|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2025:8458 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 16-01-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | 25/699 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Deze uitspraak gaat over het besluit van het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant waarbij hij het verzoek van eiseres om (al dan niet preventief) handhavend op te treden tegen de activiteiten van een paardenhouderij in Valkenswaard wegens handelen in strijd met de Wet natuurbescherming, heeft afgewezen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar handhavingsverzoek. Onder verwijzing naar de uitspraak van gelijke datum in zaak SHE 25/223 OW NAT komt de rechtbank tot het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van concreet zicht op legalisatie. In die uitspraak heeft de rechtbank de inmiddels verleende natuurvergunning vernietigd naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024. Eiseres krijgt dus gelijk, de rechtbank vernietigt het besluit. Het college zal uiterlijk op 1 februari 2027 een nieuw besluit moeten nemen op het handhavingsverzoek van eiseres. | | Trefwoorden | : | activiteitenbesluit | | | bestemmingsplan | | | natuurbeschermingswet | | | omgevingsvergunning | | | paarden | | | perceel | | | stallen | | | stikstofdepositie | | | varkensstallen | | | wabo | | | wet milieubeheer | | | | Uitspraak | RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/699
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 december 2025 in de zaken tussen
[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: drs. [naam] ),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, het college
(gemachtigde: [naam] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [vestigingsplaats] (derde-partij)
(gemachtigde: ing. [naam] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college waarbij hij het verzoek van eiseres om preventief handhavend op te treden tegen de activiteiten van derde-partij aan de [adres] en het verzoek om handhavend op te treden tegen de activiteiten van derde-partij aan de [adres] heeft afgewezen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de verzoeken om handhaving.
1.1.
Onder verwijzing naar de uitspraak van heden in de zaak SHE 25/223 is de rechtbank van oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van concreet zicht op legalisatie. In die uitspraak van heden heeft de rechtbank de inmiddels op 17 december 2024 verleende natuurvergunning vernietigd naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024. Eiseres krijgt dus gelijk.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaken. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank volgt daarna. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiseres heeft het college op 2 oktober 2023 verzocht om preventief handhavend op te treden tegen de activiteiten aan de [adres] in [vestigingsplaats] en om handhavend op te treden tegen de activiteiten aan de [adres] , wegens handelen in strijd met artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb).
2.1.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag bij uitspraak van 19 augustus 2024 kennelijk gegrond verklaard.
2.2.
Het college heeft de aanvraag afgewezen met het besluit van 10 oktober 2024.
2.3.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het college heeft deze bezwaren op verzoek van eiseres ter behandeling als rechtstreeks beroep doorgezonden aan de rechtbank. De rechtbank heeft hiermee ingestemd.
2.4.
De rechtbank heeft een onderzoek ter plaatse ingesteld. Hiertoe heeft de rechter-commissaris op 11 juni 2025 de projectlocatie bezocht, in het bijzijn van alle partijen die bij de beroepszaak betrokken zijn.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met de zaken SHE 24/2325, SHE 25/223 en SHE 25/786, op 24 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld door [naam] en [naam] , de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam] , mr. M. Box en mr. T.J.H. Verstappen en namens de derde-partij de gemachtigde, vergezeld door [naam] , [naam] en [naam] .
2.6.
De zaak is aangehouden met het oog op overleg tussen partijen. Dit overleg heeft niet geresulteerd in een overeenstemming. De samenstelling van de meervoudige kamer is gewijzigd. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld aan te geven of zij hiertegen bezwaren hebben en of zij prijs stellen op een tweede zitting. Dat is niet het geval en daarom heeft de rechtbank het onderzoek gesloten met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 30 oktober 1990 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard (B&W) een revisievergunning verleend op grond van de Hinderwet voor een fokvarkens- en paardenhouderij aan de [adres] . Op 1 maart 2005 is voor deze inrichting een revisievergunning verleend op grond van de Wet milieubeheer (Wm). Op 6 augustus 2015 heeft B&W de milieuvergunning voor de inrichting aan de [adres] gedeeltelijk ingetrokken. De inrichting viel tot 1 januari 2024 onder de werking van het op die datum vervallen Activiteitenbesluit milieubeheer. De milieuvergunning is per die datum gelijkgesteld met een omgevingsvergunning beperkte milieutoets als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Op 22 december 1992 is een milieuvergunning verleend voor een paardenhouderij aan de [adres] en op 31 mei 1994 een veranderingsvergunning. Op 5 september 2000 is een revisievergunning op grond van de Wm voor deze inrichting verleend. Deze vergunning is nadien nog gewijzigd. De milieuvergunning is per 1 januari 2024 gelijkgesteld met een omgevingsvergunning beperkte milieutoets als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder i, van de Wabo.
Voor beide locaties zijn géén vergunningen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 of de Wet natuurbescherming verleend.
In de nabijheid van beide locaties ligt onder meer het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux". Dit gebied is gelegen op een afstand van circa 1.000 m ten oosten en circa 400 m ten noordwesten van de percelen aan de [adres] . Het gebied is aangewezen als Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied. De natuurdoelanalyse van 27 januari 2023 voor dit gebied concludeert dat de instandhouding van alle habitats onder druk staat en dat verslechtering niet is uitgesloten.
Op 25 mei 2023 heeft de raad van de gemeente Valkenswaard het bestemmingsplan " [naam] " gewijzigd vastgesteld, mede ten behoeve van de ontwikkeling van een verblijfsaccommodatie aan de [adres] . De in dit besluit vastgestelde bestemming is geschorst door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op 17 januari 2024 voor zover het betreft het plandeel "specifieke vorm van sport - hippisch sportcomplex i verblijfsaccommodatie". Daarvoor gold op de percelen aan de [adres] het bestemmingsplan " [naam] " waar de gronden de bestemming "sport-manege" hebben. Beide bestemmingsplannen maken nu onderdeel uit van het Omgevingsplan Gemeente Valkenswaard.
De derde-partij organiseert al jaren evenementen in het outdoorseizoen. Hiertoe worden sinds 2015 ook paarden tijdelijk gehuisvest in de oude stallen op perceel [adres] .
De derde-partij heeft desgevraagd ter zitting van de voorzieningenrechter aangegeven dat de stallen C, D, E en G op het perceel [adres] zijn gebouwd evenals de tijdelijke stallen S1 en S2 en dat in de voormalige varkensstallen op de [adres] alleen tijdens evenementen paarden worden gehouden (dus niet jaarrond).
Het college heeft met het besluit van 17 december 2024 de op 10 juni 2024 aangevraagde natuurvergunning aan derde-partij verleend.
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet natuurbescherming (Wnb) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt. Het verzoek om handhaving van de Wnb is gedaan op 2 oktober 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
5. Het college heeft het verzoek om handhavend op te treden tegen de activiteiten op de [adres] en preventief handhavend op te treden tegen de activiteiten aan de [adres] afgewezen omdat sprake is van concreet zicht op legalisatie. Dit ontleent het college aan het ontwerpbesluit tot verlening van de aangevraagde natuurvergunning van 30 september 2024. In het besluit stelt het college vast dat op de locatie [adres] activiteiten plaatsvinden zonder dat hiervoor een vergunning is verleend op grond van de Wet Natuurbescherming. Het college heeft niet vastgesteld dat sprake is van verstoring van beschermde soorten op beide percelen.
5.1.
Volgens eiseres heeft het college ten onrechte aangenomen dat sprake is van een concreet zicht op legalisatie, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 . In het ontwerpbesluit noch de later verleende natuurvergunning zelf is een passende beoordeling gemaakt voor wat betreft de gevolgen van stikstofdepositie. Verder verzoekt eiseres de inhoud van de zienswijze die is ingediend tegen de ontwerp-natuurvergunning als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiseres maakt geen bezwaar tegen de afwijzing om handhavend op te treden wegens de vermeende verstoring van beschermde soorten.
5.2.
In de bezwaarfase is reeds een advies ingewonnen van de provinciale Hoor- en adviescommissie. De conclusie in dit advies luidde als volgt: “De Adviescommissie is van oordeel dat niet gesteld kan worden dat het voorliggende besluit kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag liggende motivering. Het college dient in dat kader te bezien wat de gevolgen zijn van de genoemde uitspraken van de Afdeling. Het bestreden besluit kan daarom niet zonder meer in stand blijven. Mogelijk komt het college op basis van een nieuwe beoordeling tot de conclusie dat het bestreden besluit met een aangepaste motivering in stand kan blijven. Anders moet het bestreden besluit worden herroepen. De nieuwe beoordeling is van invloed op de overige aangevoerde bezwaargronden, zodat de Adviescommissie daaraan nu niet toekomt.”
5.3.
Op 18 december 2024 heeft de Afdeling haar rechtspraaklijn over intern salderen gewijzigd. Die wijziging komt er in de kern op neer dat intern salderen niet meer mag worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning nodig is. Intern salderen met de referentiesituatie mag wel als mitigerende maatregel betrokken worden in de passende beoordeling van de gevolgen van het project. Deze wijziging acht de Afdeling direct van toepassing in lopende en toekomstige vergunning- en handhavingsprocedures. De onmiddellijke werking van de wijziging van de rechtspraak over intern salderen betekent dat activiteiten die op of na 1 januari 2020 fysiek zijn gestart en waarvoor op grond van de voorheen geldende rechtspraak over intern salderen geen natuurvergunning nodig was, alsnog vergunningplichtig zijn, als de activiteit na deze uitspaak nog in uitvoering is of nog wordt geëxploiteerd en significante gevolgen daarvan niet op grond van objectieve gegevens op voorhand zijn uitgesloten.
5.4.
De rechtbank zal de rechtmatigheid van het bestreden besluit met inachtneming van de nieuwe rechtspraak van de Afdeling beoordelen. De uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 is namelijk gebaseerd op wetgeving en op rechtspraak van het Europese Hof van Justitie die al bestond ten tijde van het bestreden besluit. Dit is dus niet in strijd met de rechtszekerheid.
5.5.
In dit geval is geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden met betrekking tot de activiteiten op de locatie [adres] . Die werden al ontplooid vóór 1 januari 2020 en zijn dus niet op die datum fysiek gestart. Bovendien was voor de activiteiten een natuurvergunning nodig gelet op de overige effecten van het project op het nabijgelegen Natura 2000-gebied.
5.6.
Onder verwijzing naar de uitspraak van heden in de zaak SHE 25/223 is de rechtbank van oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van concreet zicht op legalisatie. In die uitspraak van heden heeft de rechtbank de inmiddels op 17 december 2024 verleende natuurvergunning vernietigd naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond omdat met het enkele standpunt dat sprake is van een concreet zicht op legalisatie het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, in strijd met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gelet op het oordeel in de zaak SHE 25/223 en de daarin getroffen voorlopige voorziening, draagt de rechtbank het college op een nieuw besluit te nemen op het verzoek van eiseres, uiterlijk op 1 februari 2027.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 10 oktober 2024;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het verzoek van eiseres, uiterlijk op 1 februari 2027, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. K.A. Maarschalkerweerd en mr. J.H.G. van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2024:101
ECLI:NL:RVS:2024:4923
ECLI:NL:RVS:2024:4923. Hierna wordt naar de rechtsoverwegingen in deze uitspraak verwezen. De Afdeling heeft op dezelfde dag ook een andere uitspraak over deze materie gedaan. Zie ECLI:NL:RVS:2024:4909.
arresten van 10 november 2022, ECLI:EU:C:2022:864 en 15 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:477. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|