Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:2581 
 
Datum uitspraak:22-04-2026
Datum gepubliceerd:04-05-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:C/01/416307 / HA ZA 25-37 C/01/416307 / HA ZA 25-37
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Verkoop paard via online veiling. Koper woonachtig in Noorwegen. Wie is de verkoper? Welke omstandigheden zijn van belang? Consumentenkoop of niet? Verwijzing naar kantonrechter.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
koopovereenkomst
paarden
 
Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/416307 / HA ZA 25-379


Vonnis van 22 april 2026


in de zaak van




1 [eiser 1] ,
te [plaats] ( [land] ),2. [eiser 2],
te [plaats] ( [land] ),
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiseressen] , en afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] ,
advocaat: mr. P. Bavelaar,

tegen




1 [gedaagde 1] , handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde sub 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] , en afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. L.M. Schelstraete.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding met bijlagen;


de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie (tegenvordering) met bijlagen;


de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;


de conclusie van antwoord in reconventie;


het bericht van 1 december 2025 met bijlagen van [gedaagden] ;


de mondelinge behandeling van 12 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.





1.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.









2Waar gaat deze zaak over?

Het gaat hier om de koop van het springpaard [A] (hierna: [A] ) via een online veiling. De vraag is wie de verkoper is van [A] , maar ook wie de koper is van [A] . Daarnaast bestaat er een discussie tussen partijen over de vraag of er iets mis is met de lichamelijke gezondheid van [A] . En zo ja, of dat er al was voorafgaand aan de verkoop of pas is ontstaan nadat [A] in [land] is aangekomen.




3Wat wordt in dit vonnis beslist?

De rechtbank is van oordeel dat deze zaak naar de kantonrechter moet worden verwezen omdat:


sprake is van een overeenkomst tussen [eiser 1] en [gedaagde 1] ,



[gedaagde 1] bedrijfsmatig heeft gehandeld en [eiser 1] niet,


en dat dus sprake is van een consumentenkoop.


In dit vonnis legt de rechtbank uit waarom zij tot dit oordeel komt.




4De feiten


4.1.

[eiseressen] wonen in [land] . [gedaagden] wonen in Nederland.


4.2.

[gedaagde 2] en [gedaagde 1] zijn allebei woonachtig aan [adres] te [plaats] . [gedaagde 2] houdt paarden en is actief in de hippische branche. [gedaagde 1] woont ook in [plaats] . [gedaagde 1] heeft een eenmanszaak, genaamd [handelsnaam gedaagde sub 1] . Deze eenmanszaak richt zich op de bedrijfsmatige handel in springpaarden en bezit ook een spring- en handelsstal. De eenmanszaak is ingeschreven op hetzelfde adres als waarop [gedaagde 1] woonachtig is en wordt ook vanuit dat adres gedreven. [gedaagde 1] houdt zich bezig met het fokken, opleiden en verhandelen van springpaarden. Naast training en verkoop biedt hij ook aanvullende diensten aan, zoals transport en begeleiding bij de fokkerij.



4.3.
Op 31 augustus 2024 is via een online veiling van Youhorse auction (hierna: Youhorse) [A] ter verkoop aangeboden. De algemene voorwaarden van Youhorse zijn hierop van toepassing (hierna: de algemene voorwaarden, bijlage 5 [eiseressen] ).



4.4.
In de advertentie van [A] is het volgende opgenomen:










4.5.
Voor potentiële kopers van [A] was via de veilingsite een verkoopdossier aanwezig met daarin informatie over [A] . In het verkoopdossier zaten onder meer de volgende documenten:


Video opnames van [A] (bijlage 7 [eiseressen] );


Een rapport van drs. [B] van dierenartspraktijk [naam dierenartspraktijk] met daarin opgenomen een klinische keuring van [A] , uitgevoerd op 13 augustus 2024 (hierna: het rapport van [naam dierenartspraktijk] , bijlage 8 [eiseressen] );


Een rapport van dierenarts [C] met een röntgenologische keuring van [A] , uitgevoerd op 14 augustus 2024 (hierna: het rapport van [C] , bijlage 9 [eiseressen] );


Röntgenfoto’s van [A] , behorende bij het rapport van [C] (bijlage 10 [eiseressen] ).




4.6.
De online bieding opende op 31 augustus 2024 en sloot op 3 september 2024. Op die dag werd [A] gegund aan [eiser 1] of aan [eiseressen] Tussen partijen bestaat discussie wie precies de koper is, [eiseressen] of [eiser 1] .


4.7.

[eiser 1] heeft van Youhorse een factuur ontvangen van € 16.815,- (bijlage 12 [eiser 1] ) met als koopsom vermeld € 15.000,-. [gedaagde 2] heeft ook een factuur van Youhorse gekregen met eenzelfde koopsom en waarop ook veilingkosten in rekening worden gebracht (bijlage 8 [gedaagden] ).



4.8.
Half september 2024 is [A] vanuit de stal van [gedaagde 1] gelegen aan [adres] te [plaats] op transport gezet naar [land] . Vlak voordat [A] op transport is gezet, is er nog een video van hem gemaakt (bijlage 16 [eiseressen] ).


4.9.

[A] is op 27 september 2024 aangekomen in de stal waar [eiser 1] een box had gehuurd.



4.10.
Een aantal dagen nadat [A] was aangekomen in de stal van [eiser 1] , constateerde [eiser 1] dat [A] kreupel was. Daarover is vervolgens gecorrespondeerd tussen [eiser 1] , Youhorse en [gedaagde 1] .



4.11.

[A] is door plaatselijke dierenartsen gezien maar zij konden niet vaststellen waarom er problemen waren met [A] .



4.12.
In januari 2025 is [A] onderzocht door een [land] dierenarts werkzaam bij [D] (hierna: [D] ). Daarvan is een rapport opgesteld dat [eiser 1] op 10 januari 2025 heeft ontvangen (bijlage 19 [eiseressen] ). Vervolgens heeft [D] nog een tweede rapportage van 17 februari 2025 opgesteld (bijlage 20 [eiseressen] ). [D] heeft ook nog een derde rapportage van 7 maart 2025 uitgebracht (bijlage 21 [eiseressen] ).



4.13.
Bij brief van 16 januari 2025 heeft de advocaat van [eiseressen] [gedaagden] aansprakelijk gesteld (bijlage 25 [eiseressen] ) en hebben [eiseressen] de koopovereenkomst met betrekking tot [A] buitengerechtelijk ontbonden.



4.14.
De advocaat van [gedaagden] heeft betwist dat [gedaagden] aansprakelijk zijn en – samengevat weergegeven – geschreven het niet eens te zijn met de inhoud van de brief van 16 januari 2025.



4.15.
Partijen hebben deze zaak niet in onderling overleg kunnen regelen. [eiseressen] zijn vervolgens deze procedure gestart.



4.16.

[eiseressen] hebben kort daarna conservatoir derdenbeslag gelegd ten laste van [gedaagden] op diverse bankrekeningen. Daarover hebben partijen afspraken gemaakt en is er een bedrag van € 45.500,- op een derdengeldrekening gezet.



4.17.
In deze procedure stellen [eiseressen] diverse vorderingen in tegen [gedaagden] maar ook [gedaagden] stellen vorderingen tegen [eiseressen] in.





5De beoordeling


5.1.
In dit vonnis worden de volgende vragen beantwoord:


Is de Nederlandse rechter bevoegd?


Welk recht is van toepassing?


Wie is de koper van [A] ?


Wie is de verkoper van [A] ?


Is hier sprake van een consumentenkoop?




Is de Nederlandse rechter bevoegd?




5.2.

[eiseressen] wonen in [land] . [gedaagden] wonen in Nederland. De zaak heeft dus een internationaal karakter. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is van het geschil kennis te nemen en bepalen welk recht van toepassing is.



5.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de algemene voorwaarden van Youhorse van toepassing zijn (bijlage 5 [eiseressen] ). In artikel 1.10 staat het volgende:


"1. De rechtsverhouding tussen YOUHORSE.AUCTION en Deelnemer alsmede de rechtsverhouding tussen Verkoper en Koper worden uitsluitend beheerst door Nederlands recht, met algehele uitsluiting van het Weens Koopverdrag (CISG).

2. (...)

3. Geschillen tussen partijen zullen worden beslecht door de bevoegde rechter te Den Haag. Alvorens Youhorse.auction tegen een klant-consument een procedure start bij de bevoegde rechter te Den Haag krijgt de consument een termijn van één maand als bedoeld in artikel 6:236 sub n. burgerlijk wetboek om alsnog een keuze te maken voor de volgens de wet bevoegde rechter door dit schriftelijk kenbaar te maken aan Youorse.auction. Dit artikel laat onverlet de bevoegdheid van partijen om een procedure bij de volgens de wet bevoegde rechter te starten."




5.4.

[eiseressen] beroepen zich wat betreft de bevoegdheid van deze rechtbank op artikel 1.10 lid 3 van de algemene voorwaarden waarin is bepaald dat partijen bevoegd zijn om een procedure bij de volgens de wet bevoegde rechter te starten. [gedaagden] zijn het daarmee eens. De rechtbank oordeelt als volgt. In deze procedure is de Brussel I-bis Verordening van toepassing. De hoofdregel van artikel 4 Brussel I-bis Verordening bepaalt dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. [gedaagden] wonen in Nederland, dus dan is volgens de hoofdregel de Nederlandse rechter bevoegd. Omdat [gedaagden] woonachtig zijn in het arrondissement van de rechtbank Oost-Brabant betekent dat deze rechtbank bevoegd is.


Welk recht is van toepassing?




5.5.

[eiseressen] stellen dat Nederlands recht van toepassing is. Zij verwijzen naar artikel 1.10 lid 1 van de algemene voorwaarden (zie hiervoor). [gedaagden] zijn het hiermee eens.
Wat betreft het toepasselijke recht overweegt de rechtbank dat [eiseressen] vorderingen hebben ingesteld met een duidelijke contractuele grondslag, de koopovereenkomst van [A] . De koopovereenkomst is gesloten na 17 december 2009. De vraag naar welk recht de vorderingen van [eiseressen] beoordeeld dienen te worden, moet daarom beantwoord worden aan de hand van Rome I. Op grond van artikel 3 lid 1 Rome I wordt een overeenkomst beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. Tussen partijen is niet in geschil dat in de algemene voorwaarden een rechtskeuze is gemaakt en dat zij daaraan gebonden zijn. Nu in de algemene voorwaarden een expliciete rechtskeuze voor Nederlands recht is opgenomen, moeten de vorderingen van [eiseressen] naar Nederlands recht worden beoordeeld.



5.6.
Ook de vorderingen van [gedaagden] moeten naar Nederlands recht worden beoordeeld. Ook daarover zijn partijen het eens. De vorderingen van [gedaagden] zijn gebaseerd op onrechtmatig gedrag van [eiseressen] Dit onrechtmatig gedrag bestaat uit het ten onrechte leggen van beslag op Nederlandse bankrekeningen en zich ten onrechte smadelijk uitlaten over [gedaagden] De rechtbank oordeelt als volgt. In dit geval is Rome II van toepassing. De algemene regel in Rome II, neergelegd in artikel 4 lid 1, is dat het toepasselijke recht in beginsel wordt bepaald naar het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan. Dat is in Nederland en daarom is Nederlands recht van toepassing.


Wie is de koper van [A] ?




5.7.
Deze procedure is gestart door [eiser 1] en [eiser 2] samen. Uit de processtukken en de verklaringen ter zitting blijkt dat [A] door [eiser 1] is gekocht. [eiser 2] is daar niet bij betrokken geweest, ook juridisch gezien niet. Bij de beoordeling van de vorderingen zal de rechtbank daarvan uit gaan.


Wie is de verkoper van [A] ?




5.8.
Dan is de vraag wie verkoper is van [A] . Het betoog van [eiser 1] komt er op neer dat zij primair aanvoert dat [gedaagde 1] de verkoper is en subsidiair [gedaagde 2] . [gedaagden] zijn het niet eens met de primaire stelling van [eiser 1] . Volgens [gedaagden] is [gedaagde 2] de verkoper. De rechtbank legt hierna uit waarom zij tot het oordeel komt dat [gedaagde 1] als verkoper van [A] moet worden beschouwd en dus de wederpartij van [eiser 1] is.



5.9.
In artikel 6:217 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat een overeenkomst tot stand komt wanneer de ene partij een aanbod doet en de andere partij dat aanbod aanvaardt. Daarvoor is van belang dat tussen partijen wilsovereenstemming bestaat. Om na te gaan of daarvan sprake is, zal gekeken moeten worden naar de verklaringen en gedragingen die partijen naar elkaar hebben geuit, de betekenis die partijen daaraan mochten toekennen en wat zij in de gegeven omstandigheden van elkaar mochten verwachten (zie ook artikelen 3:33 en 3:35 BW). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien (zie uitspraak van de Hoge Raad 2 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2043). Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden (zie uitspraak van de Hoge Raad 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9284). Bovendien is van belang wat de betrokken partijen naar elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijze mochten afleiden.


5.10.
Het gaat hier om een online veiling van Youhorse. Een aspirant koper dient zich eerst bij Youhorse te registreren en daarbij accepteert de aspirant koper de algemene voorwaarden van Youhorse. Als een paard op de site wordt aangeboden wordt daarbij een verkoopdossier samengesteld en gepubliceerd op de website. Dat dossier is voor aspirant kopers toegankelijk. In de algemene voorwaarden is het volgende opgenomen over de totstandkoming van de koopovereenkomst:


“(…)


Gunning: de uitdrukkelijke verklaring van YOUHORSE.AUCTION (namens de Verkoper) aan de Koper dat een bod van Koper als hoogste bod is aanvaard en dat het Paard waarop door de Koper een bod is uitgebracht aan de Koper is gegund. Deze verklaring geldt als een aanvaarding namens de Verkoper in de zin van artikel 6:217 Burgerlijk Wetboek.


(…)

Koopovereenkomst: de koopovereenkomst tussen Verkoper enerzijds en Koper anderzijds die tot stand komt als gevolg van de Gunning;

(…)


Koper: de Bieder aan wie Gunning heeft plaatsgevonden;


(…)


Verkoper: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die aan YOUHORSE.AUCTION opdracht heeft gegeven tot het in naam van en voor rekening van Verkoper, verkopen van paarden middels een Veiling; (…)”


De rechtbank stelt vast dat op grond van de algemene voorwaarden degene die opdracht heeft gegeven aan Youhorse om een paard te verkopen als verkoper wordt aangemerkt. Hierna zal de rechtbank daar verder op ingaan.


5.11.
Op de veilingsite van Youhorse werd [A] op 3 september 2024 aangeboden (zie hierover in punt 4.4) en ook van hem was een verkoopdossier beschikbaar. Daarin zaten documenten over [A] . De rechtbank verwijst naar punt 4.5 van dit vonnis. Het gaat hier om:


video opnames van [A] ;


het rapport van [naam dierenartspraktijk] ;


het rapport van [C] en de daarbij behorende röntgenfoto’s.



Daarnaast werden afstammingsgegevens beschikbaar gesteld en werd het karakter van [A] omschreven (bijlage 6 [eiseressen] , zie ook punt 4.4 van dit vonnis). De rechtbank stelt vast dat in de advertentie op de veilingsite en in de documentatie die ten tijde van de veiling voor [eiser 1] beschikbaar was, nergens stond vermeld wie de verkoper was [A] .



5.12.
De online bieding opende op 31 augustus 2024 en sloot op 3 september 2024. Op die dag werd [A] gegund aan [eiser 1] . Volgens de algemene voorwaarden is er dan een koopovereenkomst tot stand gekomen. De rechtbank verwijst naar punt 5.10. van dit vonnis. De rechtbank stelt vast dat het voor [eiser 1] toen niet bekend was wie de verkoper was van [A] . Tussen partijen is ook niet in geschil dat [eiser 1] niet wist wie de opdracht aan Youhorse had gegeven om [A] te koop aan te bieden.



5.13.

[eiser 1] ontving daarna van Youhorse een factuur (gedateerd op 3 september 2024). Daarin is opgenomen (bijlage 12 [eiseressen] ):


“Horse owner: [gedaagde 2] , [plaats] (NL)”


Het betoog van [eiser 1] komt er op neer dat dit nog niet betekent dat [gedaagde 2] ook de verkoper is. Zij voert aan dat het in de hippische branche gebruikelijk is dat een derde, een handelaar (niet zijnde de eigenaar van het paard) een paard verkoopt. Dit is niet door [gedaagden] weersproken en in zoverre bestaat daarover geen verschil van inzicht. De rechtbank begrijpt hieruit dat een derde, een handelaar, dus ook verkoper kan zijn van een paard zonder dat hij de eigenaar is. Tegen die achtergrond beoordeelt de rechtbank ook hetgeen in het rapport van [C] staat opgenomen. Daarin staat “executed for: [gedaagde 2] ”, maar daarmee is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk voor [eiser 1] althans daaruit behoefde [eiser 1] niet af te leiden dat [gedaagde 2] verkoper was van [A] . Uit deze zinssnede is alleen af te leiden ten behoeve van wie het rapport is opgesteld. In zoverre gaat de rechtbank niet mee in het betoog van [gedaagden] dat [eiser 1] daaruit wist of had kunnen opmaken dat [gedaagde 2] de verkoper was.


5.14.
Vervolgens moest [A] worden geleverd. Op 6 en 9 september 2024 (bijlage 13 [eiseressen] ) stuurt Youhorse aan [eiser 1] e-mails waarin – samengevat weergegeven – Youhorse [eiser 1] meedeelt dat [A] op stal staat bij [gedaagde 1] en dat hij te benaderen is voor de verdere afwikkeling van de koopovereenkomst. De contactgegevens van [gedaagde 1] werden door Youhorse aan [eiser 1] verstrekt. Niet in geschil is dat [A] bij [gedaagde 1] was gestald en dat alle communicatie over de levering van [A] tussen [gedaagde 1] en [eiser 1] plaatsvond. Ook is tussen hen gesproken over het gedrag van en de omvang met [A] . Dit ging via whatsapp. [gedaagde 1] heeft ook de feitelijke levering van [A] begeleid. [gedaagde 2] is daarbij op geen enkele wijze betrokken geweest. Dat is ook bevestigd door [gedaagden] ter zitting. [gedaagde 1] heeft hiermee het gerechtvaardigde vertrouwen bij [eiser 1] gewekt dat hij de verkoper was. [gedaagde 2] heeft verklaard dat hij niet zo handig is met digitale communicatie, dat [gedaagde 1] hem heeft geholpen met de afwikkeling van de verkoop en dat [eiser 1] daarom alleen met [gedaagde 1] heeft gesproken maar dat hij, [gedaagde 2] weldegelijk de verkoper is. De rechtbank vindt dit weinig overtuigend aangezien het hier gaat om communicatie via e-mail en whatsapp. Gezien zijn leeftijd en het feit dat [gedaagde 2] diverse ondernemingsactiviteiten heeft of heeft gehad, gaat de rechtbank ervan uit dat hij kan e-mailen en whatsappen.



5.15.
Ten behoeve van het transport is door de vervoerder ( [E] ) een document opgesteld, gedateerd op 17 september 2024 waarin staat (bijlage 10 [gedaagden] ):


“COLLECTED FROM:



NAME [gedaagde 2]


ADDRESS [adres]


RESIDENCE: [postcode] [plaats]



En rechts onderin met de hand geschreven


SELLER



[gedaagde 2] ”


Hoe dit document tot stand is gekomen en bij wie de informatie die in dit document staat is verkregen, is niet duidelijk geworden. [eiser 1] heeft aangevoerd dat zij niet op de hoogte was dat [E] het vervoer feitelijk zou regelen. Dat dit document bij [eiser 1] bekend was, is gesteld noch gebleken.



5.16.
Dat [gedaagde 1] alle contacten ten aanzien van de verkoop en daarna heeft gedaan, wordt ook ondersteund door e-mails van Youhorse, bij monde van de heer [F] van 11 september 2024 (bijlage 24 [eiseressen] ) en van 16 april 2025 (bijlage 23 [eiseressen] ). Daarin staat voor zover relevant:

“(…)
The seller [gedaagde 1] (onderstreping rechtbank), put his own girlfriend on the horse, during the video day. (…)” (bijlage 23 [eiseressen] )

en


“(…)


1. The Seller Is Legally a Party to the Sale

Mr. [gedaagde 2] (Rechtbank: [gedaagde 2] ) signed the auction agreement, in which it is clearly stated that he is the legal seller. (…)



2. Identity of the Seller


Any confusion regarding which member of the [gedaagde 2] family acted as the seller arises from the fact that most communication concerning the horse was handled by Mr [gedaagde 1] (rechtbank: [gedaagde 1] ). He presented the horse during the auction selection days, responded to inquiries from the buyer, and was the first to react when it became known that the horse was not sound upon arrival at Tinas stable. While Mr. [gedaagde 2] (rechtbank: [gedaagde 2] ) received payment, it is evident that the actual sales process was handled by Mr. [gedaagde 1] (…)”
(bijlage 24 [eiseressen] )

De rechtbank stelt vast dat Youhorse (bij monde van [F] ) in eerste instantie stellig aangaf dat [gedaagde 1] verkoper was. [gedaagde 1] stond in de cc van de e-mail van 11 september 2024. [gedaagde 1] heeft toen niet gereageerd dat niet hij de verkoper was maar [gedaagde 2] . Dat had wel op de weg van [gedaagde 1] gelegen omdat hij daardoor bij [eiser 1] het beeld heeft laten bestaan dat hij de verkoper was. De rechtbank hecht waarde aan deze verklaring van Youhorse omdat deze verklaring relatief kort na de veiling is afgelegd. Later, in de e-mail van 16 april 2025 is Youhorse genuanceerder over wie nu de verkoper is en schrijft Youhorse dat uit de overeenkomst met Youhorse (dat is de overeenkomst tussen verkoper en Youhorse, bijlage 4 [gedaagden] ) volgt dat [gedaagde 2] de verkoper is. Maar uit die e-mail volgt ook dat alle contacten via [gedaagde 1] liepen. De rechtbank zal hierna een oordeel gegeven over de overeenkomst tot verkoop met Youhorse en de waarde die daaraan moet worden gehecht in het kader van de vraag tussen wie de verkoop van [A] tot stand is gekomen.



5.17.
Nadat [A] was geleverd en tussen partijen werd gecorrespondeerd over de gezondheid van [A] , stelt de rechtbank vast dat die correspondentie ook alleen tussen [eiser 1] en [gedaagde 1] is gevoerd. Ook toen heeft [gedaagde 1] niet aangegeven dat hij niet de verkoper was van [A] , maar [gedaagde 2] . [gedaagde 1] heeft daar geen verklaring voor gegeven en zeker op dat moment, toen bleek dat er discussie was over de gezondheid van [A] , had het op zijn weg gelegen om [eiser 1] daarover te informeren.



5.18.
De rechtbank stelt vast dat voorafgaand aan verkoop voor [eiser 1] niet duidelijk was wie de verkoper was, dat dit ook niet duidelijk is geworden bij de gunning en dat nadat de overeenkomst tot stand was gekomen de communicatie altijd tussen [gedaagde 1] en [eiser 1] heeft plaatsgevonden. [eiser 1] heeft nooit met [gedaagde 2] gecommuniceerd. [gedaagde 1] heeft de naam van [gedaagde 2] ook nooit genoemd en ook niet tegen [eiser 1] gezegd dat [gedaagde 2] de eigenaar was van [A] en dat [gedaagde 2] de verkoper was of woorden met die strekking. Dit heeft [gedaagde 1] tijdens de mondelinge behandeling bevestigd. Noch uit de stukken ten tijde van de veiling, noch uit de stukken die daarna zijn gewisseld, volgt dat [gedaagde 2] de verkoper was dan wel dat [eiser 1] dat had moeten weten of moeten begrijpen. De inhoud van die stukken zijn ook niet dusdanig dat dit voor [eiser 1] aanleiding had moeten zijn om te twijfelen dat [gedaagde 1] niet de verkoper was dan wel aanleiding moeten zijn om nader onderzoek te doen. Het had op de weg van [gedaagde 1] gelegen om [eiser 1] (direct) duidelijk te maken dat hij niet de verkoper was. Door dat niet te doen, niet vlak na de gunning, niet tijdens de contacten over de levering maar ook niet nadat [A] was geleverd en [eiser 1] haar ongenoegen uitte over de gezondheid van [A] , heeft [gedaagde 1] de schijn en het gerechtvaardigde vertrouwen bij [eiser 1] gewekt de verkoper te zijn. Waarom [gedaagde 2] zich niet heeft gemeld bij [eiser 1] toen bleek dat er problemen waren met [A] is ook niet duidelijk gemaakt. Ook dat had voor de hand gelegen en op de weg van [gedaagden] gelegen. De stelling van [gedaagden] dat [gedaagde 1] zijn vader alleen hielp bij de verkoop en zijn rol enkel zag op praktische bijstand wordt dus niet gevolgd. Pas nadat de advocaat [eiser 1] bij brief van 16 januari 2025 een formele aansprakelijkheidstelling had uitgebracht, is aangevoerd dat [gedaagde 2] de verkoper was. De rechtbank verwijst naar de e-mail van 17 januari 2025 aan de advocaat van [eiser 1] (bijlage 14 [eiseressen] ). De rechtbank is van oordeel dat dit te laat is.



5.19.

[gedaagden] wijzen nog op de volgende documenten ter onderbouwing van hun betoog dat [gedaagde 2] de verkoper is van [A] :


de opdracht van [gedaagde 2] aan Youhorse in het kader van de veiling van [A] (bijlage 4 [gedaagden] );


een factuur van [naam dierenartspraktijk] van 28 augustus 2024 gericht aan [gedaagde 2] (bijlage 7 [gedaagden] ) en


de factuur van Youhorse aan [gedaagde 2] van € 13.185,00 (bijlage 8 [gedaagden] ).


Volgens [gedaagden] volgt ook daaruit dat [gedaagde 2] de verkoper is. Hij was immers ook de eigenaar van [A] , hij heeft opdracht gegeven voor de veiling, hij heeft de koopsom ontvangen en het onderzoek door [C] is ook ten behoeve van [gedaagde 2] uitgevoerd.



5.20.
De rechtbank gaat hieraan voorbij. Deze stukken waren in ieder geval niet bekend bij [eiser 1] ten tijde van de veiling en zijn in het kader van deze procedure pas in het geding gebracht. Omdat deze documenten niet bekend waren bij [eiser 1] wegen deze documenten onvoldoende zwaar mee bij de beantwoording van de vraag tussen wie de koop tot stand is komen. Het klopt dan wel dat [gedaagde 2] de opdracht aan Youhorse heeft gegeven om [A] te koop aan te bieden op de veiling en op grond van de algemene voorwaarden hij dan de verkoper is, maar daarmee miskent [gedaagden] dat juist voor de beantwoording van de juridische vraag tussen wie een overeenkomst tot stand is gekomen meer omstandigheden een rol spelen. Bovendien volgt uit de verklaringen van [gedaagden] tijdens de zitting dat [gedaagde 1] heeft gezorgd dat dit contract werd ingevuld en verstuurd naar Youhorse. Youhorse gaf ook in eerste instantie richting [eiser 1] aan dat [gedaagde 1] de verkoper was.



5.21.

[gedaagden] wijzen ook nog op de volgende passage op de factuur die [eiser 1] van Youhorse heeft ontvangen (bijlage 12 [eiseressen] ):

“The horse should be exported as soon as possible and the horse may not participate in competition or be trained in Europe otherwise buyer still need to pay the VAT.”


Daaruit volgt dat [eiser 1] in beginsel geen BTW hoeft te betalen. [gedaagden] stellen dat de verkoper dus particulier is, dus dat [gedaagde 2] verkoper is. [eiser 1] stelt dat dit niet klopt omdat ook handelaren paarden mogen verkopen zonder BTW. De rechtbank kan dit in het midden laten. De vraag of BTW in rekening moet worden gebracht is voor de vraag tussen wie de overeenkomst tot stand is gekomen niet doorslaggevend en daaruit volgde ook niet wie de verkoper is althans dat dit [gedaagde 2] in plaats van [gedaagde 1] was. Het voorgaande geldt ook voor de stelling van [gedaagden] dat uit de tekst in de advertentie van [A] waarin staat “seller is not acting commercially” volgt dat [gedaagde 2] verkoper is.



5.22.
De conclusie is dan ook dat tussen [eiser 1] en [gedaagde 1] de koopovereenkomst ten aanzien van [A] tot stand is gekomen.


Is hier sprake van een consumentenkoop?




5.23.
Omdat uit het voorgaande blijkt dat [gedaagde 1] de verkoper is, moet worden beoordeeld of hier sprake is van een consumentenkoop. Volgens [eiser 1] is sprake van een consumentenkoop. [gedaagden] betwisten dat.



5.24.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Van een consumentenkoop is sprake indien het de koop met betrekking tot een roerende zaak betreft die wordt gesloten door een verkoper die handelt in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit en een koper, natuurlijk persoon, die handelt voor doeleinden buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit (zie artikel 7:5 BW). Vaststaat dat [eiser 1] een particuliere koper is. De vraag is of [gedaagde 1] kort gezegd beroepsmatig heeft gehandeld.



5.25.

[gedaagde 1] heeft een eenmanszaak die zich richt op de handel met springpaarden onder de naam “ [handelsnaam gedaagde sub 1] ”. [gedaagde 1] exploiteert een spring- en handelstal, waarbij hij zich bezig houdt met het fokken, opleiden en verhandelen van springpaarden. Hij handelt bedrijfsmatig in springpaarden. De rechtbank stelt vast dat de verkoop van [A] onder het doel van de eenmanszaak valt. De rechtbank stelt ook vast dat [gedaagden] onvoldoende concreet verweer hebben gevoerd dat, mocht sprake zijn van een overeenkomst tussen [gedaagde 1] en [eiser 1] er dan sprake is van een consumentenkoop. Ook is niet gesteld of aangevoerd door [gedaagden] dat [gedaagde 1] dan als particulier [A] heeft verkocht. Voor zover [gedaagden] dat verweer wel hebben willen voeren, is dat niet duidelijk naar voren gebracht althans was dat onvoldoende duidelijk voor [eiser 1] . Wel hebben [gedaagden] gewezen op twee feiten, namelijk dat [eiser 1] geen BTW hoefde te betalen en hetgeen in de advertentie was opgenomen “seller is not acting commercially” (zie hiervoor) maar dat is opgeworpen in het kader van hun betoog dat [gedaagde 2] de verkoper is en een particuliere verkoper is. Maar ook al zou dat betoog ook zo moeten worden begrepen dat [gedaagde 1] niet als professionele verkoper moet worden aangemerkt, dan nog volgt de rechtbank [gedaagden] daarin niet. Het enkele feit dat in de advertentie stond dat de verkoper niet commercieel handelde is onvoldoende zwaarwegend ten opzichte van het feit dat [gedaagde 1] een eenmanszaak heeft in de handel van springpaarden en deze koop onder dit doel valt. Ook het feit dat er geen BTW in rekening is gebracht voor [eiser 1] is niet overtuigend. Uit die factuur blijkt dat er weldegelijk onder omstandigheden BTW verschuldigd is en in de factuur staat niet dat de hoedanigheid van de verkoper daarin een rol speelt. Dat lijkt dus helemaal niet relevant. Bovendien is niet weersproken dat ook handelaren onder omstandigheden BTW vrij paarden kunnen verkopen.



5.26.
Kortom, de rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 1] heeft gehandeld in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit en dat sprake is van een consumentenkoop. Op grond van artikel 93 lid c Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) worden dit soort zaken door de kantonrechter beslist.


5.27.
De rechtbank heeft tijdens de mondeling behandeling dit onderwerp al besproken met partijen en partijen hebben zich al kunnen uitlaten over de vraag of hier sprake is van consumentenkoop of niet en de gevolgen daarvan. De rechtbank heeft met partijen afgesproken dat voor zover de zaak moet worden verwezen naar de kantonrechter dat zij dit bij vonnis zal doen en dat de mondelinge behandeling die op 12 december 2025 heeft plaatsgevonden, wordt geacht te hebben plaatsgevonden ten overstaan van de kantonrechter. Daar blijft de rechtbank bij. Aangezien de behandeld rechter tevens kantonrechter is, zal er geen rechterswissel plaatsvinden.



5.28.
De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de kamer voor kantonzaken, locatie ’s-Hertogenbosch (zie artikel 71 lid 2 Rv). De zaak wordt verwezen naar de rolzitting van 28 mei 2026. Op die dag zal een vonnis door de kantonrechter worden gewezen hoe het verder moet met deze zaak.





6De beslissing

De rechtbank


6.1.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie ‘s-Hertogenbosch, op donderdag 28 mei 2026 om 9 uur,



6.2.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,



6.3.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.


Dit vonnis is gewezen door mr. C. Schollen-den Besten en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.



Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken


Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europese Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna:


Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen
Link naar deze uitspraak