Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:295 
 
Datum uitspraak:28-01-2026
Datum gepubliceerd:04-02-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:25/576
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Varia. Toeslagen. Beroep op het vertrouwensbeginsel. Volgens eiseres heeft een medewerker van de belastingtelefoon toegezegd, dat haar aanvraag voor huurtoeslag in behandeling zal worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres deze stelling niet aannemelijk gemaakt. Van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging namens verweerder is dus niet gebleken. Het bezwaar van eiseres is terecht ongegrond verklaard.
Trefwoorden:aangifte inkomstenbelasting
inkomstenbelasting
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/576


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
28 januari 2026 in de zaak tussen




[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. H. van der Heide-Boertien),

en



Belastingdienst/Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: [gemachtigden] ).




Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres.


1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 23 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 december 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van verweerder van 18 december 2024 op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigden van verweerder.



1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres met betrekking tot de jaren 2015 tot en met 2022 terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

3. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan wetsartikelen die in deze uitspraak van belang zijn.



Omvang van het geding

4. Op 2 juli 2024 heeft de gemachtigde van eiseres contact gehad met de belastingtelefoon. Eiseres heeft voor de jaren 2015 tot en met 2023 huurtoeslag aangevraagd. Verweerder heeft na bezwaar voor het jaar 2023 alsnog haar recht op huurtoeslag berekend omdat die aanvraag wel als tijdig gezien is. Het geschil beperkt zich dus tot de afwijzing van de aanvraag om huurtoeslag voor de jaren 2015 tot en met 2022 door verweerder. Eiseres is het daar niet mee eens.


Wat vinden partijen?


5.1.
Eiseres voert aan dat in het gesprek met de belastingtelefoon is aangegeven dat ook voor de jaren voor 2023 nog huurtoeslag kon worden aangevraagd. Zij wist niet eerder dat zij recht op huurtoeslag zou kunnen hebben.



5.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor de jaren 2015 tot en met 2022 niet tijdig is gevraagd. Verder wijst hij erop dat niet gebleken is van een toezegging waaruit eiseres heeft kunnen afleiden dat haar aanvraag om huurtoeslag voor die jaren nog inhoudelijk beoordeeld zou kunnen worden. De mogelijkheid van het indienen van een aanvraag betekent ook niet dat er recht is op een toeslag over de betreffende jaren.


Wat vindt de rechtbank?

6. Voor het aanvragen van huurtoeslag geldt op grond van artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen een strikte indieningstermijn. De tekst van de wet laat geen ruimte om van die termijn af te wijken, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de aanvraag voor de jaren vóór 2023 te laat gedaan is. Maar eiseres stelt zich op het standpunt dat vanwege een toezegging van de belastingtelefoon haar aanvraag voor die jaren toch moet worden beoordeeld, omdat dat is toegezegd.



6.1.
Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat daadwerkelijk een toezegging is gedaan in het gesprek 2 juli 2024. Van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging namens verweerder is niet gebleken. We kunnen het niet meer achterhalen wat er precies gezegd is. Ook wanneer gezegd zou zijn dat er voor de betreffende jaren nog wel zou kunnen worden aangevraagd, betekent dat niet dat er daadwerkelijk recht op huurtoeslag is voor die jaren. Dat eiseres niet eerder op de hoogte was dat ze huurtoeslag kon aanvragen maakt dit niet anders. Er is dus niet op tijd aangevraagd en er is ook geen reden om van de indieningstermijn af te wijken. Voor de jaren 2015 tot en met 2022 heeft de verweerder het bezwaar van eiseres daarom op goede gronden ongegrond verklaard.




Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Zij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt eiseres geen vergoeding van haar proceskosten.

8. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.




Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.


Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026 door mr. M.W. de Jonge, rechter, in aanwezigheid van K.D. Bosklopper, griffier.













griffier


rechter



























Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 15. Aanvraag tegemoetkoming
1 Een aanvraag om een tegemoetkoming met betrekking tot een berekeningsjaar kan tot 1 september van het jaar volgend op het berekeningsjaar worden ingediend bij de Dienst Toeslagen. Indien de belanghebbende of diens partner voor de in de eerste volzin genoemde datum is uitgenodigd om over het berekeningsjaar aangifte inkomstenbelasting te doen binnen een termijn die na die datum verloopt, wordt de in die volzin bedoelde termijn verlengd tot de laatste dag van de door de inspecteur voor het indienen van die aangifte gestelde termijn. De tweede volzin is van overeenkomstige toepassing ingeval een medebewoner is uitgenodigd om aangifte inkomstenbelasting te doen en de aanvraag betrekking heeft op een tegemoetkoming op grond van een inkomensafhankelijke regeling waarin is bepaald dat naast de draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming. Indien meer dan een van de personen, bedoeld in de tweede en derde volzin, is uitgenodigd om aangifte inkomstenbelasting te doen, wordt voor de toepassing van die volzinnen uitgegaan van de aangifte waarvan de indieningstermijn het laatst verloopt.
(…)
Link naar deze uitspraak