|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2026:1924 | | | | | Datum uitspraak | : | 25-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 02-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | 25/2186 T | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Tussenuitspraak. Verzoek om compensatie kinderopvangtoeslag. Afwijzing omdat niet eiser, maar zijn voormalige echtgenote aanvrager van de toeslag was. Lacune in de wet. De Dienst Toeslagen moet toepassing van de hardheidsclausule onderzoeken. | | Trefwoorden | : | echtscheiding | | | kinderopvangtoeslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2186 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser]
, uit [woonplaats], eiser
en
de Dienst Toeslagen
(gemachtigde: mr. E. Grondman).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Dit verzoek is afgewezen omdat niet eiser zelf in het verleden kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, maar zijn voormalige echtgenote. Eiser is het niet eens met de afwijzing, stelt dat hij slachtoffer is van de toeslagenaffaire en daarom in aanmerking moet komen voor compensatie. Aan de hand van zijn argumenten beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen had moeten onderzoeken of er aanleiding was om toepassing te geven aan de zogeheten hardheidsclausule. De rechtbank draagt de Dienst Toeslagen op dat alsnog te doen.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop. Daarna volgt de beoordeling door de rechtbank. Aan het eind van deze uitspraak staat de beslissing van de rechtbank.
Procesverloop
2. Met het besluit van 14 april 2025 heeft de Dienst Toeslagen het verzoek van eiser om compensatie afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft gereageerd op het verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
3. Eiser en zijn voormalige echtgenote hebben samen twee kinderen. De voormalige echtgenote heeft kinderopvangtoeslag aangevraagd. Deze is toegekend vanaf 2011. Eiser en zijn echtgenote zijn in 2021 gescheiden.
3.1.
De voormalige echtgenote van eiser heeft zich niet bij de Dienst Toeslagen gemeld als slachtoffer van de toeslagenaffaire.
3.2.
Eiser heeft zich op 6 april 2023 wel gemeld bij de Dienst Toeslagen als slachtoffer van de toeslagenaffaire en een verzoek gedaan om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2011 tot en met 2015. Dit heeft geleid tot de besluiten zoals die zijn opgenomen onder het kopje ‘Procesverloop’.
Standpunten van partijen
4. De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat eiser geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2011 tot en met 2015, omdat op grond van artikel 2.1 van de Wht alleen de aanvrager van kinderopvangtoeslag voor compensatie in aanmerking komt. Eiser heeft in de genoemde jaren geen aanvraag voor kinderopvangtoeslag gedaan. Zijn voormalige echtgenote is in die periode de aanvrager geweest van de kinderopvangtoeslag.
5. Eiser is het niet eens met het standpunt van de Dienst Toeslagen. Hij voert aan dat de Dienst Toeslagen de gezamenlijke ouderlijke verantwoordelijkheid die hij in de jaren 2011 tot en met 2015 met zijn voormalige echtgenote had, miskent. Samen droegen zij de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en de zorg voor hun kinderen en de kinderopvangtoeslag werd gebruikt voor de opvang van hun kinderen. De Dienst Toeslagen heeft destijds de kinderopvangtoeslag stopgezet. De toeslagenaffaire heeft zowel zijn voormalige echtgenote, als hemzelf en zijn kinderen geraakt. Het standpunt van de Dienst Toeslagen leidt er toe dat herstel in zijn situatie onmogelijk wordt, enkel omdat zijn voormalige echtgenote hem bewust tegenwerkt en heeft geweigerd om compensatie aan te vragen. Volgens eiser is het in strijd met diverse beginselen, wettelijke bepalingen en verdragsbepalingen dat hij niet in aanmerking komt voor compensatie.
Relevante wettelijke bepalingen
6. Voor een overzicht van de relevante wettelijke bepalingen verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.
De redenen voor de beslissing van de rechtbank
7. Afdeling 2.1 van de Wht (waarvan artikel 2.1 onderdeel is) is bedoeld voor gedupeerde aanvragers van de kinderopvangtoeslag, waarbij het herstel is gericht op het gehele huishouden van de aanvrager. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de compensatie in voorkomend geval tussen (ex-)partners wordt verdeeld. Nadien heeft de wetgever onderkend dat dit in de praktijk vaak niet gebeurde, waardoor de gedupeerde ex-partner niet deelde in deze vorm van herstel. Het kabinet heeft daarom besloten om een aparte regeling voor gedupeerde ex-partners in het leven te roepen. In de Memorie van Toelichting bij de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen is toegelicht dat op deze manier herstel wordt geboden voor de gedupeerde ex-partner. Ook wordt hiermee voorzien in erkenning van de ex-partner als gedupeerde en erkend dat veel ex-partners vergelijkbare gevolgen hebben ondervonden van de toeslagenproblematiek als de gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag. Op grond van deze aanvullende regelingen kan bijvoorbeeld de partner van een overleden aanvrager van kinderopvangtoeslag die mogelijk slachtoffer van de toeslagenaffaire is, onder voorwaarden een aanvraag om compensatie indienen.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat dat de aanvullende regelingen voor eiser geen soelaas bieden. Omdat de voormalige echtgenote van eiser de kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, is zij ‘aanvrager’ als bedoeld in artikel 2.1 en 2.14g van de Wht. Omdat zij geen compensatie heeft gevraagd, en dus ook niet heeft ontvangen, is eiser geen ‘ex-partner’ in de zin van artikel 2.14g. Gelet op de tekst van de wet komt hij daarom niet in aanmerking voor compensatie. De wetgever heeft niet onderkend dat in het geval van bijvoorbeeld een echtscheiding de ex-partner niet in aanmerking komt voor compensatie als de aanvrager van kinderopvangtoeslag, om wat voor reden dan ook, geen compensatie aanvraagt. De weg naar erkenning van de ex-partner als gedupeerde is dan afgesloten, terwijl de wetgever die erkenning wel heeft beoogd.
7.2.
De rechtbank vat de beroepsgronden zo op dat eiser een beroep doet op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 9.1 van de Wht. Op grond van dit artikel kan worden afgeweken van artikel 2.1 van de Wht. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Bij schrijnende omstandigheden kan worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering van de aanvraag. Het toepassen van de hardheidsclausule is een uitzondering op de gebruikelijke regel. Dit betekent dat degene die een beroep daarop doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat en dit zo concreet mogelijk moet onderbouwen.
7.3.
Namens de Dienst Toeslagen is op de zitting het standpunt ingenomen dat het gegeven dat de aanvrager (als bedoeld in artikel 2.1 en 2.14g van de Wht) geen compensatie heeft aangevraagd, niet betekent dat sprake is van een onbillijkheid. Hierbij is verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2025. De rechtbank volgt de Dienst Toeslagen hierin niet. De Afdeling heeft in de genoemde uitspraak overwogen dat niet op grond van de hardheidsclausule kan worden afgeweken van artikel 2.1 van de Wht als er geen schade is in de zin van het eerste lid van die bepaling. In de zaak van eiser gaat het om de (voorafgaande) vraag of eiser slachtoffer is van de toeslagenaffaire en om die reden mogelijk recht heeft op compensatie. De rechtbank is van oordeel dat toepassing van de hardheidsclausule in een situatie als die van eiser in beginsel aan de orde kan zijn. Steun voor dit standpunt vindt de rechtbank in de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2025. In die uitspraak was sprake van vergelijkbare feiten. In die uitspraak heeft de Afdeling de betrokken ouder in het kader van de hardheidsclausule in de gelegenheid gesteld om stukken te verstrekken waaruit blijkt dat zijn situatie gelijk kan worden gesteld met die van een gedupeerde ouder.
7.4.
Naar het oordeel van de rechtbank had de Dienst Toeslagen eiser al in de bezwaarfase in de gelegenheid moeten stellen om dergelijke stukken in te dienen. Nu de Dienst Toeslagen dat niet heeft gedaan, is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
Het vervolg
8. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de Dienst Toeslagen in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet de Dienst Toeslagen eiser in de gelegenheid stellen om stukken te verstrekken waaruit blijkt dat zijn situatie gelijk kan worden gesteld met die van een gedupeerde ouder. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om bankafschriften waaruit blijkt dat de kinderopvangtoeslag is stopgezet. Het is aan de Dienst Toeslagen om die stukken te beoordelen. Verder moet de Dienst Toeslagen binnen de wettelijke mogelijkheden zelf onderzoeken of de kinderopvang destijds is stopgezet. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de Dienst Toeslagen het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
8.1.
De Dienst Toeslagen moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als de Dienst Toeslagen gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de Dienst Toeslagen. In beginsel, ook in de situatie dat de Dienst Toeslagen de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
8.2.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
draagt de Dienst Toeslagen op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
stelt de Dienst Toeslagen in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van
drs. J.G.J. van Geesink, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Bijlage: artikelen uit de Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.1
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
Artikel 2.14g
1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder ex-partner verstaan degene die:
a. partner was van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 (…)
Artikel 2.14h
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag een compensatie van € 10.000 toe aan een ex-partner, met dien verstande dat de compensatie nihil bedraagt indien een ex-partner eerder compensatie heeft ontvangen op grond van dit lid.
Artikel 9.1
1. De Dienst Toeslagen kan bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van 2.1, 2.6, 2.7, 2.10, 2.11, 2.11a, 2.11b, 2.14, 2.14a, 2.16, 2.17, 3.1, 4.6, 4.7 of 6.1 voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.
Kamerstukken II, 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 19.
Kamerstukken II, 2022/23, 36 352, nr. 3, p. 5.
Kamerstukken II, 2022/23, 36 352, nr. 3, p. 5.
Zie wat is overwogen onder 7.3 in de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456.
ECLI:NL:RVS:2025:5610.
ECLI:NL:RVS:2025:5980. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|