Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:3160 
 
Datum uitspraak:31-07-2026
Datum gepubliceerd:06-08-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:LEE 23-991
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Natuurbeschermingsrecht. Gebiedsbescherming. Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden van de minister van 22 november 2022 blijft in stand. De minister is verplicht om alle beschermde habitattypen en soorten aan te wijzen en kan dat ook nog doen met een correctie na de oorspronkelijke aanwijzing van de Natura 2000-gebieden. De minister heeft op basis van de habitattypenkaarten en een deskundigenonderzoek voldoende aannemelijk gemaakt dat de typen en soorten op het moment van het aanwijzen aanwezig waren. Wel hadden de habitattypenkaarten eerder al, bij het ontwerpbesluit, ter inzage moeten worden gelegd. Dit gebrek wordt gepasseerd met artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat belanghebbenden hierdoor niet zijn benadeeld. Schadevergoeding wegens schending redelijke termijn.
Trefwoorden:landbouw
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummer: LEE 23/991


uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 31 juli 2026 in de zaak tussen




[eiseres]
, gevestigd in [plaats], eiseres,
(gemachtigden: [namen]),

en


de minister voor Natuur en Stikstof (nu: de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), de staatssecretaris,
(gemachtigde: mr. R.H.M. Sipman).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Vereniging Leefmilieu, gevestigd te Nijmegen, derde-belanghebbende,
(gemachtigde: mr. V. Wösten).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden van de minister van 22 november 2022 (het wijzigingsbesluit).


1.1.
Bij het wijzigingsbesluit van 22 november 2022 heeft de minister ter uitvoering van de Habitatrichtlijn (Hrl) de aanwijzingsbesluiten van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland gewijzigd.



1.2.
Tegen het wijzigingsbesluit heeft eiseres beroep ingesteld.



1.3.
De formeel bevoegde rechtbank Gelderland heeft deze rechtbank, na overleg met de andere rechtbanken, om proceseconomische gronden gevraagd de zaken die betrekking hebben op de Natura 2000-gebieden die in dit arrondissement liggen, te behandelen, omdat hier de beroepen zijn ingesteld. Deze rechtbank heeft hiermee ingestemd en heeft dat bij brief van 7 april 2023 aan partijen medegedeeld.



1.4.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.5.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 12 maart 2026. Eiseres is met kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, ing. D. Bal en mr. J.J. Jorritsma. Derde-belanghebbende is vertegenwoordigd door haar gemachtigde.


Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het wijzigingsbesluit aan de hand van de gronden die eiseres heeft aangevoerd.

3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


3.1.
De voor de beoordeling van het verzoek belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.


Feiten

4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.



4.1.
De minister heeft een ontwerpbesluit tot wijziging van de instandhoudingsdoelstellingen van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland genomen. De minister heeft dit ontwerpbesluit gepubliceerd in de Staatscourant. Verder heeft de minister dit ontwerpbesluit gedurende de periode van 9 maart tot en met 19 april 2018 ter inzage gelegd. Daarbij is een ieder in de gelegenheid gesteld om gedurende deze periode een zienswijze bij de minister in te dienen.



4.2.
Bij het wijzigingsbesluit heeft de minister ter uitvoering van de Hrl de aanwijzingsbesluiten van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland gewijzigd.


Juridisch kader

5. Uit de Hrl volgt dat op het Europees grondgebied een ecologisch netwerk van speciale beschermingszones wordt gevormd. Dat netwerk bestaat uit door lidstaten aan te wijzen Natura 2000-gebieden. Een gebied moet als zodanig worden aangewezen, wanneer in dat gebied een bepaald type natuurlijke habitat of habitat van een bepaalde soort aanwezig is die staat genoemd in bijlage I of II van de Hrl. Lidstaten zijn verplicht om maatregelen te treffen om die habitats te behouden of herstellen.



5.1.
Deze Europeesrechtelijke verplichting is in de nationale wetgeving geïmplementeerd in artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb). In dat artikel staat dat de minister ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, van de Hrl gebieden in Nederland aanwijst als speciale beschermingszones, die worden aangeduid als ‘Natura 2000-gebied’. Ook staat in dat artikel dat de minister bevoegd is om een dergelijk aanwijzingsbesluit te wijzigen.


Overgangsrecht

6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is, dan blijft op grond van artikel 2.9, tweede lid, onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.



6.1.
Het wijzigingsbesluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerpbesluit is op 9 maart 2018 ter inzage gelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.


Het geschil

7. Tussen partijen is in geschil of de minister het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied “Holtingerveld” heeft kunnen wijzigen. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.




Procedurele gronden


Niet ter inzage leggen van de habitattypenkaarten met het ontwerpbesluit

8. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte geen onderliggende kaarten beschikbaar heeft gesteld en ter inzage heeft gelegd, waarop de habitats en de leefgebieden van de soorten precies zijn ingetekend. Eiseres voert aan dat het daardoor onmogelijk is om de exacte gevolgen van dit wijzigingsbesluit te bepalen.


8.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat het ontwerpbesluit volgens de regels ter inzage is gelegd. De minister heeft ervoor gekozen om de habitattypenkaarten en de onderliggende stukken niet bij het ontwerpbesluit ter inzage te leggen, maar om in het ontwerpbesluit te wijzen op de mogelijkheid om deze achtergronddocumenten op te vragen bij het klantcontactcentrum van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Daar hebben meerdere personen gebruik van gemaakt en die hebben de kaarten en onderliggende stukken ook gekregen. Dit heeft de minister vooral gedaan omdat zij niet zelf de bronhouder is van deze kaarten, maar provincies, Rijkswaterstaat en Defensie, en de bronhouders niet allemaal de kaarten publiceren.



8.2.
Op grond van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage. Dit artikel is een uitwerking van de actieve openbaarmakingsplicht: een bestuursorgaan moet uit eigen beweging informatie verstrekken. Doel van de terinzagelegging is onder andere dat betrokkenen kennis kunnen nemen van het ontwerp van het besluit. Zij kunnen dan de gegevens en de aannames waarop het besluit is gebaseerd controleren, de keuzes in het besluit beoordelen en afwegen of zij daartegen willen opkomen. De aan het besluit ten grondslag liggende gegevens moeten daarom volledig, tijdig en uit eigen beweging op een passende wijze openbaar worden gemaakt.



8.3.
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de habitattypenkaarten op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. De rechtbank stelt vast dat op een habitattypenkaart te zien is waar een bepaald habitattype voorkomt in een Natura 2000-gebied en in welke omvang. Habitattypenkaarten komen tot stand op basis van onderliggend documentatiemateriaal, zoals vegetatiekaarten die zijn vastgesteld door ecologisch deskundigen die hebben onderzocht welke habitattypen op de peildatum in een gebied voorkwamen.



8.4.
Uit het wijzigingsbesluit volgt dat de in de aanwijzingsbesluiten aangebrachte wijzigingen ten aanzien van de habitattypen zijn gebaseerd op de (gevalideerde) habitattypenkaarten. De minister stelt zich op het standpunt dat de habitattypenkaarten niet nodig waren om het ontwerpbesluit te kunnen beoordelen, maar de rechtbank volgt hem daarin niet. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de habitattypenkaarten op de zaak betrekking hebbende stukken, omdat de kaarten gebruikt zijn voor de correcties op de aanwijzingsbesluiten en daarmee de basis vormen van het wijzigingsbesluit. Dat maakt ook dat de habitattypenkaarten redelijkerwijs nodig zijn om het ontwerpbesluit te kunnen beoordelen. Deze kaarten maken het voor een belanghebbende mogelijk om te controleren of en, zo nodig, te betwisten of een habitattype op de peildatum in meer dan verwaarloosbare mate in het Natura 2000-gebied aanwezig was. Dat voor de besluitvorming niet van belang is op welke exacte locaties de habitattypen voorkomen, maakt dit niet anders. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister in strijd heeft gehandeld met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb door de habitattypenkaarten niet uit eigen beweging met het ontwerpbesluit ter inzage te leggen.



8.5.
Voor het documentatiemateriaal waarop de habitattypenkaarten zijn gebaseerd, geldt naar het oordeel van de rechtbank dat dit niet rechtstreeks aan het wijzigingsbesluit ten grondslag is gelegd. Dit brengt met zich dat het documentatiemateriaal niet valt aan te merken als stukken die op de zaak betrekking hebben. Dit betekent dat de minister dit documentatiemateriaal niet uit eigen beweging ter inzage heeft hoeven leggen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister dit documentatiemateriaal op verzoek heeft kunnen verstrekken en dat de beroepsgrond in zoverre faalt.



8.6.
Dat de habitattypenkaarten niet ter inzage hebben gelegen is een gebrek in de voorbereiding van het wijzigingsbesluit. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat eiseres en/of andere belanghebbenden niet zijn benadeeld door het gebrek. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister in beroep de habitattypenkaarten alsnog beschikbaar heeft gesteld op een openbare website. Eiseres heeft daarna voldoende tijd gehad om de kaarten te bekijken en daarop te reageren. De rechtbank acht het verder aannemelijk dat andere belanghebbenden niet zijn benadeeld doordat de habitattypenkaarten niet ter inzage hebben gelegen. In het ontwerpbesluit staat dat wijzigingen worden onderbouwd met de habitattypenkaarten, waardoor een ieder op de hoogte kon zijn van het bestaan van deze kaarten en daarover een zienswijze had kunnen indienen.


Inspraak na Europese registratie

9. Eiseres betoogt dat de procedure niet op juiste wijze is doorlopen. Eiseres voert aan dat het indienen van een zienswijze pas mogelijk was nadat de habitattypen en soorten al geregistreerd waren bij de Europese Commissie (EC). Naar de mening van eiseres is dit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.



9.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de vermelding van alle in een gebied aanwezige habitattypen en soorten in het Standard Data Form (SDF) een verplichting is die volgt uit het Uitvoeringsbesluit. Dat SDF moet volgens de minister actueel worden gehouden. Uiteraard moet de informatie wel juist zijn en goed onderbouwd. Eind 2017, korte tijd voor het publiceren van het ontwerpbesluit, was voldoende duidelijk welke habitattypen en soorten toegevoegd en verwijderd moesten worden en dat is dus ook verwerkt in de SDF’s van de betrokken gebieden. Naar de mening van de minister is er in dit geval geen sprake van het volgen van een onjuiste procedure.



9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet. De rechtbank overweegt dat het juist is dat eiseres voor het eerst een zienswijze kon indienen na registratie van de habitattypen en soorten bij de EC. Dat hoort bij het ‘getrapte stelsel’ van de aanwijzing van Habitatrichtlijngebieden, waarbij de gebieden eerst op Europees niveau worden aangemeld en vastgesteld en pas daarna op nationaal niveau worden aangewezen. Verder is het niet verboden om later nog andere habitattypen en soorten toe te voegen dan de typen en soorten die eerst waren aangemeld bij de EC op basis van actuele ecologische gegevens. Die wijzigingen moet de lidstaat dan doorgeven aan de EC via het SDF.



9.3.
In dit geval heeft de minister de wijzigingen - onverplicht - eerst verwerkt in het SDF en korte tijd daarna het ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Op die manier heeft eiseres wel inspraak kunnen geven op de wijzigingen. Door die inspraak zijn het ontwerpbesluit en het SDF op sommige punten ook daadwerkelijk aangepast. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres geen of onvoldoende inspraak heeft gehad.




Inhoudelijke gronden


Is er sprake van een correctie van de aanwijzingsbesluiten?

10. Eiseres betoogt dat er sprake is van een onjuiste interpretatie waarop het wijzigingsbesluit is gebaseerd. Eiseres voert aan dat de natuur met de tijd mee verandert. In dit wijzigingsbesluit wordt de oorspronkelijke aanwijzing gecorrigeerd. Volgens eiseres wordt er met terugwerkende kracht natuur toegevoegd. Naar de mening van eiseres is dit een onjuiste interpretatie van het actualiseren van de habitattypen en soorten.


10.1.
De rechtbank overweegt als volgt. De minister is verplicht om alle habitattypen en soorten die in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen aan te wijzen en het is niet verboden om dat achteraf in aanvulling op de aanmelding bij de EC te doen op basis van actuele ecologische gegevens.



10.2.
Het wijzigingsbesluit is uitdrukkelijk een correctie, dat wil zeggen dat alsnog habitattypen en soorten zijn toegevoegd die op het moment van het aanwijzen van de gebieden al wel aanwezig waren, maar nog niet waren aangewezen. De minister heeft toegelicht dat de wijziging is gebaseerd op waarnemingen die toen al wel waren gedaan, maar nog niet verwerkt in de kaarten, en op actuele(re) gegevens voor zover die iets zeggen over de situatie op het moment van de oorspronkelijke aanwijzing. Daarbij heeft de minister toegelicht dat deze wijziging geen gevolgen heeft voor eerder verleende vergunningen of bestaande rechten.



10.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanwezigheid van de habitattypen heeft onderbouwd aan de hand van de habitattypenkaarten en de aanwezigheid van de soorten aan de hand van een deskundigenrapport van de Vlinderstichting. De minister heeft daarbij toegelicht dat habitattypen en soorten alleen zijn toegevoegd als aan de hand van de waarnemingen kon worden geconcludeerd dat deze ook al ten tijde van het aanwijzingsbesluit aanwezig moeten zijn geweest. Dit kon soms worden vastgesteld aan de hand van waarnemingen ten tijde van dat aanwijzingsbesluit, maar ook door bijvoorbeeld de leeftijd te bepalen van aangetroffen bomen. Eiseres heeft hierbij wel enige kanttekeningen geplaatst, maar zonder nadere toelichting of inhoudelijke onderbouwing, is dat naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende voor het oordeel dat het wijzigingsbesluit op basis van die stukken niet in stand kan blijven of onvoldoende onderbouwd is. Dat het niet goed mogelijk is om zelf onderzoek te doen naar de situatie op het moment van de aanwijzing is voorstelbaar, maar inherent aan de aard van het besluit. Eiseres is, in ieder geval in beroep, in de gelegenheid geweest om concreet te maken waarom zij niet gelooft dat bepaalde habitattypen en soorten destijds al aanwezig waren. Eiseres heeft nagelaten om haar stelling nader te onderbouwen met een rapport van een deskundige of andere verifieerbare stukken. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt niet.


Is een nauwkeuriger besluit nodig?

11. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte geen nauwkeurige kaart heeft gemaakt waarop de extra habitattypen en soorten staan ingetekend. Daardoor is het niet mogelijk om de exacte gevolgen door te rekenen.



11.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet gehouden was om nauwkeurige kaarten te maken waarop precies te zien is waar de toegevoegde habitattypen en soorten zich bevinden. Het aanwijzen van habitattypen en soorten geldt namelijk voor alle typen en soorten die in het Natura 2000-gebied voorkomen in meer dan verwaarloosbare oppervlakte of populatie. Als op één plek in een Natura 2000-gebied een bepaald habitattype voorkomt, dan wordt dat type met de aanwijzing beschermd in het hele gebied. Overigens is het wijzigingsbesluit voor de habitattypen gebaseerd op habitattypenkaarten, waaruit volgt waar welk type is aangetroffen, en is dat voor soorten, nu die naar hun aard niet op één vaste plek voorkomen, niet mogelijk. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt niet.


Belangenafweging

12. Eiseres betoogt dat de minister bij de aanwijzing van beschermde habitattypen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gevolgen die het heeft voor het betreffende gebied met betrekking tot de sociale en economische cultuur, alsmede de uitwerking die dit heeft op de leefbaarheid van een plattelandsdorp en de omgeving. Eiseres vraagt zich af in hoeverre het behoud van werkgelegenheid, cultuur, tradities en het algemeen welbevinden in en om de (plattelands)dorpen geborgd is. Daarnaast is het volgens eiseres onduidelijk in hoeverre het Holtingerveld toegankelijk blijft voor de inwoners van Uffelte en recreanten. Volgens eiseres is er wel ruimte voor een belangenafweging.


Belangenafweging habitattypen en soorten

13. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat een lidstaat verplicht is om alle habitattypen van bijlage I en soorten van bijlage II van de Hrl die in een Natura 2000-gebied in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen aan te wijzen dan wel toe te voegen en daarvoor instandhoudingsdoelstellingen te formuleren. In een arrest van 12 september 2024 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) deze verplichting nog eens bevestigd. Met het wijzigingsbesluit heeft de minister nader uitvoering gegeven aan die verplichting, door onvolledigheden en eerder gemaakte fouten ten aanzien van de - al aangewezen - Habitatrichtlijngebieden te herstellen. Gelet op die verplichting is er naar het oordeel van de rechtbank bij het toevoegen van habitattypen en soorten geen ruimte om rekening te houden met economische, sociale of culturele belangen. Deze grond van eiseres slaagt niet.


Belangenafweging bij het bepalen van instandhoudingsdoelstellingen

14. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat bij de wijze van het formuleren van instandhoudingsdoelstellingen rekening mag worden gehouden met, onder andere, economische overwegingen.De rechtbank is van oordeel dat eiseres in dit geval niet heeft onderbouwd waarom in dit geval bij het bepalen van de instandhoudingsdoelstellingen onvoldoende rekening is gehouden met sociaal, economische en agrarische belangen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister bij het formuleren van de instandhoudingsdoelstellingen heeft toegelicht dat hij wel rekening heeft gehouden met deze belangen, nu in de meeste gevallen is gekozen voor de laagst mogelijke doelstelling (‘behoud’) en niet voor de voor eiseres ingrijpendere uitbreidings- of verbeterdoelstelling. Deze grond van eiseres slaagt niet.


Is het habitattype in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig?

15. Eiseres betoogt dat de twee toegevoegde habitattypen Jeneverbesstruwelen (H5130) en Beukeneikenbossen met hulst (H9120) niet in het Natura 2000-gebied “Holtingerveld” aanwezig waren/zijn. Eiseres voert aan dat het jeneverstruweel in 2021 of 2022 is gekapt.



15.1.
Hiervoor heeft de rechtbank al overwogen dat de minister verplicht is om alle in bijlagen I en II van de Hrl genoemde habitattypen en soorten die ten tijde van de aanwijzing in meer dan verwaarloosbare mate voorkwamen in de Habitatrichtlijngebieden in de aanwijzingsbesluiten op te nemen en daarvoor instandhoudingsdoelstellingen te formuleren. Ook blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de door de minister aangehouden minimum-oppervlakte van 100 m² (1 are) niet onredelijk is.



15.2.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de minister bij de vraag of een habitattype in een gebied in meer dan verwaarloosbare mate voorkomt mag uitgaan van de habitattypenkaarten. In de uitspraken van 2 juli 2025 heeft de Afdeling dit nog eens expliciet bevestigd.



15.3.
De rechtbank stelt voorop dat de minister met de habitattypenkaarten in beginsel voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de habitattypen in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig waren in het Natura 2000-gebied ten tijde van de aanwijzing. Het is vervolgens aan eiseres om aannemelijk te maken dat deze habitattypenkaarten zodanige leemten of gebreken bevatten dat de minister deze kaarten niet bij de besluitvorming mocht betrekken.



15.4.
Met het wijzigingsbesluit zijn meerdere habitattypen toegevoegd aan het Natura 2000-gebied “Holtingerveld”. Het gaat onder meer om habitattype H5130 Jeneverbesstruwelen en H9120 Beukeneikenbossen met hulst. De omvang en locatie van deze habitattypen zijn weergegeven op de habitattypenkaart van het gebied.



15.5.
De minister heeft voor de Natura 2000-gebieden twee soorten habitattypenkaarten overgelegd: één overzichtskaart, waarop is aangegeven waar de desbetreffende habitattypen op de peildata in de Natura 2000-gebieden voorkwamen, en één typenkaart, waarop is aangegeven hoe groot de oppervlaktes waren van de op de peildata aanwezige habitattypen. In een enkel geval heeft de minister volstaan met één soort habitattypenkaart. Daarbij heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat habitattypen in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen, als van dat type minimaal 0,01 hectare (100 m²; één are) aanwezig is. Voor bossen geldt een minimale oppervlakte van 0,1 ha (1.000 m²; 10 are).



15.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de habitattypenkaarten van het Natura 2000-gebied “Holtingerveld” dusdanige leemten of gebreken bevatten dat die niet aan het wijzigingsbesluit ten grondslag mogen worden gelegd. Eiseres betwijfelt of op het moment van het aanwijzen van het Natura 2000-gebied “Holtingerveld” deze habitattypen in het gebied voorkwamen. De rechtbank stelt echter vast dat uit de door de minister overgelegde habitattypenkaarten blijkt dat op de peildatum (de datum van de publicatie van het aanwijzingsbesluit van 25 april 2013) meer dan één are van het habitattype Jeneverbesstruwelen (H5130) in het Natura 2000-gebied “Holtingerveld” aanwezig was. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de toelichting van de minister op het wijzigingsbesluit blijkt dat de aanwezigheid van dit habitattype in dit Natura 2000-gebied wordt bevestigd door een luchtfoto. Verder blijkt uit de overgelegde habitattypenkaarten dat op de peildatum meer dan 10 are van het habitattype Beukeneikenbossen met hulst (H9120) in het Natura 2000-gebied “Holtingerveld” aanwezig was. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de toelichting van de minister op het wijzigingsbesluit blijkt dat de aanwezigheid van dit habitattype in dit Natura 2000-gebied wordt bevestigd door veldkarteringen uit 2000, 2008, 2009, 2010, 2013 en 2014 en door het gegeven dat uit de habitatkaart van de situatie bij de aanwijzing van dit gebied blijkt dat op 17 locaties aan de randen van dit gebied dit habitattype voorkomt. Deze grond van eiseres slaagt niet.



Schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn

16. Derde-belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade omdat de procedure langer geduurd heeft dan de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).



16.1.
De vraag of de zaak binnen een redelijke termijn is behandeld, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene. Bij de beoordeling van de redelijke termijn dient de duur van de procedure als geheel in aanmerking te worden genomen.



16.2.
Zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling vangt de in artikel 6, eerste lid, van het EVRM bedoelde termijn bij besluiten die zijn voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb aan bij het instellen van beroep tegen het desbetreffende besluit. Uit deze vaste jurisprudentie volgt voorts dat een totale lengte van de procedure van ten hoogste twee jaar redelijk is in zaken waarin het geschil aanvangt met het instellen van beroep tegen een besluit in de zin van de Awb.



16.3.
Eiseres heeft op 10 januari 2023 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Nu sinds het instellen van het beroep op 10 januari 2023 door eiser ten tijde van deze uitspraak meer dan drie jaar en ruim vier maanden is verstreken, is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank is van oordeel dat er geen omstandigheden zijn op grond waarvan in het licht van de onder 16.1. genoemde criteria deze overschrijding gerechtvaardigd is te achten. Dit betekent dat de procedure meer dan een jaar en zes maanden te lang heeft geduurd. Dat betekent een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan 18 maanden maar minder dan 24 maanden.



16.4.
Een geschil over burgerlijke rechten en verplichtingen als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is ook aan de orde voor de derde-belanghebbende die in een procedure is betrokken. Uit het overzichtsarrest van 19 februari 2016 van de Hoge Raad (HR) volgt dat rechtspersonen en andere identiteiten in aanmerking kunnen komen voor schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat aan de zijde van een derde-belanghebbende leed wordt verondersteld bij schending van de redelijke termijn. Gelet hierop veronderstelt de rechtbank dat de derde-belanghebbende spanning en frustratie heeft ondervonden door de (te) lange duur van de procedure en zal haar hiervoor een schadevergoeding toekennen.



16.5.
De rechtbank zal, uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid) met overeenkomstige toepassing van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.000,- aan derde-belanghebbende als vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade. Daarbij gaat de rechtbank er vanuit dat de derde-belanghebbende met het toekennen van een bedrag van € 2.000,- aan schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn voldoende is gecompenseerd voor het veronderstelde leed en de veronderstelde spanning vanwege de lange duur van de procedures met betrekking tot het wijzigingsbesluit, te meer omdat de derde-belanghebbende het inhoudelijke verweer heeft ingetrokken in deze zaak. Overigens is het inhoudelijke verweer van derde-belanghebbende wel beoordeeld in de zaken met de procedurenummers LEE 23/894 tot en met 23/903.




Conclusie en gevolgen

17. Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van eiseres ongegrond. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het wijzigingsbesluit blijft in stand.


17.1.
Vanwege het in overweging 8.4. geconstateerde gebrek moet de minister wel het griffierecht van eiseres betalen. Omdat niet gebleken is van proceskosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

18. De rechtbank ziet aanleiding om het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe te wijzen aan derde-belanghebbende. De rechtbank zal de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van € 2.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.

19. Verder zal de rechtbank de Staat der Nederlanden veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die derde-belanghebbende heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten bestaan uit het indienen van het verzoek. De rechtbank zal bij de berekening de wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren.
























Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eiseres ongegrond;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van schade aan derde-belanghebbende wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 2.000,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan derde-belanghebbende.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, voorzitter, mr. M.S. van den Berg en
mr. E. Hardenberg, leden, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026.






griffier voorzitter


Afschrift verzonden op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
















Bijlage


Habitatrichtlijn

Artikel 1
(…),
e. Onder staat van instandhouding van een natuurlijke habitat wordt verstaan: de som van invloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of die van invloed kunnen zijn op het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten op het in artikel 2 bedoelde grondgebied. De “staat van instandhouding” wordt als gunstig beschouwd wanneer:
- het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en
- de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en
- de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is als bedoeld in letter i.
(…),
i. De staat van instandhouding van een soort wordt als “gunstig beschouwd” wanneer uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden.
(…).

Artikel 2
1. Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is.
2. De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantesoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.
3. In de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden.

Artikel 3
1. Er wordt een coherent Europees ecologisch netwerk gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk, dat bestaat uit gebieden met in bijlage I genoemde typen natuurlijke habitats en habitats van in bijlage II genoemde soorten, moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen . Het Natura 2000-netwerk bestrijkt ook de door de Lid-Staten overeenkomstig Richtlijn 79 /409 /EEG aangewezen speciale beschermingszones.
2. Elke Lid-Staat draagt bij tot de totstandkoming van Natura 2000 al naar gelang van de aanwezigheid op zijn grondgebied van de typen natuurlijke habitats en habitats van soorten als bedoeld in lid 1. Hij wijst daartoe, overeenkomstig artikel 4 en met inachtneming van de doelstellingen van lid 1, gebieden als speciale beschermingszones aan.

Artikel 4
1. Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens stelt elke Lid-Staat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. Voor diersoorten met een zeer groot territorium komen deze gebieden overeen met de plaatsen, binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van die soorten, die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Voor aquatische soorten met een groot territorium worden deze gebieden alleen voorgesteld indien het mogelijk is een zone duidelijk af te bakenen die de fysische en biologische elementen vertoont welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Zo nodig stellen de Lid-Staten aanpassingen van de lijst voor in het licht van de resultaten van het in artikel 11 bedoelde toezicht.
De lijst wordt binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie toegezonden met informatie over elk gebied. Deze informatie omvat een kaart, de naam, de ligging en de oppervlakte van het gebied, alsmede de gegevens die zijn verkregen uit toepassing van de in bijlage III (fase 1) vermelde criteria, en wordt verstrekt op basis van een door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 opgesteld formulier.
(…),
4. Wanneer een gebied volgens de procedure van lid 2 tot een gebied van communautair belang is verklaard, wijst de betrokken Lid-Staat dat gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone en stelt hij tevens de prioriteiten vast gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat van bijlage I of van een soort van bijlage II alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging

Artikel 6
1. De Lid-Staten treffen voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen.


Wet natuurbescherming

Artikel 1.5
1. Onze Minister stelt een nationale natuurvisie vast.
2. De nationale natuurvisie bevat de hoofdlijnen van het te voeren rijksbeleid gericht op het behoud en het zo mogelijk versterken van de biologische diversiteit, het duurzame gebruik van de bestanddelen daarvan en de bescherming van waardevolle landschappen, in nationaal en internationaal verband, en het behoud en het zo mogelijk versterken van de recreatieve, de educatieve en de belevingswaarde van natuur en landschap, in samenhang met het beleid om te komen tot een verduurzaming van de economie.
(…)
5. De nationale natuurvisie bevat voor zover mogelijk een kwantificering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de in Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden te beschermen habitats en soorten en verschaft in samenhang daarmee en in samenhang met de staat van instandhouding van deze habitats en soorten inzicht in voorgenomen wijzigingen van de besluiten tot aanwijzing van die Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden.

Artikel 1.8
1. Onze Minister ziet toe op de staat van instandhouding van de natuurlijke habitats, de habitats van soorten en de dier- en plantensoorten, genoemd in onderscheidenlijk de bijlagen I, II, IV en V bij de Habitatrichtlijn, en van de vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de Vogelrichtlijn, en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten.

Artikel 2.1
1. Onze Minister wijst gebieden aan als speciale beschermingszones ter uitvoering van de artikelen 3, tweede lid, onderdeel a, en 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn en de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn. De speciale beschermingszones worden aangeduid als “Natura 2000-gebied”.
2. Ingeval een gebied geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door één van Onze andere Ministers, neemt Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid in overeenstemming met die andere Minister.
3. Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt als bijlage een kaart opgenomen waarop de begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven.
4. Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. Daartoe behoren in elk geval de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van:
a. de leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn, of
b. de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn.
5. Op de voorbereiding van een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
6. Onze Minister draagt, mede in het licht van de toepassing van artikel 1.8, eerste lid, en gevolg gevend aan het inzicht, bedoeld in artikel 1.5, vijfde lid, zorg voor de actualisatie van de besluiten, bedoeld in het eerste lid.
7. Onze Minister kan een besluit als bedoeld in het eerste lid wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de eerste volzin is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, behalve in geval van wijzigingen van ondergeschikte aard. Bij een besluit tot gedeeltelijke intrekking of wijziging kan als bijlage een kaart worden opgenomen waarop de gewijzigde begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven.











































Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.


Artikel 3, eerste lid, van de Habitatrichtlijn (Hrl).


De rechtbank leidt uit artikel 1 van de Wet voorzieningen in verband met ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris af dat aan de minister voor Natuur en Stikstof - als minister zonder portefeuille - dezelfde bevoegdheden toekomen als aan de minister van LNV.


Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 11 juli 2011 betreffende een gebiedsinformatieformulier voor Natura 2000-gebieden (2011/484/EU).


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7770.


Uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1119.


Uitspraken van de Afdeling van 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1891 en van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047.


Uitspraak van de Afdeling van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047, r.o. 15.2.


Uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1119.


Artikel 4 van de Habitatrichtlijn (Hrl) en zie ook Kamerstukken II 2010/11, 32670, 24; en zie ook de uitspraken van de Afdeling van 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1239, r.o. 8.2 en van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047.


Uitspraak van de Afdeling van 14 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU7903.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2958, r.o. 6.2.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:164, r.o. 5.2.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047.
r.o. 16-16.4.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2297, r.o. 5.8.


Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2025:2961 en ECLI:NL:RVS:2025:2968.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 maart 2016 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2016:864, r.o. 5.2.


1 hectare (ha) = 10.000 m².


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 februari 2011 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2011:BP3701.


Zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad (HR) van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:246.


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3938.


Op grond van artikel 8:75 van de Awb.


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2901, r.o. 19.
Link naar deze uitspraak