Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:2144 
 
Datum uitspraak:20-05-2026
Datum gepubliceerd:02-06-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:LEE 26-1471
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers. De minderjarige is geboren uit een draagmoeder op 20 februari 2026 te Tbilisi in Georgië. Het verzoek is gericht tegen het besluit van 29 april 2026 (HDCV-CSO-RD-2026-1723). In dat besluit staat dat de aanvraag voor een Nederlands reisdocument voor de minderjarige niet in behandeling kan worden genomen. De reden daarvoor is dat de identiteit en de Nederlandse nationaliteit van de minderjarige niet kunnen worden vastgesteld, aldus de minister.
Trefwoorden:ingezetene
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1471

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 mei 2026 in de zaak tussen



[verzoeker] , verzoeker


[verzoekster]
, verzoekster, beiden uit [woonplaats]
(gemachtigde: mr. A.C. Bouma)

en



de Minister van Buitenlandse Zaken
(gemachtigde: mr. J.L.K. Hu)




Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers. [De minderjarige] is geboren uit een draagmoeder op [geboortedatum] te [geboorteplaats] in [geboorteland] . Het verzoek is gericht tegen het besluit van 29 april 2026 (HDCV-CSO-RD-2026-1723). In dat besluit staat dat de aanvraag voor een Nederlands reisdocument voor [de minderjarige] niet in behandeling kan worden genomen. De reden daarvoor is dat de identiteit en de Nederlandse nationaliteit van [de minderjarige] niet kunnen worden vastgesteld, aldus de minister.

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.


2.1.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is. Onder “kennelijk” wordt verstaan dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is.



2.2.
Verzoekers hebben tegen het besluit van 29 april 2026 bezwaar gemaakt.





Het verzoek om een voorlopige voorziening

3. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om – hangende de bezwaarprocedure – een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat de minister wordt opgedragen om ten behoeve van [de minderjarige] , aan verzoekers een nooddocument (laissez-passer) te verstrekken, op grond waarvan [de minderjarige] naar Nederland kan reizen en op Nederlands grondgebied kan verblijven.
Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. Verzoeker is Nederlander door geboorte. Verzoekster heeft [een buitenlandse] nationaliteit en heeft rechtmatig verblijf in Nederland op basis van een verblijfsvergunning EU langdurig ingezetene. Zij zijn op 29 juli 2022 een huwelijk aangegaan. Aan verzoekster is door de burgemeester van [de woongemeente] meegedeeld dat de uitreiking van het naturalisatiebesluit zal plaatsvinden op 29 juni 2026 te [woonplaats] . Daardoor zal verzoekster Nederlandse worden.

5. Op 23 juni 2025 is een “Agreement on the service of transplantation and bringing up of embryo into the uterus of a surrogate mother” ondertekend. Die overeenkomst is gesloten tussen verzoekers en [naam draagmoeder] , de draagmoeder. Naar de voorzieningenrechter begrijpt is de strekking van de overeenkomst dat partijen zijn overeengekomen dat uit de draagmoeder een kind geboren zal worden dat genetisch het eigen kind is van verzoekers.

6. [De minderjarige] is geboren uit de draagmoeder op [geboortedatum] te [geboorteplaats] in [geboorteland] .

7. Op 4 maart 2026 is door verzoekers een paspoort aangevraagd ten behoeve van [de minderjarige] .

8. Bij besluit van 29 april 2026 is aan verzoekers meegedeeld dat de aanvraag voor een Nederlands reisdocument niet in behandeling kan worden genomen. De reden hiervoor is dat de identiteit en de Nederlandse nationaliteit van [de minderjarige] niet kunnen worden vastgesteld, aldus de minister. Hij heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd, waarbij de voetnoot is weggelaten.

“Uit de door u overgelegde documenten blijkt dat [de minderjarige] is geboren middels een draagmoederschapsconstructie.

Er bestaat geen Nederlandse wet- en regelgeving die het erkennen van een afstammingsrelatie uit een (buitenlandse) draagmoederschapsconstructie mogelijk maken. Uit de rechtspraktijk blijkt dat voor het kunnen erkennen ervan achtereenvolgend de volgende voorwaarden gelden:

1) De biologische verwantschap met (tenminste [sic] één van de) Nederlandse wensouders moet met een rechtsgeldig DNA-onderzoek worden aangetoond[…];
2) Er dient in het buitenland een rechtsgeldige afstammingsrelatie tussen het kind en (tenminste één van) de biologische wensouder(s) tot stand te zijn gekomen;
3) Er moet zijn getoetst of de erkenning van de afstammingsrelatie, zoals neergelegd in de bevoegd opgemaakte buitenlandse geboorteakte, verenigbaar is met de Nederlandse openbare orde. Dit kan alleen door een Nederlandse rechter.

Als niet aan al deze voorwaarden wordt voldaan, kunnen de identiteit en daarmee het Nederlanderschap van een uit een draagmoederschapsconstructie geboren kind niet worden vastgesteld.

Uit de paspoortaanvraag overgelegde documenten blijkt dat:
 geen rechtsgeldig DNA-onderzoeksrapport is overgelegd;
 niet is gebleken dat de afstammingsrelatie van [de minderjarige] met de vader en moeder die zijn opgenomen in de buitenlandse akte door de Nederlandse rechter voor erkenning is getoetst op verenigbaarheid met de openbare orde.

De aanvraag voor een Nederlands reisdocument wordt daarom niet verder in behandeling genomen.”

9. De voorzieningenrechter overweegt dat [de minderjarige] op dit moment in [geboorteland] wordt verzorgd door verzoekers.

10. Onder de gedingstukken bevind zich een DNA-rapport van Verilabs, gedateerd 13 april 2026. Daarin staat dat het vaderschapsonderzoek bevestigend is, met een waarschijnlijkheid van meer dan 99.9% is aangetoond dat de persoon geïdentificeerd als [verzoeker] de biologische vader is van de persoon geïdentificeerd als [de minderjarige] . Daarin staat ook dat het moederschapsonderzoek bevestigend is, met een waarschijnlijkheid van meer dan 99.9% is aangetoond dat de persoon geïdentificeerd als [verzoekster] de biologische moeder is van de persoon geïdentificeerd als [de minderjarige] .

11. De voorzieningenrechter maakt een belangenafweging.


11.1.
Het belang van verzoekers is dat [de minderjarige] niet de [nationaliteit van het geboorteland] bezit en op dit moment staatloos is. Verzoekers hebben werkverplichtingen in Nederland. Verzoeker werkt als zelfstandig vermogensbeheerder. In [geboorteland] mist hij de infrastructuur en apparatuur om effectief te kunnen werken en snel te kunnen handelen. Tevens ontbreekt een betrouwbare internetverbinding, wat het uitoefenen van zijn werkzaamheden op afstand moeilijk maakt. Verzoekster werkt als onderzoeker en projectmanager voor [de werkgeefster] , waarvoor ze frequent in persoon aanwezig moet zijn. Ook heeft ze verschillende medische behandelingen lopen, waarvan de afspraken niet onbeperkt kunnen worden uitgesteld. Verzoekers bevinden zich tevens midden in de verbouwing van hun nieuwe woning in Nederland. Verdere vertraging van de bouw brengt aanzienlijke kosten met zich mee. Bovendien verloopt verzoeksters visum voor [geboorteland] op 13 mei 2026. Haar aanvraag voor een verlenging is afgewezen. Verder is van belang dat op 29 juni 2026 de uitreiking van het naturalisatiebesluit van verzoekster zal plaatsvinden. Een spoedige terugkeer is daarom noodzakelijk. Het gezin blijft thans in [geboorteland] , zonder sociaal netwerk en hulp van vrienden en familie. Daarnaast brengt een verblijf in [geboorteland] aanzienlijke kosten met zich. Deze kosten zijn er niet als het gezin naar Nederland kan reizen. Het is in het belang van verzoekers om in Nederland als gezin te kunnen samenleven en vanuit die situatie vervolgens de noodzakelijke procedures door te lopen. Daarbij is het voor [de minderjarige] van belang dat zij haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft ten tijde van het indienen van het verzoekschrift in Nederland dat ziet op de afstammingsrechtelijke relatie tussen [de minderjarige] en verzoekers, zodat de Nederlandse rechter bevoegd zal zijn om te beslissen op het verzoekschrift.



11.2.
Het belang van de minister is dat geen laissez-passer wordt verstrekt ten behoeve van [de minderjarige] , omdat zij daar naar geldend Nederlands recht niet voor in aanmerking komt. Het is onwenselijk dat [de minderjarige] reeds in Nederland verblijft zonder dat een rechter de draagmoederschapsconstructie heeft kunnen toetsen aan de openbare orde, aldus de minister.



11.3.
Bij gebrek aan een wettelijke regeling die ziet op een geval als het onderhavige kan alleen de rechter de minister opdragen om aan [de minderjarige] een laissez-passer te verstrekken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het niet in het belang van [de minderjarige] als zij als staatloos burger, zonder de verzorging door verzoekers in [geboorteland] zou moeten achterblijven. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het belang van verzoekers en [de minderjarige] zwaarder weegt dan het belang van de minister. De voorzieningenrechter heeft daarbij betrokken dat het aannemelijk is dat [de minderjarige] , eenmaal in Nederland, daadwerkelijk in juridische zin het kind van verzoekers zal worden. Daarbij wijst de voorzieningenrechter er op dat de minister over het verwantschapsonderzoek van Verilabs naar voren heeft gebracht dat door het overleggen van het rapport inmiddels praktisch is bewezen dat verzoekers de biologische ouders van [de minderjarige] zijn. De voorzieningenrechter acht het in het belang van [de minderjarige] dat zij vooralsnog in Nederland kan verblijven.

12. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen en de minister opdragen om ten behoeve van [de minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] in [geboorteland] , aan verzoekers binnen tien werkdagen nadat deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar een reisdocument te verstrekken, op grond waarvan [de minderjarige] naar Nederland kan reizen en op Nederlands grondgebied kan verblijven totdat de Nederlandse rechter de vraag heeft beantwoord of de geboorteakte gedateerd 6 maart 2026, waarbij de [autoriteiten van het geboorteland] de afstammingsrechtelijke relatie hebben vastgesteld tussen [de minderjarige] en verzoekers, naar Nederlands recht kan worden erkend.

13. Omdat het verzoek zal worden toegewezen moet de minister het griffierecht aan verzoekers vergoeden, met dien verstande dat betaling aan verzoeker bevrijdend werkt ten opzichte van verzoekster en andersom. De griffier heeft een griffierecht van € 200,– geheven.

14. Ten aanzien van de door mr. A.C. Bouma beroepsmatig verleende rechtsbijstand veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in betaling van een forfaitaire proceskostenvergoeding. Deze kosten worden voor de voorlopige voorziening vastgesteld op € 934,– (1 punt voor het verzoekschrift, en wegingsfactor 1), met dien verstande dat betaling aan verzoeker bevrijdend werkt ten opzichte van verzoekster en andersom.

Beslissing


De voorzieningenrechter:



wijst het verzoek toe;


draagt de minister op om ten behoeve van [de minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] in [geboorteland] , aan verzoekers binnen tien werkdagen nadat uitspraak is uitgesproken in het openbaar een reisdocument te verstrekken, op grond waarvan [de minderjarige] naar Nederland kan reizen en op Nederlands grondgebied kan verblijven totdat de Nederlandse rechter de vraag heeft beantwoord of de geboorteakte gedateerd 6 maart 2026, waarbij de [autoriteiten van het geboorteland] de afstammingsrechtelijke relatie hebben vastgesteld tussen [de minderjarige] en verzoekers, naar Nederlands recht kan worden erkend;


bepaalt dat de minister het griffierecht aan verzoekers moet vergoeden;


veroordeelt de minister tot betaling van € 934,– aan proceskosten aan verzoekers;


wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.





Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.













griffier


voorzieningenrechter




















Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Link naar deze uitspraak