|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2026:4214 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 02-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | LEE 26-2560 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen gelet op de gestelde belangen. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | subsidies | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2560
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 september 2026 in de zaak tussen
1. [verzoekster]eigenaar van Zeegserweg [huisnummer] te Schipborg,
2. [verzoeker]eigenaar van Zeegserweg [huisnummer] te Schipborg,
3. [verzoeker]eigenaar van Zeegserweg [huisnummer] te Schipborg,
4. [verzoeker]eigenaar van Zeegserweg [huisnummer] te Schipborg,
5. [verzoekers]eigenaren van Zeegserweg [huisnummer] te Schipborg,
6. [verzoekers]eigenaren van Zeegserweg [huisnummer] te Schipborg,
7. [verzoeker]eigenaar van Zeegserweg [huisnummer] te Schipborg,
verzoekers,
(gemachtigde: mr. A. Kwint)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aa en Hunze, het college
(gemachtigde: mr. M.J.F. Nuijens).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Camping de Vledders B.V., te Schipborg.
(gemachtigde: mr. L.A.J.F. Timmermans)
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning die aan derde-partij is verleend voor het uitbreiden van haar camping op het aangrenzende agrarische perceel. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Op 6 november 2025 is namens derde-partij een aanvraag ingediend voor het uitbreiden van haar camping. Beoogd is het recreatieve gebruik uit te breiden op de naastliggende percelen.
2.1.
Bij besluit van 10 juli 2026 heeft het college aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van de regels in het omgevingsplan en het uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid. Met deze vergunning wordt het derde-partij toegestaan om halfverharding en grastegels aan te leggen en het terrein in te richten conform het aangeleverde landschappelijke inrichtingsplan.
2.2.
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het verlenen van deze omgevingsvergunning en zij hebben de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
Het college heeft gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft een schriftelijke reactie ingediend. Verzoekers hebben nog stukken ingediend.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster [verzoekster] en de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigde van het college met J. ten Cate en namens derde-partij [derde belanghebbende] , directeur van derde-partij, bijgestaan door de gemachtigde.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Het bestreden besluit
4. Met de bestreden omgevingsvergunning wordt het derde-partij toegestaan om het recreatieve gebruik van de camping uit te breiden. De gronden waarop deze uitbreiding zien liggen in de directe nabijheid van de recreatiewoningen van verzoekers. Verzoekers vrezen dat het verlenen van deze omgevingsvergunning de mogelijkheid om hun situatie te legaliseren in de weg zal staan. Ook vrezen zij voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat door de uitbreiding van de camping.
4.1.
Het bestreden besluit is een omgevingsvergunning voor het afwijken van de regels in het omgevingsplan (BOPA) op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow). Die vergunning is nodig omdat op grond van het omgevingsplan voor het perceel waar derde-partij haar camping wil uitbreiden een agrarische functie geldt. Verder is de omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteit “werk, niet zijnde bouwwerk of werkzaamheden uitvoeren” op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow. Op grond van het bestreden besluit kunnen nog geen bouwactiviteiten worden verricht.
4.2.
Verzoekers hebben aangevoerd dat het besluit onvoldoende duidelijkheid geeft over wat derde-partij wordt toegestaan. Verzoekers wijzen erop dat bijvoorbeeld niet duidelijk is waar de campers of bijvoorbeeld het toiletgebouw komen te staan. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat uit de omgevingsvergunning en de bijbehorende stukken voldoende duidelijk wordt wat met deze omgevingsvergunning aan derde-partij wordt toegestaan. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de “Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA); uitbreiding Camping de Vledders”. Voor de vergunde werkzaamheden geldt verder dat in de omgevingsvergunning is aangegeven dat deze geldt voor de aanleg van wegen en paden en het inrichten van de percelen conform het bijbehorende landschappelijke inrichtingsplan (“Ruimtelijke kwaliteitsplan versie 6 d.d. 08-06-2026”). Hieruit volgt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende duidelijk welke werkzaamheden derde-partij mag uitvoeren, en waar deze werkzaamheden moeten worden verricht.
Moet een voorlopige voorziening worden getroffen?
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
5.1.
Op grond van artikel 16.79, vierde lid, van de Ow heeft het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker in dit geval opschortende werking. Dat betekent dat de vergunde activiteiten nog niet mogen worden verricht totdat door de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.
5.2.
Derde-partij heeft aangegeven dat zij met de werkzaamheden wil beginnen nadat het kampeerseizoen is afgelopen en de camping gaat sluiten. Zij wil de werkzaamheden afronden voordat het nieuwe kampeerseizoen begint en wil daarom de bezwarenprocedure niet afwachten. Dat betekent dat het in de rede ligt dat de vergunde activiteiten worden gestart voordat het college op de bezwaren van verzoekers heeft beslist.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers allereerst een voorlopige voorziening wensen om te voorkomen dat het bestreden besluit de besluitvorming over hun aanvragen om een omgevingsvergunning voor de legalisatie van de permanente bewoning van hun recreatiewoningen belemmert. In reactie hierop heeft het college aangegeven nog niet positief te staan tegenover de aanvragen van verzoekers. Dit komt niet door deze vergunning, maar vindt zijn grondslag in andere overwegingen.
6.1.
Dit belang van verzoekers levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang op voor het treffen van een voorlopige voorziening. Dit gaat over een ander besluit dan waar deze voorzieningenprocedure over gaat. Bovendien acht de voorzieningenrechter het niet aannemelijk dat de uitkomst van deze voorzieningenprocedure van wezenlijke invloed zal zijn op de besluitvorming over de aanvragen van verzoekers.
7. Verzoekers hebben verder toegelicht dat zij vrezen voor de gevolgen van een intensief recreatief gebruik van de nabij hun recreatiewoningen gelegen gronden dat als gevolg van het bestreden besluit mogelijk wordt na de realisatie van de toegestane werkzaamheden. Zij hebben in het bijzonder gewezen op aspecten van hun woon- en leefklimaat (waaronder geluid, privacy en rust).
7.1.
De voorzieningenrechter ziet ook hierin in dit geval geen spoedeisend belang dat, gelet op de betrokken belangen, aanleiding moet zijn tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende de lopende bezwarenprocedure. De voorzieningenrechter licht dat hierna toe.
7.1.1.
Het gaat in deze zaak om een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening hangende de lopende bezwaarprocedure. Het college heeft ter zitting aangegeven te verwachten, ook gelet op de beslistermijn, dat dit jaar een beslissing wordt genomen op de bezwaren van verzoekers. Gelet op de gegeven toelichting ter zitting ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om daaraan te twijfelen.
7.1.2.
De voorzieningenrechter acht verder van belang dat derde-partij heeft toegelicht dat de vergunde werkzaamheden zullen starten na de sluiting van het kampeerseizoen. Dat is op 26 oktober. De camping zal vervolgens pas weer opengaan in de week voor Pasen volgend jaar. Dat betekent dat de door verzoekers gevreesde intensieve gebruik van het uitgebreide recreatieterrein niet voor het begin van het nieuwe kampeerseizoen kan ontstaan. Op dat moment zal het college naar redelijke verwachting al een besluit op de bezwaren van verzoekers hebben genomen.
7.1.3.
Derde-partij heeft toegelicht dat het voor haar bedrijfsvoering belangrijk is dat de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zodra de camping is gesloten. Er moet in oktober met de uitvoering worden begonnen om zo alle werkzaamheden klaar te hebben voordat het nieuwe kampeerseizoen start. Derde-partij heeft verder een subsidie gekregen. Onduidelijk is of zij deze subsidie nog krijgt als de plannen een jaar worden uitgesteld. De voorzieningenrechter acht het gelet op de door derde-partij gegeven toelichting aannemelijk dat het voor derde-partij van groot belang is om te kunnen starten met de vergunde werkzaamheden. Die werkzaamheden leiden naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bovendien niet tot onomkeerbare gevolgen.
7.1.4.
Ten aanzien van de vergunde werkzaamheden hebben verzoekers op zitting aangevoerd dat zij vrezen dat het uitvoeren van de vergunde werkzaamheden consequenties heeft voor de verdere besluitvorming van het college. Het college heeft daarop op zitting aangegeven dat derde partij volledig op eigen risico handelt als op grond van een niet-onherroepelijke vergunning werkzaamheden worden uitgevoerd. De voorzieningenrechter onderschrijft het standpunt van het college en acht de vrees van verzoekers dat hieraan betekenis wordt toegekend in de heroverweging in bezwaar daarom niet gegrond.
7.1.5.
Nu het enerzijds niet aannemelijk is dat verzoekers voordat het college op hun bezwaren beslist worden geconfronteerd met de door hen gevreesde intensivering van het kampeerterrein en het belang van derde-partij bij inwerkingtreding van de omgevingsvergunning voldoende is toegelicht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Er is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een in artikel 8:81 van de Awb bedoelde situatie dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Om die reden wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het bestreden besluit in werking treedt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Veenstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit volgt uit het omgevingsplan. Op grond van het tijdelijk deel (bestemmingsplan “Buitengebied – Gemeente Aa en Hunze”) geldt de bestemming “Agrarisch-Esdorpenlandschap”. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|