Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:2711 
 
Datum uitspraak:30-04-2026
Datum gepubliceerd:04-05-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:SHE 26/972
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:Voorlopige voorziening, terreinverharding en wadi, motiveringsgebrek onevenredige aantasting waarden.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
omgevingsvergunning
perceel
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 26/972 OWBOUW

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eersel, het college
(gemachtigde: mr. P.M.H.M. Bakermans).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [woonplaats] (de vergunninghouder).


Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning voor het aanbrengen van terreinverharding en het uitvoeren van graafwerkzaamheden aan de [adres] in [woonplaats] . Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.


1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.





Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 18 maart 2026 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.


2.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.





Beoordeling door de voorzieningenrechter


Vooraf


3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

 De vergunninghouder exploiteert een verhuurbedrijf van bouwkranen aan de [adres] in [woonplaats] (de locatie). Verzoeker is eigenaar van het aangrenzende bedrijfsperceel.
 Ter plaatse van de locatie geldt het Omgevingsplan gemeente Eersel (het omgevingsplan). Op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet gold ten tijde van het bestreden besluit het bestemmingsplan “[naam]” (het bestemmingsplan) als onderdeel van dat omgevingsplan. Op grond van het bestemmingsplan is aan de locatie de bestemming “Bedrijf - 2”, “Agrarisch met waarden – Landschap” en “Waarde – Archeologie 5.2” toegekend. De locatie bevat tevens een bouwvlak en de functieaanduiding ‘landschapswaarden’ en ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.
 Op 11 februari 2026 is de omgevingsvergunning aangevraagd. Uit de aanvraag volgt dat het project bestaat uit het aanbrengen van terreinverharding en het uitvoeren van graafwerkzaamheden. De terreinverharding komt te liggen op de achterzijde van de locatie en beslaat een oppervlakte van 3.389 m2. De graafwerkzaamheden zijn ten behoeve van een wadi en worden uitgevoerd binnen de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschap” met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.


Spoedeisend belang


4. Voor het treffen van een voorlopige voorziening geldt op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het vereiste van het aanwezig zijn van een spoedeisend belang. Gebleken is dat nog geen uitvoering is gegeven aan de vergunning. Verzoeker vreest onder meer wateroverlast vanwege de aan te leggen wadi. De wadi komt op basis van de bij de aanvraag gevoegde tekening te liggen binnen de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschap” met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’. Ingevolge artikel 4.1, onder h, van de planregels zijn die gronden mede bestemd voor het behoud en herstel van hydrologische waarden. De voorzieningenrechter veronderstelt dat een nieuwe wadi van invloed kan zijn op de hydrologische waarden ter plaatse, en daarmee ook op de waterhuishouding binnen het perceel van verzoeker. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een voldoende spoedeisend belang.


Is er aanleiding om het bestreden besluit te schorsen?


5. Ter zitting is met partijen gesproken over de voorgenomen plannen. De terreinverharding wordt aangelegd binnen de bedrijfsbestemming. Volgens het college is het toegestaan om die bestemming te verharden ten behoeve van bedrijvigheid. Het is de voorzieningenrechter echter duidelijk geworden dat binnen de bedrijfsbestemming op twee plaatsen ook de functieaanduiding ‘landschapswaarden’ is gelegen. Ingevolge artikel 6.1 van de planregels zijn de voor “Bedrijf – 2” aangewezen gronden mede bestemd voor het behoud en herstel van landschapselementen ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’. Uit de tekening die bij de aanvraag is gevoegd leidt de voorzieningenrechter af dat ook ter hoogte van de aanduidingen ‘landschapswaarden’ sprake zal zijn van terreinverharding. Op grond van artikel 6.6.1 van de planregels is het ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’ verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning oppervlakteverhardingen aan te brengen of (delen van) landschapselementen te verwijderen. Vanwege de omgevingsvergunning zal in ieder geval sprake zijn van het aanbrengen van oppervlakteverhardingen. De omgevingsvergunning kan ingevolge artikel 6.6.3 van de planregels slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaats vindt van het landschapselement.

6. De wadi wordt aangelegd binnen de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschap” met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’. Ingevolge artikel 4.1, van de planregels zijn die gronden onder meer bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke waarden, behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden, en het behoud en herstel van hydrologische waarden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’. Op grond van artikel 4.4.1, onder a, van de planregels is het verboden om binnen die bestemming zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de bodem af te graven. Vanwege de aanleg van de wadi zal sprake zijn van het afgraven van de bodem. De omgevingsvergunning kan ingevolge artikel 4.4.3 van de planregels slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaats vindt van de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden, het landschapselement ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’ en de hydrologische eigenschappen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.

7. Gelet op het voorgaande zijn de activiteiten die zien op zowel het aanleggen van de terreinverharding als het aanleggen van de wadi vergunningplichtig onder het bestemmingsplan. Deze activiteiten zijn op basis van artikel 22.277, onder a, van het omgevingsplan eveneens vergunningplichtig. Artikel 22.281 van het omgevingsplan bepaalt dat het college bevoegd is om de vergunning te verlenen en niet verplicht is om de vergunning te verlenen.

8. In het bestreden besluit is niet kenbaar gemotiveerd dat de terreinverharding geen onevenredige afbreuk doet aan het landschapselement. Evenmin is kenbaar gemotiveerd dat de werkzaamheden ten behoeve van de wadi geen onevenredige afbreuk doen aan de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden, het landschapselement ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’ en de hydrologische eigenschappen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding de omgevingsvergunning te schorsen. Het is niet bekend welke waarden ter plaatse aanwezig zijn en of de werkzaamheden hieraan op onevenredige wijze afbreuk doen.




Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 18 maart 2026 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.


9.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.A.B. Elsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.


De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen










griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.



Bijlage: relevante bepalingen uit het bestemmingsplan


Artikel 4 Agrarisch met waarden - Landschap



4.1
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Agrarisch met waarden - Landschap’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a agrarische grondexploitatie;
b behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke waarden;
c behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden;
d extensief recreatief medegebruik;
e groenvoorzieningen;
f water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

alsmede voor:
g het behoud en herstel van landschapselementen ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’;
h het behoud en herstel van hydrologische waarden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.



4.4
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden


4.4.1
Omgevingsvergunning
a Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
1. het aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen;
2 het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 200 m²;
3 het kappen en/of rooien van bomen en/of houtgewas;
4 het beplanten van gronden met houtgewas, met uitzondering van het beplanten van houtgewas in het kader van agrarische wisselteelt (teelt van maximaal 5 jaar);
5 het diepploegen en diepwoelen van de bodem;
6 het afgraven, ophogen, en egaliseren van de bodem.
b In aanvulling op het bepaalde in sub a is het ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’ verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
1. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen of banen en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
2 het verwijderen van (delen van) landschapselementen.
c In aanvulling op het bepaalde in sub a is het ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’ verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
1. het aanbrengen van houtopstanden;
2 het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en halfverhardingen.



4.4.2
Uitzonderingen
Het in lid 4.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken of werkzaamheden welke:
a het normale onderhoud en/of landschapsbeheer betreffen;
b reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
c waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit plan omgevingsvergunning is verleend.



4.4.3
Toelaatbaarheid
De in lid 4.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaats vindt van:
a de landschappelijke waarden;
b de cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden;
c het landschapselement, ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’;
d de hydrologische eigenschappen, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.


Artikel 6 Bedrijf – 2





6.1
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Bedrijf – 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a bedrijven genoemd in bijlage 1 (Staat van bedrijfsactiviteiten) onder de milieucategorie 2 t/m 3.2, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige en risicovolle bedrijven;
b bestaande bedrijven genoemd in bijlage 1 (Staat van bedrijfsactiviteiten) onder de milieucategorie 1;
c productiegebonden detailhandel, met uitzondering van detailhandel in voedings- en genotsmiddelen;
d tevens een sigarenfabriek, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - sigarenfabriek’;
e tevens een landbouwmechanisatiebedrijf ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - landbouwmechanisatiebedrijf’.
f bedrijfswoningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’;
g opslag en uitstalling;
h parkeervoorzieningen;
i groenvoorzieningen;
j wegen, paden en straten;
k tuinen, erven en verhardingen;
l water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

alsmede voor:
m het behoud en herstel van landschapselementen ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’;
n het behoud en herstel van cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - cultuurhistorische waardevolle bebouwing’



6.6
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden


6.6.1
Omgevingsvergunning
a Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’:
1. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen of banen en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
2 het verwijderen van (delen van) landschapselementen.



6.6.2
Uitzonderingen
Het in lid 6.6.1 vervatte verbod geldt niet voor werken of werkzaamheden welke:
a het normale onderhoud en/of landschapsbeheer betreffen;
b reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
c waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit plan omgevingsvergunning is verleend.



6.6.3
Toelaatbaarheid
De in lid 6.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaats vindt van het landschapselement.
Link naar deze uitspraak