|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2026:4574 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 23-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | LEE 23/2656 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Afwijzen van handhavingsverzoek op grond van de specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 2.11 van het Bal met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij teelt op diverse percelen. Onderzoeksgebrek in het bestreden besluit maar dat kan worden gerepareerd in de bezwaarfase. Geen aanleiding om de verstrekkende gevraagde voorlopige voorziening (stoppen met gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen) te treffen na een belangenafweging. | | Trefwoorden | : | activiteitenbesluit | | | bestuursdwang | | | gewassen | | | meststoffen | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
locatie Groningen
zaaknummer: LEE 26/2656
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 oktober 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster 1]
, gevestigd in Diever, [plaats],
(gemachtigde: ing. G.W. Starre),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld, het college,
(gemachtigde: mr. M. de Boer).
Als derde-partijen nemen aan het geding deel:
1. [derde belanghebbende], uit [plaats], derde-belanghebbende sub 1,
2. [derde belanghebbende], uit [plaats], derde-belanghebbende sub 2,
3. [derde belanghebbende], uit [plaats], derde-belanghebbende sub 3,
4. [derde belanghebbende] uit [plaats], derde-belanghebbende sub 4,
5. [derde belanghebbende], gevestigd in [plaats], derde-belanghebbende sub 5,
6. [derde belanghebbende], gevestigd in [plaats], derde-belanghebbende sub 6.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van het verzoek om handhaving op grond van de specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij teelt op diverse percelen in Nieuw-Roden afgewezen.
1.1. Het college heeft bij het bestreden besluit van 23 juli 2026 het verzoek om handhaving op grond van de specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 2.11 van het Bal met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij teelt op diverse percelen in Nieuw-Roden, afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen en een ordemaatregel te treffen die ertoe leidt dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen
op de betrokken percelen tijdelijk wordt stilgelegd totdat het college opnieuw op het handhavingsverzoek heeft beslist.
1.2. Het college heeft gereageerd op het verzoek om voorlopige voorziening met een verweerschrift.
1.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 oktober 2026 op zitting behandeld. Verzoekster is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en E. Oosterloo (toezichthouder). Namens
derde-belanghebbenden is niemand verschenen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de verzoeken om handhaving op grond van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij teelt op diverse percelen in Nieuw-Roden. Zij doet dat aan de hand van de gronden van verzoekster.
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3.1. De voor de beoordeling van het verzoek belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Feiten
4. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
4.1. Verzoekster heeft bij brief van 28 april 2026 een verzoek om handhaving bij het college ingediend. Zij verzoekt om handhaving op grond van de specifieke zorgplichtbepaling, als bedoeld in artikel 2.11 van het Bal, met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij teelt op verschillende percelen in Nieuw-Roden.
Het verzoek om handhaving heeft betrekking op de volgende percelen:
Kadastrale aanduiding
plaats
teelt
[aanduiding]
Nieuw-Roden
mais
[aanduiding]
Nieuw-Roden
mais
[aanduiding]
Nieuw-Roden
mais
[aanduiding]
Nieuw-Roden
mais
[aanduiding]
Nieuw-Roden
gras
[aanduiding]
Nieuw-Roden
mais
[aanduiding]
Nieuw-Roden
gras
[aanduiding]
Nieuw-Roden
gras
[aanduiding]
Nieuw-Roden
lelie
[aanduiding]
Nieuw-Roden
gras
[aanduiding]
Nieuw-Roden
lelie
[aanduiding]
Nieuw-Roden
lelie
[aanduiding]
Nieuw-Roden
lelie
[aanduiding]
Nieuw-Roden
lelie
[aanduiding]
Nieuw-Roden
gras
[aanduiding]
Nieuw-Roden
graan
[aanduiding]
Nieuw-Roden
mais
[aanduiding]
Nieuw-Roden
graan
4.2. Het college heeft bij brief van 8 mei 2026 bij derde-belanghebbenden nadere gegevens opgevraagd met betrekking tot de teeltactiviteiten op de kadastraal geduide percelen, de geteelde gewassen en de pacht- en gebruiksovereenkomsten en teeltplannen.
4.3. Op 19 mei 2026 heeft de toezichthouder E. Oosterloo een controle uitgevoerd. De bevindingen van de controle heeft de toezichthouder neergelegd in een rapport van
19 mei 2026.
4.4. Verzoekster heeft het verzoek om handhaving bij brief van 15 juni 2026 aangevuld.
4.5. De Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe (RUD) heeft bij brief van 29 juni 2026 een advies met betrekking tot de specifieke zorgplicht uitgebracht. In dit advies is aangegeven dat er geen sprake is van een overtreding van de specifieke zorgplicht, als bedoeld in artikel 2.11 van het Bal.
4.6. Het college heeft bij brief van 6 juli 2026 aan verzoekster meegedeeld voornemens te zijn om het verzoek om handhaving af te wijzen.
Verder heeft het college met deze brief verzoekster in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de dagtekening van de brief een zienswijze tegen het voornemen in te dienen.
4.7. Verzoekster heeft bij brief van 8 juli 2026 een zienswijze, gericht tegen het voornemen, bij het college ingediend.
4.8. Bij het bestreden besluit heeft het college het verzoek om handhaving op grond van de specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 2.11 van het Bal met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij teelt op diverse percelen in Nieuw-Roden, afgewezen. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
5. Een verzoek om voorlopige voorziening kan alleen worden toegewezen als onverwijlde spoed dat vereist. De voorzieningenrechter stelt vast dat de voorziening die verzoekster vraagt - namelijk een ordemaatregel die ertoe leidt dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de betrokken percelen on de gemeente Noordenveld tijdelijk wordt stilgelegd - totdat het college op het bezwaar heeft beslist - verstrekkend is. Het bestreden besluit strekt immers tot weigering van handhaving op grond van de specifieke zorgplichtbepaling van artikel 2.11 van het Bal. Indien de voorzieningenrechter met verzoekster van oordeel zou zijn dat het bestreden besluit niet in stand zou kunnen blijven, dan zou dat nog niet direct impliceren dat een tijdelijk verbod van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen noodzakelijk is. Verzoekster vraagt derhalve om te handelen alsof het handhavingsverzoek wordt toegewezen en om aan te nemen dat het volledig stoppen met toepassen van gewasbeschermingsmiddelen op de percelen nodig is om de voortdurende overtreding een halt toe te roepen. Artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt een dergelijke ordemaatregel in principe mogelijk. Nu toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op de percelen thans nog plaatsvindt, heeft verzoekster in die zin een spoedeisend belang bij haar verzoek.
Welk recht is van toepassing?
6. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet, volgt dat in deze procedure het nieuwe recht (waaronder de Ow) van toepassing is, omdat het verzoek om handhaving is ingediend op 28 april 2026.
Het geschil
7. Tussen partijen is in geschil of het college het verzoek om handhaving op grond van de specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 2.11 van het Bal terecht heeft afgewezen. Daarover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
De weigering om handhavend op te treden
Is de specifieke zorgplichtbepaling van toepassing?
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat het telen van gewassen in de openlucht met gebruikmaking van gewasbeschermingsmiddelen in artikel 3.208, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bal is aangewezen als milieubelastende activiteit. De voorzieningenrechter overweegt dat de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal onder meer van toepassing is op milieubelastende activiteiten. Dat is tussen partijen niet in geschil. De voorzieningenrechter overweegt dat de specifieke zorgplicht geldt naast de overige specifieke regels voor deze activiteit.
9. De voorzieningenrechter overweegt dat tussen partijen ook niet in geschil is dat het college bevoegd is om handhavend op te treden als sprake is van een overtreding van deze specifieke zorgplicht. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen. De voorzieningenrechter overweegt dat het college op grond van artikel 125 van de Gemeentewet bevoegd is tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien de last strekt tot handhaving van regels die het gemeentebestuur uitvoert. Op grond van artikel 18.2, in samenhang gelezen met artikel 4.9 van de Ow en artikel 2.3 van het Bal, voert het college de regels omtrent een milieubelastende activiteit uit. Artikel 2.11 van het Bal is van toepassing op een milieubelastende activiteit, zodat het college bevoegd is in voorkomend geval handhavend op te treden.
Wanneer kan gehandhaafd worden op grond van de specifieke zorgplicht?
10. Verzoekster stelt (samengevat) dat het enkele gebruik van bestrijdingsmiddelen al een overtreding van de specifieke zorgplicht oplevert, ook indien wordt voldaan aan de algemene regels van paragraaf 4.64 van het Bal. Volgens verzoekster is de bestaande regelgeving met betrekking tot het gebruik van bestrijdingsmiddelen ontoereikend. Zij stelt verder dat de specifieke zorgplicht ingevuld moet worden aan de hand van het voorzorgsbeginsel.
10.1. Het college stelt zich samengevat op het standpunt dat sprake moet zijn van onmiskenbaar handelen in strijd met de zorgplicht. Dit is volgens het college niet het geval als de telers voldoen aan de algemene regels van het Bal en uit de controle is gebleken dat de eigenaars/telers toegelaten gewasbeschermingsmiddelen in de juiste doseringen en frequenties gebruiken.
11. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
11.1. Artikel 2.11, eerste lid, van het Bal luidt als volgt:
“Degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.2, is verplicht:a) alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;b) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; enc) als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.(…)”
11.2. Uit de Nota van Toelichting bij het Bal volgt dat directe handhaving van de specifieke zorgplicht voor de hand ligt bij evidente overtredingen. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht. Uit de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de Ow en van de Invoeringswet Omgevingswet volgt eveneens dat de specifieke zorgplichten alleen betrekking hebben op evidente situaties waarbij voor handhavend optreden sprake moet zijn van een onmiskenbaar in strijd handelen met de zorgplicht.
11.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat directe handhaving van het overtreden van de specifieke zorgplicht niet gerechtvaardigd is als diegene redelijkerwijs niet kon weten wat in het concrete geval een goede invulling is van de specifieke zorgplicht. Bij een evenwichtige toepassing van de specifieke zorgplicht hoort - met het oog op het rechtszekerheidsbeginsel - in ieder geval dat redelijkerwijs te voorzien moet zijn wat de specifieke zorgplicht in een concreet geval inhoudt. De voorzieningenrechter sluit hiermee aan bij de invulling die in de rechtspraak is gegeven aan de mogelijkheid tot handhaving van de zorgplicht uit het voor de inwerkingtreding van de Ow en het Bal geldende artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
11.4. Met betrekking tot de invulling van het begrip ‘onmiskenbaar’ overweegt de voorzieningenrechter dat hierbij van belang is of de telers op grond van de op hen rustende specifieke zorgplicht, onmiskenbaar niet doen wat zij op grond van die zorgplicht wel behoren te doen. Alleen onder die omstandigheden is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van het onmiskenbaar overtreden van de specifieke zorgplicht. De voorzieningenrechter ziet, gelet op de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de (Invoeringswet) Ow en het Bal, geen aanknopingspunten om voor de uitleg van de specifieke zorgplicht aan te sluiten bij het voorzorgsbeginsel.
11.5 Het voorgaande betekent dat niet kan worden aangenomen dat elk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen reeds een overtreding van de specifieke zorgplicht inhoudt, omdat die activiteit gevolgen kan hebben voor de belangen bedoeld in artikel 2.2 van het Bal (voorzorgsbeginsel). Evenmin staat – anders dan verzoekster stelt – evident (wetenschappelijk) vast dat elke toepassing van gewasbeschermingsmiddelen tot overtreding van de specifieke zorgplicht leidt, zodat een gebruiker redelijkerwijs moet vermoeden dat zich nadelige gevolgen voordoen. Pas als de feitelijke toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op een perceel evident aanleiding geeft voor de conclusie dat de gebruiker redelijkerwijs kon weten dat negatieve gevolgen aan de orde zijn, kan worden gehandhaafd op basis van de specifieke zorgplicht. Het betoog van verzoekster slaagt niet.
Heeft het college zorgvuldig onderzocht of sprake is van een (evidente) overtreding door de feitelijke toepassing van bestrijdingsmiddelen op de percelen?
12. Verzoekster betoogt dat, voor zover het college stelt dat toezichthouders controles hebben uitgevoerd of registraties hebben ingezien, dergelijke mededelingen het besluit slechts kunnen dragen wanneer de bevindingen schriftelijk zijn vastgelegd. Schriftelijke stukken moeten zijn voorzien van datum, locatie en naam van de toezichthouder per perceel. Ook moeten zij vermelden welke documenten en registraties zijn ingezien en de gebruikte middelen, hoeveelheden, combinaties en toepassingsdata weergeven (zodat ze voor partijen kenbaar en controleerbaar zijn). Verzoekster voert aan dat een algemene mededeling dat een controle heeft plaatsgevonden niet voldoende is. Dat geldt volgens verzoekster des te meer wanneer niet duidelijk is wanneer is gecontroleerd, welke gegevens zijn onderzocht en tot welke concrete bevindingen de toezichthouder is gekomen. Verzoekster verwijst naar de uitspraak van 30 maart 2026 van deze rechtbank.
12.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de toezichthouder informatie heeft verkregen over de soort teelt die plaatsvindt, welke gewasbeschermingsmiddelen er zijn gebruikt en in welke dosering deze middelen zijn gebruikt. Het college voert aan dat uit de rapportage van de toezichthouder blijkt dat de gebruikte gewasbeschermingsmiddelen op de betreffende percelen zijn toegestaan, zijn gebruikt in een toegestane dosering en met een toegestane frequentie. Verder voert het college aan dat uit de rapportage van de toezichthouder blijkt dat er geen overtredingen zijn geconstateerd op het moment dat de percelen bespoten werden. Het college beschikt niet zelf over de expertise om zelfstandig te beoordelen wat de gevolgen zijn van combinatie of cumulatie van gewasbeschermingsmiddelen en, zo ja, wat deze mogelijke effecten dan zijn. Daarom heeft het college deze informatie voorgelegd aan het College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) en gevraagd of de experts van het Ctgb hierover informatie konden verstrekken. Gezien de reactie van het Ctgb concludeert het college dat er geen overtredingen zijn geconstateerd die verband houden met de cumulatie of combinatie van gewasbeschermingsmiddelen. Op basis van alle voorhanden zijnde informatie is het (op dit moment) naar de mening van het college niet evident dat het gebruik van de feitelijk toegepaste (toegelaten) gewasbeschermingsmiddelen dermate gevaarlijk is dat het gebruik van deze middelen achterwege had moeten blijven.
12.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat toezichthouder Oosterloo op 19 mei 2026 een vrije veldcontrole op de percelen van de derde-belanghebbenden heeft uitgevoerd. In de rapportage van 19 mei 2026 heeft de toezichthouder naar aanleiding van de controle vermeld dat de bedoeling van de controle is geweest om gegevens op te vragen van de eigenaren van de kadastrale percelen, zoals genoemd in het handhavingsverzoek. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat uit het advies van 29 juni 2026 van de Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe (RUD) blijkt dat toezichthouder R. Dol van de RUD informatie heeft verkregen over de soort teelt die plaatsvindt op de diverse percelen, welke gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt bij de teelt en in welke dosering (gewasbeschermingsmiddelenmonitor). Verder blijkt uit dit advies dat de toezichthouder op 24 juni 2026 met betrekking tot alle percelen een overzicht heeft opgevraagd van de benodigde gegevens bij de diverse eigenaren/telers over het jaar 2026. Bij één van de telers heeft de toezichthouder een onaangekondigd bezoek op de bedrijfslocatie gebracht. Daarbij heeft de toezichthouder geconstateerd dat de gebruikte gewasbeschermingsmiddelen op de betreffende percelen zijn toegestaan, gebruikt worden in een toegestane dosering en met een toegestane frequentie. Naar aanleiding van de toegezonden gegevens door de overige eigenaren/telers concludeert de toezichthouder dat de gebruikte gewasbeschermingsmiddelen op de overige percelen zijn toegestaan, gebruikt in een toegestane dosering en met een toegestane frequentie. Daarnaast is in dit advies aangegeven dat op 11 juni 2026 twee toezichthouders van de gemeente Noordenveld ter plaatse zijn geweest bij de percelen aan de Veldweg in Nieuw-Roden. De percelen werden op dat moment bespoten, maar er zijn daarbij door de toezichthouders geen overtredingen geconstateerd.
12.3. De voorzieningenrechter is – met verzoekster - van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderzocht of sprake is van een overtreding van artikel 2.11 van het Bal. De voorzieningenrechter overweegt dat het college met het bestreden besluit en de onderliggende gedingstukken niet inzichtelijk heeft gemaakt in welke mate en met welke frequentie de telers op de genoemde percelen gewasbeschermingsmiddelen spuiten, met welke spuitsnelheid wordt gespoten en met welke combinatie van gewasbeschermingsmiddelen per perceel is gespoten. Ook is niet onderzocht wat de afstand van die percelen tot de dichtstbij gelegen kwetsbare objecten is. Daarnaast is door het college niet inzichtelijk gemaakt of en wat het effect is van de cumulatie van gewasbeschermingsmiddelen van dicht bij elkaar gelegen percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt bij (sier)teelt in de open lucht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had het college deze gegevens in de eerste plaats bij de telers kunnen opvragen. Weliswaar heeft de gemachtigde van het college ter zitting aangegeven dat toezichthouders de spuitmonitoringsgegevens van de telers hebben ingezien, maar de bevindingen van de toezichthouders zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter slechts gedeeltelijk inzichtelijk gemaakt. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat van de gestelde controle door gemeentelijke toezichthouders op 11 juni 2026 geen voor de voorzieningenrechter en andere partijen kenbare rapportage voorhanden is. Daarom zijn de bevindingen van de gemeentelijke toezichthouders tijdens die controle niet kenbaar en niet inzichtelijk gemaakt. Gelet hierop kan aan die (niet kenbare) bevindingen niet de waarde worden toegekend die het college eraan gehecht wenst te zien.
12.4. Door het nalaten van nader onderzoek, gericht op het feitelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen per genoemd perceel door de telers, heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval niet kunnen vaststellen of er sprake is van een overtreding van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal. Het college heeft onvoldoende kennis vergaard om dat te kunnen beoordelen. Dit brengt met zich dat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand is gekomen.
Verzoek om voorlopige voorziening
13. Zoals in het voorgaande aangegeven verzoekt verzoekster niet alleen om schorsing van het bestreden besluit, maar ook om een ordemaatregel die ertoe leidt dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de betrokken percelen tijdelijk wordt stilgelegd totdat het college het noodzakelijke onderzoek heeft uitgevoerd en opnieuw op het handhavingsverzoek heeft beslist. Verzoekster voert aan dat alleen met een dergelijke voorziening wordt voorkomen dat de bezwaarprocedure zijn betekenis verliest doordat de activiteiten waartegen het handhavingsverzoek is gericht ondertussen onverminderd worden voortgezet.
13.1. Ondanks het in overweging 12.4 geconstateerde gebrek in het bestreden besluit ziet de voorzieningenrechter om die reden geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde (verstrekkende) voorlopige voorziening. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat niet valt uit te sluiten dat het college het onderzoeksgebrek in de bezwaarfase (alsnog) kan en zal repareren.
13.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er, na afweging van de betrokken belangen, in dit geval geen aanleiding om de door verzoekster gevraagde voorlopige voorziening in de vorm van een ordemaatregel te treffen. De voorzieningenrechter houdt daarbij rekening met de aard van de geconstateerde gebreken, en de ingrijpende gevolgen voor de (bedrijfsbelangen van de) derde-partijen als een dergelijke verstrekkende ordemaatregel zou worden getroffen. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat er, gelet op de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de (Invoeringswet) Ow en het Bal, geen aanknopingspunten zijn om een voorlopig verbod van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te baseren op de uitleg van de specifieke zorgplicht aan de hand van het voorzorgsbeginsel.
Conclusie en gevolgen
14. Gelet op de voorgaande overwegingen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2026.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:81
1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
(…).
Gemeentewet
Artikel 125
1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.
2. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.
(…).
Omgevingswet
Artikel 5.1 Omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet
(…)
2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
(…).
b. een milieubelastende activiteit,
(…).
Artikel 4.9 Gemeente bevoegd gezag voor rijksregels
Tenzij op grond van de artikelen 4.10 tot en met 4.13 anders is bepaald, wordt op grond van artikel 4.3 het college van burgemeester en wethouders aangewezen als:
a. het bevoegd gezag waaraan een melding wordt gedaan,
b. het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen,
c. het bevoegd gezag dat beslist op een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel.
Artikel 18.2 Toedeling handhavingstaak
1. Als sprake is van een activiteit waarvoor op grond van paragraaf 4.1.1 algemene regels zijn gesteld, berust de bestuursrechtelijke handhavingstaak bij het op grond van paragraaf 4.1.3 voor die activiteit bevoegde gezag.
2. Als sprake is van een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, berust de bestuursrechtelijke handhavingstaak bij het op grond van paragraaf 5.1.2 voor die omgevingsvergunning bevoegde gezag.
(…).
Besluit activiteiten leefomgeving
Artikel 2.1 Activiteiten
De hoofdstukken 2 tot en met 5 gaan over milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk die daarbij worden verricht, of die zijn aangewezen in hoofdstuk 3.
Artikel 2.3 Bevoegd gezag gemeente
Tenzij in de artikelen 2.5 tot en met 2.9 anders is bepaald, is voor een milieubelastende activiteit het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag:
a. waaraan een melding wordt gedaan;
b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen.
Artikel 2.11 Specifieke zorgplicht
1. Degene die een milieubelastende activiteit, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.2, is verplicht:
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2. Voor milieubelastende activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:
a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;
c. de beste beschikbare technieken worden toegepast;
d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;
e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;
f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;
g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;
h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd;
i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat: herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en
j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3.
Artikel 3.208 Aanwijzing milieubelastende activiteiten
1. Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen:
a. het telen van gewassen in de openlucht; en
b. het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt.
2. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat telen of behandelen functioneel ondersteunen.
(…).
Artikel 3.209 Algemene regels
1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.208, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:
(…),
e. het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op braakliggende landbouwgronden en bij het telen van gewassen in de openlucht, bedoeld in paragraaf 4.64;
(…).
Artikel 4.1 Toepassingsbereik activiteiten
Een paragraaf in dit hoofdstuk is alleen van toepassing voor zover dat in hoofdstuk 3 is bepaald.
Artikel 4.723a Toepassingsbereik
1. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op braakliggende landbouwgronden of bij het telen van gewassen in de openlucht.
(…).
Artikel 4.723c Water en gezondheid: driftreducerende technieken bij gebruik gewasbeschermingsmiddelen
1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en het beschermen van de gezondheid wordt bij het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht een techniek toegepast die een driftreductie bereikt van ten minste 75% ten opzichte van een referentietechniek als bedoeld in tabel 4.723c.
2. De driftreductie van de techniek wordt getest. Op het testen hiervan is het Meetprotocol voor het vaststellen van de driftreductie van neerwaartse en op- en zijwaartse spuittechnieken van toepassing.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op een met de hand gedragen spuit.
Artikel 4.723e Water en gezondheid: geen gewasbeschermingsmiddelen bij wind
1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en het beschermen van de gezondheid worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt als de windsnelheid meer is dan 5 m/s, gemeten op:
a. 2 m boven de grond bij neerwaarts bespuiten; en
b. 1 m boven boomhoogte bij op- en zijwaarts bespuiten.
2. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. als kan worden aangetoond dat niet anders dan door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid groter dan 5 m/s een teeltbedreigende situatie kan worden voorkomen; of
b. op een overkapte beddenspuit.
Staatsblad 2018, 293, p. 526.
Kamerstukken II 2014-2015, 33 962, nr. 23, p. 77.
Kamerstukken I 2019-2020, 34 986, nr. W, p. 10.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 augustus 2011 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), ECLI:NL:RVS:2011:BR4631 en AbRvS 13 november 2013, ECLI:NL:2013:1896.
Zie de uitspraak van 30 maart 2026 van de rechtbank Noord-Nederland, ECLI:NL:RBNNE:2026:1051. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|