Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:4677 
 
Datum uitspraak:11-09-2026
Datum gepubliceerd:03-11-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:LEE 26/2907
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:voorlopige voorziening hangende bezwaar, Woo-verzoek, uitspraak zonder zitting, treffen van voorlopige voorziening maakt heroverweging in bezwaar zinledig, verzoek toegewezen, geen openbaarmaking tot twee weken na het besluit op bezwaar
Trefwoorden:landbouw
landbouw, natuur en voedselkwaliteit
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2907

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 september 2026 in de zaak tussen



[naam 1 uit vestigingsplaats] , verzoekster
(gemachtigde: [naam 2] ),

en



de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, NVWA, verweerder.




Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster tegen een besluit over openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.


1.1.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.



1.2.
Verweerder heeft met een besluit van 6 augustus 2026 beslist over openbaarmaking. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.  




Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op 26 mei 2026 is bij verweerder een verzoek op grond van de Woo ingediend. In dit verzoek wordt gevraagd om openbaarmaking van documenten die inzichtelijk maken hoe verweerder toezicht houdt op een specifieke pluimveeslachterij over de periode van 1 januari 2022 tot 26 mei 2026.


2.1.
In het bestreden besluit heeft verweerder besloten een deel van de gevraagde informatie openbaar te maken.



2.2.
Bij brief van 6 augustus 2026 heeft verweerder verzoekster meegedeeld dat zij tot 3 september 2026 de tijd krijgt om de openbaarmaking tegen te houden door bezwaar te maken en door een voorlopige voorziening te vragen. Verzoekster is hiertoe overgegaan.



2.3.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld de openbaarmaking op te schorten totdat de voorzieningenrechter op het verzoek heeft beslist.

3. De rechtbank overweegt dat afwijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zou betekenen dat de openbaarmaking reeds zal plaatsvinden voordat verweerder op grondslag van het bezwaar het bestreden besluit volledig heroverweegt. De bezwaarprocedure zou daarmee zinledig worden.




Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is daarom kennelijk gegrond. De voorzieningenrechter treft de voorziening dat geen openbaarmaking zal plaatsvinden tot twee weken na het te nemen besluit op bezwaar. Hij gaat ervan uit dat verweerder binnen de wettelijke termijn op het bezwaar zal beslissen.

5. Gezien de toewijzing van het verzoek ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Omdat elke proceshandeling een waarde heeft van € 934,-, bedraagt de vergoeding in totaal € 934,-.



Beslissing

De voorzieningenrechter:
- bepaalt dat openbaarmaking wordt opgeschort tot twee weken nadat op het bezwaar
beslist zal zijn;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026.













griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Link naar deze uitspraak