Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:2602 
 
Datum uitspraak:24-04-2026
Datum gepubliceerd:30-04-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:24/1842 en 25/815
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:Woo. Bijzondere openbaarmakingsregeling Handelsregisterwet 2007.
Trefwoorden:landbouw
landbouw, natuur en voedselkwaliteit
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 24/1842 en SHE 25/815
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaken tussen


SHE 24/1842




[eiser]
, uit [vestigingsplaats], eiser
(gemachtigden: mr. drs. W.L. Schuttert en mr. H.P. Wiersema),

en

de Kamer van Koophandel, de KvK
(gemachtigden: mr. B. te Vrede, mr. V. Schoonderbeek en [naam]).


SHE 25/815




[eiser]
, uit [vestigingsplaats], eiser
(gemachtigden: mr. drs. W.L. Schuttert en mr. H.P. Wiersema),

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de minister
(gemachtigde: mr. drs. P.J. Kooiman).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de besluiten van de KvK en de minister op het verzoek van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo). De KvK heeft besloten dat het Woo-verzoek van eiser buiten de reikwijdte van de Woo valt. De minister heeft besloten tot afwijzing van dat verzoek omdat openbaarmaking van de gevraagde gegevens leidt tot onevenredige benadeling van de bedrijven die een berichtenbox hebben aangemaakt. Eiser is het met beide besluiten niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beide besluiten.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de KvK de gevraagde informatie niet openbaar hoefde te maken, omdat een bijzondere openbaarmakingsregeling van toepassing is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het beroep met zaaknummer SHE 24/1842 ongegrond is.



1.2.
Het beroep met zaaknummer SHE 25/815 is gegrond, omdat de minister zijn besluit op het Woo-verzoek van eiser in strijd met de Woo heeft genomen en hij in de voorbereiding niet heeft beoordeeld of een bijzondere openbaarmakingsregeling op de gevraagde informatie van toepassing is. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand, omdat de minister tijdens de zitting alsnog het standpunt heeft ingenomen dat een bijzondere openbaarmakingsregeling van toepassing is en de gevraagde informatie daarom niet voor openbaarmaking op grond van de Woo in aanmerking komt. De rechtbank volgt de minister in dit standpunt.



1.3.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop

2. Eiser heeft op 26 oktober 2023 een verzoek op grond van de Woo ingediend bij de RVO. Eiser verzoekt om informatie te verstrekken die betrekking heeft op de ‘Berichtenbox voor bedrijven’.


2.1.
De RVO heeft dit Woo-verzoek op 2 november 2023, namens de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, doorgestuurd naar de KvK, omdat dit verzoek gaat over documenten die bij de KvK aanwezig zijn. Eiser heeft tegen dit besluit tot doorzending bezwaar gemaakt.



2.2.
De KvK heeft met het besluit van 28 november 2023 op het Woo-verzoek beslist. Volgens de KvK valt het verzoek niet onder de reikwijdte van de Woo, omdat een bijzondere openbaarmakingsregeling geldt die voorrang heeft boven de Woo, namelijk de Handelsregisterwet 2007 (Hrw). Eiser heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt.



2.3.
Met het bestreden besluit van 22 februari 2024 op het bezwaar van eiser is de KvK bij zijn besluit van 28 november 2023 gebleven. Eiser heeft beroep (SHE 24/1842) ingesteld tegen het bestreden besluit van de KvK.



2.4.
Met het bestreden besluit van 25 februari 2025 op het bezwaar van eiser heeft de minister het besluit van 2 november 2023 van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit herroepen en alsnog beslist op het Woo-verzoek van eiser. De minister heeft daarin besloten dat hij niet overgaat tot openbaarmaking van de gevraagde gegevens omdat betrokken organisaties hierdoor onevenredig worden benadeeld. Eiser heeft ook beroep (SHE 25/815) ingesteld tegen het bestreden besluit van de minister en de rechtbank verzocht om het beroep te voegen met het beroep met zaaknummer SHE 24/1842.



2.5.
Gelet op de samenhang tussen de beroepen, heeft de rechtbank aanleiding gezien toepassing te geven aan artikel 8:14 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beroepen zijn gevoegd behandeld.



2.6.
De KvK heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.7.
De minister heeft een gedeelte van de Woo-stukken toegezonden en zich beroepen op toepassing van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb.



2.8.
De griffier heeft ten onrechte het griffierecht voor een niet-natuurlijke persoon geheven in beide beroepen. De teveel geheven bedragen zijn door de rechtbank teruggestort.



2.9.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser mr. drs. W.L. Schuttert, de gemachtigden van de KvK en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank


Omvang van het geding


3. Eiser heeft op 26 oktober 2023 een verzoek op grond van de Woo ingediend bij de RVO. Concreet verzoekt eiser informatie te ontvangen welke bedrijven een berichtenbox account hebben bij de ‘Berichtenbox voor bedrijven’. Uitgesplitst in bedrijven die hun berichtenbox naam hebben ingeschreven in het handelsregister en bedrijven met een berichtenbox die dit niet hebben gedaan. Eiser verzoekt om een overzicht met alle berichtenbox namen en bijbehorende inschrijfnummers KvK en alle interne en externe informatie te verstrekken met betrekking tot hoeveel en welke concrete bedrijven zijn aangesloten bij de ‘Berichtenbox voor bedrijven’. Te denken valt aan correspondentie, rapportages, memo’s, gespreksverslagen, adviezen, e-mails (waaronder in sent items, deleted items, archive), WhatsApp-berichten, Signal/ Telegram/ Discord/ Slack/ Microsoft/ Teams-berichten, telefoonnotities en andere informatiedragers.


3.1.
De minister heeft naar aanleiding van het Woo-verzoek een overzicht gegenereerd uit de hem beschikbare systemen met daarop vermeld de berichtenbox-namen en de bijbehorende KvK-nummers. Het verzoek van eiser heeft volgens de minister betrekking op de namen van ruim 50.000 bedrijven die een berichtenbox hebben aangemaakt. De minister heeft bij wijze van voorbeeld de eerste 21 pagina’s van dit overzicht aan de rechtbank overgelegd en daarbij een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Awb. Tijdens de zitting heeft eiser bevestigd dat dit de informatie is die eiser heeft beoogd openbaar te maken voor een ieder met zijn verzoek op grond van de Woo. De rechtbank stelt vast dat de omvang van het geding is beperkt tot de vraag of deze gegevens, zoals vermeld op het overzicht, openbaar gemaakt moeten worden.


Processuele gang van zaken


4. Eiser heeft zijn Woo-verzoek ingediend bij de RVO. De RVO heeft het Woo-verzoek vervolgens namens de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit doorgezonden naar de KvK omdat die minister niet over de gevraagde informatie beschikte. Eiser heeft tegen dit besluit tot doorzending bezwaar gemaakt bij de RVO omdat de informatie volgens hem niet bij de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit berustte, maar bij de RVO die voor de hier verwerende minister de ‘Berichtenbox voor bedrijven’ uitvoert. Het bestreden besluit op bezwaar van 25 februari 2025 is genomen door de minister en hij heeft de doorzending namens de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit herroepen, in zoverre dat hij zelf op het Woo-verzoek had moeten beslissen en het verzoek daarnaast aan de KvK had moeten doorzenden op grond van artikel 4.2., eerste lid, van de Woo. In het bestreden besluit heeft hij alsnog beslist op het Woo-verzoek van eiser.



4.1.
Op het moment van het herroepen van het besluit tot doorzending van het gehele Woo-verzoek van eiser aan de KvK had de KvK al een besluit genomen op het Woo-verzoek. De minister heeft op dat moment ook een besluit genomen op het Woo-verzoek. Dit betekent dat twee bestuursorganen op hetzelfde Woo-verzoek een besluit hebben genomen en daarover twee verschillende beslissingen hebben genomen. In beide besluiten wordt niet overgegaan tot het openbaar maken van de gevraagde informatie, maar de grondslag daarvoor is in beide besluiten afwijkend.


4.1.1.
De KvK heeft zich op het standpunt gesteld dat de Woo niet van toepassing is, omdat een bijzondere openbaarmakingsregeling van toepassing is die voorrang heeft boven de Woo, namelijk de Hrw. De artikelen 21, 22, 23 en 28 van de Hrw regelen welke gegevens wel en niet openbaar zijn voor eenieder, en deze regels hebben tevens betrekking op artikelen uit het Handelsregisterbesluit 2008 (Hrb). Het regime van de Hrw laat geen ruimte om de opgevraagde gegevens openbaar te maken. Dat de registratie van berichtenboxen in het handelsregister op basis van artikel 5, eerste lid, onderdeel a, onder 2. van de Dienstenwet tot stand is gekomen doet daar volgens de KvK niet aan af. De eis van een wettelijke grondslag voor het opnemen van een artikel in het Hrb staat los van de vraag welk openbaarmakingsregime van toepassing is op dat artikel.



4.1.2.
De minister heeft zich in zijn besluitvorming op het standpunt gesteld dat de Woo wel van toepassing is, maar vindt dat openbaarmaking achterwege moet blijven omdat betrokken organisaties door openbaarmaking van de gevraagde gegevens onevenredig worden benadeeld. Openbaarmaking van een overzicht van alle namen van bestaande berichtenboxen en de daarbij geregistreerde bedrijfsnaam zou een rechtstreekse schending betreffen van de vertrouwelijkheid die aan organisaties is medegedeeld bij het aanmaken van de berichtenbox. Daarbij heeft openbaarmaking van deze gegevens tot gevolg dat de adresgegevens van organisaties zonder voorafgegane toestemming of wilsverklaring anderszins voor alle bevoegde instanties beschikbaar worden gesteld. Bevoegde instanties kunnen daarmee berichten versturen aan organisaties, zonder dat deze organisaties enigerwijs hebben aangegeven hun adresgegevens met deze bevoegde instanties te willen delen. Openbaarmaking van de gegevens waar eiser om verzoekt draagt daarom het risico op oneigenlijk gebruik van deze gegevens en dat acht de minister onwenselijk. De organisaties die een berichtenbox hebben aangemaakt bij de RVO worden benadeeld door openbaarmaking van deze gegevens. Omdat openbaarmaking van deze gegevens een directe schending is van het aan organisaties medegedeelde vertrouwen en openbaarmaking rechtstreeks impact heeft op de bestaande werkwijze waarop adresgegevens van organisaties worden gedeeld, stelt de minister zich op het standpunt dat dit nadeel onevenredig is in verhouding tot het algemeen belang dat is gediend bij openbaarmaking van publieke informatie.




4.2.
De minister is tijdens de zitting teruggekomen van zijn standpunt. Hij heeft zich tijdens de zitting achter het standpunt van de KvK geschaard dat een bijzondere openbaarmakingsregeling geldt voor de gevraagde informatie en dat de Woo daarom niet van toepassing is. Dit betekent dat het bestreden besluit van de minister om die reden al niet in stand kan blijven, omdat het in strijd is met de Woo en in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank zal om die reden het beroep met zaaknummer SHE 25/815 gegrond verklaren en het bestreden besluit van de minister vernietigen.



4.3.
De rechtbank zal, gelet op artikel 8:72 van de Awb, hierna beoordelen of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit van de minister in stand te laten.


Het beoordelingskader van de Woo, de Hrw en de Hrb



5. Op grond van artikel 8.8. van de Woo zijn de artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 niet van toepassing op informatie waarvoor een bepaling geldt die is opgenomen in de bijlage bij deze wet.



5.1.
In de Bijlage bij artikel 8.8. van de Woo staat – voor zover van belang - dat de artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 van de Wet open overheid zijn niet van toepassing voor zover de volgende bepalingen gelden.
 Handelsregisterwet 2007: de artikelen 21, 22, 23 en 28



5.2.
Op grond van artikel 21, eerste lid, van de Hrw kunnen de in artikel 9 genoemde gegevens en in artikel 17, eerste lid, onderdeel a, bedoelde gegevens door een ieder worden ingezien.


5.2.1.
In artikel 9, aanhef en onder a, van de Hrw is bepaald dat in het handelsregister over een onderneming worden opgenomen (a) een door de Kamer toegekend uniek nummer.



5.2.2.
In artikel 17, eerste lid, en onder a, is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat andere gegevens dan de in artikel 9 tot en met 14 genoemde gegevens in het handelsregister worden opgenomen voor zover dit van belang in voor de in artikel 2 genoemde doelen en er geen gewichtige redenen zijn die zich daartegen verzetten. De algemene maatregel van bestuur waar in het eerste lid naar wordt verwezen is het Hrb.



5.2.3.
In artikel 11, aanhef en onder c, van het Hrb is voor een onderneming geregeld dat de naam van de berichtenbox van het centraal loket, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Dienstenwet in het handelsregister wordt opgenomen. Dit is in artikel 15, tweede lid, aanhef en onder c, van het Hrb bepaald voor een rechtspersoon waaraan geen onderneming toebehoort en die geen vestiging heeft.


De bijzondere openbaarmakingsregeling van de Hrw


6. Eiser voert aan dat de KvK en in navolging daarvan de minister zich ten onrechte op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie niet onder de reikwijdte van de Woo valt. De bijzondere openbaarmakingsregeling van artikel 8.8 van de Woo is niet van toepassing op de gevraagde informatie, omdat het wettelijk systeem niet sluitend is.




6.1.
Eiser stelt zich primair op het standpunt dat de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 17 van de Hrw, het Hrb, buiten de wettelijk gegeven kaders treedt van de in artikel 2 van de Hrw genoemde doelen. Het doel dat de berichtenbox nastreeft komt niet overeen met een van de artikel 2 genoemde doelen.



6.2.
Uit de nota van toelichting bij het besluit van 16 november 2012 tot wijziging van het Hrb blijkt dat de berichtenbox is bedoeld voor communicatie van bedrijven naar overheden en vice versa en dat hij (nog) niet kan gebruikt worden voor communicatie van bedrijven onderling of van bedrijven naar consumenten Het in het handelsregister opnemen van hun elektronische adres, de naam van de berichtenbox, stelt bedrijven in staat zich beter langs elektronische weg te identificeren en bereikbaar te worden voor elektronisch verkeer dat door overheden wordt geïnitieerd. Door de opname in het handelsregister worden overheden in staat gesteld op eigen initiatief zelf berichten op een betrouwbare wijze langs elektronische weg te verzenden naar bedrijven.



6.3.
Uit artikel 2 van de Hrw volgt dat er een handelsregister van ondernemingen en rechtspersonen is, (a) ter bevordering van de rechtszekerheid in het economisch verkeer, (b) voor de verstrekking van gegevens van algemene, feitelijke aard omtrent de samenstelling van ondernemingen en rechtspersonen ter bevordering van de economische belangen van handel, industrie, ambacht en dienstverlening, (c) voor het registreren van alle ondernemingen en rechtspersonen als onderdeel van de gegevenshuishouding die bijdraagt aan het efficiënt functioneren van en de rechtshandhaving door de overheid, (d) voor het registreren van uiteindelijk belanghebbenden ter voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en terrorismefinanciering.



6.4.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Het doel van de berichtenbox is vertrouwelijke communicatie mogelijk maken tussen overheden en ondernemingen. Door de opname in het handelsregister worden overheden in staat gesteld op eigen initiatief zelf berichten op een betrouwbare wijze langs elektronische weg te verzenden naar bedrijven, aldus de nota van toelichting. Dit sluit aan bij de doelen uit artikel 2 van de Hrw, meer in het bijzonder het doel dat registratie van ondernemingen en rechtspersonen als onderdeel van de gegevenshuishouding bijdraagt aan het efficiënt functioneren van en de rechtshandhaving door de overheid (onder c). Daarmee is sprake van een sluitend wettelijk systeem. De naam van de berichtenbox van het centraal loket, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Dienstenwet, is daarmee een gegeven waarop de bijzondere openbaarmakingsregeling van artikel 21, eerste lid, van de Hrw van toepassing is. Dat de berichtenbox zijn grondslag heeft in artikel 5 van de Dienstenwet doet voor de vraag of op de gevraagde informatie een bijzondere openbaarmakingsregeling van toepassing is niet ter zake.

7. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat niet alle namen van de berichtenbox zijn opgenomen in het handelsregister en dat het bijzondere openbaarmakingsregime uitsluitend van toepassing is op de gegevens die daadwerkelijk in het handelsregister zijn geregistreerd. Bij de minister berusten volgens eiser ook de namen van de berichtenbox die niet in het handelsregister zijn opgenomen.



7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank geldt de bijzondere openbaarmakingsregeling van artikel 21, eerste lid, van de Hrw voor de daarin bedoelde gegevens en is voor de toepassing daarvan niet relevant of deze gegevens ook daadwerkelijk zijn opgenomen in het handelsregister of niet. Dit betekent dat deze bijzondere openbaarmakingsregeling altijd geldt voor de daarin genoemde gegevens. In dit geval betreft dat de op het overzicht opgenomen naam van de berichtenbox en het Kvk-nummer van de onderneming. De rechtbank overweegt dat op het moment gegevens worden opgevraagd die onder het bereik van een bijzondere openbaarmakingsregeling vallen, die bijzondere openbaarmakingsregeling geldt en de Woo niet van toepassing is. De feitelijke aanwezigheid van deze gegevens bij het bestuursorgaan waar zij worden opgevraagd is dan niet bepalend, maar de vraag of zij behoren tot de gegevenscategorie waarvoor een bijzondere openbaarmakingsregeling geldt.



7.2.
Dit betekent dat voor de gevraagde informatie, of deze nu is opgenomen in het handelsregister of niet, de bijzondere openbaarmakingsregeling van artikel 21 van de Hrw geldt. Dit geldt dus ook voor de namen van de berichtenboxen die bij de minister berusten en die niet zijn opgenomen in het handelsregister. Het is daarom ook niet relevant of een onderneming de keuze heeft gemaakt voor registratie in het handelsregister of niet. De rechtbank laat overigens in het midden of het wettelijk systeem ruimte biedt voor het niet opnemen van de naam van de berichtenbox, maar stelt vast dat niet alle namen van de berichtenbox feitelijk zijn opgenomen in het handelsregister. Ook de mededeling van de KvK tijdens de zitting dat de naam van een berichtenbox niet is vermeld op een uittreksel uit de KvK en dat enkel voor overheden dit gegeven openbaar is, leidt er niet toe dat de Woo van toepassing is op de gevraagde gegevens.



7.3.
Gelet hierop hebben de KvK en de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de Woo op grond van artikel 8.8. niet van toepassing is op de gevraagde informatie omdat een bepaling geldt die is opgenomen in de bijlage bij deze wet, namelijk artikel 21 van de Hrw. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.




Conclusie en gevolgen

8. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit van de KvK (zaaknummer SHE 24/1842) is ongegrond. Dat betekent dat de KvK zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een bijzondere openbaarmakingsregeling van toepassing is op de door eiser verzochte gegevens. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

9. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit van de minister (zaaknummer SHE 25/815) is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 8.8. van de Woo is genomen en niet zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit van de minister, maar laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat de minister de door eiser gevraagde gegevens niet openbaar heeft hoeven maken.


9.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De hoogte van die vergoeding stelt de rechtbank op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt vast. De proceskosten van eiser bestaan uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding hiervoor stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).




Beslissing

De rechtbank:



verklaart het beroep in zaaknummer SHE 24/1842 ongegrond;


verklaart het beroep in zaaknummer SHE 25/815 gegrond;


vernietigt het bestreden besluit van de minister van 25 februari 2025;


bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;


bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;


veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.L. Verbruggen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Wet open overheid




Artikel 8.8. Verhouding met andere wetten
De artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 zijn niet van toepassing op informatie waarvoor een bepaling geldt die is opgenomen in de bijlage bij deze wet.



Bijlage bij artikel 8.8 van de Wet open overheid
De artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 van de Wet open overheid zijn niet van toepassing voor zover de volgende bepalingen gelden.
(…)
 Handelsregisterwet 2007: de artikelen 21, 22, 23 en 28


Handelsregisterwet 2007




Artikel 2
Er is een handelsregister van ondernemingen en rechtspersonen:


ter bevordering van de rechtszekerheid in het economisch verkeer;


voor de verstrekking van gegevens van algemene, feitelijke aard omtrent de samenstelling van ondernemingen en rechtspersonen ter bevordering van de economische belangen van handel, industrie, ambacht en dienstverlening;


voor het registreren van alle ondernemingen en rechtspersonen als onderdeel van de gegevenshuishouding die bijdraagt aan het efficiënt functioneren van en de rechtshandhaving door de overheid;


voor het registreren van uiteindelijk belanghebbenden ter voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en terrorismefinanciering.





Artikel 9
In het handelsregister worden over een onderneming opgenomen:


een door de Kamer toegekend uniek nummer;


de handelsnaam of de handelsnamen;


de datum van aanvang, voortzetting of beëindiging;


degene aan wie de onderneming toebehoort;


de vestigingen;


de identificatiecode voor juridische entiteiten (Legal Entity Identifier) volgens een door Onze Minister aangewezen norm van het Nederlands Normalisatie-Instituut, die de Kamer of een andere tot uitgifte van de LEI geaccrediteerde instantie uitgeeft aan een in het handelsregister ingeschreven onderneming.





Artikel 17
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald:


dat andere gegevens dan de in artikel 9 tot en met 14 genoemde gegevens in het handelsregister worden opgenomen of dat bescheiden bij het handelsregister worden gedeponeerd voor zover dit van belang is voor de in artikel 2 genoemde doelen en er geen gewichtige redenen zijn die zich daartegen verzetten;


dat in het handelsregister opgenomen gegevens worden overgenomen uit een ander basisregister;


dat voor de in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, en artikel 6, derde lid, bedoelde rechtspersonen bepaalde in artikel 12, 13 en 14 bedoelde gegevens niet behoeven te worden ingeschreven.


2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.



Artikel 21
1. De in de artikelen 9, 10, met uitzondering van het tweede lid, onderdeel a en het derde lid, onderdeel e, onder 1°, eerste gedachtestreepje, 11, 12, 13, 14, 16, tweede lid, en 16a, eerste lid, genoemde gegevens, de in artikel 17, eerste lid, onderdeel a, bedoelde gegevens, en de krachtens wettelijk voorschrift gedeponeerde bescheiden, met uitzondering van de bescheiden, bedoeld in artikel 15a, derde lid, kunnen door een ieder worden ingezien.


Handelsregisterbesluit 2008




Artikel 11
In het handelsregister worden over een onderneming opgenomen:


het aantal werkzame personen, onderverdeeld naar vestiging, op de eerste werkdag na 30 april van enig kalenderjaar;


een korte aanduiding van de uitgeoefende activiteit of activiteiten;


de naam van de berichtenbox van het centraal loket, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, onder 2° van de Dienstenwet.





Artikel 15
1. In het handelsregister worden over een rechtspersoon opgenomen:


een korte aanduiding van de uitgeoefende activiteit of activiteiten;


het postadres.


2. In het handelsregister worden over een rechtspersoon waaraan geen onderneming toebehoort en die geen vestiging heeft, opgenomen:


het bezoekadres;


het telefoonnummer, het e-mailadres en het internetadres;


de naam van de berichtenbox van het centraal loket, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, onder 2° van de Dienstenwet.






Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.


Nu de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.


ECLI:NL:RVS:2025:3844.


Artikel 8.8. van de Woo en de Bijlage bij artikel 8.8. van de Woo.


Artikel 5.1., vijfde lid, van de Woo.


De voor de beoordeling belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.


Staatsblad 2012, 575.


Artikelen 11, aanhef en onder c, en artikel 15, tweede lid, aanhef en onder c, van het Hrb.


Artikel 9, aanhef en onder a, van de Hrw.
Link naar deze uitspraak