Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:3428 
 
Datum uitspraak:28-07-2026
Datum gepubliceerd:12-08-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:LEE 25/1837
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een houtwal. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing daarvan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het aanleggen van de houtwal een vergunningplichtige activiteit is en dat het college de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Het beroep is ongegrond, eisers krijgen dus geen gelijk. De rechtbank is echter ook van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank passeert deze gebreken met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
buitengebied
gewassen
landbouw
omgevingsvergunning
perceel
vee
wabo
Wetreferenties:Algemene wet bestuursrecht
Omgevingswet
Besluit kwaliteit leefomgeving
Besluit proceskosten bestuursrecht
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1837

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak tussen



[eiser] , eiser


[eiseres]
, eiseres, beiden uit [woonplaats eisers] , hierna samen aangeduid als eisers
(gemachtigde: A. Kwint-Ocelikova),

en



het college van burgemeester en wethouders van Tynaarlo
(gemachtigden: M.J.F. Nuijens, R.I. Waijer en C. Lubbinge).

Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:

Vereniging van Eigenaren ‘ [naam derde-partij 1] ’, statutair gevestigd te Tynaarlo
(gemachtigde: [gemachtige derde-partij] )




[naam derde-partij 2] uit [woonplaats derde-partij 2] .




Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een houtwal. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing daarvan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het aanleggen van de houtwal een vergunningplichtige activiteit is en dat het college de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Het beroep is ongegrond, eisers krijgen dus geen gelijk. De rechtbank is echter ook van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank passeert deze gebreken met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop


2. Op 14 april 2023 hebben toezichthouders geconstateerd dat er op het perceel van eisers aan [adres van het perceel van eisers] een aarden wal is opgericht zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Het gaat om een wal van circa 105 meter lang, 6 meter breed en 2 meter hoog. De wal ligt aan de zijkant van een agrarisch perceel, naast de woningen van derde-partijen. De wal wordt in de stukken ook aangeduid als grondwal.



2.1.
Op 11 oktober 2024 hebben eisers een vergunning aangevraagd om de wal te legaliseren. Aangevraagd is de aanleg van een houtwal, bestaande uit een aarden wal met beplanting, op het perceel kadastraal bekend [kadastrale gemeente] ( [Kadastrale Gemeente Code] ) [sectie] [perceelnummer] (het perceel).



2.2.
Met het besluit van 26 december 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Tegen dat besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.



2.3.
Het bezwaar van eisers is behandeld op een hoorzitting bij de commissie bezwaarschriften van de gemeente Tynaarlo (de commissie). De commissie heeft het college geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.



2.4.
Met het bestreden besluit van 8 april 2025 heeft het college het bezwaar van eisers tegen de weigering van de omgevingsvergunning ongegrond verklaard. Voor de motivering van het besluit verwijst het college naar het advies van de commissie.



2.5.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partijen hebben ook schriftelijk gereageerd.



2.6.
Op 28 mei 2026 is het beroep ter zitting behandeld, gelijktijdig met de behandeling van een beroep tegen een door het college opgelegde last onder dwangsom strekkend tot verwijdering van de aarden wal, en van een verzoek tot schorsing van die last. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en hun gemachtigde, de gemachtigden van het college, en derde-partijen, waarbij de VvE [naam derde-partij 1] is vertegenwoordig door haar gemachtigde.
Ter zitting is gebleken dat een nader stuk dat door eisers was ingebracht, abusievelijk niet door de rechtbank was doorgezonden aan derde-partijen. Omdat zorgvuldige behandeling van de beroepen vereist dat derde-partijen alsnog de gelegenheid krijgen om op het stuk te reageren heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst.



2.7.
De rechtbank heeft genoemde beroepen vervolgens op 23 juni 2026 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben dezelfde personen deelgenomen als bij de eerdere zitting, waarbij eisers R.B. Landman hebben meegebracht als deskundige. [naam derde-partij 2] is vergezeld door diens deskundige G.J. Bierman.

Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader

3. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Een omgevingsplanactiviteit wordt in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet gedefinieerd als:


een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,


een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of


een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.





3.1.
Op het perceel waarop de aanvraag ziet geldt het Omgevingsplan gemeente Tynaarlo. Het bestemmingsplan Buitengebied Tynaarlo is van rechtswege onderdeel van dat omgevingsplan. Op grond van dat bestemmingsplan gelden voor zover hier relevant op het perceel de enkelbestemming ‘agrarisch’ en de dubbelbestemming ‘waarde – beekdal’.



3.2.
Onder de dubbelbestemming ‘waarde – beekdal’ geldt een vergunningplicht voor onder meer het ophogen van grond en voor het aanbrengen van opgaande beplanting. Deze vergunningplicht geldt niet voor het normale agrarisch gebruik. De vergunning mag geen onevenredige afbreuk doen aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van het beekdal die de bestemming beoogt te behouden. Essentiële kenmerken van het beekdal zijn volgens de bestemmingsomschrijving een grote mate van kleinschaligheid, vrij meanderende beken en een samenhangend complex van essen, bossen, heides en moderne ontginningen.



3.3.
Op gronden met de bestemming ‘agrarisch’ geldt een vergunningplicht voor het aanplanten van bomen en houtgewas. Deze vergunningplicht geldt evenmin voor het normale agrarische gebruik. De vergunning kan slechts worden verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan natuurlijke en landschappelijke waarden.


Is er sprake van een vergunningplicht?

4. Eisers stellen primair dat het aanleggen van de aarden wal met beplanting geen vergunningplichtige activiteit is. Eisers voeren daartoe allereerst aan dat het gebruik van de grond voor de aanleg van de houtwal past binnen de bestemming ‘agrarisch’. Verder betogen eisers dat de vergunningplichten voor het ophogen van grond en het aanplanten van bomen en houtgewas/het aanbrengen van opgaande beplanting (hierna gezamenlijk ophogen en aanplanten) niet van toepassing zijn omdat sprake is van normaal agrarisch gebruik. De houtwal dient als beschutting voor vee, als erfafscheiding en als ecologische bufferzone. Deze functies passen binnen natuurinclusieve landbouw. Eisers benadrukken dat de planwetgever met ‘normaal gebruik’ bewust heeft gekozen voor een niet-limitatief criterium: gebruik dat regelmatig noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering.



4.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de wal geen agrarisch doel dient en wordt gebruikt ter afscherming van het uitzicht op het naastgelegen perceel. Dit gebruik is in strijd met de bestemming ‘agrarisch’. De houtwal is bovendien in strijd met de dubbelbestemming ‘waarde – beekdal’. Door de willekeurige situering en omvang van de wal is deze een vreemd element in het landschap. De wal draagt daarmee niet bij aan het behoud, herstel of ontwikkeling van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het beekdal, omdat die afbreuk doet aan de waarden die daarmee worden beschermd.
Ten aanzien van de vergunningplichten voor het ophogen en aanplanten stelt het college zich in het verweerschrift op het standpunt dat de houtwal niet is aan te merken als normaal agrarisch gebruik. Volgens het college is de houtwal niet noodzakelijk voor de uitoefening van het schapenfokbedrijf van eisers, omdat er minder ingrijpende maatregelen zijn om te voorzien in een schuilmogelijkheid voor vee. Daarnaast is het bevorderen van biodiversiteit geen normaal agrarisch gebruik omdat dit meer past binnen de bestemming ‘Natuur’. In een aanvullend verweerschrift en ter zitting heeft het college daaraan toegevoegd dat het aanleggen van een houtwal niet is aan te merken als regelmatig gebruik, omdat deze slechts één keer wordt aangelegd.



4.2.
De grond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de aanleg van de aarden wal met beplanting een vergunningplichtige omgevingsplanactiviteit is. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende.


4.2.1.
De vergunningplichten voor ophogen en aanplanten gelden niet voor het ‘normale agrarisch gebruik’. Tussen partijen is in geschil of daarvan sprake is bij de aanleg van de houtwal.

4.2.1.1. In het bestemmingsplan is normaal agrarisch gebruik gedefinieerd als: “het regulier gebruik, dat gelet op de bestemming regelmatig noodzakelijk is voor een goede grondgebonden agrarische bedrijfsvoering en grondgebonden agrarisch gebruik van de gronden”.

4.2.1.2. In reactie op het verweerschrift hebben eisers gesteld dat het college een aanvullende toets introduceert door te stellen dat de wal ‘noodzakelijk’ moet zijn en dat er geen ‘minder ingrijpende alternatieven’ mogelijk zijn. Dit is in strijd met jurisprudentie dat bestuursorganen bij de uitleg van planregels geen aanvullende criteria mogen introduceren die daarin niet voorkomen.

4.2.1.3. Eisers hebben verder ter zitting gereageerd op het standpunt van het college dat het aanleggen van een houtwal niet is aan te merken als gebruik dat regelmatig noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering. Zij stellen dat de eis van regelmatigheid niet ziet op hoe vaak het werk of de werkzaamheden plaatsvinden, maar op het gebruik van het geplaatste werk of de werkzaamheden. Dit volgt volgens hen uit de redactie van het bestemmingsplan. Enkele vergunningplichtige activiteiten, zoals het ophogen van gronden, zijn namelijk altijd éénmalig. De interpretatie van het college zou ertoe leiden dat bij deze activiteiten alleen al daarom de uitzondering voor normaal agrarisch gebruik nooit opgaat. Het college stelt zich daarentegen op het standpunt dat de eis van regelmatigheid ziet op de vergunningplichtige activiteit zelf. Er kan namelijk wel degelijk sprake zijn van ophoging van gronden die regelmatig noodzakelijk is. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een akkerbouwbedrijf dat met regelmaat zogenoemde ‘ruggen’ maakt om de wortels van gewassen droog te houden. Dat is het regelmatig ophogen van gronden dat het bestemmingsplan heeft willen uitzonderen van een vergunningplicht.

4.2.1.4. Met het college is de rechtbank van oordeel dat de eis van regelmatigheid ziet op de vergunningplichtige activiteit zelf. Het aanleggen van de aarden wal met beplanting vindt éénmalig plaats en is niet regelmatig noodzakelijk. Daarom is het aanleggen van de houtwal niet aan te merken als normaal agrarisch gebruik.

4.2.1.5. Gelet op het bovenstaande behoeft hetgeen naar voren is gebracht over de begrippen ‘noodzakelijk’ en ‘goede grondgebonden agrarische bedrijfsvoering’ in de definitie van normaal agrarisch gebruik geen bespreking meer.



4.2.2.
De vraag of daarnaast een omgevingsvergunning is vereist omdat de aanleg van de houtwal in strijd is met de bestemmingen ‘agrarisch’ en de dubbelbestemming ‘waarde-beekdal’ valt buiten de omvang van het geding. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende.

4.2.2.1. De bestuursrechter kan voor de beoordeling van dat besluit niet treden buiten de reikwijdte en de strekking die het besluit heeft of gelet op het onderliggende verzoek en de daarop toepasselijke wettelijke bepalingen had behoren te hebben. Dit volgt uit artikel 8:69 van de Awb.

4.2.2.2. De rechtbank stelt verder vast dat de aanvraag (alleen) betrekking heeft op een vergunning voor het ophogen en aanplanten. Op het aanvraagformulier staat dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor de activiteit: ‘Werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren’. Er is geen aanvraag gedaan voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in verband met strijd met geldende bestemmingen.

4.2.2.3. Het college heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat gelet op artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de aanvraag mede moet worden opgevat als een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De rechtbank begrijpt het standpunt van het college zo dat – omdat de aangevraagde vergunning volgens het college in strijd is met de beoordelingsregels in het omgevingsplan – moet worden ‘doorgeschakeld’ naar de beoordeling van de aanvraag als buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waarbij niet alleen moet worden beoordeeld of de vergunning kan worden verleend in strijd met de beoordelingsregels voor de vergunningen voor het ophogen en aanplanten, maar ook of daarbij moet en kan worden afgeweken van de gebruiksregels voor de bestemming. Het betoog van het college slaagt niet. In de Omgevingswet heeft de wetgever ervoor gekozen het vereiste van de onlosmakelijke samenhang tussen verschillende vergunningplichtige activiteiten - zoals dat tot 2024 onder de Wabo gold - te laten vervallen. Artikel 5.7, eerste lid, van de Omgevingswet bepaalt dat een aanvraag om een omgevingsvergunning naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking kan hebben.


Heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen weigeren?

5. Eisers stellen zich subsidiair op het standpunt dat het college de weigering van de vergunning onvoldoende heeft gemotiveerd. Het college heeft volstaan met algemene stellingen zonder deze te concretiseren en te ondersteunen met objectieve gegevens. Daarmee heeft het college volgens eisers niet onderbouwd waarom déze wal op déze locatie een onevenredige aantasting is van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Bovendien heeft het college niet gereageerd op de schriftelijke verklaringen van de deskundige van eisers. Uit die verklaringen blijkt dat de wal de biodiversiteit bevordert, ecologische samenhang versterkt, beschutting biedt voor fauna en past binnen de structuur van de bestaande beplanting in de omgeving. Verder voeren eisers aan dat het college de belangen van eisers bij de houtwal niet kenbaar heeft afgewogen tegen het gestelde landschappelijke belang.




5.1.
In het bestreden besluit heeft het college aan de weigering van de omgevingsvergunning ten grondslag gelegd dat de wal op basis van de situering en de omvang van de wal voorkomt als een vreemd element in het landschap. Het belang van eisers - dat volgens het college is gericht op meerwaarde voor de natuur en bescherming van de schapen - kan ook op andere manieren worden bereikt, Dat de wal ecologische meerwaarde kan hebben heft niet de strijdigheid op met de landschappelijke en cultuurhistorische waarden die het bestemmingsplan beschermt.



5.2.
Deze beroepsgrond slaagt. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd waarom de wal als een vreemd element in het landschap voorkomt. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet echter aanleiding om het motiveringsgebrek te passeren omdat het college in beroep het besluit alsnog van een deugdelijke motivering heeft voorzien. Artikel 6:22 van de Awb bepaalt dat een besluit ondanks gebreken in stand kan blijven, mits aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Eisers zijn naar het oordeel van de rechtbank door de schending van het motiveringsbeginsel niet benadeeld, omdat de aanvraag bij een juiste motivering ook kon worden geweigerd.



5.3.
Bij het oordeel dat het bestreden besluit in beroep alsnog deugdelijk is gemotiveerd overweegt de rechtbank het volgende.


5.3.1.
Op grond van artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl, wordt een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Zoals beschreven onder ‘toetsingskader’ in 3.2 en 3.3 mag de vergunning voor het ophogen en aanbrengen van opgaande beplanting onder de dubbelbestemming “waarde – beekdal” geen onevenredige afbreuk doen aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van het beekdal. Onder de bestemming ‘agrarisch’ kan de vergunning voor het aanplanten slechts worden verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan natuurlijke en landschappelijke waarden.



5.3.2.
Bij het aanvullende verweerschrift heeft het college deskundigenverklaringen overgelegd van landschapsarchitecten G.J. Bierema en P. Schengenga en van een programmaleider Natuurkwaliteit en Landschap van het Drents Landschap. Uit de verklaringen volgt kort gezegd dat de beoogde houtwal op het perceel niet vergelijkbaar is met een houtwal zoals die vroeger in Drenthe werd aangelegd als veekering. Uit de verklaring van Bierema blijkt bovendien dat in dit voormalige kleine beekdal nooit houtwallen hebben gelegen en evenmin in het nadien gevormde heide-ontginningslandschap. Ook schaadt de wal de transparante erfgrens van het voormalige boerenerf [naam boerenerf] .



5.3.3.
Ter zitting hebben eisers en hun deskundige de in 5.3.2 beschreven verklaringen niet weersproken. Eisers bestrijden evenwel dat sprake is van onevenredige aantasting. De deskundige van eisers heeft daarbij gewezen op eerder toegestane aantastingen van het landschap, waaronder een nabijgelegen bos en de woningen van derde-partijen. Deskundige Bierema heeft daar ter zitting op gereageerd door aan te geven dat altijd sprake is van een transformatie van het landschap, maar dat de aangevraagde houtwal niet past in het landschapspatroon en een grote afwijking is. Ook deskundige Schengenga stelt in zijn verklaring dat de houtwal onevenredig afbreuk doet aan landschappelijke waarden.



5.3.4.
Met het college is de rechtbank van oordeel dat in het bestreden besluit een kenbare afweging is gemaakt tussen de belangen van eisers bij het oprichten van een houtwal en de waarden die met het bestemmingsplan worden beschermd. Verwijzend naar het advies van de bezwarencommissie is daarbij door het college betrokken dat het belang van eisers ook gerealiseerd kan worden op andere, beter in de omgeving passende manieren. In beroep is onweersproken gesteld dat de schapen slechts enkele weken per jaar op het betreffende perceel worden gehouden en dat er ook andere mogelijkheden zijn om beschutting te creëren voor de dieren op het perceel.



5.3.5.
De rechtbank stelt verder vast dat het college beoordelingsruimte heeft bij het beoordelen of sprake is van onevenredige aantasting van landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden.



5.3.6.
Gelet op het bovenstaande kon het college zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat sprake is van onevenredige aantasting van landschappelijke en cultuurhistorische waarden.



5.3.7.
Omdat de vergunning voor het aanleggen van de houtwal niet met toepassing van de in het omgevingsplan opgenomen beoordelingsregels kon worden verleend is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl volgt dat een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.



5.3.8.
In de toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet staat hierover het volgende:


“Het uitgangspunt is dat ook aan een besluit om een vergunning te weigeren een inhoudelijke motivering ten grondslag wordt gelegd waarom de activiteit met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet aanvaardbaar kan worden geacht. Dat geldt ook voor de situatie waarin een activiteit op grond van beslissingsruimte in de in het omgevingsplan opgenomen beoordelingsregels, niet aanvaardbaar wordt geacht. Ook dan zal dus nog op basis van het buitenplanse criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties beoordeeld moeten worden of een activiteit toch niet kan worden toegestaan.”



Het college moest daarom ook beoordelen of het aanleggen van de wal met beplanting aanvaardbaar kan worden geacht met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft verzuimd dit te doen.



5.3.9.
De bestuursrechter oordeelt niet zelf of met het besluit over de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan, binnen het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.



5.3.10.
In het aanvullende verweerschrift en ter zitting heeft het college toegelicht waarom het de aanleg van de houtwal met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet aanvaardbaar acht. Het college heeft daartoe verwezen naar de in overweging 5.3.2 beschreven motivering van de aantasting van landschappelijke en cultuurhistorische waarden en de onderliggende deskundigenrapporten, en naar de belangenafweging zoals weergegeven in overweging 5.3.4. De rechtbank acht daarmee de afwijzing van de aanvraag van de vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alsnog voldoende gemotiveerd.





Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Omdat het bestreden besluit niet deugdelijk was gemotiveerd (zie 5.2 en 5.3.7) moet het college wel het griffierecht aan eisers vergoeden. Ook ziet de rechtbank daarin aanleiding om het college te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van eisers. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpr) als volgt berekend.


6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer LEE 26/979 en de beroepen met zaaknummers LEE 25/1837 en LEE 26/980 aan te merken als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpr. De rechtsbijstand is in alle drie de zaken verleend door dezelfde persoon. Ook zijn de zaken deels gelijktijdig door de bestuursrechter behandeld. Bovendien hebben ingediende stukken betrekking op meerdere procedures. Voor het vaststellen van het bedrag van de proceskostenvergoeding worden deze zaken daarom als één zaak beschouwd.



6.2.
Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. Elke proceshandeling heeft daarbij een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend in het beroep tegen de last onder dwangsom met zaaknummer LEE 26/980 (1 punt). Daarnaast heeft de gemachtigde een verzoekschrift ingediend in het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer LEE 26/979 (1 punt). Ook heeft de gemachtigde een aanvullend stuk ingediend dat betrekking heeft op beide beroepsprocedures (1 punt). Verder heeft de gemachtigde deelgenomen aan een zitting (1 punt) en een nadere zitting (0,5 punt). De vergoeding voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand bedraagt daarom in totaal 4,5 x € 934,- = € 4.203,-.


6.2.1.
In de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is het college veroordeeld tot het betalen van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand van €1.868,-. Daarom bedraagt de resterende vergoeding voor de kosten van bijstand door de gemachtigde € 2.335,-.




6.3.
De vergoeding voor het inschakelen van de deskundige door eisers bepaalt de rechtbank op € 4.268,78. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende.


6.3.1.
Deskundigenkosten komen voor een vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Naar het oordeel van de rechtbank was het inroepen van Landman als deskundige redelijk, omdat eisers er ten tijde van de inroeping vanuit mochten gaan dat hij een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hen gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag.



6.3.2.
In het verweerschrift stelt het college dat het twijfelt aan de deskundigheid van Landman omdat hij bij het college niet bekend is, er geen referenties van Landman zijn op het gebied van ruimtelijke ordening en door de tekst van de verklaringen zelf. Naar het oordeel van de rechtbank kan Landman als deskundige worden aangemerkt. Hoewel Landman zich onterecht als landschapsarchitect heeft uitgegeven, hetgeen hij heeft gerectificeerd, kent de rechtbank waarde toe aan de door hem geschreven verklaringen. Ter zitting is gesproken over de opleiding en werkervaring van Landman. Vooral in zijn opleiding in ecologie en landschapskunde ziet de rechtbank voldoende aanknopingspunten om hem als deskundige aan te merken.



6.3.3.
De hoogte van de vergoeding is door het college niet betwist.




6.4.
De totale resterende proceskostenvergoeding bedraagt daarom € 6.603,78. De rechtbank rekent dit bedrag in gelijke delen toe aan dit beroep en het beroep met zaaknummer LEE 26/980.

Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep ongegrond;


bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;


veroordeelt het college tot betaling van € 3.301,89 aan proceskosten aan eisers.






Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Knuttel, rechter, in aanwezigheid van mr. E.D.M. Nijbroek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026.













griffier


rechter






De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen (artikel 8:77, derde lid, van de Awb).















Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop een afschrift van deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 3:46
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.



Omgevingswet

Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:


Een omgevingsplanactiviteit,


(…)





Bestemmingsplan Buitengebied Tynaarlo


Artikel 3 Agrarisch



3.7
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:


het aanplanten van bomen en/of houtgewas, niet zijnde bomen en/of houtgewas onderdeel uitmakend van een grondgebonden agrarische teelt en anders dan ter plaatse van de aanduiding ‘houtwal’;


het aanleggen en/of verharden van wegen, voet-, fiets- en ruiterpaden en dagrecreatieve voorzieningen zoals picknickplaatsen en parkeervoorzieningen;


het verwijderen van kleinschalige natuurelementen zoals bos, houtwal, bossingel, bomenlaan en bomenrij, niet zijnde bomen en/of houtgewas onderdeel uitmakend van een grondgebonden agrarische teelt;


het aanbrengen van kabels, leidingen, drainage en verhardingen, het wijzigen van het bodemprofiel en/of de grondwaterstand, het uitvoeren van graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm, het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het inbrengen van andere voorwerpen in de grond ter plaatse van de aanduiding ‘monumentale boom’.



Het sub a vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:


het normale onderhoud en/of het normale agrarische gebruik betreffen;


reeds in uitvoering zijn of aanwezig zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;


mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;


werken en werkzaamheden in het kader van het 'Compensatie- en inpassingsplan Baanverlenging', DHV (maart 2010, registratienummer IS-NN20100217).


De sub a, onder 1 en 2 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden.
De sub a, onder 3 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de monumentale waarde van de boom niet langer aanwezig is en deze niet zonder ingrijpende maatregelen aan de boom kan worden hersteld, of de monumentale waarde in redelijkheid niet meer is te handhaven, of de boom zich in een zodanige staat bevindt, dat de veiligheid van gebruikers van het omliggende terrein in gevaar wordt gebracht.


Artikel 37 Waarde – Beekdal



37.1
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘waarde – beekdal’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van het beekdal.
Hieronder worden het behoud, herstel en ontwikkeling van de volgende essentiële ruimtelijke kenmerken begrepen:
- grote mate van kleinschaligheid;
- vrij meanderende beken;
- samenhangend complex van essen, bossen, heides en moderne ontginningen.



37.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:


het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden of aanlegplaatsen;


het graven en dempen van sloten en andere watergangen, het vergroten of verkleinen van het doorstromingsprofiel, het aanbrengen of verwijderen van kunstwerken, zoals dammen en stuwen;


het aanbrengen van opgaande beplanting;


ophogen, ontgronden, egaliseren en diepploegen;


het wijzigen van het greppelsysteem en het aanbrengen van drainage;


het verharden van wegen en paden;


het verharden of verwijderen van onverharde wegen.


Het sub a vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:


het normale onderhoud en/of het normale agrarische gebruik betreffen;


reeds in uitvoering zijn of aanwezig zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;


mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;


ter uitvoering van het Inrichtingsplan Groene Buffer Peizermade, basisplan plus, 7 juli 2011 van Arcadis, zoals opgenomen als bijlage bij de toelichting (ruimtelijke onderbouwing Groene Buffer Peizermade), worden uitgevoerd.


Voor zover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken.
De sub a bedoelde vergunning mag geen onevenredige afbreuk doen aan de in lid 37.1 omschreven waarden.



Zaaknummers respectievelijk LEE 26/980 en 26/979.


Dat volgt uit artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.


Artikel 37.3, onder a, aanhef en onder 3 en 4, van het bestemmingsplan


Artikel 37.3, onder b, aanhef en onder 1 van het bestemmingsplan.


Artikel 37.4 onder d, in samenhang met artikel 37.1 van het bestemmingsplan.


Artikel 3.7, onder a, aanhef en onder 1, van het bestemmingsplan.


Artikel 3.7, onder b, aanhef en onder 1, van het bestemmingsplan.


Artikel 3.7, onder c, van het bestemmingsplan.


Hierbij is verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3579, r.o. 15.2.


Dit volgt uit de definitie van buitenplanse omgevingsplanactiviteit in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet.



Stb. 2020, 400, p. 1613.


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3652, r.o. 7.


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2847, r.o. 1.1.


Dat volgt uit vaste rechtspraak. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2527, r.o. 18.


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:304, r.o. 1.3.
Link naar deze uitspraak