Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:1858 
 
Datum uitspraak:11-03-2026
Datum gepubliceerd:21-05-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:C/18/251672 / KG ZA 26-18
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Partijen, ex-partners, hadden een geschil over wie van hen in hun huurwoning mocht blijven wonen. In 2023 hebben zij gezamenlijk een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot een woning. Hierna, in 2024, werd hun zoon geboren. In het voorjaar van 2025 is de relatie tussen partijen geëindigd. In augustus van dat jaar heeft gedaagde met hun zoon de woning verlaten en is eiser in de woning gebleven. Partijen hebben spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening nu zij belang hebben bij duidelijkheid over het gebruiksrecht van de woning en er op 10 januari 2026 een incident tussen partijen heeft plaatsgevonden dat de verstandhouding (verder) heeft verslechterd. Ten aanzien van het gebruiksrecht overweegt de voorzieningenrechter dat de belangen van partijen en hun zoon dienen te worden afgewogen, waarbij het belang van de zoon bijzonder gewicht toekomt. De zoon verbleef ten tijde van de mondelinge behandeling met gedaagde bij de moeder van gedaagde, een verblijf dat gezien de woonsituatie van de moeder van gedaagde niet duurzaam is. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor eiser betere alternatieven beschikbaar zijn dan voor gedaagde. Daarom wijst de voorzieningenrechter de vordering in reconventie van gedaagde toe en wordt zij met uitsluiting van eiser gerechtigd tot het gebruik van de woning.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
huurovereenkomst
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Groningen

Zaaknummer: C/18/251672 / KG ZA 26-18


Vonnis in kort geding van 11 maart 2026


in de zaak van



[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. G. Meijer,

tegen



[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. P.C. Schutte.




1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding en producties,- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie en producties,- de mondelinge behandeling van 5 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van [eiser] ,- de pleitnota van [gedaagde] .





2De feiten


2.1.

[eiser] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben samengewoond in [plaats] en zijn daarna verhuisd naar een woning in [woonplaats] . Ten aanzien van de woning in [woonplaats] , gelegen aan [adres] (hierna: de woning), hebben [eiser] en [gedaagde] op 25 september 2023 gezamenlijk een huurovereenkomst gesloten met verhuurder Acantus.



2.2.
Tijdens de relatie van [eiser] en [gedaagde] , op [geboortedatum] 2024, is hun zoon [zoon] geboren.



2.3.
De relatie tussen [eiser] en [gedaagde] is in het voorjaar van 2025 verbroken. In deze periode heeft [eiser] de woning enige tijd verlaten en verbleef toen bij zijn ouders, waarna hij naar de woning is teruggekeerd. In augustus 2025 heeft [gedaagde] met [zoon] de woning verlaten en verbleef daarna bij haar nieuwe partner. Ten tijde van de mondelinge behandeling verbleef [gedaagde] bij haar moeder.



2.4.
In het weekend van 10 januari 2026 is er bij de woning een aanvaring tussen [eiser] en [gedaagde] geweest. Deze escaleerde dusdanig dat de politie is gebeld en gekomen. Van dit incident is melding gemaakt bij Veilig Thuis.



2.5.
Zowel [eiser] als [gedaagde] staan nog altijd ingeschreven in de woning.





3Het geschil


in conventie



3.1.

[eiser] vordert - samengevat - dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat hij met uitsluiting van [gedaagde] gerechtigd is tot gebruik van de woning en te bepalen dat [gedaagde] de woning niet mag betreden zonder zijn toestemming.



3.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.


in reconventie




3.3.

[gedaagde] vordert - samengevat - dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat zij met uitsluiting van [eiser] gerechtigd is tot gebruik van de woning en te bepalen dat [eiser] de woning niet mag betreden zonder haar toestemming, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.



3.4.

[eiser] voert verweer.





4De beoordeling


Spoedeisend belang


4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat eiser daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.



4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat zowel [eiser] in conventie als [gedaagde] in reconventie een spoedeisend belang hebben bij de door hen gevorderde voorziening. Beide partijen hebben voldoende spoedeisend belang bij duidelijkheid over het gebruiksrecht van de woning, temeer nu het incident in het weekend van 10 januari 2026 ervoor heeft gezorgd dat de verstandhouding tussen partijen (verder) is verslechterd.


Inhoudelijke behandeling



4.3.
Nu niet in geschil is dat beide partijen (mede)huurders zijn van de woning, geldt als uitgangspunt dat beide partijen evenveel recht hebben op gebruik van die woning. De omstandigheid dat [eiser] nog steeds in de woning woont terwijl [gedaagde] uit de woning is vertrokken, maakt op zich niet dat [eiser] meer recht op gebruik van de woning heeft.



4.4.
Voor de beantwoording van de vraag wie van beide partijen naar voorlopig oordeel recht heeft op voortgezet gebruik van de desbetreffende woning, nu partijen niet meer wensen samen te wonen, dienen de belangen van partijen te worden afgewogen. Daarbij geldt, aangezien de te nemen beslissing ook (de belangen van) [zoon] raakt, dat artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind meebrengt dat de belangen van [zoon] de eerste overweging vormen. Dat betekent dat de rechter in geschillen die onder de reikwijdte van die bepaling vallen (“maatregelen betreffende kinderen”), bijzonder gewicht dient toe te kennen aan de belangen van het kind in kwestie. Dit betekent niet dat de belangen van [zoon] doorslaggevend zijn. Wel volgt daaruit dat aan die belangen een bijzonder gewicht toekomt in verhouding tot andere bij die maatregelen betrokken belangen.



4.5.
De voorzieningenrechter zal de over en weer ingestelde vorderingen met inachtneming van het voorgaande beoordelen. Die beoordeling leidt, de belangen van [zoon] en de door [eiser] en [gedaagde] aangevoerde belangen in aanmerking nemend, tot het oordeel dat de vordering van [gedaagde] zal worden toegewezen. De spiegelbeeldige vordering van [eiser] zal worden afgewezen. Voor dit oordeel is het volgende redengevend.



4.6.
Ten aanzien van [zoon] overweegt de voorzieningenrechter als volgt. [gedaagde] is hoofdverzorger van [zoon] en verzorgt hem doordeweeks. In het weekend is [zoon] met regelmaat bij [eiser] . [zoon] heeft er zonder meer belang bij dat er duidelijkheid komt over zijn hoofdverblijf. Ter zitting is door [eiser] betwist dat [gedaagde] bij haar moeder verblijft. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat [gedaagde] bij haar moeder verblijft gezien het feit dat [gedaagde] het adres van haar moeder als verblijfplaats heeft opgegeven voor haar bijstandsuitkering en medewerkers van de gemeente dit adres hebben bezocht ter controle. Hoe dit ook zij, de voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat de huidige verblijfplaats van [eiser] en [zoon] niet duurzaam is.



4.7.
Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat er voor [eiser] betere alternatieven mogelijk zijn dan voor [gedaagde] . [gedaagde] heeft gesteld dat [eiser] gemakkelijk onderdak zou kunnen krijgen bij zijn ouders, die daar voldoende ruimte voor hebben. Dit is door [eiser] niet betwist; [eiser] heeft ter zitting verklaard dat zijn ouders een vrijstaande woning hebben waar behalve de ouders niemand verblijft. Voor [gedaagde] zijn twee alternatieven ter sprake gekomen. Allereerst de zolderkamer waar zij de beperkte ruimte zou delen met haar (toenmalige) partner en [zoon] , en daarnaast de woning van haar moeder waar de ruimte dusdanig beperkt is dat haar broertje, die tot dan toe bij hun moeder inwoonde, tijdelijk bij zijn vriendin en haar ouders verblijft. Hoewel tussen partijen in geschil is waar [gedaagde] momenteel verblijft, acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat er op korte termijn een geschiktere alternatieve, tijdelijke, verblijfplaats beschikbaar is voor [eiser] dan voor [gedaagde] .



4.8.
De voorzieningenrechter overweegt echter dat er tussen [eiser] en [gedaagde] onderwerpen in geschil zijn die de voorzieningenrechter niet kan beslechten en dus niet mee kan wegen bij de onderhavige belangenafweging, nu een kort geding geen ruimte biedt voor bewijslevering. Zo is tussen [eiser] en [gedaagde] in geschil of [gedaagde] de kosten voor de woning op lange termijn kan dragen. Hoewel [gedaagde] inmiddels een uitkering krijgt, heeft zij de stelling van [eiser] dat bij haar huurtoeslag is teruggevorderd niet betwist. Daarnaast is tussen partijen in geschil of [gedaagde] nog samen is en woont met de man waarmee ze nadat de relatie met [eiser] eindigde een nieuwe relatie heeft gekregen, en of zij gezamenlijk naar een andere woning zoeken. Dit vonnis biedt een maatregel op korte termijn. Om ook voorgaande geschilpunten mee te kunnen nemen in een beoordeling, is een bodemprocedure aangewezen.



4.9.
Om [eiser] in de gelegenheid te stellen een verblijfplaats elders in gereedheid te brengen, zal worden bepaald dat het vonnis pas met ingang van 1 week na betekening van dit vonnis in werking treedt. De voorzieningenrechter houdt er bij deze termijn rekening mee dat [eiser] onderdak kan krijgen bij zijn ouders.



4.10.
De toewijzing van de vordering in reconventie brengt mee dat de vordering in conventie wordt afgewezen.



4.11.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.





5De beslissing

De voorzieningenrechter


in conventie



5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,


in reconventie




5.2.
bepaalt dat [gedaagde] met ingang van 1 week na betekening van dit vonnis met uitsluiting van [eiser] gerechtigd is tot het gebruik van de woning gelegen te [plaats] aan [adres] en dat [eiser] vanaf die datum de woning niet mag betreden anders dan met toestemming van de vrouw,



5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,


in conventie en in reconventie




5.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Griffioen en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.

1185



Hoge Raad 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799; Rechtbank Limburg 4 maart 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:1849.
Link naar deze uitspraak