kan worden ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3.
6. Voor de toepassing van het derde, het vierde en het vijfde lid van dit artikel wordt onder schip mede verstaan een schip in aanbouw. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|