|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2026:1923 | | | | | Datum uitspraak | : | 25-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 02-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | 25/2330 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag. Institutioneel vooringenomen handelen vanwege een CAF-onderzoek? Bewijslast partijen. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn. | | Trefwoorden | : | kinderopvangtoeslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2330
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. J. van de Wiel)
en
de Dienst Toeslagen,
(gemachtigde: mr. E. Grondman).
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om compensatie kinderopvangtoeslag voor de jaren 2015 en 2016. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van het verzoek om compensatie kinderopvangtoeslag in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Met het besluit van 5 april 2023 heeft de Dienst Toeslagen, voor zover hier van belang, het verzoek van eiser om compensatie kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voor de jaren 2015 en 2016 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3.1.
Eiser heeft zich op 1 juli 2020 gemeld bij de Dienst Toeslagen als gedupeerde van de toeslagenaffaire en een verzoek gedaan om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2015 tot en met 2017.
3.2.
Op 1 mei 2021 heeft de Dienst Toeslagen laten weten dat eiser op basis van de zogenoemde lichte toets vooralsnog geen recht heeft op een bedrag van € 30.000 (bekend als de Catshuisregeling).
3.3.
Vervolgens heeft de Dienst Toeslagen een integrale beoordeling gedaan en onderzocht of eiser in 2015 en 2016 schade heeft geleden als gevolg van institutioneel vooringenomen handelen of hardheid en of in deze jaren ten onrechte sprake is geweest van een kwalificatie opzet/grove schuld. Het jaar 2017 is niet betrokken bij de herbeoordeling, omdat de kinderopvangtoeslag in dat jaar is aangevraagd door de toeslagpartner van eiser. De Dienst Toeslagen heeft advies gevraagd aan de Commissie van Wijzen en het verkregen advies betrokken bij zijn beoordeling. Dit heeft geleid tot de besluiten zoals die zijn opgenomen onder het kopje ‘Procesverloop’.
De standpunten van partijen
4. De Dienst Toeslagen heeft het verzoek van eiser om compensatie kinderopvangtoeslag voor de jaren 2015 en 2016 afgewezen, omdat niet aannemelijk is geworden dat over deze jaren sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen dan wel hardheid van het stelsel. De neerwaartse correcties over 2015 en 2016 waren volgens de Dienst Toeslagen namelijk het gevolg van reguliere wijzigingen in het aantal opvanguren, het uurtarief en het toetsingsinkomen en niet van vooringenomen handelen. De Dienst Toeslagen volgt hiermee het advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie van 22 mei 2025.
5.1.
Eiser is van mening dat sprake is geweest van vooringenomen handelen, omdat hij en/of het gastouderbureau betrokken zijn geweest bij een zogeheten CAF-onderzoek (CAF [naam]), waarvan niet vaststaat of dit vergelijkbaar was met het beruchte zogeheten CAF-11 onderzoek. Nu hierover geen duidelijkheid bestaat, moet ervan uit worden gegaan dat de bij dit onderzoek betrokken personen vooringenomen zijn behandeld. Vanwege dit onderzoek had de Dienst Toeslagen niet mogen uitgaan van de gegevens in de zogeheten KOI-viewer.
5.2.
Verder stelt eiser schade te hebben geleden omdat sprake is geweest van neerwaartse bijstellingen. Volgens eiser moet de Dienst Toeslagen aantonen dat deze schade niet het gevolg is geweest van vooringenomen handelen, in plaats van dat hij moet aantonen dat de neerwaartse bijstellingen wél het gevolg waren van vooringenomen handelen.
5.3.
Tot slot stelt eiser dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij destijds geen bezwaar heeft gemaakt tegen de verlagingen van de kinderopvangtoeslag. Hij wist op dat moment niets van het CAF-onderzoek en wist ook niet dat bij de Dienst Toeslagen vaak vanuit vooringenomenheid werd gehandeld. Hij kan de standpunten van de Dienst Toeslagen niet meer weerleggen met gegevens van het gastouderbureau: dat bureau bestaat allang niet meer en die gegevens zijn er niet meer.
Toetsingskader
6.1.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht kent de Dienst Toeslagen een compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden doordat bij de uitvoering sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of doordat de uitvoering heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van het stelsel.
6.2.
In de Memorie van Toelichting bij artikel 2.1 van de Wht worden vijf aspecten van institutionele vooringenomenheid benoemd:
(1) een collectieve stopzetting van de kinderopvangtoeslag zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde;
(2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren;
(3) een zerotolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbrekende bewijsstukken, al dan niet met een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden;
(4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken;
(5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken.
Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, net zomin als het ontbreken van een van deze aspecten wijst op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid, zo blijkt uit de Memorie van Toelichting.
6.3.
Uit de Memorie van Toelichting bij de Wht volgt dat de bewijslast voor het recht op compensatie formeel ligt bij de aanvrager ervan.Als aannemelijk is dat de aanvrager recht heeft op compensatie, wordt deze toegekend. Aannemelijk maken betekent dat eiser aan de hand van verklaringen en stukken duidelijk moet maken dat zijn stellingen juist zijn. Dit betekent niet dat van eiser wordt gevraagd al de ingenomen stellingen te bewijzen met objectief verifieerbare bewijsstukken, maar wel dat de stellingen van de ouder worden ondersteund door of passen bij de aanwezige informatie.
Is sprake geweest van institutioneel vooringenomen handelen?
7.1.
Anders dan eiser meent, hoeft de Dienst Toeslagen niet aan te tonen dat zijn schade niet het gevolg is geweest van vooringenomen handelen. Het is namelijk aan eiser om aannemelijk te maken dat hij recht op compensatie heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser dat onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen voldoende gemotiveerd dat de neerwaartse correcties over 2015 en 2016 het gevolg waren van reguliere wijzigingen in het aantal opvanguren, het uurtarief en het toetsingsinkomen. Dat sprake is geweest van een CAF-onderzoek leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat sprake is geweest van vooringenomen handelen. De rechtbank legt dit hieronder verder uit.
7.3.
Gelet op de gedingstukken was het CAF-onderzoek niet gericht op het toeslagjaar 2015. Wel was dat onderzoek gericht op het toeslagjaar 2016. In dat kader heeft de Dienst Toeslagen in november 2016 aan eiser verzocht om bewijsstukken in te dienen. De Dienst Toeslagen heeft de gegevens in de KOI-viewer vergeleken met de bewijsstukken. Die gegevens weken niet of nauwelijks af van de door eiser verstrekte bewijsstukken. Zo kwam de urenregistratie in de KOI-viewer overeen met de uren op de facturen. Na dit onderzoek heeft de Dienst Toeslagen het aantal afgenomen uren opvang in de periode van januari tot en met oktober 2016 conform de KOI-viewer naar beneden aangepast en het voorschot verlaagd. Voor het overige was er geen aanleiding om het voorschot aan te passen.
7.4.
Zoals de Dienst Toeslagen terecht naar voren heeft gebracht was er gelet op het voorgaande geen aanleiding om aan de juistheid van de gegevens in de KOI-viewer te twijfelen. De rechtbank ziet ook overigens niet in waarom het CAF-onderzoek zoals dat hiervoor is beschreven, zou duiden op vooringenomenheid: pas na het uitvoeren van een zorgvuldig onderzoek naar alle relevante gegevens is het voorschot aangepast.
7.5.
Eiser heeft naar voren gebracht dat hij destijds veel onenigheid had met het gastouderbureau, onder andere omdat het aantal gefactureerde opvanguren niet zou kloppen. Dit neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat eiser destijds bezwaar had kunnen maken als hij het niet eens was met de correcties van de kinderopvangtoeslag. In de beschikkingen staat ook uitdrukkelijk vermeld dat de ouder hiertegen bezwaar kan maken als hij het niet eens is met de beschikking. Dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt, komt voor zijn rekening en risico.
7.6.
De conclusie is dat niet is gebleken van institutioneel vooringenomen handelen voor de jaren 2015 en 2016. Eiser heeft voor die jaren daarom geen recht op compensatie.
Verzoek om schadevergoeding
8.1.
Eiser heeft de rechtbank verzocht om een immateriële schadevergoeding toe te kennen in verband met het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
8.2.
De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar zouden moeten worden afgehandeld. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.
8.3.
Het bezwaarschrift van eiser is op 13 april 2023 ontvangen, waarna de Dienst Toeslagen op 6 augustus 2025 het besluit op bezwaar heeft genomen. De rechtbank doet vandaag uitspraak. Dit betekent dat de procedure bijna drie jaar heeft geduurd. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de omstandigheden van het geval deze lange behandelingsduur niet. De redelijke termijn is met (afgerond) twaalf maanden overschreden. Dat betekent dat eiser een vergoeding krijgt van € 1.000. De termijnoverschrijding van twaalf maanden moet geheel worden toegerekend aan de bezwaarfase. Dat betekent dat de Dienst Toeslagen een schadevergoeding van € 1.000,- aan eiser moet betalen.
Conclusie en gevolgen
9.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het verzoek om compensatie kinderopvangtoeslag voor 2015 en 2016 in stand blijft. Wegens het overschrijden van de redelijke termijn krijgt eiser een immateriële schadevergoeding van € 1.000,-.
9.2.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, heeft eiser recht op een proceskostenvergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).
9.3.
Eiser krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding is gedaan na het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de Dienst Toeslagen tot het betalen van € 1.000,- aan immateriële schadevergoeding aan eiser;
veroordeelt de Dienst Toeslagen tot het betalen van € 467,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van
drs. J.G.J. van Geesink, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 70-71.
Zie Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p.72.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2422, r.o. 8.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o.. 7.1.1 en 7.1.2. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|