Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:2207 
 
Datum uitspraak:08-04-2026
Datum gepubliceerd:16-04-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:26/368
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:Beroep niet tijdig beslissen. Omgevingswet. Aanvraag derde belanghebbende om intrekking natuurvergunning. Rechtbank stelt een termijn van negen weken om op de aanvraag te beslissen.
Trefwoorden:stikstofdepositie
veehouderij
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/368

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen



[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres
(gemachtigde: ir. [naam]),

en


het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, het college
(gemachtigde: mr. M. van der Stappen).




Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het college volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 9 januari 2025.


1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.





Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.


Is het beroep ontvankelijk en gegrond?


3. Eiseres heeft op 9 januari 2025 verzocht om intrekking van de natuurvergunning van 28 maart 2017 voor de veehouderij aan de [adres] in [vestigingsplaats]. Op de voorbereiding op deze beschikking op aanvraag is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Daarom geldt op grond van artikel 3:18, derde lid, van de Awb in deze procedure een beslistermijn van uiterlijk twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbesluit. Dat betekent niet dat het bestuursorgaan gedurende onbepaalde tijd kan wachten met de terinzagelegging van het ontwerp. De in artikel 3:18, eerste lid, van de Awb genoemde termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag geldt hierbij als een maximale termijn die niet wordt verlengd. De termijn waarbinnen het college moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft het college op 4 augustus 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.


Welke beslistermijn moet aan het college worden opgelegd?


4. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen.


4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. Uit de wetsgeschiedenis bij deze bepaling volgt dat de wetgever de rechter de ruimte heeft willen bieden om een verantwoorde keuze te maken tussen snelheid en zorgvuldigheid bij het nemen van het besluit. Daarbij geldt in algemene zin dat het feit dat de oorzaak van de te late besluitvorming bij het bestuursorgaan is gelegen, op zichzelf niet met zich brengt dat de te betrachten zorgvuldigheid ten koste moet gaan van de geboden snelheid. Een langere termijn is in ieder geval nodig als alleen op die manier de naleving van andere wettelijke voorschriften kan worden verzekerd. De rechtbank moet een termijn stellen die niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is.



4.2.
Het college heeft aangegeven nog niet over een concreet afwegingskader te beschikken om het verzoek en daarmee vergelijkbare verzoeken om intrekking af te handelen. Verder heeft het college medegedeeld nog onderzoek te doen naar de feiten en omstandigheden van dit specifieke geval.



4.3.
In deze zaak is er aanleiding om een langere termijn te geven dan twee weken. Voordat het college een besluit kan nemen, moet het namelijk eerst een ontwerpbesluit gedurende een periode van zes weken ter inzage leggen. Die termijn is bestemd om het bredere publiek in de gelegenheid te stellen om inspraak te leveren. Dat recht moet ten volle worden gerespecteerd. Het college moet vervolgens afwachten welke zienswijzen worden ingediend. Daarna kan hij pas een besluit nemen. Het college krijgt daarom negen weken om een besluit te nemen, rekening houdend met één week voor de afronding van het ontwerpbesluit, zes weken voor de terinzagelegging en twee weken voor afronding van het definitieve besluit.



4.4.
De rechtbank realiseert zich dat deze termijn korter is dan de termijn van twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbesluit, zoals deze is opgenomen in artikel 3:18, derde lid, van de Awb. Het college heeft inmiddels echter al meer dan vijftien maanden de tijd gehad om een ontwerpbesluit voor te bereiden. Dat het college nog geen afwegingskader heeft ter beoordeling van de aanvraag, is een omstandigheid die in de risicosfeer van het college ligt. Ook de omstandigheid dat het college nog feitenonderzoek doet, maakt niet dat een langere termijn in de rede ligt. Dat is alleen al zo omdat het college in het geheel niet heeft onderbouwd welk feitenonderzoek nog plaats dient te vinden en wat rechtvaardigt dat dit feitenonderzoek niet al kon zijn voltooid.



4.5.
Bij de korte termijnbepaling weegt de rechtbank verder mee dat de aanvraag de strekking heeft om passende maatregelen af te dwingen ten aanzien van een daling van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in verschillende Natura 2000-gebieden. Dit betrokken belang verlangt naar zijn aard – en ook met het oog op het Unierechtelijke beginsel van effectieve rechtsbescherming – een spoedige besluitvorming.


Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?


5. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.





Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het college de onder 4.3 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 5 genoemde dwangsom wordt opgelegd.


6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.




Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;


draagt het college op binnen 9 weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;


- bepaalt dat het college aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;


bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;


veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.




Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.A.B. Elsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.


Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.


Op grond van artikel 16.65 van de Omgevingswet en artikel 10.24, eerste lid, onder j, van het Omgevingsbesluit.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA5884.


Zie voor dit toetsingskader bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2337, overweging 9.


Dit volgt uit artikel 3:11 en 3:16 van de Awb.
Link naar deze uitspraak