|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2026:1119 | | | | | Datum uitspraak | : | 12-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 23-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | C/01/422573 / KG ZA 26-7 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Kort geding. Betekening herstelarrest. Artikel 31, lid 3 Rv. Executiegeschil ex artikel 438 Rv. Vraag of dwangsommen zijn verbeurd. Beroep op artikel 611d Rv? Dwangsomrechter of executierechter bevoegd. | | Trefwoorden | : | kennelijke fout | | | koopovereenkomst | | | koopovereenkomsten | | | landbouw | | | perceel | | | veehouderij | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/422573 / KG ZA 26-7
Vonnis in kort geding van 12 februari 2026
in de zaak van
1 [eiser 1] , 2. [eiser 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. L.H.H. Verhoeven,
tegen
1 [gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaten: mr. A.A. Berkhout en mr. J. Deuten.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 januari 2026 met 23 producties
- de conclusie van antwoord met 8 producties- aanvullende producties 24 en 25
- de mondelinge behandeling op 29 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [eisers]
1.2.
Tenslotte is vonnis bepaald op heden.
2De feiten
2.1.
[eisers] exploiteerden een akkerbouwbedrijf en veehouderij en waren - voor opsplitsing van het perceel in kavels - eigenaar van het perceel destijds plaatselijk bekend als gemeente [gemeente] , [kadastrale aanduiding] .
2.2.
Op een deel van dit perceel is een aantal jaren geleden het landgoed ‘ [naam landgoed]
’ ontwikkeld, met zes kavels bestemd voor de bouw van zogenoemde landhuizen.
2.3.
Op 29 mei 2018 hebben [gedaagden] van [eisers] een bouwkavel op landgoed “ [naam landgoed] ” gekocht en bij notariële akte van 15 februari 2019 geleverd gekregen. Dit perceel wordt aangeduid met nummer [nummer] (adres: [adres 1] te [plaats] ). Ook de familie [A] , [B] , [C] en [D] hebben bouwkavels op landgoed “ [naam landgoed] ” gekocht en geleverd gekregen van [eisers]
2.4.
Deze vijf partijen (hierna gezamenlijk: [families] ) hebben op de desbetreffende bouwkavels een woning laten bouwen. Op de zesde bouwkavel hebben [eisers] zelf een woning gebouwd. De zes woningen liggen aan een binnenterrein. [families] zijn met [eisers] in 2018 aanvullende koopovereenkomsten aangegaan met betrekking tot het binnenterrein.
In de aanvullende koopovereenkomst die partijen hierover hebben gesloten is het volgende
vermeld:
“Koper verkrijgt dan het onverdeeld aandeel in het mandelige binnenterrein dat grenst aan alle bouwterreinen, plaatselijk bekend [gemeente] , [kadastrale aanduiding] (nog nader kadastraal te splitsen in te meten.
Met betrekking tot het mandelige binnenterrein zullen regels en richtlijnen worden vastgelegd, met daarin onder andere de verplichting tot aanleg en onderhoud door alle kopers van de bouwkavels.
Partijen verklaren er mee akkoord te zijn dat er voor het mandelige binnenterrein een Vereniging van Eigenaren zal worden opgericht.
De regels, rechten en verplichtingen hiervoor zullen nog bij notariële akte worden vastgelegd. Tevens zal er door verkoper op zijn kosten een infiltratievoorziening worden aangelegd door middel van een wad. Ontwerp en aanleg van deze infiltratievoorziening vindt plaats na overleg met de eigenaren van het mandelig terrein.
Tevens zullen er o.a. de volgende punten in worden opgenomen:
1) Een aangelegde verharde rondgang voor verkeer van en naar de kavels;
2) Uitsluitend groenbeplanting in het mandelig binnenterrein aansluitend bij het landgoed;
3) Afspraken over gezamenlijk ontwikkelen en onderhoud mandelig binnenterrein met een gelijke inspanning per woning;
4) Werkzaamheden kunnen zelf uitgevoerd worden (gelijke inspanning
per woning) of uitbesteed met gelijke kosten per woning;
5) Mandelig binnenterrein wordt niet gebruikt voor activiteiten (feesten, etc);
6) Kettingbeding van deze afspraken bij doorverkoop;”
2.5.
Omdat partijen het onder meer niet eens waren over de omvang van het mandelige binnenterrein, hebben zij bij de rechtbank Oost-Brabant en het hof ’s-Hertogenbosch gerechtelijke procedures gevoerd.
2.6.
Bij arrest van 17 december 2024 heeft het hof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd en - voor zover hier van belang - als volgt geoordeeld:
“(…)in zoverre opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt [eisers] hoofdelijk tot nakoming van de verplichting tot levering van (onverdeelde aandelen in) het binnenterrein uit hoofde van de met [families] gesloten aanvullende Koopovereenkomsten, zoals hiervoor in rov. 3.5.5. overwogen:
zulks onder verbeurte van een dwangsom van:
€ 200.-- per dag voor elke dag dat nakoming jegens Familie [gedaagde 1]
uitblijft na betekening van het arrest tot aan de dag van nakoming met een maximum van EUR 100.000.—
(…)”
2.7.
Op 8 januari 2025 heeft de notaris in opdracht van [eisers] een conceptakte van levering van het binnenterrein met [gedaagden] en de overige bewoners gedeeld.
2.8.
Het arrest van 18 december 2024 is door [gedaagden] op 12 februari 2025 aan [eisers] betekend, waarbij bevel is gedaan tot nakoming van de verplichting tot levering van het mandelige binnenterrein.
2.9.
Het hof ’s-Hertogenbosch heeft, op verzoek van de familie [D] , bij herstelarrest van 18 februari 2025, aanleiding gezien de met dwangsom verstrekte veroordeling in het arrest van 17 december 2024 te herstellen, dan wel aan te vullen als volgt:
“(…)bepaalt dat de zinnen onder het tussenkopje ‘in het principaal en incidenteel hoger beroep (voor het overige)’ en behorende bij het eerste gedachtestreepje in rov. 4 “- veroordeelt [eisers] hoofdelijk tot nakoming (…) zulks onder de verbeurte van een dwangsom van (…) met een maximum van €100.000,--;”) moeten worden verbeterd en gewijzigd zodat deze zinnen zullen komen te luiden:
- veroordeelt [eisers] hoofdelijk tot nakoming binnen 14 dagen na betekening van dit arrest van de verplichting tot levering van (onverdeelde aandelen in) het binnenterrein uit hoofde van de met [families] gesloten aanvullende koopovereenkomsten, zoals hiervoor in roy. 3.5.5. overwogen,
zulks onder verbeurte van een dwangsom van:
€ 200,-- per dag voor elke dag dat nakoming van de hierboven weergegeven
veroordeling jegens Familie [gedaagde 1] uitblijft tot aan de dag van nakoming
met een maximum van EUR 100.000,--;
(…)”
2.10.
[gedaagden] hebben het herstelarrest van 18 februari 2025 niet aan [eisers] betekend.
2.11.
Bij e-mailbericht van 20 februari 2025 heeft de notaris versie 2 van de concept akte van levering aan [families] voorgelegd. Bij e-mailbericht van 24 februari 2025 is versie 3 van de concept akte van levering door de notaris aan [families] verzonden.
2.12.
Op 26 juni 2025 heeft op verzoek van de notaris een bespreking plaatsgevonden, waarbij alle betrokkenen door de notaris in de gelegenheid zijn gesteld om nadere vragen omtrent de akte van levering voor te leggen.
2.13.
Bij e-mailbericht van 30 juni 2025 heeft de notaris versie 4 van de concept akte van levering aan [families] verzonden.
2.14.
[gedaagden] hebben op 29 december 2025 aan [eisers] aangezegd dat zij
dwangsommen hebben verbeurd tot in totaal een bedrag van € 62.000,- wegens het niet voldoen aan de veroordeling in het arrest van het hof van 17 december 2024, met bevel dit bedrag binnen twee dagen te voldoen, met de aanzegging dat bij niet tijdige voldoening aan dit bevel, de executoriale titel verder zal worden ten uitvoer gelegd door alle middelen rechtens, meer speciaal door inbeslagneming en openbare verkoop van de roerende en/of onroerende zaken.
2.15.
Op 31 december 2025 heeft de notaris versie 5 van de akte van levering naar [families] gestuurd. Levering conform deze concept akte staat op dit moment gepland voor 11 februari 2026.
2.16.
Op 8 januari 2026 hebben [gedaagden] executoriaal beslag gelegd op aan [eisers] toebehorende zaken, te weten twee auto's, vier landbouw- of bosbouwtrekkers en de onroerende zaak gelegen aan de [adres 2] te [plaats] .
2.17.
De executoriale verkoop van de in beslag genomen roerende zaken is bepaald op 19 februari 2026.
3Het geschil
3.1.
[eisers] vorderen - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad
[gedaagden] te verbieden om de tenuitvoerlegging van de arresten van 17 december 2024 en 18 februari 2025 ter zake van de dwangsommen voort te zetten, althans de tenuitvoerlegging van de arresten van 17 december 2024 en 18 februari 2025 te schorsen voor zover het de dwangsommen betreft, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorziening te treffen,
De reeds gelegde executoriale beslagen op grond van het arrest van 17 december 2024 op te heffen, althans [gedaagden] te veroordelen om de gelegde executoriale beslagen binnen 24 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis op te heffen,
[gedaagden] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van
€ 100.000 indien hij nalaat om aan een van deze veroordelingen te voldoen,
4. [gedaagden] te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente.
3.2.
[eisers] leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag. Primair stellen zij zich op het standpunt dat zij geen dwangsommen hebben verbeurd. De termijn van veertien dagen na betekening van het arrest van 18 februari 2025 is niet gaan lopen, omdat [gedaagden] het arrest van 18 februari 2025 niet hebben betekend aan [eisers] . In ieder geval kunnen [eisers] niet eerder dwangsommen hebben verbeurd dan het moment waarop het arrest van 18 februari 2025 door [gedaagden] betekend had kunnen worden en de in het herstelarrest gestelde termijn van veertien dagen na betekening is verstreken, te weten 6 maart 2025. Subsidiair stellen [eisers] dat zij al hetgeen hebben gedaan wat binnen hun macht lag om het binnenterrein te leveren. Op 6 maart 2025 beschikten [gedaagden] reeds over versie 1, versie 2 en versie 3 van de akte van
levering. De notaris heeft met deze akten van levering gedegen akten aan [families] aangeleverd, waarmee levering van het mandelige binnenterrein aan de bewoners conform het arrest en hetgeen is bepaald in de aanvullende koopovereenkomsten, waaronder de punten 1 tot en met 6 had kunnen plaatsvinden. Doordat [families] , waaronder [gedaagden] , weigerden de door de notaris verstrekte volmacht om de aktes te passeren te ondertekenen dan wel feitelijk tot ondertekening overgaan, heeft vooralsnog geen levering plaatsgevonden. Dat is echter niet aan [eisers] maar aan [families] , waaronder [gedaagden] te wijten. [gedaagden] zijn dan ook zelf debet aan het feit dat de akte van levering nog steeds niet is gepasseerd. Gelet hierop hebben [eisers] geen dwangsommen verbeurd, althans kunnen [gedaagden] de veroordeling waaraan de dwangsommen zijn verbonden niet executeren omdat daarmee sprake is van misbruik van recht ex artikel 3:13 BW.
3.3.
[gedaagden] voeren daartegen gemotiveerd verweer, waarop, voor zover relevant, in de beoordeling nader zal worden ingegaan. [gedaagden] hebben subsidiair aangevoerd, voor zover de voorzieningenrechter tot opheffing dan wel schorsing van het beslag zal overgegaan, te bepalen dat deze opheffing, dan wel schorsing pas in gaat vanaf het moment dat aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:
i) dat [eisers] op grond van artikel 611d Rv een procedure aanhangig maken bij het hof ‘s-Hertogenbosch en
ii) dat [eisers] een bankgarantie stellen tot een bedrag van € 70.000,00,
met veroordeling van [eisers] zowel primair als subsidiair in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente.
4De beoordeling
4.1.
[eisers] hebben primair aan hun vordering ten grondslag gelegd dat zij geen dwangsommen hebben verbeurd omdat het herstelarrest van 18 februari 2025 niet aan hen is betekend. [gedaagden] hebben daartegen - onder verwijzing naar een arrest van het hof Arnhem - het verweer gevoerd dat artikel 31 lid 3 Rv toestaat dat de executie van het met een dwangsom gesanctioneerde gebod reeds vanaf de betekening van de oorspronkelijke uitspraak plaatsvindt volgens het verbeterde dictum. Dit betekent volgens [gedaagden] in dit geval dat er dwangsommen zijn verbeurd vanaf 14 dagen na betekening van het oorspronkelijke arrest op 12 februari 2025, dus vanaf 26 februari 2025. Volgens [gedaagden] was afzonderlijke betekening van het herstelarrest daarvoor niet nodig. De voorzieningenrechter overweegt daarover als volgt.
4.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat artikel 611a lid 3 Rv voor het verbeuren van de dwangsom het vereiste stelt van de betekening van de uitspraak, teneinde de schuldenaar op de hoogte te brengen van het feit dat de schuldeiser nakoming van de in de rechterlijke uitspraak vervatte hoofdveroordeling verlangt.
4.3.
Op grond van artikel 31, lid 1 Rv verbetert de rechter te allen tijde op verzoek van een partij of ambtshalve in zijn vonnis, arrest of beschikking een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. De rechter gaat niet tot de verbetering over dan na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten.
4.4.
Op grond van artikel 32 Rv vult de rechter te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis, arrest of beschikking aan indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte. De rechter gaat niet tot de aanvulling over dan na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten.
In artikel 32, lid 2 Rv is artikel 31, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing verklaard.
4.5.
De verbetering (artikel 31, lid 2 Rv) wordt op een door de rechter nader te bepalen dag uitgesproken en wordt met vermelding van deze dag en van de naleving van de tweede volzin van het eerste lid op de minuut van het vonnis, het arrest of de beschikking gesteld.
4.6.
In artikel 31, lid 3 Rv is bepaald dat de griffier van de verbeterde minuut op de dag van de uitspraak aan de in de oorspronkelijke procedure verschenen partijen een afschrift verstrekt, zo nodig opgemaakt in executoriale vorm. Een eerder verstrekt afschrift opgemaakt in executoriale vorm verliest hierdoor zijn kracht. De partij die in het bezit is van een afschrift als bedoeld in de vorige zin, geeft dit af aan de griffier. Was de executie reeds aangevangen, dan kan deze met inachtneming van de verbetering worden voortgezet op grond van een na de verbetering afgegeven afschrift opgemaakt in executoriale vorm.
4.7.
In dit geval staat vast dat het arrest van 18 december 2024, waarbij [eisers] zijn veroordeeld om mee te werken aan levering van het binnenterrein, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,00 per dag, op 12 februari 2025 is betekend aan [eisers] In het dictum van het arrest van het hof van 18 december 2024 is geen termijn is opgenomen voor nakoming van de veroordeling om mee te werken aan levering van het binnenterrein. Het hof heeft, op verzoek van de familie [D] het arrest van 17 december 2024 op grond van artikel 31, lid 1 Rv, dan wel artikel 32 Rv hersteld dan wel aangevuld, in die zin dat is bepaald dat [eisers] binnen 14 dagen na betekening aan de veroordeling dienden te voldoen. [gedaagden] hebben het herstelarrest van 19 februari 2025 niet aan [eisers] betekend.
4.8.
Het hof Arnhem heeft in zijn arrest van 2 september 2003 overwogen dat het wat de inhoud van de daar aan de orde zijnde uitspraak die was hersteld betreft (onherroepelijk) ging om een kennelijke rechterlijke fout die zich voor eenvoudig herstel leende. (..) Juist nu de fout ook voor de geëxecuteerde duidelijk kenbaar was, heeft hij door de betekening van de grosse van het oorspronkelijke vonnis moeten begrijpen dat de woorden “per dag” door een kennelijke verschrijving niet in het dictum onder 1. waren opgenomen en dat het de bedoeling was het hierin opgenomen gebod te sanctioneren met een dwangsom van
€ 4.537,80 per overtreding per dag, zodat door de betekening van de oorspronkelijke grosse aan de beschermingsstrekking van artikel 611a lid 3 Rv is voldaan.
4.9.
In dit geval heeft het hof bij arrest van 18 februari 2025 het arrest van 17 december 2024 hersteld, dan wel aangevuld, in die zin dat in het dictum is toegevoegd dat [eisers] binnen 14 dagen na betekening aan de veroordeling dienden te voldoen. Het hof heeft daarbij in het midden gelaten of sprake was van herstel van een kennelijke fout dan wel een aanvulling op grond van artikel 32 Rv. In artikel 32, lid 2 Rv, is artikel 31, tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing verklaard. Anders dan in het arrest van het hof Arnhem kan in dit kort geding echter niet worden aangenomen dat [eisers] al door betekening van het oorspronkelijke arrest heeft moeten begrijpen dat zij binnen veertien dagen na betekening aan de veroordeling dienden te voldoen. De termijn waarbinnen [eisers] aan de veroordeling dienden te voldoen is immers pas duidelijk geworden met het herstelarrest van 18 februari 2025. Dit betekent dat in casu - en anders dan in het arrest van het hof Arnhem - geen sprake was van een kennelijke fout die voor de geëxecuteerde door de betekening van de grosse van het oorspronkelijke vonnis duidelijk kenbaar was. In deze zaak kan dus niet zonder meer worden aangenomen dat door betekening van het oorspronkelijke arrest op 12 februari 2025, aan de beschermingsstrekking van artikel 611a, lid 3 Rv is voldaan. Daarmee bestaat in dit geval onvoldoende grond voor het oordeel dat de executie van het met een dwangsom gesanctioneerde veroordeling reeds vanaf de betekening van de oorspronkelijke uitspraak kan plaatsvinden volgens het (bij arrest van 18 februari 2025) verbeterde dictum.
Niet is gebleken dat de grosse van het herstelarrest van 18 februari 2025 (met de termijn waarbinnen aan de veroordeling moest worden voldaan) aan [eisers] is betekend, zodat daarmee ook niet (alsnog) aan de in artikel 611a, lid 3 Rv opgenomen beschermingsvoorwaarde van betekening is voldaan.
4.10.
Artikel 31 lid 3 Rv, waarop [gedaagden] zich beroepen, bepaalt bovendien dat de reeds aangevangen executie, met inachtneming van de verbetering, kan worden voortgezet op grond van een na de verbetering afgegeven afschrift opgemaakt in executoriale vorm. Dit impliceert dat, om de executie te kunnen voortzetten, een na verbetering afgegeven afschrift dient te worden betekend aan de geëxecuteerde. Nu betekening (anders dan in het arrest van het hof Arnhem) niet heeft plaatsgevonden is ook hierom niet aannemelijk dat [eisers] dwangsommen hebben verbeurd vanaf 26 februari 2025. De vorderingen van [eisers] kunnen reeds op die grond worden toegewezen.
4.11.
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat, ook als moet worden aangenomen dat (het ontbreken van) de betekening niet aan het verbeuren van de dwangsommen in de weg staat, dit evenmin leidt tot een afwijzing van de vorderingen van [eisers]
4.12.
In dit executiegeschil op grond van artikel 438 Rv is aan de orde de vraag of [eisers] dwangsommen hebben verbeurd, omdat zij de veroordelingen uit het arrest van 17 december 2024 niet, of onvoldoende, zijn nagekomen.
4.13.
[gedaagden] hebben in dit verband allereerst het verweer gevoerd dat het beroep van [eisers] dat zij al het mogelijke hebben gedaan om de leveringsverplichting na te komen en dat het uitblijven daarvan buiten hun macht ligt, een beroep op het bepaalde in artikel 611d Rv betreft. Dit beroep op artikel 611d Rv dient niet aan de voorzieningenrechter als executierechter te worden voorgelegd, maar kan alleen aan de dwangsomrechter, in dit geval het hof, worden voorgelegd, aldus [gedaagden] Dit verweer faalt. De executierechter kan, ongeacht of hij tevens de dwangsomrechter is, net als in andere gevallen waarin executiegeschillen aan hem worden voorgelegd, onderzoeken of de uitspraak waarbij de dwangsom is opgelegd, in het licht van nieuwe, geen overmacht opleverende omstandigheden nog actueel en uitvoerbaar is. Het gaat in dit kort geding niet om een (op onmogelijkheid gebaseerde) opheffing of vermindering van de dwangsom als in artikel 611d Rv bedoeld, maar om de daaraan voorafgaande vraag of de schuldeiser ( [gedaagden] ) de veroordeling waaraan de dwangsom is verbonden (in de relevante periode) mocht executeren. In dat verband hebben [eisers] aangevoerd dat het - onder meer - aan de ontbrekende medewerking van [gedaagden] te wijten is dat nog niet aan de verplichting tot levering van het binnenterrein is voldaan. [eisers] stellen dat zij, in ieder geval op 24 februari 2025, een concept akte hebben aangeleverd die voldoet aan de veroordeling in het arrest. De voorzieningenrechter overweegt daarover als volgt.
4.14.
In een executiegeschil waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een bevel tot nakoming niet of onvoldoende is nageleefd, beperkt de rechter zich ertoe de ter uitvoering van de veroordelende beslissing verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. De rechter kan geen eigen oordeel geven over de juistheid van de rechterlijke beslissing die ten uitvoer wordt gelegd of van de onderliggende rechtsoverwegingen. De onderliggende rechtsverhouding ligt immers niet (opnieuw) ter beoordeling voor.
4.15.
De vordering tot schorsing van de executie is (in beginsel) toewijsbaar wanneer niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de geëxecuteerde inderdaad niet (volledig) aan de hoofdveroordeling heeft voldaan. De stelplicht en bewijslast dat dwangsommen zijn verbeurd, rusten - volgens vaste rechtspraak - in de executiefase op de executerende partij, in dit geval dus op [gedaagden] Het zijn dus [gedaagden] die in deze procedure aannemelijk moeten maken dat de dwangsommen zijn verbeurd.
4.16.
Doel en strekking van de in het arrest van 17 december 2024 opgenomen veroordeling is - voor zover relevant - dat [eisers] het binnenterrein (“het Onbetwiste Grondstuk”, conform hetgeen is bepaald in de aanvullende overeenkomsten en artikel 5 van de leveringsakten moeten leveren aan [families] Dit betekent dat het Onbetwiste Grondstuk moet voldoen aan de in die overeenkomsten genoemde kenmerken, zodat op [eisers] de verplichting rust het Onbetwiste Grondstuk in te meten en na splitsing (op kosten van [eisers] ) de onverdeelde aandelen daarin bij notariële akte over te dragen aan [families] De in de leveringsakte op te nemen bepalingen met betrekking tot de oprichting van de vereniging van eigenaren en de regels en richtlijnen omtrent de aanleg en onderhoud van het binnenterrein dienen aan te sluiten bij hetgeen is opgenomen in de aanvullende koopovereenkomsten, in het bijzonder de daarin genoemde punten 1 tot en met 6.
4.17.
[eisers] hebben aangevoerd dat zij direct na het wijzen van het arrest van 17 december 2024 de notaris de opdracht hebben verstrekt om zorg te dragen voor overdracht van het binnenterrein conform de bepalingen in het arrest. De notaris heeft al op 8 januari 2025 versie 1 van de conceptakte van levering met [gedaagden] en de overige bewoners gedeeld. Vragen en opmerkingen van [families] hebben er toe geleid dat de notaris bij e-mailbericht van 20 februari 2025 versie 2 van de concept akte van levering aan [families] heeft voorgelegd en bij e-mailbericht van 24 februari 2025 versie 3. Omdat er sindsdien door [families] , onder wie [gedaagden] , nog diverse opmerkingen zijn gemaakt en discussies zijn gevoerd, die niet zijn terug te voeren op de veroordeling in het arrest van het hof, is de akte van levering tot op heden nog niet gepasseerd. [eisers] hebben telkens de vragen die de notaris aan hen heeft voorgelegd beantwoord en ook hebben [eisers] (onverplicht) ingestemd met enkele door [gedaagden] en de overige bewoners gewenste wijzigingen ter zake van de akte van levering. Na een door de notaris voorgestelde bespreking die op 26 juni 2025 heeft plaatsgevonden, waarbij alle partijen door de notaris nog eens in de gelegenheid zijn gesteld om nadere vragen voor te leggen heeft de notaris bij e-mailbericht van 30 juni 2025 versie 4 van de akte van levering naar [families] gestuurd. Op 31 december 2025 heeft de notaris versie 5 van de akte van levering naar [gedaagden] en de overige bewoners gestuurd. Levering conform deze concept akte staat op dit moment gepland voor 11 februari 2026. [eisers] stellen zich op het standpunt dat de eerste versies van de akte van levering (versie 3 is bij e-mailbericht van de notaris op 24 februari 2025 aan de betrokkenen gestuurd) al voldeden aan de vereisten van het hof en dat deze conform het arrest en de tekst van de aanvullende koopovereenkomsten zijn opgesteld. [eisers] hebben daarmee alles gedaan om te komen tot een levering van het mandelige binnenterrein, maar vanwege de voorgestelde wijzigingen door [families] , die niet voortvloeien uit het arrest van het hof, is de akte van levering nog steeds niet gepasseerd.
4.18.
[gedaagden] stellen dat [eisers] zich meer hadden moeten inspannen om te komen tot een concept akte die recht doet aan de gerechtvaardigde belangen en redelijke wensen van de bewoners, binnen de kaders van het arrest en de aanvullende overeenkomsten. In dat kader hebben [gedaagden] er - onder meer - op gewezen dat de concept akten geen uitgewerkte bepalingen bevatten ten aanzien van de regels en richtlijnen omtrent de aanleg en onderhoud van het binnenterrein. Daarnaast hebben zij er – onder andere - op gewezen dat [eisers] niet bereid waren om in de akte een garantie te verstrekken dat van mogelijke publiekrechtelijke handhaving geen sprake zal zijn. [eisers] hebben op hun beurt weersproken dat in de concept akten geen bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de regels en richtlijnen omtrent de aanleg en onderhoud van het binnenterrein. In de concept akten is in artikel 4 en artikel 7 steeds verwezen naar de aanvullende koopovereenkomsten en de daarin opgenomen punten 1 tot en met 6. In ieder geval voldeed de concept akte die op 24 februari 2025 (versie 3) is verzonden aan [families] aan de veroordeling in het arrest van 17 december 2024.
4.19.
[gedaagden] hebben niet weersproken dat de door de notaris op 31 december 2025 aan alle betrokkenen gestuurde concept akte, op een aantal kleine aanpassingen na, wat hen betreft akkoord is. Zij hebben evenmin betwist dat de aanpassingen in die akte ten opzichte van de door de notaris op 24 februari 2025 aangeleverde concept akte (versie 3) zien op (i) het niet overgaan van de verplichtingen van [eisers] in het kader van de landgoedontwikkeling en handhaving door het bevoegd gezag op [families] , (ii) op een garantie van [eisers] dat er momenteel geen bestuursrechtelijke procedures lopen ter zake van het registergoed en (iii) een vrijwaring van de overige bewoners voor bijdrage-/inrichtingsverplichtingen voor zover deze boven hun een/zesde (1/62) gedeelte zou uitkomen. De wijzigingen zien niet (meer) op de regels en richtlijnen omtrent de aanleg en onderhoud van het binnenterrein en de oprichting van een VVE, die (kennelijk) zijn verwerkt in de eerdere versies (2 en 3) van de concept akte van levering. Anders dan [gedaagden] menen, strekt de veroordeling in het arrest van 17 december 2024 niet tot het opnemen van garanties en voorwaarden in de akte van levering met betrekking tot bestuursrechtelijke handhaving en bijdrage- en inrichtingsverplichtingen met betrekking tot het binnenterrein. [gedaagde 1] heeft ter zitting verklaard dat hij het zonder meer redelijk vindt dat in de akte van levering een garantie wordt opgenomen dat geen sprake is van publiekrechtelijke handhaving met betrekking tot het binnenterrein. Hij heeft ook verklaard dat het niet opnemen van deze garantie voor [gedaagden] reden is geweest om niet eerder me te werken aan het passeren van de akte van levering. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat het tot nu toe niet passeren van de akte van levering sinds 24 februari 2025 is terug te voeren op de ontbrekende medewerking van [gedaagden] , waar deze medewerking op grond van het arrest van 17 december 2024 wel was vereist. Daarmee is sprake is van schuldeisersverzuim aan de zijde van [gedaagden] , hetgeen op voet van het bepaalde in artikel 6:62 BW aan het incasseren van dwangsommen in de weg staat. Aan het voorgaande doet niet af dat schuldeisersverzuim tevens overmacht voor de schuldenaar oplevert, zoals [gedaagden] stellen.
4.20.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [eisers] de aangezegde dwangsommen hebben verbeurd. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding het onder 1 gevorderde toe te wijzen, in die zin dat de tenuitvoerlegging van de arresten van 17 december 2024 en 18 februari 2025 wordt geschorst voor zover deze ziet op het incasseren van de reeds aangezegde dwangsommen.
4.21.
Voor zover [eisers] hebben gevorderd dat de tenuitvoerlegging van de arresten ook ten aanzien van mogelijk in de toekomst nog te verbeuren dwangsommen dient te worden geschorst, zal die vordering, bij gebrek aan enige onderbouwing, worden afgewezen.
4.22.
Nu onvoldoende aannemelijk is dat de aangezegde dwangsommen zijn verbeurd, zal ook het ter executie van die dwangsommen gelegde executoriale beslag worden opgeheven. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan de opheffing van de gelegde beslagen de voorwaarde te verbinden dat [eisers] een bankgarantie stellen en/of een procedure aanhangig maken bij het hof op grond van artikel 611d Rv.
4.23.
De onder 3 gevorderde dwangsom zal bij gebrek aan belang worden afgewezen.
4.24.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
154,09
- griffierecht
€
341,00
- salaris advocaat
€
1.766,00
Totaal
€
2.261,09
4.25.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.26.
Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
schorst de tenuitvoerlegging van de arresten van 17 december 2024 en 18 februari 2025, voor zover die tenuitvoerlegging ziet op de executie van dwangsommen die zijn aangezegd bij exploot van 29 december 2025, zolang de rechter in een bodemprocedure daaromtrent niet anders heeft beslist in een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis,
5.2.
heft op de reeds gelegde executoriale beslagen op grond van het arrest van 17 december 2024 uit hoofde van de bij exploot van 29 december 2025 aangezegde dwangsommen,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 2.261,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.4.
veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.J. Luijten en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
Hof Arnhem 2 september 2003 ECLI:NL:ARN:AJ9990, NJF 2004, r.o. 4.3.
HR 22 september 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2455), r.o. 3.6.4.
vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237 en HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|