Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:802 
 
Datum uitspraak:10-03-2026
Datum gepubliceerd:16-03-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:LEE 24/3259
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Verweerder heeft in dit geval de vervolgingskosten niet in rekening mogen brengen. Eiser heeft consequent verklaard dat hij om uitstel van betaling heeft verzocht. Geen aanleiding om te twijfelen aan de verzending van het verzoek. Dat verweerder stelt dat uit de systemen niet blijkt van ontvangst van een verzoek om uitstel van betaling, geeft de rechtbank geen grond voor een ander oordeel. De rechtbank betrekt daarbij dat in deze zaak is gebleken dat de aanmaningen en de dwangbevelen niet (meer) aanwezig waren bij verweerder, omdat deze niet zijn bewaard. Bevoegdheidsgebrek hersteld. Beroep gegrond.
Trefwoorden:zorgtoeslag
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 24/3259

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: K.I. Kappen en J. Kiers-Krikken).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanmanings- en dwangbevelkosten (vervolgingskosten) die verweerder aan eiser in rekening heeft gebracht naar aanleiding van de invordering van de definitieve beschikkingen huur- en zorgtoeslag 2021. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder terecht deze vervolgingskosten in rekening heeft gebracht.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder in dit geval de vervolgingskosten niet in rekening heeft mogen brengen. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Op 30 september 2022 is de definitieve beschikking huurtoeslag met beschikkingsnummer 2281.24.190.T.16.0732 opgelegd tot een te betalen bedrag van € 1.568,-. Op 30 september 2022 is ook de definitieve beschikking zorgtoeslag met beschikkingsnummer 2281.24.190.T.16.0733 opgelegd tot een te betalen bedrag van € 187,-. Voor beide bedragen geldt als uiterste betaaldatum 11 november 2022.


2.1.
Op 25 november 2022 heeft verweerder voor de definitieve beschikking huurtoeslag 2021 en de definitieve beschikking zorgtoeslag 2021 een betalingsherinnering verzonden.



2.2.
Na het versturen van de betalingsherinnering is door eiser geen betaling gedaan en is voor beide beschikkingen een aanmaning verzonden met de dagtekening 22 december 2022. Hierbij is er een bedrag van € 18,- aan aanmaningskosten in rekening gebracht voor de definitieve beschikking huurtoeslag 2021. Verweerder heeft aangegeven voor de definitieve beschikking zorgtoeslag 2021 een bedrag van € 8,- aan aanmaningskosten in rekening te hebben gebracht.



2.3.
Na de verstuurde aanmaningen heeft eiser niet betaald. Verweerder heeft op 13 januari 2023 voor de invordering van de huurtoeslag 2021 en de zorgtoeslag 2021 dwangbevelen bij eiser betekend. Hierbij is er respectievelijk een bedrag van € 178,- en € 58,- aan dwangbevelkosten in rekening gebracht. Verweerder heeft aangegeven niet meer te beschikken over deze documenten. De betekening wordt door eiser niet betwist en volgt ook uit de archiefgegevens die door verweerder in het geding zijn gebracht.



2.4.
Eiser heeft op 15 januari 2023 bezwaar gemaakt tegen de vervolgingskosten huur- en zorgtoeslag 2021 met beschikkingsnummers 22.81.24.190.T160732 en 22.81.24.190.T160733 van 13 januari 2023.



2.5.
Op 12 juni 2024 is beslist op het bezwaar van eiser. De vervolgingskosten zijn daarbij in stand gelaten. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dat besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.



2.7.
Op zitting is gebleken dat het bestreden besluit namens de ontvanger van de Belastingdienst is ondertekend, terwijl verweerder het bevoegde bestuursorgaan is. Dit is met partijen besproken op zitting. De behandeling van het beroep is daarop aangehouden om verweerder in de gelegenheid te stellen om dit te herstellen.



2.8.
Verweerder heeft met het besluit van 18 oktober 2025 een herzien besluit op bezwaar genomen. Dat besluit is ondertekend namens verweerder. Het besluit is doorgezonden aan eiser. Het beroep van eiser richt zich van rechtswege ook tegen dit besluit op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).



2.9.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, nu eiser en verweerder niet binnen de gestelde termijn hebben aangegeven gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten. Op 27 januari 2026 heeft de rechtbank partijen bericht dat de uitspraaktermijn met zes weken is verlengd.





Beoordeling door de rechtbank


(Herzien) besluit op bezwaar


3. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit van 12 juni 2024 was ondertekend namens de ontvanger. In dit geval is echter verweerder het bevoegde bestuursorgaan en diende het besluit ook namens verweerder te worden ondertekend. Op zitting is dat ook erkend. Dat betekent dat aan het besluit van 12 juni 2024 een (bevoegdheids)gebrek kleeft. Hangende het beroep is dit gebrek onderkend en heeft verweerder op 18 oktober 2025 een herzien besluit genomen. Omdat de beslissing op bezwaar aanvankelijk onjuist is genomen, is het beroep daartegen gegrond.


3.1.
Verweerder heeft het bestreden besluit inmiddels vervangen door het besluit van 18 oktober 2025. Het nieuwe besluit is inhoudelijk identiek aan het besluit van 12 juni 2024. Nu dit nieuwe besluit niet aan het beroep van eiser tegemoetkomt, wordt het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede geacht te zijn gericht tegen dit nieuwe besluit. De rechtbank zal het beroep verder beoordelen voor zover dit is gericht tegen dit nieuwe besluit.


Het wettelijke kader


4. Op grond van artikel 28, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) moet het bedrag van de terugvordering binnen zes weken na dagtekening van het terugvorderingsbesluit worden terugbetaald.



4.1.
Uit artikel 32, eerste lid, van de Awir volgt dat verweerder degene die het bedrag van een terugvordering niet op tijd betaalt, schriftelijk aanmaant om het bedrag alsnog binnen twee weken te betalen.



4.2.
Als er vervolgens niet binnen twee weken wordt betaald, kan verweerder op grond van artikel 32, tweede en derde lid, van de Awir een dwangbevel uitvaardigen waarmee het bedrag van de terugvordering wordt ingevorderd. Daarbij kunnen ook de kosten van de aanmaning, de kosten van het dwangbevel en de verschuldigde rente worden ingevorderd.



4.3.
De kosten van invordering zijn vastgelegd in de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kostenwet).


Mocht verweerder de vervolgingskosten in rekening brengen?


5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de vervolgingskosten onterecht in rekening zijn gebracht omdat hij tijdig om een betalingsregeling heeft verzocht en verweerder daar niet op heeft gereageerd.



5.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de vervolgingskosten terecht in rekening zijn gebracht. De terugvorderingsbeschikkingen van 30 september 2022 zijn door eiser onbetaald gelaten. Om die reden heeft verweerder aanmaningen gestuurd en dwangbevelen uitgevaardigd. Het verzoek om een betalingsregeling is volgens verweerder nooit ontvangen.



5.2.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank licht dat oordeel hierna verder toe.



5.3.
Vooraf overweegt de rechtbank dat de terugvorderingsbeschikking(en) in deze zaak niet ter beoordeling voorliggen. Niet ter discussie staat dat eiser daartegen geen bezwaar gemaakt. Daarmee zijn deze onherroepelijk geworden. Voor zover eiser in het beroepschrift de discussie hierover wil heropenen, ziet de rechtbank in wat eiser heeft gesteld daarvoor in deze procedure geen ruimte.



5.4.
Op zitting is besproken wat het zou hebben betekend als verweerder het op 10 oktober 2022 gedateerde verzoek om uitstel van betaling zou hebben ontvangen. Volgens eiser zouden in dat geval de vervolgingskosten niet zijn gemaakt en zou invordering van vervolgingskosten ook niet aan de orde zijn. Namens is verweerder is op zitting aangegeven dat dat argument gevolgd kan worden. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of het voldoende aannemelijk is of eiser om uitstel van betaling heeft verzocht.



5.5.
Eiser heeft geen verzendbewijs van de brief waarbij om uitstel van betaling is verzocht. Deze brief is niet aangetekend verzonden en ook niet per e-mail. Eiser heeft in bezwaar en beroep echter consequent verklaard dat hij om uitstel van betaling heeft verzocht. Hij heeft een kopie van deze brief ook als bijlage bij zijn bezwaarschrift gevoegd. De rechtbank ziet in de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanleiding om te twijfelen aan de verzending van het verzoek. Dat verweerder stelt dat uit de systemen niet blijkt van ontvangst van een verzoek om uitstel van betaling, geeft de rechtbank in dit geval geen grond voor een ander oordeel. De rechtbank betrekt daarbij dat in deze zaak is gebleken dat de aanmaningen en de dwangbevelen niet (meer) aanwezig waren bij verweerder, omdat deze niet zijn bewaard. Verweerder heeft deze stukken ook niet kunnen overleggen. Gelet op deze onvolkomenheden in de administratie van deze zaak bij verweerder, volgt de rechtbank verweerder niet dat uit de afwezigheid van het uitstelverzoek in de systemen kan worden afgeleid dat eiser niet om uitstel van betaling heeft verzocht.



5.6.
De rechtbank ziet in voorgaande, ook gelet op het verhandelde ter zitting, grond voor het oordeel dat verweerder met het besluit op bezwaar ten onrechte de invordering van de vervolgingskosten heeft gehandhaafd zonder daarbij rekening te houden met het verzoek om uitstel van betaling. Dat in de terugvorderingsprocedure eiser al op de hoogte zou zijn gesteld van de mogelijkheid van een betalingsregeling en dat voor het aanvragen van een persoonlijke betalingsregeling een formulier moet worden ingevuld en bijgevoegd, zoals verweerder onder meer in het verweerschrift heeft aangevoerd, doet aan dat oordeel niet af. Dit laat namelijk onverlet dat verweerder niet op het verzoek om uitstel van betaling heeft gereageerd en is overgegaan tot aanmanen en invordering via dwangbevel. De rechtbank acht dat prematuur, om welke reden verweerder met het bestreden besluit ten onrechte de vervolgingskosten heeft gehandhaafd.

6. Omdat het beroep van eiser op grond van het voorgaande slaagt en leidt tot het voor hem beoogde resultaat, behoeft wat eiser verder nog heeft aangevoerd geen verdere bespreking.




Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Aan het besluit van 12 juni 2024 kleeft een bevoegdheidsgebrek. Met het herziene besluit heeft verweerder de vervolgingskosten ten onrechte gehandhaafd. De rechtbank acht dat in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank vernietigt deze besluiten. De rechtbank ziet in dit geval, gelet op het verhandelde ter zitting (zie ook onder 5.4), aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van eiser gegrond te verklaren en de vervolgingskosten op nihil te stellen. Daarmee zijn deze vervolgingskosten niet langer door eiser verschuldigd.


7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten, zoals door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, is de rechtbank niet gebleken. Dat geldt zowel voor de beroepsfase als de bezwaarfase.





Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 12 juni 2024 en het herziene besluit van 18 oktober 2025;
- verklaart het bezwaar van eiser gegrond en stelt de vervolgingskosten vast op nihil;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde (herziene) besluit op bezwaar;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Link naar deze uitspraak