Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:1800 
 
Datum uitspraak:08-05-2026
Datum gepubliceerd:18-05-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:LEE 25/1761
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Afwijzing Wajong-uitkering. Duurzaamheidscriterium. Eiser beschikt op dit moment niet over arbeidsvermogen, maar deze situatie is (nog) niet duurzaam. Eiser kan in de toekomst mogelijk nog arbeidsvermogen ontwikkelen.
Trefwoorden:ingezetene
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/1761

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Bou-Asrar),

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: A.B. Froentjes).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Eiser heeft op 13 oktober 2023 (de datum in geding) een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. Het Uwv heeft deze aanvraag met het besluit van 1 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 april 2025 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.


2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Eiser heeft aanvullende gronden en nadere stukken ingestuurd.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, vergezeld door zijn moeder, zus en ambulant begeleider en bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens het Uwv zijn de gemachtigde van het Uwv en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep verschenen.






Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser, geboren op [geboortedatum] , heeft op 13 oktober 2023 een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen gedaan bij het Uwv. Hierop is vermeld dat hij een autismespectrumstoornis (ASS) heeft en hij veel sturing en begeleiding nodig heeft bij het uitvoeren van taken.


3.1.
Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de primaire arbeidsdeskundige van het Uwv op 31 juli 2024 een arbeidskundig onderzoek verricht naar het arbeidsvermogen van eiser. Eiser beschikt niet over basale werknemersvaardigheden, omdat hij niet om hulp zal vragen en bij overprikkeling weg kan lopen. Hiermee kan hij niet adequaat instructies en opdrachten van een werkgever consequent uitvoeren. In een traject van dagbesteding kunnen deze zaken geoefend worden, zodat zijn vaardigheden op termijn beter ontwikkeld kunnen worden. Omdat eiser op dit moment geen basale werknemersvaardigheden heeft, is er geen taak aan te wijzen. Nu hij niet voldoet aan alle vier toetsingscriteria, beschikt hij nu niet over arbeidsvermogen.



3.2.
De primaire verzekeringsarts heeft daarna de duurzaamheid van het niet hebben van basale werknemersvaardigheden onderzocht en heeft geconcludeerd dat in het geval van eiser geen sprake is van een progressief ziektebeeld. De ziektebeelden ASS en een licht verstandelijke beperking (LVB) zijn stabiel, zonder duidelijke behandelmogelijkheden. De aandoeningen zijn echter niet zó ernstig dat er geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht. Eiser laat immers duidelijk groei zien. Zo blijkt uit het ontwikkelingsperspectief van [school] van november 2023 dat hij een geconcentreerde, taakgerichte werker is die prima zelfstandig kan werken als de opdrachten, taakomschrijving en tijd duidelijk voor hem zijn. Een veilige en vertrouwde omgeving met duidelijke opdrachten helpt daarbij. Uit de stageverslagen blijkt dat eiser steeds meer zelfredzaam wordt. Zo lukte het hem eerst niet om een keuken op te ruimen, maar is het hem recent op een andere werkplek gelukt om zelfstandig een cake te bakken en vervolgens zelfstandig de keuken op te ruimen. Vanuit medisch oogpunt kan er nog ontwikkeling worden verwacht in een veilige setting. In de zin van de Wajong kan dan ook niet gesproken worden van duurzaamheid.



3.3.
Bij het primaire besluit van 1 augustus 2024 heeft het Uwv aan eiser medegedeeld dat hij geen Wajong-uitkering kan krijgen omdat hij op dit moment niet beschikt over arbeidsvermogen, maar in de toekomst mogelijk nog wel arbeidsvermogen kan ontwikkelen.



3.4.
Eiser kon zich hiermee niet verenigen en maakte bezwaar. Hij voerde samengevat aan dat hij duurzaam niet beschikt over arbeidsvermogen.



3.5.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 24 februari 2025 een heroverweging in bezwaar gedaan en heeft eiser op 20 februari 2025 samen met de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gezien op een hoorzitting. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde zich te kunnen vinden in de beslissing dat momenteel geen sprake is van arbeidsvermogen. Eiser heeft op school het uitstroomadvies dagbesteding gekregen en heeft momenteel nog veel begeleiding nodig. Hij functioneert op zeer laag niveau. Een uur zelfstandig een taak verrichten zonder enige begeleiding is nog dubieus. Wel blijkt eiser in staat te zijn vijf uur per dag werkzaamheden te verrichten en zelfstandig te reizen met de trein. De mate van begeleiding en dagbesteding is echter nog zo intensief dat niet gesproken kan worden van werknemersvaardigheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is het met de primaire verzekeringsarts eens dat verbetering op dit moment nog niet is uitgesloten, gelet op eisers jonge leeftijd. Ook lijkt het erop dat eiser in de dagbesteding meer zelfstandigheid laat zien dan thuis.



3.6.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderschrijft de bevindingen van de primaire arbeidsdeskundige in zijn rapport van 25 maart 2025 en concludeert dat eiser nu geen arbeidsvermogen heeft en niet beschikt over basale werknemersvaardigheden, maar dat hij op termijn mogelijk wel arbeidsvermogen kan ontwikkelen.



3.7.
Het Uwv heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de overwegingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep
overgenomen.




Standpunten partijen

4. Eiser vindt dat het Uwv ten onrechte heeft inschat dat de mogelijkheid bestaat dat zich bij hem nog arbeidsvermogen zal ontwikkelen. Het is voor eiser onmogelijk om zelfstandig zonder enige vorm van begeleiding een taak te verrichten. Hij kan bijvoorbeeld niet met een sleutel een deur openen en over het smeren van een boterham doet hij een kwartier. Ook heeft het Uwv deze prognose onvoldoende gemotiveerd. Het Uwv heeft te weinig rekening gehouden met het beperkte leervermogen van eiser; verder heeft het niet inzichtelijk gemaakt waarom, gezien de beperkingen van het lerend vermogen, eiser toch zo’n mate van zelfstandigheid en werknemersvaardigheden kan ontwikkelen dat hij een reële mogelijkheid heeft tot arbeidsparticipatie. Op de beweringen van moeder en zus tijdens de hoorzitting heeft het Uwv onvoldoende gereageerd.

5. In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep met een aanvullende rapportage gereageerd. Omdat eiser klanten bedient op de dagbesteding en zelfstandig met het openbaar vervoer reist, zijn er aanwijzingen dat nog sprake is van leervermogen en dat hij in staat is in te spelen op een situatie van het moment. Er lijkt enig verschil te zijn tussen het functioneren van eiser thuis en op de dagbesteding. Waar hij thuis geen boterham kan smeren, kan hij dit wel op de dagbesteding. Hieruit concludeert de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat eiser thuis niet tot zijn volledig potentieel van zelfstandigheid komt, waardoor verdere groei van zelfstandigheid niet volledig is uit te sluiten. Het enkele vermoeden van moeder en zus dat eiser niet verder kan groeien is in het kader van de Wajong onvoldoende. Voor de Wajong is pas sprake van duurzaamheid als iedere kans op verbetering geheel is uitgesloten.


5.1.
Ook de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in beroep gereageerd en geconcludeerd dat sprake is van ontwikkeling door middel van de activiteiten die eiser vier dagen per week in de dagbesteding verricht. Ook kan in de dagbesteding geoefend worden met werknemersvaardigheden, voor zover dit nog niet is gebeurd. Uit de bij de aanvraag geleverde documenten met betrekking tot de stages in 2024 blijkt dat eiser wel leervermogen heeft, zoals taken controleren, zelfstandig op de fiets gaan na dit te hebben geoefend, zelfstandig een broodje smeren en opruimen. Gelet hierop is nu geen sprake van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.

6. In zijn aanvullende gronden heeft eiser gesteld dat het Uwv hiermee nog steeds onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van duurzaamheid. Het Uwv verwijst enkel naar leeftijd, leerbaarheid en dagbesteding, zonder concrete behandelmogelijkheden en verwachte effecten. Eiser verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 juli 2020 en vindt dat het Uwv het oordeel onvoldoende heeft toegespitst op de situatie van eiser. Ook heeft hij nog een stuk ingebracht over het verloop op de dagbesteding en een afnamerapport van [instelling]




Wettelijk kader

7. De van belang zijnde wet- en regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.



Beoordeling door de rechtbank

8. Om een Wajong-uitkering te kunnen krijgen moet de aanvrager geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) hebben. Ook moet dat arbeidsvermogen duurzaam
ontbreken. “Duurzaam” betekent dat er geen mogelijkheden zijn om arbeidsvermogen te ontwikkelen.

De aanvrager heeft geen arbeidsvermogen als hij:
( a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;
( b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;
( c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of
( d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is.
De beoordeling van het arbeidsvermogen is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.


8.1.
Volgens vaste rechtspraak gaat het bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen om een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen). Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt pas aangenomen in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. Gelet op de wetsgeschiedenis is hiervan sprake als een betrokkene geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en herstel is uitgesloten. Als het Uwv stelt dat duurzaamheid ontbreekt, hoeft het niet te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen. Het moet in zo’n geval wel aannemelijk maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op zo’n manier kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Daarbij zijn van belang de bij betrokkene bestaande mogelijkheden tot verbetering van belastbaarheid, verdere ontwikkeling en toename van bekwaamheden.



8.2.
Tussen partijen is niet geschil dat eiser op dit moment geen arbeidsvermogen heeft. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of hij nog arbeidsvermogen kan ontwikkelen. Met andere woorden: of het niet hebben van arbeidsvermogen duurzaam is.



8.3.
Eiser vindt dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Het Uvw heeft volgens hem onvoldoende uiteengezet welke behandelmogelijkheden nog noodzakelijk zijn en hoe die kunnen leiden tot verbetering. Uit de onder rechtsoverweging 8.1. aangehaalde jurisprudentie blijkt echter dat, als het Uwv vindt dat het arbeidsvermogen nu ontbreekt, maar zich in de toekomst nog wel kan ontwikkelen, het aannemelijk moet maken dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Hieruit volgt dat het Uwv niet hoeft aan te geven welke behandelingen er mogelijk zijn om tot ontwikkeling van het arbeidsvermogen te komen, zoals eiser stelt, maar een oordeel moet geven over de toekomstige mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.



8.4.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv wél voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat niet uitgesloten is dat er bij eiser op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. De verzekeringsartsen hebben namelijk gerapporteerd dat met het inzetten van intensieve ambulante begeleiding en het voortzetten van de huidige dagbesteding de vermijding doorbroken kan worden. Hierdoor kan eiser zich mogelijk nog ontwikkelen naar meer zelfstandigheid en arbeidsvermogen.



8.5.
Uit de verslagen van de stages en dagbesteding en het ontwikkelingsplan [school] blijkt dat eiser een geconcentreerde taakgerichte werker is die prima zelfstandig kan werken als de opdrachten, taakomschrijving en tijd duidelijk voor hem zijn en dat hij steeds meer zelfredzaam wordt. Uit die stukken blijkt ook dat eiser nog groei laat zien. Daarbij is hij nog jong en kan hij mogelijk door groei, rijping en ervaring op termijn basale werknemersvaardigheden ontwikkelen. Eiser heeft hiertegenover een verklaring van De Smaakmaker van 9 april 2026 ingebracht, waarin wordt beschreven hoe het nu gaat op de dagbesteding. Die verklaring geeft wel een beeld van het huidige functioneren van eiser op de dagbesteding, maar zegt niets over het beschikken van arbeidsvermogen in de periode die ziet op de datum in geding, 13 oktober 2023. Ook zegt die verklaring niets over de mogelijkheden of onmogelijkheden van eiser om in de toekomst arbeidsvermogen te ontwikkelen. Verder valt uit het door eiser ingebrachte afnamerapport van [instelling] van 13 juni 2023 niet op te maken dat eiser helemaal geen lerend vermogen heeft om nog arbeidsvermogen te ontwikkelen. De rechtbank is verder met het Uwv van oordeel dat er inderdaad een verschil lijkt te bestaan tussen het functioneren van eiser thuis en op de dagbesteding. Kortom: de enkele stelling van de moeder en zus van eiser dat hij in de toekomst geen arbeidsvermogen meer zal ontwikkelen is onvoldoende. Die stelling wordt niet ondersteund door, al dan niet, medische verklaringen van de kant van eiser.



8.6.
Eisers stelling dat de conclusies niet voldoende zijn toegespitst op zijn situatie van en zijn verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland volgt de rechtbank, gelet op het voorgaande, niet. Uit de beoordelingen van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen van het Uwv blijkt wel degelijk een op hem toegespitste beoordeling.






Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv op juiste gronden heeft geconcludeerd dat het ontbreken van arbeidsvermogen van eiser per de datum in geding nog niet duurzaam is en eiser daarom niet als jonggehandicapte is aan te merken. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van L. Bergsma, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.









griffier


rechter














Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.







Bijlage: Voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong
Jonggehandicapte is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

Artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong
De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.

Artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong
De ingezetene die tijdelijk geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft wordt alsnog jonggehandicapte, indien hij gedurende een tijdvak van tien jaar volgend op de dag waarop hij jonggehandicapte zou zijn geworden op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, of het tweede lid, indien hij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zou hebben gehad, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had.

Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong
Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.




ECLI:NL:RBMNE:2020:2577


Zie o.a. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:255)


Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong


Kamerstukken II 2011/12, 33 161, nr. 3 onder 5.1.
Link naar deze uitspraak