|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2026:2489 | | | | | Datum uitspraak | : | 18-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 26-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | LEE 26/1354 en 26/1515 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Omgevingsvergunning voor het realiseren van een nieuwe stal voor vleeskuikens en het realiseren van vier overdekte uitlopen aan de bestaande stallen. Goede procesorde. Relativiteit (natuurbescherming). Vvgb van de raad is niet vereist. Ook een ruimtelijke onderbouwing is niet vereist. Verschrijving voor wat betreft de grondslag van het besluit. College mocht gebruikmaken van binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Milieuaspecten geluid en geur. Belangenafweging. Geen aanleiding om een last onder bestuursdwang aan de uitspraak te verbinden. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bedrijfswoning | | | bestemmingsplan | | | bestuursdwang | | | buitengebied | | | fijnstof | | | geluidhinder | | | geurhinder | | | intensieve veehouderij | | | meststoffenwet | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | pluimveehouderij | | | stallen | | | veehouderij | | | wabo | | | wet milieubeheer | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
locatie Groningen
zaaknummers: LEE 26/1354 en 26/1515
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
1. [Verzoeksters]uit [plaats], verzoeksters 1,
(gemachtigde: mr. R.J. Grasmeijer),
2. E.J. Boeruit [plaats], verzoeker 2,
(gemachtigde: mr. J.T. Fuller),
hierna gezamenlijk te noemen: verzoeksters.
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe, het college,
(gemachtigde: mr. R.S. Wertheim).
Als derde-partij neemt aan het geding deel: [vergunninghoudster] gevestigd in [plaats], vergunninghoudster,
(gemachtigde: B.H. Woppereis).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning die het college heeft verleend voor het realiseren van een nieuwe stal voor vleeskuikens en het realiseren van overdekte uitlopen aan de vier bestaande stallen op het perceel aan de [adres] (het perceel) in [plaats]. Verzoeksters hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd de verleende omgevingsvergunning te schorsen.
1.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Verzoeksters 1 zijn in persoon verschenen, vergezeld door [naam] (woordvoerder) en bijgestaan door hun gemachtigde. Verzoeker 2 is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, M.J. Siersema (Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe), T. Kamphuis (casemanager ruimtelijke ordening) en F. Minkema (juridisch medewerker). Namens vergunninghoudster is verschenen [naam], bijgestaan door de gemachtigde.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter beoordeelt de verzoeken aan de hand van de gronden die verzoeksters hebben aangevoerd. De verzoeken om voorlopige voorziening moeten worden afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.1. De wet- en regelgeving die belangrijk is voor de beoordeling van de verzoeken, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Feiten
3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3.1. Vergunninghoudster is een (intensieve) pluimveehoudster. Zij is bezig met de omschakeling van het houden van ‘plofkippen’ naar het houden van beter leven-1 ster-kippen.
3.2. Vergunninghoudster heeft op 20 maart 2023 een “aanmeldnotitie vormvrije M.E.R.-beoordeling” bij het college ingediend, die was opgesteld door Van Westreenen voor de wijziging van het bestaande agrarische bedrijf.
3.3. Vergunninghoudster heeft op 22 maart 2023 een aanvraag om omgevings-vergunning bij het college ingediend, voor het realiseren van een nieuwe stal voor vleeskuikens en overdekte uitlopen aan de vier bestaande stallen op het perceel.
De aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op de volgende activiteiten:
- bouwen;
- handelen in strijd met regels van de ruimtelijke ordening;
- het veranderen of veranderen van de werking van de inrichting (revisie).
3.4. Bij besluit van 1 juli 2024 heeft het college besloten dat voor de beoogde verandering van de inrichting van vergunninghoudster geen milieueffectrapport (MER) nodig is. Dit was een voorbereidingsbesluit in de zin van artikel 6:3 (https://www.inview.nl/openCitation/id366137044f51396edad15489f24c3f82) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.5. Het college heeft op 1 juli 2024 een ontwerpbesluit genomen om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Het college heeft dit ontwerpbesluit inclusief de onderliggende stukken ter inzage gelegd in de periode van 5 juli 2024 tot en met
16 augustus 2024. Daarbij heeft het college eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen.
3.6. Verzoeksters 1 hebben in een brief van 14 augustus 2024 een zienswijze bij het college ingediend dat was gericht tegen het ontwerpbesluit.
Ook verzoeker 2 heeft in een brief van 14 augustus 2024 een zienswijze bij het college ingediend, gericht tegen het ontwerpbesluit.
3.7. Bij het bestreden besluit heeft het college aan vergunninghoudster de omgevingsvergunning verleend.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
4. Een verzoek om voorlopige voorziening kan alleen worden toegewezen als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat het spoedeisende belang aan de kant van verzoeksters aanwezig is, omdat vergunninghoudster heeft aangegeven dat zij al is begonnen met de bouwwerkzaamheden.
Welk recht is van toepassing?
5. Per 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Omdat vergunninghoudster de aanvraag om omgevingsvergunning vóór die datum bij het college heeft ingediend, is de Wabo met de onderliggende regelingen van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht.
Bevoegdheid tot kortsluiten
6. Gelet op de stukken en op wat er is besproken tijdens de zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor de volledige beoordeling van de beroepszaak nader onderzoek nodig is. Er bestaat daarom geen aanleiding om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
6.1. Dit betekent dat in dit geval alleen uitspraak zal worden gedaan op de verzoeken om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal daarom een voorlopige beoordeling geven van de rechtmatigheid van het bestreden besluit en zal dat betrekken bij het oordeel over de vraag of het verzoek, gelet op de betrokken belangen, kan worden toegewezen.
Het geschil
7. Tussen partijen is in geschil of het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor het realiseren van een nieuwe stal voor vleeskuikens en het realiseren van overdekte uitlopen aan de vier bestaande stallen. Daarover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Goede procesorde
8. Op de laatste werkdag vóór de zitting hebben verzoeksters 1 ruim 150 pagina’s aan producties overgelegd, waaronder een omvangrijke contra-expertise van Blauw luchthygiëne onderzoek en advies op het gebied van geur. Gelet op de omvang van deze producties en de dag waarop die zijn overgelegd, zal de voorzieningenrechter deze producties wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten. Verzoeksters 1 hebben op de zitting de gelegenheid gekregen om hun standpunt over het bestreden besluit toe te lichten.
Kunnen verzoeksters zich beroepen op de regels voor natuurbescherming?
9. Verzoekers betogen dat in dit geval een vvgb van het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe (college van GS) vereist is. Verzoekers voeren aan dat het college in de beoordeling ten onrechte rekening heeft gehouden met het feit dat er intern gesaldeerd wordt. In dit verband wijzen verzoekers erop dat intern salderen sinds de uitspraken van 18 december 2024 van de Afdeling niet meer mogelijk is. Dit betekent volgens verzoekers dat vergunninghoudster mede een aanvraag op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) had moeten indienen. Gelet daarop stellen verzoekers dat het college van GS een vvgb had moeten afgeven. Van een dergelijke vvgb is niet gebleken. Naar de mening van verzoekers heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning ten onrechte verleend.
9.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan slagen vanwege het zogenoemde ‘relativiteitsbeginsel’. De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet bedoeld is voor de bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
9.2. In de Wnb staan bepalingen over de beoordeling van projecten die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Die regels zijn bedoeld om de natuurwaarden in deze gebieden te beschermen. De belangen van verzoeksters hebben te maken met de gebruiksmogelijkheden van vergunninghoudster en de invloed hiervan op hun (nabijgelegen) percelen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de regels van de Wnb niet zijn bedoeld om deze belangen van verzoeksters te beschermen. Het is ook niet zo dat de belangen van verzoeksters zijn verweven met het algemene natuurbelang van de Wnb. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied “Dwingelderveld” is daarvoor te ver van de percelen van verzoeksters (op ongeveer vier kilometer). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is die afstand te groot om verwevenheid aan te nemen. Het relativiteitsbeginsel maakt dat dit argument van verzoeksters dus niet kan leiden tot schorsing of vernietiging van het bestreden besluit. Dit betekent dat de voorzieningenrechter deze door verzoeksters naar voren gebrachte grond niet inhoudelijk zal beoordelen.
Verklaring van geen bedenkingen van de raad van de gemeente Midden-Drenthe
10. Verzoekers betogen dat in dit geval (ook) ten onrechte een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de raad van de gemeente Midden-Drenthe (de raad) ontbreekt. Naar de mening van verzoekers is een vvgb van de raad vereist. Het college heeft bij het verlenen van de omgevingsvergunning namelijk toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten derde, van de Wabo om af te wijken van het bestemmingsplan “Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022” (het bestemmingsplan). Voor die gevallen bepaalt de wet dat er een vvgb van de raad vereist is, behalve in uitzonderingsgevallen die zijn aangewezen. Van zo’n uitzondering is in dit geval geen sprake. Toch ontbreekt de vvgb. Volgens verzoekers was het college daarom in dit geval niet bevoegd om de omgevingsvergunning te verlenen.
10.1. Het college stelt zich op het standpunt dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning toepassing is gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerste, van de Wabo om binnenplans af te wijken van het bestemmingsplan. Daarvoor gelden andere regels dan voor de categorie (ten derde) die hiervoor is genoemd. Dit betekent volgens het college dat een vvgb van de raad niet vereist is en dat geen ruimtelijke onderbouwing hoeft te worden opgesteld.
10.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter slaagt deze grond niet. Het college was in dit geval bevoegd om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Hierbij stelt de voorzieningenrechter vast dat het college in dit geval de gevraagde omgevingsvergunning heeft verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerste van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 4, vierde lid onder b en c, van de planregels van het bestemmingsplan. Dit betreft een binnenplanse afwijkmogelijkheid. Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat een vvgb van de raad in dit geval niet vereist is en dat geen ruimtelijke onderbouwing hoefde te worden opgesteld. Weliswaar heeft het college in het bestreden besluit ten onrechte als juridische grondslag artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten derde, van de Wabo vermeld, maar uit het ontwerpbesluit en de zienswijzennota blijkt dat bedoeld werd om binnenplans af te wijken. Hieruit moet worden afgeleid dat sprake is van een (slordige) verschrijving van het college voor wat betreft de grondslag. Dat is op zichzelf echter onvoldoende reden om het besluit te schorsen.
Mocht het college gebruik maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid?
11. Verzoekers betogen dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat in dit geval gebruik kan worden gemaakt van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Verzoekers voeren aan dat niet wordt voldaan aan de criteria voor toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Daarbij gaat het volgens verzoekers vooral om het criterium dat moet zijn aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Verzoekers vrezen voor een onaanvaardbare toename van geluidhinder als gevolg van de vergunde activiteiten. Zij wijzen erop dat het onzeker is of bij de berekeningen van de geluidbelasting de juiste uitgangspunten zijn gehanteerd. Bovendien is berekende toename van geluidbelasting op de woning van verzoeksters 1 niet acceptabel. Verder vrezen verzoekers voor een onaanvaardbare toename van geurhinder en van de emissies van fijnstof als gevolg van de vergunde activiteiten. Gelet daarop kan het bouwplan naar de mening van verzoekers niet in overeenstemming worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. Volgens verzoekers is er sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan een intensieve veehouderij op het perceel toelaat. Het college voert aan dat er sprake is van het afwijken van het bestemmingsplan voor wat betreft de bouwregels. Verder zijn de geluidsvoorschriften in de nieuwe vergunning volgens het college aangescherpt ten opzichte van de vergunning van 2016, op grond van de resultaten van het uitgevoerde akoestisch onderzoek. Uit het geluidsrapport blijkt volgens het college het geluid op de woning van verzoeksters 1 tijdens de incidentele bedrijfssituatie in de dagperiode met 1 dB toeneemt. Dat is naar de mening van het college geen reden om de omgevingsvergunning te weigeren. Daarnaast voert het college aan dat uit de uitgevoerde geurberekening blijkt dat wordt voldaan aan de norm van 14 Ou/m3, die geldt voor geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied.
11.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet op voorhand aannemelijk dat deze beroepsgrond zal slagen. De voorzieningenrechter licht dit hieronder toe.
11.3. Het bestemmingsplan laat op het perceel een intensieve veehouderij toe, zoals de beoogde uitbreiding van de pluimveehouderij. De ruimtelijke belangen die betrokken zijn bij een intensieve veehouderij op deze locatie zijn daarom in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan al afgewogen. De voorzieningenrechter stelt vast dat de afwijking van het bestemmingsplan alleen te maken heeft met de bouwregels over het bebouwingsoppervlak en de situering. Verzoekers maken zich zorgen over een verslechtering van de milieu- en woonsituatie door een toename van de emissies van geur, geluid en fijnstof en de daarmee gepaard gaande gezondheidsrisico’s. Maar zo’n toename had ook veroorzaakt kunnen worden door een uitbreiding van de inrichting die wel in overeenstemming zou zijn met deze bouwregels (en dus niet in strijd met het bestemmingsplan).
11.4. Het is niet aannemelijk geworden dat er sprake is van een onevenredige afbreuk van de milieusituatie en de woonsituatie van verzoeksters 1, alleen doordat het geluid op hun woning met 1 dB toeneemt tijdens de incidentele bedrijfssituatie. Verzoekers hebben niet betwist dat ook met die toename nog voldaan wordt aan de richtwaarden op grond van de Handreiking industrielawaai vergunningverlening (Handreiking). Zij hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat er voor het maximale geluidsniveau (LAmax) sprake is van een overschrijding van de richtwaarde op grond van de Handreiking. Zij hebben alleen gesteld dat er sprake is van een overschrijding van de streefwaarde voor het maximale geluidsniveau. Dat is nog geen overschrijding van de richtwaarde.
11.5. Verder is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat er vanwege de gestelde geurhinder sprake is van een onevenredige afbreuk van de milieusituatie en de woonsituatie van verzoekers. Het college heeft daarbij verwezen naar een uitgevoerde geurberekening. Onder deze omstandigheden heeft het college in de door verzoekers gestelde hinder en gezondheidsrisico’s in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien de omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan te weigeren. Er is door verzoekers ook onvoldoende onderbouwd dat gezondheidsrisico’s het college aanleiding hadden moeten geven om advies van de GGD in te winnen voor de vergunningverlening. Ook is niet voldoende concreet gemaakt dat eerdere GGD-advisering met betrekking tot het hanteren van het voorzorgbeginsel en de intensieve veehouderij voor het college aanleiding hadden moeten zijn om deze vergunning te weigeren. Gelet op de voorgaande overwegingen bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Milieu-aspecten (geluid en geur)
12. Verzoeksters 1 twijfelen aan de berekeningen van geluid en geur waar het college vanuit is gegaan in de besluitvorming. Specifiek betwisten zij de gehanteerde uitgangswaarde van de uittreesnelheid vanwege:
- de benodigde ventilatiecapaciteit;
- de diameter van de uitstroomopening;
- de warmtewisselaar;
- het aantal warmtewisselaars per stal;
- het aantal ventilatoren warmtewisselaar(s);
- het in werking zijn van de warmtewisselaar(s);
- de capaciteit van de ventilatoren;
- de capaciteit van de ventilatoren van de warmtewisselaar;
- de eisen aan cascade gestuurde ventilatie;
- het ten onrechte uitgaan van cascade-gestuurde ventilatie.
Gelet daarop zijn verzoeksters onder 1 van mening dat het college de in opdracht van vergunninghoudster opgestelde deskundigenrapporten met betrekking tot geluid en geur niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.
12.1. Deze voorlopige voorzieningenprocedure leent zich niet voor de behandeling van complexe technisch-juridische vragen. De vragen die verzoeksters 1 opwerpen over de werking van de ventilatoren en eigenschappen van de ventilatoren en de warmtewisselaar (capaciteit, diameter uitstroomopening en cascade-gestuurd) zijn voorbeelden van zulke complexe technisch juridische vragen. De beantwoording van die vragen vergt mogelijk nader onderzoek door middel van het inwinnen van advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) dat in de bodemprocedure moet plaatsvinden. Dit betekent dat de voorzieningenrechter hierover geen voorlopig oordeel kan geven en zich zal beperken tot een belangenafweging.
12.2. Na afweging van de betrokken belangen is de voorzieningenrechter van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding bestaat om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de vrees voor geur- en geluidsoverlast die verzoeksters naar voren hebben gebrachte weliswaar reëel is, maar dat er geen concrete aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het bestreden besluit zal leiden tot een verslechtering van de woon- en leefsituatie van verzoeksters. Vooral ook omdat op grond van de bestaande omgevingsvergunning ook ’s nachts activiteiten zijn toegestaan (het verladen van de vleeskuikens). Daar komt bij dat de voorzieningenrechter de toelichting met betrekking tot geur, fijnstof en endotoxinen die de gemachtigde Siersema tijdens de zitting heeft gegeven plausibel acht. De voorzieningenrechter concludeert dat het niet op voorhand zeker is dat de vergunde pluimveehouderij, waarvoor in 2023 uitbreiding is aangevraagd, niet ruimtelijk en milieutechnisch kan worden ingepast, ondanks de bezwaren van verzoeksters. Hierbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de gevraagde uitbreiding ziet op het bouwen van een pluimveestal en het plaatsen van overdekte uitlopen aan de bestaande stallen, maar dat het aantal te houden dieren met 33.500 afneemt. Dat zal een positieve invloed hebben op de uitstoot van geur, fijnstof en endotoxinen. Vergunninghoudster heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat schorsing van de verleende omgevingsvergunning de verandering van de bedrijfsvoering verhindert en een drastische reductie van het inkomen (tot 50%) met zich brengt, zodat zij dan zal moeten terugvallen op de activiteiten die zij verricht op grond van de oude vergunning. Dat houdt in: het houden van 33.500 meer (plof)kippen, inclusief nachtelijke activiteiten.
12.3. De voorzieningenrechter heeft begrip voor de zorgen van verzoekers over hun woon- en leefklimaat. Toch is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verzoeksters bij schorsing minder zwaar wegen dan de overige belangen. De voorzieningenrechter is er niet op voorhand van overtuigd (geraakt) dat de uitkomst van de beroepsprocedure ertoe zal leiden dat de gevraagde omgevingsvergunning moet worden geweigerd door het college. Met de uitkomst van de beroepsprocedure zal meer duidelijkheid komen over de ruimtelijke en milieutechnische inpassing van de activiteiten.
Conclusie en gevolgen
13. Gelet op de voorgaande overwegingen bestaat er, na afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen of een maatregel op te leggen. De verzoeken daartoe worden afgewezen. Omdat de verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de verzochte en verstrekkende last onder bestuursdwang aan de uitspraak te verbinden. Het verzoek daartoe van verzoeker 2 wordt afgewezen.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af;
- wijst het verzoek van verzoeker onder 2 om een last onder bestuursdwang aan de uitspraak te verbinden, af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Uitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:81
1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
(…).
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…).
(…)
e. 1. het oprichten,
2. het veranderen of veranderen van de werking of
3. het in werking hebben
van een inrichting of mijnbouwwerk.
(…)
i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.
(…)
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
(…)
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…);
d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a (https://www.inview.nl/openCitation/id19d9f7d1dcae1b42bc994c4e76c6729c), van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. (…)
Artikel 2.14
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e:
a. betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:
1°. de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting of het mijnbouwwerk daarvoor gevolgen kan veroorzaken;
2°. de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan;
(…)
b. houdt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval rekening met:
1°. het voor hem geldende milieubeleidsplan;
2°. het bepaalde in de artikelen 10.14 en 10.29a van de Wet milieubeheer;
3°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 of 5.17 van de Wet milieubeheer;
c. neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht:
1°. dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast;
2°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer, is vastgelegd in of krachtens artikel 5.16 van die wet, dan wel voor zover het inrichtingen betreft voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder.
(…)
3. Voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in het eerste lid, kan de omgevingsvergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.
4. Het bevoegd gezag geeft in de motivering van de beslissing op de aanvraag te kennen, op welke wijze de in het eerste lid, onder a, genoemde aspecten de inhoud van het besluit hebben beïnvloed. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onder c, onder 3°, vermeldt het bevoegd gezag dit in de motivering.
(…)
7. Bij de toepassing van het eerste lid worden gronden en bouwwerken in de omgeving van de inrichting in aanmerking genomen overeenkomstig het bestemmingsplan, de beheersverordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning.
Besluit omgevingsrecht
Artikel 2.2aa Activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving
Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:
a. het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste en tweede lid, of 9.4, eerste, achtste of negende lid, van die wet, artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015158&artikel=9&g=2023-07-01&z=2026-02-12) of artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006147&artikel=13&g=2023-07-01&z=2026-02-12), voor zover dat project, onderscheidenlijk die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor dat project geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is aangevraagd of verleend.
(…).
Artikel 6.10a Natura 2000- en flora- en fauna-activiteiten
1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a of b, wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.
(…).
4. Een verklaring kan slechts worden gegeven:
a. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.aa, onderdeel a: op de gronden, die zijn aangegeven in artikel 2.8 en artikel 5.5, derde lid, van de Wet natuurbescherming, het bepaalde krachtens artikel 2.9, vierde lid, van die wet en artikel 2.14 van het Besluit natuurbescherming.
(…).
Wet geurhinder en veehouderij
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
concentratiegebied: concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost als aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&bijlage=I&g=2023-05-21&z=2026-05-21), of een als zodanig bij gemeentelijke verordening aangewezen gebied.
(…).
Artikel 2
1. Bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot met 9 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0020396/2013-01-01/0?g=2023-05-21&z=2026-05-21).
(…).
Artikel 3
1. Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen:
a. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht;
b. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;
c. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht;
d. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht.
(…).
4. Indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is dan aangegeven in dat lid, het aantal dieren van één of meer diercategorieën toeneemt, en een geurbelastingreducerende maatregel zal worden toegepast, dan wordt een omgevingsvergunning verleend voor zover het betreft de wijziging van het aantal dieren, voor zover de toename van de geurbelasting ten gevolge van die wijziging niet meer bedraagt dan de helft van de vermindering van de geurbelasting die het gevolg zou zijn van de toegepaste geurbelastingreducerende maatregel bij het eerder vergunde veebestand.
Artikel 6
1. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0020396/2013-01-01/0?g=2023-05-21&z=2026-05-21), met dien verstande dat deze andere waarde:
a. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;
b. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 35,0 odour units per kubieke meter lucht;
c. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht;
d. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 20,0 odour units per kubieke meter lucht.
(…).
Verordening Leefomgeving Midden-Drenthe 2024
Artikel 3.5 Andere waarden voor de geurbelasting
1. Bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij neemt het bevoegd gezag de in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan bepaalde geurnormen en minimale vaste afstanden in acht.
(…).
3. In afwijking van het eerste lid is voor het gebied van de gemeente liggende buiten de op de bij deze verordening behorende kaarten aangewezen gebieden de geurnorm
14 Odourunits/m3 lucht.
Bestemmingsplan “Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022”
Aan het perceel zijn de bestemmingen “Waarde – Archeologie 2” en “Agrarisch met waarden-1” toegekend, alsmede de functieaanduiding “intensieve veehouderij”.
Artikel 4 Agrarisch met waarden-1
Artikel 4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor “Agrarisch met waarden – 1” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
(…).
c. de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’;
(…).
Artikel 4.2 Bouwregels
a. Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
1. er zullen uitsluitend gebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van agrarische bedrijven met bijbehorende functies worden gebouwd;
(…);
4a. de gebouwen zullen uitsluitend binnen een aaneengesloten vierhoek van 1,5 ha, dan wel bouwvlak worden gebouwd gerekend vanuit de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf', 'intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf met intensieve tak', waarbij de diepte van de vierhoek (ongeveer haaks op de naar de weg gerichte gevel van de bedrijfswoning, dan wel overeenkomstig de richting van de bestaande bebouwing) altijd langer is dan de breedte (ongeveer evenwijdig aan de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning, dan wel overeenkomstig de richting van de bestaande bebouwing) van de vierhoek. In afwijking hiervan zijn in bestaande situaties waarin de bebouwing niet binnen een vierhoek, dan wel bouwvlak is gesitueerd ook andere vormen toegestaan;
4b. in uitzondering op het gestelde onder a, mogen tevens gebouwen worden gebouwd overeenkomstig de bestaande situatie, dan wel binnen een bouwvlak, zoals ter plaatse is aangeduid;
5. de diepte van een aaneengesloten vierhoek zal ten hoogste 200 m bedragen, gerekend vanaf de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning. Indien geen bedrijfswoning aanwezig is, zal de diepte worden gerekend vanaf de naar de weg gekeerde perceelgrens. De grootste afstand in de breedte van een vierhoek zal ten hoogste 125 m bedragen, zodanig dat er wordt gebouwd binnen een denkbeeldige vierhoek;
(…);
16. ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ en ‘specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf met intensieve tak’ worden bedrijfsgebouwen in ten hoogste één bouwlaag gebouwd.
(…).
Artikel 4.4 Afwijken van de bouwregels
Bij gebruikmaking van de bevoegdheid bij een omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels worden de algemene toetsingscriteria afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden als genoemd in artikel 48.2 gehanteerd.
Onderstaande bevoegdheden kunnen ook nog worden toegepast na gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheid onder b.
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:
(…);
b. lid 4.2 sub a onder 4 en 5:
en worden toegestaan dat de aaneengesloten vierhoek van 1,5 ha, dan wel bouwvlak wordt vergroot, mits:
1. de oppervlakte van de aaneengesloten vierhoek, dan wel bouwvlak wordt vergroot tot ten hoogste 2 ha;
2. deze afwijking niet wordt toegepast ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1 ha';
3. met de vormgeving van de aaneengesloten vierhoek, dan wel bouwvlak zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de landschappelijke karakteristiek en/of de landschappelijke structuur;
4. het verzoek om verlening van de omgevingsvergunning gepaard gaat met een voorstel tot landschappelijke inpassing van de bebouwing ter versterking van het landschappelijk karakter; er wordt uitsluitend over gegaan tot verlening van de omgevingsvergunning als er overeenstemming is over een goede landschappelijke inpassing en de uitvoering van het plan voor landschappelijke inpassing is gegarandeerd;
5. er zicht is op een langdurige vergroting van de productieomvang als gevolg van schaalvergroting of extensivering/verbreding van de bedrijfsactiviteiten en de noodzakelijkheid van de bedrijfsuitbreiding is aangetoond;
6. is aangetoond dat binnen de bestaande aaneengesloten vierhoek, dan wel bouwvlak geen ruimte meer is voor de benodigde uitbreiding;
7. is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden, de woonsituatie, het bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
(…).
De beroepen zijn geregistreerd onder de procedurenummers LEE 25/2603 en 25/2639.
De verzoeken om voorlopige voorziening zijn geregistreerd onder de procedurenummers LEE 26/1354 en 26/1515.
Zie artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dus niet aan de orde.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van
16 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:263, rechtsoverweging 5.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4909 en ECLI:NL:RVS:2024:4923.
Op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb).
Op grond van artikel 2.27 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang gelezen met artikel 6.10a van het Bor.
Dat volgt uit artikel 8:69a van de Awb.
Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706 en van 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2627.
Op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
Om af te wijken zoals beschreven in artikel 4, vierde lid, van het bestemmingsplan “Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022”.
Als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb.
Deze norm is ten aanzien van geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied opgenomen in artikel 3:5, derde lid, van de Verordening Leefomgeving Midden-Drenthe 2024 (de Verordening).
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:617, r.o. 9. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|