Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:3071 
 
Datum uitspraak:18-06-2026
Datum gepubliceerd:23-07-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:LEE 23/4524 23/4529 23/4537 en 23/4556
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Omgevingsvergunning Vitens voor het onttrekken van 6,5 miljoen m³ grondwater per jaar nabij Luxwoude, ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening.
Trefwoorden:landbouw
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 23/4524, LEE 23/4529, LEE 23/4537 en LEE 23/4556
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen


V.O.F [naam], Teijepole Werkmaatschappij B.V. en HP Werkmaatschappij B.V., uit [plaatsnaam],;


[naam], uit [plaatsnaam];

V.O.F. melkveebedrijf [naam], uit [plaatsnaam];

Maatschap [naam], uit [plaatsnaam]
(gemachtigde: mr. J.T. Fuller),

en

het college van gedeputeerde staten van de Provincie Fryslân, het college
(gemachtigde: mr. R. Snel).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Vitens N.V. uit Zwolle (Vitens)
(gemachtigden: mr. T.A. Hubregtse en mr. B. de Haan).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verlenen van een watervergunning voor het onttrekken van grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening aan Vitens. Eisers zijn het niet eens met deze vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vergunning.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden van eisers niet slagen. De rechtbank vindt dat de vergunning voldoende zorgvuldig is voorbereid en dat het college daarbij gebruik mocht maken van het MIPWA-v4 grondwatermodel en de WaterWijzer Landbouw. Ook vindt de rechtbank dat het college voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van eisers en dat die belangen niet onevenredig worden geschaad. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2.1.
Op 3 maart 2022 heeft Vitens een aanvraag ingediend om een vergunning voor het onttrekken van 6,5 miljoen m³ grondwater per jaar nabij Luxwoude, ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening.



2.2.
Het college heeft bij besluit van 26 september 2023 de gevraagde vergunning verleend.



2.3.
Eisers hebben beroepen ingesteld tegen de vergunning. Het college heeft verweerschriften ingediend. Vitens heeft een schriftelijke reactie ingediend.



2.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 9 april 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en A. Nass en R. Bil . Namens Vitens zijn haar gemachtigden verschenen en W. Zandbergen, A. Oosterhof en I. Kraak.




Beoordeling door de rechtbank

3. De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.


3.1.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een watervergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een watervergunning is ingediend op 3 maart 2022. Dat betekent dat in dit geval de Waterwet, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

4. Eisers zijn eigenaren van agrarische percelen in de buurt van het puttenveld, van waaruit de grondwateronttrekking zal plaatsvinden. Zij zijn het niet eens met de verleende vergunning en vrezen voor schade. De rechtbank zal hieronder hun beroepsgronden beoordelen.


Het gebruik van het MIPWA model

5. Eisers stellen dat het college bij de beoordeling van de hydrologische aspecten van de grondwateronttrekking ten onrechte gebruik heeft gemaakt van het MIPWA-v4 model. Zij vinden dat Vitens te veel betrokken is geweest bij de ontwikkeling van dit model en bij de hydrologische effectbepaling. Dat volgt volgens eisers ook uit een passage uit het jaarverslag van 2005 van de Commissie Deskundigen Grondwaterwet (CDG, nu de AdviesCommissie Schade Grondwater). Verder wijzen zij erop dat het college stelt dat het voor het opstellen van het grondwatermodel afhankelijk is van de input van Vitens. Doordat het college geen onafhankelijke beoordeling van het gebruikte model heeft gemaakt, heeft het college volgens eisers gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).



5.1.
Het college heeft toegelicht dat het MIPWA model is opgesteld door een consortium dat bestaat uit de drie noordelijke provincies, waterschappen en drinkwaterbedrijven. Deelname van drinkwaterbedrijven is wenselijk, omdat zij over veel gegevens over de ondergrond beschikken. Het MIPWA model is bovendien getoetst aan de werkelijke situatie door middel van een pompproef in het gebied. Mede daarom is het MIPWA model het best beschikbare instrument om de omvang van de effecten van de onttrekking in Luxwoude inzichtelijk te maken.



5.2.
De rechtbank is van oordeel dat gebruikmaking van het MIPWA model in dit geval niet leidt tot de conclusie dat de vergunning onzorgvuldig is voorbereid. Enkel de betrokkenheid van Vitens bij dat model is daarvoor onvoldoende. Eisers hebben niet gesteld en niet onderbouwd dat het MIPWA-model gebreken vertoont of tot onjuiste uitkomsten leidt. Bovendien heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage in haar toetsingsadvies over het milieueffectrapport overwogen dat de grondwatermodellering met het MIPWA-model correct en voor een voldoende groot gebied is uitgevoerd.


Het gebruik van de Waterwijzer Landbouw

6. Eisers stellen dat het onderzoek naar de gevolgen voor de landbouw onzorgvuldig is uitgevoerd. Daarbij is namelijk gebruik gemaakt van de Waterwijzer Landbouw (WWL). Op dat model is te veel (wetenschappelijke) kritiek om het te gebruiken als onderbouwing van de vergunning. Eisers verwijzen naar een advies van 9 februari 2022 van de Wetenschappelijke Adviescommissie NWM/NHI (WAC) over de toepassing van de WWL. Ook LTO heeft volgens eisers zijn zorgen geuit over de berekeningssystematiek van de WWL.



6.1.
Het college heeft toegelicht hoe de WWL tot stand is gekomen en in de praktijk werkt. Verder wijst het college erop dat in het hoofdadvies van 9 februari 2022 van de WAC staat dat de WAC van mening is dat (in 2022) de WWL de best beschikbare aanpak representeert om watergerelateerde landbouwkundige opbrengstdepressies te berekenen. De LTO, die vertegenwoordigd was in de Begeleidingscommissie waterwinning Luxwoude, heeft juist verzocht om de WWL te gebruiken.



6.2.
De rechtbank is van oordeel dat het gebruikmaken van de WWL niet leidt tot de conclusie dat de vergunning onzorgvuldig is voorbereid. Eisers hebben gewezen op enkele passages uit het advies van de WAC. Maar de conclusie uit het hoofdadvies, namelijk dat de WWL de best beschikbare aanpak om eventuele droogteschade te bepalen representeert, hebben zij niet betwist. Bovendien gaat een van de – volgens eisers – kritiekpunten van de WAC over de berekening van natschade, terwijl het eisers in deze zaak juist lijkt te gaan om (het voorkomen van) droogteschade. Eisers hebben verder niet betwist dat LTO betrokken was bij de vergunningverlening en ook niet dat op verzoek, of in ieder geval met toestemming van LTO, daarbij de WWL is gebruikt. Eisers hebben, afgezien van de verwijzingen naar het advies van de WAC en een bericht op de website van LTO, niet onderbouwd dat of waarom toepassing van de WWL tot onjuiste uitkomsten leidt. Zij hebben desgevraagd ook niet kunnen aangeven of er andere of betere modellen zijn. Tot slot acht de rechtbank van belang dat de Commissie voor de milieueffectrapportage in haar toetsingsadvies concludeert dat de milieueffecten, waaronder ook de effecten op de landbouw, in het milieueffectrapport uitgebreid, gedegen en voldoende zijn onderzocht. De Commissie heeft geen aanleiding gezien om vraagtekens te plaatsen bij het gebruik van de WWL.


Gevolgen van toekomstige aanwijzing grondwaterbeschermingsgebied

7. Eisers hebben aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen. De grondwateronttrekking zal leiden tot de aanwijzing van een grondwaterbeschermingsgebied. Mogelijk komen hun percelen in dat gebied te liggen. Als dat het geval is krijgen zij te maken met beperkende maatregelen voor hun agrarische bedrijfsvoering, bijvoorbeeld voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Eisers hebben in hun beroepschriften ook gesteld dat dat zou leiden tot extra beperkingen voor het uitrijden van mest, maar die beroepsgrond hebben zij ter zitting ingetrokken.



7.1.
Het college wijst erop dat voor de aanwijzing van een grondwaterbeschermingsgebied een apart besluit moet worden genomen. Daartegen staat rechtsbescherming open. De aanwijzing als grondwaterbeschermingsgebied is volgens het college een logisch gevolg van het verlenen van de vergunning voor het onttrekken van grondwater, maar de regels en de exacte omvang van het grondwaterbeschermingsgebied worden pas duidelijk bij de aanwijzing daarvan. Als eisers in de toekomst schade zouden leiden door de aanwijzing van een grondwaterbeschermingsgebied, dan worden zij daarvoor gecompenseerd op grond van de nadeelcompensatieregeling uit de Omgevingswet. Daarom kan niet worden gesproken over waardedaling van de gronden.



7.2.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval aan de mogelijk nadelige gevolgen van mogelijke beperkingen door een in de toekomst aan te wijzen grondwaterbeschermingsgebied voldoende tegemoet wordt gekomen door de rechtsbeschermingsmogelijkheden en nadeelcompensatieregeling die gelden bij aanwijzing van een grondwaterbeschermingsgebied. De aard en de omvang van die mogelijk nadelige gevolgen waren bij het verlenen van de watervergunning nog onzeker en onduidelijk. Eisers hebben enkel gesteld dat zij schade zullen lijden door de aanwijzing van een grondwaterbeschermingsgebied. Zij hebben die door hen gestelde schade op geen enkele manier onderbouwd of gespecificeerd. Voor wat betreft de gevolgen van de aanwijzing van een grondwaterbeschermingsgebied heeft het college, bij het verlenen van de vergunning, voldoende rekening gehouden met de belangen van eisers. Het college kon volstaan met het verwijzen naar toekomstige rechtsbeschermings- en nadeelcompensatiemogelijkheden.


Opbrengstderving door nat- en/of droogteschade

8. Tot slot vrezen eisers opbrengstderving door nat- en/of droogteschade, waardedaling van hun onroerend goed, nadelige gevolgen voor de (her)financiering van hun bedrijven, hogere financieringslasten en beperkingen in het gebruik van een broninstallatie. Volgens hen vallen deze nadelen buiten de schadevergoedingsregeling van artikel 7.18, tweede lid, van de Waterwet. Daarom zou het college aan deze nadelen veel gewicht toe moeten toekennen in de vergunningprocedure. Dat heeft het college niet gedaan. Daarom heeft het college onvoldoende rekening gehouden met hun belangen.



8.1.
Het college verwijst naar het onderzoek dat heeft plaatsgevonden naar de effecten van de grondwateronttrekking voor agrariërs. Daarnaast zal er monitoring plaatsvinden om de uitgangspunten te verifiëren en de daadwerkelijke effecten te meten. Het college erkent dat de onttrekking van grondwater kan leiden tot schade aan landbouwgewassen. Die schade kan verhaald worden op de veroorzaker. Daarvoor gelden bijzondere schaderegelingen en daarbij wordt de onafhankelijke AdviesCommissie Schade Grondwater (ACSG) ingeschakeld. Als de toegekende schadevergoeding op basis van het advies van de ACSG naar de mening van een gedupeerde onvoldoende is, dan bestaat de mogelijkheid om daartegen in beroep te gaan. Droogval van broninstallaties zal zich volgens het college niet voordoen vanwege de diepte van de bronnen (minimaal zes meter onder het maaiveld). Tot slot worden de regelingen voor schadevergoeding en nadeelcompensatie die tot 1 januari 2024 gelden, volgens het college voortgezet in de artikelen 15.1 e.v. en 15.16 van de Omgevingswet.



8.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende rekening heeft gehouden met mogelijke nat- en/of droogteschade van eisers. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat eisers die schade niet hebben gespecificeerd en onderbouwd. Door te spreken van “nat- en/of droogteschade” laten zij in het midden of het hen om nat- of droogteschade gaat. De aard en de omvang van de door hen gestelde schade is dus volledig onbekend. In het milieueffectrapport is geconcludeerd dat de opbrengstverbetering door afname natheid de opbrengstderving door toename droogte per saldo en bezien over het hele effectgebied ruimschoots compenseert. Het effect op de landbouw in het algemeen is daardoor per saldo positief. Agrariërs die te maken krijgen met opbrengstderving kunnen in aanmerking komen voor schadevergoeding. Eisers hebben verder het standpunt van het college dat broninstallaties niet zullen droogvallen niet gemotiveerd betwist. Onder deze omstandigheden kon het college volstaan met een verwijzing naar het uitgevoerde onderzoek, de toekomstige monitoring en de onder de Omgevingswet bestaande schaderegelingen.




Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de waterwetvergunning van 26 september 2023 in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.





Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, voorzitter, en mr. M. Lok en mr. G. Knuttel, leden, in aanwezigheid van mr. A.M. Veenstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.













griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Artikel 2.1 van de Waterwet

1. De toepassing van deze wet is gericht op:
a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met
b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en
c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
2. De toepassing van deze wet is mede gericht op andere doelstellingen dan genoemd in het eerste lid, voor zover dat elders in deze wet is bepaald.



Artikel 6.4, eerste lid, van de Waterwet

1. Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van gedeputeerde staten grondwater te onttrekken of water te infiltreren:
a. ten behoeve van industriële toepassingen, indien de te onttrekken hoeveelheid water meer dan 150 000 m3 per jaar bedraagt;
b. ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening of een bodemenergiesysteem.


Artikel 6.20 van de Waterwet


1. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. De aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen mede betrekking hebben op:
a. financiële zekerheidsstelling voor de nakoming van krachtens de vergunning geldende verplichtingen of voor de dekking van aansprakelijkheid voor schade, voortvloeiend uit door de vergunde handeling of het staken van die handeling veroorzaakte nadelige gevolgen voor het watersysteem;
b. het na het staken van de vergunde handeling wegnemen, compenseren of beperken van door de vergunde handeling of het staken van die handeling veroorzaakte nadelige gevolgen voor het watersysteem.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de aan een vergunning te verbinden voorschriften en beperkingen.
3. Gedragingen in strijd met de aan een vergunning verbonden voorschriften zijn verboden.



Artikel 6.21 van de Waterwet

Een vergunning wordt geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1 of de belangen, bedoeld in artikel 6.11.






Op grond van artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet.


Van 30 januari 2023, bladzijde 4.


Onder meer het milieueffectrapport van 2 maart 2022 (hoofdstuk 7 “Land- en bosbouw”) en het hydrologisch onderzoek van 1 juni 2021 ten behoeve van het milieueffectrapport.


Op bladzijde 95.
Link naar deze uitspraak