|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2026:4566 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 23-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | LEE 26/411 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | IB/PVV. De inspecteur mag voor de waarde van het onroerend goed in box 3 kijken naar de WOZ-beschikkingen. Wel schending hoorrecht, maar belanghebbende is daardoor niet benadeeld. | | Trefwoorden | : | belastbaar inkomen uit sparen en beleggen | | | belastbaar inkomen uit werk en woning | | | box 3 | | | inkomstenbelasting | | | woz waarde | | | woz-waarde | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/411
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 september 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/kantoor Amsterdam, de inspecteur
(gemachtigde: [naam 1] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018 van belanghebbende en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. Belanghebbende is het niet eens met de verminderde aanslag. Hij voert daartoe aan dat de aanslag verder dient te worden verminderd en dat het hoorrecht is geschonden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het hoorrecht is geschonden, maar dat belanghebbende daardoor niet is benadeeld. De verminderde aanslag is volgens de rechtbank niet te hoog vastgesteld. Dit betekent dat de aanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Het beroep is dus ongegrond. BelanghebbendeBelanghebbende krijgt wel zijn griffierecht terug vanwege de schending van het hoorrecht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.
2.1.
De inspecteur heeft met dagtekening 30 september 2021 aan belanghebbende een aanslag IB/PVV 2018 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 74.575 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 27.032. Bij beschikking heeft de inspecteur € 557 aan belastingrente in rekening gebracht.
2.2.
Op 30 november 2021 heeft de rechtbank een brief met dagtekening 27 november 2021 ontvangen met daarin een beroep van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2018, waarin belanghebbende schrijft dat hij al op 4 november 2021 beroep heeft ingediend bij “uw gerechtshof”. De rechtbank heeft dit beroepschrift doorgestuurd naar de inspecteur (maar niet als bezwaarschrift). Bij uitspraak van de rechtbank van 5 september 2023 heeft de rechtbank beslist dat het beroep van belanghebbende van 30 november 2021 niet-ontvankelijk is en dat de inspecteur dit als bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2018 in behandeling moet nemen.
2.3.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 februari 2025 het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. Ambtshalve heeft de inspecteur beslist dat hij deels (inzake het belastbaar inkomen uit werk en woning) tegemoet komt aan het als zodanig aangemerkte verzoek tot vermindering van de aanslag van belanghebbende. Bij brief van 20 februari 2025 heeft de inspecteur de uitspraak op bezwaar met daarin de ambtshalve genomen beslissing naar het woonadres van belanghebbende gestuurd.
2.4.
Met dagtekening 14 februari 2025 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2018 van belanghebbende verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.075 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 27.032. De belastingrentebeschikking is verminderd tot een bedrag van € 494.
2.5.
Belanghebbende heeft vervolgens tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering (zie 2.3) bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 januari 2026 dat bezwaar ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door [naam 2] .
2.7.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Feiten
3.
3.1.
Belanghebbende was in 2018 eigenaar van meerdere onroerende zaken. Aan de onroerende zaken zijn voor het belastingjaar 2018 de volgende WOZ-waarden toegekend:
Adres object
WOZ-waarde
[adres 1]
€ 98.000
[adres 2]
€ 99.000
[adres 3]
€ 46.000
[adres 4]
€ 23.000
[adres 5]
€ 23.000
[adres 6]
€ 23.000
[adres 7]
€ 23.000
[adres 7]
€ 23.000
[adres 8]
€ 28.000
[adres 9]
€ 21.000
[adres 10]
€ 32.000
[adres 11]
€ 19.000
[adres 12]
€ 22.000
[adres 13]
€ 23.000
[adres 14]
€ 28.000
[adres 15]
€ 102.000
[adres 17]
€ 56.000
[adres 18]
€ 53.000
Totaal
€ 742.000
Beoordeling door de rechtbank
4.
4.1.
In geschil is of de aanslag, na vermindering (zie 2.4.), op het juiste bedrag is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen dient te worden verminderd. Verder heeft belanghebbende erover geklaagd dat hij niet is gehoord in de bezwaarfase.
4.2.
Ter zitting heeft de inspecteur aangegeven dat hij de ontvankelijkheid van het beroep van belanghebbende niet (meer) ter discussie stelt. Ook heeft belanghebbende ter zitting aangegeven dat hij, bij gebrek aan onderbouwende stukken, de beroepsgrond dat hij aanspraak kan maken op giftenaftrek laat vallen.
Schending hoorrecht
5.
5.1.
Belanghebbende heeft gesteld dat het hoorrecht is geschonden doordat hij niet is gehoord in de bezwaarfase.
5.2.
De inspecteur is ook van mening dat het hoorrecht is geschonden. Daarbij heeft de inspecteur aangegeven dat hij geen aanleiding ziet voor terugwijzing, omdat belanghebbende niet is benadeeld.
5.3.
De rechtbank is, met partijen, van oordeel dat de inspecteur het hoorrecht heeft geschonden door belanghebbende niet te horen in de bezwaarfase terwijl belanghebbende wel aangegeven had daar gebruik van te willen maken. De rechtbank gaat aan de schending van de hoorplicht voorbij omdat aannemelijk is dat belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende in beroep voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn standpunten naar voren te brengen en stukken over te leggen. De rechtbank ziet in deze gang van zaken wel aanleiding om de inspecteur te veroordelen in de vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende.
Is het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen juist vastgesteld?
6.
6.1.
Belanghebbende stelt dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te hoog is vastgesteld, omdat de inspecteur ten onrechte is uitgegaan van de WOZ-waarden van zijn onroerend goed in plaats van lagere waarden. Daarbij heeft belanghebbende erop gewezen dat de inspecteur voor 2020 van andere waarden is uitgegaan dan voor 2018 en dat de onroerende zaken op het adres Dorpsstraat 50 en 52 in 2020 zijn verkocht voor een (gezamenlijke) prijs van € 44.000.
6.2.
De inspecteur is van mening dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen juist is vastgesteld. Hij stelt dat hij voor de waarde van de onroerende zaken terecht is uitgegaan van de WOZ-waarden. De inspecteur heeft er daarbij op gewezen dat belanghebbende geen stukken heeft overgelegd die een andere waarde onderbouwen. De waarden van de (verkochte) onroerende zaken in 2020 zegt volgens de inspecteur verder niet veel over de waarden in 2018.
7. De rechtbank overweegt als volgt. De inspecteur mag voor de waarde van het onroerend goed in box 3 van belanghebbende van de wet kijken naar WOZ-beschikkingen zoals ze zijn afgegeven voor het betreffende jaar. Dat belanghebbende in 2020 andere WOZ-beschikkingen heeft gekregen, betekent niet dat de WOZ-beschikkingen voor 2018 niet gelden of niet juist zijn. De WOZ-waarden worden elk jaar opnieuw vastgesteld. Belanghebbende heeft aangegeven geen stukken te hebben die voor 2018 andere waarden dan de vastgestelde WOZ-waarden onderbouwen. De rechtbank ziet, in tegenstelling tot wat belanghebbende oppert, ook geen aanleiding om voor de waarde van het onroerend goed in 2018 aan te sluiten bij de verkoopwaarden van (enkele) panden in een later jaar. Dat betekent dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen juist is vastgesteld.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag en de belastingrentebeschikking zoals vastgesteld na de vermindering van 14 februari 2025 (zie 2.4.) in stand blijven. Belanghebbende krijg geen vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet wel het griffierecht aan belanghebbende vergoeden omdat het hoorrecht is geschonden (zie 5.3.).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 54 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid vanmr.A.A. van der Terp, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op grond van artikel 5.20, eerste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|