|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2026:2868 | | | | | Datum uitspraak | : | 28-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 13-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | 11150649 EJ VERZ 24-249 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Deelgeschil letselschade. Arbeidsongeval (val van metalen buis op het hoofd). Medisch objectiveerbaar hersenletsel kan niet worden geduid, maar de kantonrechter oordeelt dat de gepresenteerde klachten en beperkingen in juridische zin aan het ongeval kunnen worden toegerekend (coherent en plausibel klachtenpatroon, dat voor het ongeval niet bestond, dat door het ongeval kan zijn veroorzaakt en waarvoor een alternatieve oorzaak ontbreekt). Er moet aanvullende bevoorschotting plaatsvinden, o.a. voor smartengeld (Rotterdamse Schaal). Voor de buitengerechtelijke kosten en de kosten deelgeschil worden lagere bedragen toegekend dan verzocht, omdat niet steeds doelmatig is gehandeld. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK
OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer / rekestnummer: 11150649 \ EJ VERZ 24-249
Beschikking van 28 april 2026
in de zaak van
[verzoekster]
,
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. P.C. van As,
tegen
BERCO TRUCK COMPONENTS B.V.,
te Schijndel,
verwerende partij,
hierna te noemen: Berco,
gemachtigde: mr. H.M. Kruitwagen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 10 juni 2024 met producties 1-36
- het eerste aanvullend verzoekschrift met producties 37-54
- de brief van mr. Van As met aanvulling op productie 49
- het verweerschrift met producties 1-12
- de twee brieven van mr. Van As met aanvullingen op productie 47
- het tweede aanvullend verzoekschrift met producties 55-57
- de brief van mr. Van As met producties 58-59.
1.2.
De behandeling van de zaak is op verzoek van partijen enige tijd aangehouden, in afwachting van een op verzoek van Berco door de rechtbank bevolen voorlopig deskundigenonderzoek (psychiatrische expertise).
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026. De advocaten van partijen hebben daar spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De ouders van [verzoekster] hebben ieder een verklaring overgelegd en voorgelezen. Bij de behandeling waren ook de medisch adviseurs van partijen aanwezig. Van hetgeen op de zitting aan de orde is gekomen, heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.4.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De zaak in het kort
[verzoekster] heeft op 28 mei 2021 tijdens haar werk letsel opgelopen doordat een metalen buis op haar hoofd viel. Berco heeft als werkgever van [verzoekster] aansprakelijkheid voor dit bedrijfsongeval erkend. Sinds het ongeval kampt [verzoekster] met diverse klachten en beperkingen. In dit deelgeschil beslist de kantonrechter dat die klachten en beperkingen zoals die tot nu toe voortduren als ongevalsgevolg zijn aan te merken en bepaalt de kantonrechter dat Berco aanvullende voorschotten aan schadevergoeding zal moeten betalen. De kantonrechter bepaalt ook dat Berco aanvullende betalingen zal moeten doen ter dekking van de buitengerechtelijke kosten van [verzoekster] , en dat Berco de kosten van dit deelgeschil zal moeten vergoeden. De kantonrechter kent voor deze kosten een lagere vergoeding toe dan is verzocht.
3De achtergrond van het geschil
3.1.
Op 28 mei 2021 is [verzoekster] tijdens haar werk een ongeval overkomen. [verzoekster] was op dat moment 26 jaar oud en ruim drie jaar in dienst bij Berco als research & development engineer. Zij hield zich als projectleidster bij Berco bezig met het ontwerpen en produceren van slaapsystemen voor vrachtwagencabines. Bij het verzetten van een stellingkast heeft ze een metalen buis van 10 kilogram op haar hoofd gekregen. Bij dit ongeval heeft [verzoekster] letsel opgelopen.
3.2.
Berco is verzekerd bij aansprakelijkheidsverzekeraar ERGO Versicherung AG (hierna: ERGO). ERGO heeft namens Berco aansprakelijkheid voor dit arbeidsongeval erkend.
3.3.
[verzoekster] heeft zich na het ongeval ziek gemeld. Acht weken later heeft de neuroloog vastgesteld dat sprake was van een hersenschudding met aanhoudende postcommotionele klachten. Terugkeer in het eigen werk (of in aangepast werk) is ook nadien niet mogelijk gebleken. Twee jaar na het ongeval is het dienstverband met [verzoekster] beëindigd. Sinds 1 juni 2023 ontvangt [verzoekster] een WIA-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid.
3.4.
[verzoekster] is onder meer behandeld door een fysiotherapeut, ergotherapeut, klinisch neuropsycholoog, visueel-motorisch trainer, NAH-verpleegkundige en GGZ-praktijkondersteuner.
3.5.
Naast medische en arbeidskundige keuringen door het UWV heeft [verzoekster] ook een neuropsychologisch onderzoek (NPO) ondergaan. Dit werd uitgevoerd door psycholoog [A] , in opdracht van het reïntegratiebedrijf dat was ingeschakeld door Berco. Van dat NPO is een rapport uitgebracht op 9 februari 2023.
3.6.
In verband met discussie tussen partijen over de causaliteit tussen het ongeval en de door [verzoekster] geduide aanhoudende klachten en beperkingen, heeft Berco op 4 juni 2024 de rechtbank verzocht een psychiater te benoemen voor het uitvoeren van een voorlopig deskundigenonderzoek. Dit verzoek is ingewilligd en het onderzoek is uitgevoerd door psychiater I.S. Hernandez-Dwarkasing, met hulp van GZ-psycholoog [B] .
Het rapport van dit psychiatrisch onderzoek dateert van 22 april 2025.
3.7.
Tot nu heeft Berco (althans haar verzekeraar ERGO) in het kader van de schadeafwikkeling een bedrag van € 2.500,- (waarvan € 1.000,- smartengeld) aan [verzoekster] betaald, en € 9.428,89 voor gemaakte buitengerechtelijke kosten. Partijen zijn het niet eens kunnen worden over de verdere schadeafwikkeling.
4Het verzoek
4.1.
Na haar verzoek tweemaal schriftelijk te hebben gewijzigd en vermeerderd, en na ter zitting onderdeel (a) van haar verzoek te hebben ingetrokken, verzoekt [verzoekster] de kantonrechter bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):
(ingetrokken)
te verklaren voor recht dat de klachten en beperkingen, die geleid hebben tot het
verminderd arbeidsvermogen van [verzoekster] , waardoor zij tot heden niet in staat is werkzaamheden te verrichten en sinds 1 juni 2023 een WIA-uitkering ontvangt op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid, het rechtstreeks gevolg is van het haar op 28 mei 2021 overkomen bedrijfsongeval;
te verklaren voor recht dat Berco gehouden is aan [verzoekster] de door deze geleden schade te vergoeden;
Berco te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 25.462,39
(€ 5.932,66 + 11.381,33 + 8.148,40) als schade, die zij heeft geleden wegens
verminderd arbeidsvermogen over de periode van 1 juni 2023 t/m 31 augustus 2025, subsidiair tot betaling van een zodanig bedrag bij wijze van voorschot over deze periode, als de kantonrechter geraden acht;
Berco te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van de schade, die zij lijdt wegens
verminderd arbeidsvermogen van € 1.018,55 per maand, subsidiair van een zodanig periodiek voorschot op deze schade als de kantonrechter geraden acht, in beide gevallen met ingang van 1 september 2025 maandelijks uiterlijk op de 25-ste van de maand aan [verzoekster] te voldoen;
Berco te veroordelen tot betaling van de schade die zij lijdt wegens gemiste pensioeninleg over de periode van 1 juni 2023 t/m 31 december 2025, zijnde € 3.185,33 subsidiair tot betaling van een zodanig bedrag bij wijze van voorschot over deze periode, als de kantonrechter geraden acht;
Berco te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 26.895,31, welke materiële schade door [verzoekster] is geleden over de periode van 28 mei 2021 t/m 30 juni 2025, subsidiair tot betaling van een zodanig bedrag bij wijze van voorschot over deze periode, als de kantonrechter geraden acht;
Berco te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 40.000,- als voorschot op het smartengeld subsidiair tot betaling van een zodanig bedrag bij wijze van voorschot op het smartengeld, als de kantonrechter geraden acht;
Berco te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 34.369,69 aan buitengerechtelijke kosten, gemaakt door Van As Advocaten in de periode augustus 2022 tot en met juni 2025, subsidiair tot betaling van een zodanig bedrag aan [verzoekster] , al dan niet bij wijze van voorschot, als de kantonrechter geraden acht;
Berco te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van de kosten van dit deelgeschil, te begroten op € 25.795,90, vermeerderd met het griffierecht.
4.2.
Aan haar verzoek heeft [verzoekster] kort gezegd het volgende ten grondslag gelegd.
Uit de beschikbare medische stukken blijkt dat de nog altijd aanhoudende klachten en beperkingen van [verzoekster] het gevolg zijn van het bedrijfsongeval van 28 mei 2021. Door deze klachten en beperkingen lijdt [verzoekster] schade, onder meer doordat zij niet kan werken. Ondanks herhaalde verzoeken is een inhoudelijke reactie van Berco op de schadestaten die [verzoekster] heeft opgesteld over de jaren vanaf 2021 uitgebleven omdat Berco ten onrechte de causaliteit tussen de klachten en het ongeval betwist.
5Het verweer
5.1.
Berco verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert ter verweer samengevat het volgende aan:
(-) causaliteit tussen de aanhoudende klachten en beperkingen en het ongeval ontbreekt;
(-) voor verschillende materiële schadecomponenten mist een deugdelijke onderbouwing;
(-) het gevraagde bedrag aan smartengeld is onredelijk;
(-) de gevorderde buitengerechtelijke kosten voldoen niet aan de dubbele redelijkheidstoets;
(-) de gevorderde kosten deelgeschil zijn niet (volledig) toewijsbaar.
6De beoordeling
Het kader van de deelgeschilprocedure
6.1.
[verzoekster] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek om een beslissing in deelgeschil als bedoeld in artikel 1019w Rv.
6.2.
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een mogelijkheid om op eenvoudige en snelle wijze een beslissing van de rechter te verkrijgen over één of enkele onderdelen van het geschil, welke beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een minnelijke regeling. Als de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een minnelijke regeling, moet de rechter het verzoek afwijzen (artikel 1019z Rv). Een verzoek dat zover strekt dat het in feite de gehele schadeafwikkeling omvat, valt buiten het bereik van de deelgeschilprocedure. Daarvoor is een bodemprocedure de aangewezen weg.
6.3.
[verzoekster] vraagt met haar verzoek een beslissing van de kantonrechter op een groot aantal beslispunten. Zij vraagt de kantonrechter te beslissen over (-) het causaal verband tussen haar klachten en beperkingen en het ongeval, (-) de schadeplichtigheid van Berco, (-) de schade wegens verminderd arbeidsvermogen, zowel over de periode tot en met 31 augustus 2025 als daarna, zonder einddatum, (-) de schade wegens gemiste pensioeninleg over de periode tot en met 31 december 2025, (-) de overige materiële schade over de periode tot en met 30 juni 2025, (-) de smartengeldvergoeding, en (-) de buitengerechtelijke kosten tot en met juni 2025. Daarmee heeft zij bijna het hele geschil voorgelegd.
6.4.
De kantonrechter zal [verzoekster] niettemin ontvangen in tenminste een deel van haar verzoek. Omdat de afwikkeling van de schade al jaren loopt en de onderhandelingen al lange tijd vastzitten, waarbij (bezien in verhouding tot de gestelde schade) lage bedragen zijn bevoorschot, moet er schot in de zaak komen.
6.5.
De onderhandelingen tussen partijen lopen met name vast op de causaliteitsvraag. Een beslissing van de kantonrechter op dat punt kan de impasse tussen partijen doorbreken, waarna de onderhandelingen zouden moeten kunnen worden voortgezet. De kantonrechter zal de causaliteitsvraag daarom inhoudelijk behandelen. De kantonrechter zal ook aandacht besteden aan de verzoeken om aanvullende bevoorschotting en vergoeding van buitengerechtelijke kosten, omdat dit de onderhandelingen soepeler kan laten verlopen. De overige verzoeken zal de kantonrechter zonder inhoudelijke beoordeling afwijzen, omdat een beslissing op die punten niet nodig is voor het doorbreken van de impasse en omdat het anders op een bodemprocedure zou neerkomen.
De causaliteitsvraag
6.6.
De belangrijkste vraag die partijen verdeeld houdt, is of causaal verband bestaat tussen de nog altijd voortdurende klachten en beperkingen van [verzoekster] en het arbeidsongeval dat haar overkwam op 28 mei 2021.
Stelplicht en bewijslast
6.7.
De kantonrechter stelt voorop dat volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast van de causaliteit tussen de klachten en beperkingen en het arbeidsongeval in beginsel rusten op [verzoekster] . Dit betekent dat [verzoekster] zal moeten stellen en onderbouwen dat die causaliteit bestaat en dat, als Berco die causaliteit voldoende gemotiveerd betwist, [verzoekster] daarvan bewijs zal moeten leveren.
6.8.
De kantonrechter ziet geen reden [verzoekster] tegemoet te komen in haar bewijslast door toepassing te geven aan de arbeidsrechtelijke omkeringsregel van artikel 7:658 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waar [verzoekster] zich op beroept. Die regel is ontwikkeld in zaken waarin het gaat om beroepsziekten die geleidelijk ontstaan en waar sprake is van causaliteitsonzekerheid omdat het ontstaan van die ziekte niet alleen het gevolg kan zijn van (vaststaande) gevaarlijke omstandigheden waaronder de werknemer het werk heeft moeten verrichten maar ook van andere omstandigheden. In deze zaak staat vast dat [verzoekster] hoofdletsel heeft opgelopen als gevolg van een arbeidsongeval (en niet als gevolg van een ander trauma) en dat Berco hiervoor aansprakelijk is. Waar partijen het niet over eens zijn, is in hoeverre de klachten en beperkingen zoals [verzoekster] die na het ongeval heeft ondervonden, en thans nog ondervindt, als een gevolg van dat hoofdletsel – en dus als een gevolg van het arbeidsongeval – zijn aan te merken. Waarom ook ten aanzien van deze causaliteitsvraag de omkeringsregel zou moeten gelden, is door [verzoekster] niet toegelicht of onderbouwd. De kantonrechter ziet daarvoor geen grond.
6.9.
Het voorgaande neemt niet weg dat aan het door [verzoekster] te leveren bewijs van het oorzakelijk verband tussen het ongeval en haar klachten in beginsel niet al te hoge eisen mogen worden gesteld, wat in dit geval betekent dat het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten niet in de weg hoeft te staan aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband is geleverd. Ook wanneer geen medisch objectiveerbaar letsel kan worden aangewezen, kunnen er klachten en beperkingen zijn die in juridische zin aan het ongeval kunnen worden toegerekend wanneer sprake is van een plausibel klachtenpatroon (in de zin van consistent, consequent en samenhangend), de klachten afwezig waren voor het ongeval, de klachten op zich door het ongeval kunnen zijn veroorzaakt en er geen alternatieve verklaring is voor het ontstaan en het voortduren van de klachten.
De onderbouwing door [verzoekster]
6.10.
[verzoekster] heeft in haar inleidende verzoekschrift van 10 juni 2024 haar stelling – dat de nog altijd voortdurende klachten en beperkingen die zij sinds het bedrijfsongeval ondervindt zijn veroorzaakt door dat ongeval – onderbouwd door het volgende aan te voeren.
6.10.1.
Op 28 mei 2021 heeft [verzoekster] tijdens haar werk een 10 kilogram zware metalen buis op haar hoofd gekregen. Zij had die dag contact met de huisarts en heeft zich ziekgemeld.
Sinds het ongeval heeft zij aanhoudende klachten, bestaande uit hoofdpijn, concentratie- en geheugenproblemen, misselijkheid, fotofobie en overgevoeligheid voor prikkels. Zij ondervond ook wisselende stemmingen en recidief depressieve klachten. Ter onderbouwing van een en ander verwijst [verzoekster] naar overgelegde medische informatie afkomstig van haar behandelaars: de huisarts, de neuroloog, de ergo-therapeute, de visueel-motorisch trainer, de klinisch neuropsycholoog, en de NAH-begeleider. Ook verwijst zij naar overgelegde berichten van de bedrijfsarts en de re-integratiebegeleider.
6.10.2.
Sinds het ongeval heeft [verzoekster] niet meer kunnen werken en staat ook haar sociale leven op een heel laag pitje. Per 28 mei 2023 is zij vanwege de klachten die zij sinds het ongeval ondervindt door het UWV 80 tot 100% arbeidsongeschikt verklaard. Zij heeft ter onderbouwing rapportages overgelegd van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige van het UWV.
6.10.3.
In januari 2023 heeft [verzoekster] een neuropsychologisch onderzoek (NPO) ondergaan, waartoe opdracht was gegeven door (het reïntegratiebedrijf van) Berco. Hieruit blijkt volgens [verzoekster] dat haar neurologisch toestandsbeeld het gevolg is van het bedrijfsongeval op 28 mei 2021. Zij wijst daarbij op met name de volgende passages uit het NPO-rapport:
"(…)
3.3.
Psychische belastbaarheid
(…)
Uit het onderzoek komt het beeld naar voren van een jonge vrouw die
in de bloei van haar leven stond, maar die nu – als gevolg van aanhoudende
(cognitieve) klachten en beperkingen na een bedrijfsongeval - ernstig
beperkt wordt in haar dagelijks functioneren. Mevrouw [verzoekster] ervaart, mede
hierdoor, een sterk verhoogd spanningsniveau, wat zich o.a. vertaalt naar
forse angst- en stemmingsklachten. Zo geeft ze aan nare gedachten of ideeën
niet kwijt te kunnen raken, minder belangstelling in dingen te hebben en worden er gevoelens van eenzaamheid, leegte, machteloosheid en wanhoop over de toekomst gerapporteerd. Alles kost haar thans meer (tijd en) moeite en ze wordt hierdoor
belemmerd in het uitvoeren van allerlei dingen. Dit frustreert haar, doet afbreuk
aan haar zelfbeeld en leidt daarbij tot gevoelens van (faal)angst en onzekerheid
over het eigen functioneren.
Hoewel mevrouw [verzoekster] probeert om een positieve kijk op de toekomst te
houden, is dit voor haar niet gemakkelijk. Ze heeft moeite met het
accepteren van haar beperkingen en dit levert spanningen op ten aanzien
van haar dagelijks functioneren. Het herstel is voor haar gevoel gestagneerd
en dit maakt het voor mevrouw [verzoekster] steeds uitdagender om optimistisch
te blijven. Haar (vooralsnog) onduidelijke toekomstbeeld – wat logischerwijs
veel onzekerheden met zich meebrengt – speelt hier een belangrijke rol in.
De manieren waarop zij haar spanningen reguleert en problemen hanteert,
de zogenaamde coping, is daarbij weinig effectief - iets wat kan leiden tot
instandhouding en/of versterking van haar klachten. Zo wordt haar
copingstijl gekenmerkt door vermijding en passiviteit: ze is o.a. geneigd om
dingen die voor haar lastig of angstig zijn uit de weg te gaan, overmatig te
piekeren en zich geheel en al door haar problemen in beslag te laten nemen. Spanningsbronnen blijven zo echter bestaan, waardoor spanningen intern
oplopen en het voor haar steeds moeilijker wordt om verder te gaan.
Mevrouw [verzoekster] voelt zich op dit moment dan ook niet opgewassen tegen de
eisen die het leven haar stelt en haar (kwetsbare) psychische belastbaarheid
is daarmee een belangrijk punt van aandacht.
4Conclusie en advies
In het onderzoek is gestart met een kort capaciteitenonderzoek, om een
eerste indruk te krijgen van de mogelijkheden van mevrouw [verzoekster] . Ze weet
een bovengemiddeld niveau te realiseren, wat impliceert dat zij – tenminste
gedurende korte tijd, in een gestructureerde en prikkelarme testomgeving –
goed in staat is tot helder nadenken.
Echter, als gevolg van een verstoring c.q. vertraging in de
informatieverwerking, staat haar cognitief functioneren sterk onder druk.
Prikkels, zowel extern (informatie die binnenkomt via de zintuigen) als intern
(de eigen gedachten, gevoelens en emoties), worden bij mevrouw [verzoekster] niet
goed gefilterd, met als gevolg dat zij meer prikkels ontvangt dan haar
hersenen kunnen verwerken. Hierdoor raakt het brein snel overbelast,
waardoor er energetische beperkingen en problemen ontstaan bij allerlei,
ogenschijnlijk eenvoudige, alledaagse taken en activiteiten.
Hoewel huidig neuropsychologisch toestandsbeeld te linken is aan de
gevolgen van het bedrijfsongeval (d.d. 28-05-2021), spelen (reactieve)
psychogene factoren hier ook een belangrijke rol in. Zo blijkt de emotionele
impact van haar klachten en beperkingen thans dermate groot, dat dit haar
functioneren verder ondermijnt - en daarmee de weg naar herstel
belemmert. Intensivering van psychologische begeleiding is dan ook
geïndiceerd, waarbij de wisselwerking tussen lichaam en geest centraal dient
te staan (holistische benadering).
Alle onderzoeksresultaten in ogenschouw nemend, kan er ten aanzien van
arbeid gesteld worden dat mevrouw [verzoekster] weer moet gaan leren en ervaren
wat ze wel en niet kan. Aangezien dit gepaard zal gaan met een toename van
(reeds aanwezige) spanningen, luidt in deze ten eerste het advies om – bij
voorkeur onder begeleiding van een gespecialiseerde (job)coach – klein
te beginnen en van daaruit, stapsgewijs, op te bouwen. Faalervaringen dienen,
met het oog op haar huidige kwetsbare toestand, zo veel als mogelijk vermeden
te worden (…) ”
6.10.4.
In 2023 is [verzoekster] gestart met behandeling door een NAH-psycholoog.
6.11.
Na een langdurige aanhouding van de zaak heeft [verzoekster] op 31 juli 2025 en 19 januari 2026 haar verzoek nader onderbouwd met enkele actuele medische stukken, en daarbij het volgende naar voren gebracht.
6.11.1.
Uit het rapport van de door de rechtbank benoemde psychiater, die [verzoekster] op 17 januari 2025 onderzocht, blijkt dat causaal verband bestaat tussen het ongeval en de huidige energetische en cognitieve klachten van [verzoekster] , dat de klachten van [verzoekster] niet liggen op het psychiatrisch vakgebied, en dat er voorafgaand aan de datum van het ongeval bij [verzoekster] ook geen sprake was van (pre-existente) psychische of psychiatrische klachten.
6.11.2.
In brieven van haar medisch adviseur van onder meer 11 maart 2025 schrijft deze dat psychische elementen bij [verzoekster] een rol kunnen hebben gespeeld, maar dat die elementen niet pre-existent aanwezig waren en zijn toe te schrijven aan de desolate toestand waarin [verzoekster] door het ongeval terecht is gekomen. Volgens de medisch adviseur past het klachtenbeeld in een persisterend postcommotioneel syndroom na fors schedeltrauma.
6.11.3.
Uit een verslag van een optometrisch onderzoek door neuro-optometrist de heer [C] van 16 januari 2026 schrijft deze dat [verzoekster] sinds het ongeval van 28 mei 2021 een zeer zwak functionerend visueel systeem heeft op alle kijkafstanden, dat haar ogen zich erg instabiel richten, waardoor er constant inspanning nodig is om de ogen recht te zetten en te houden. Volgens [C] zijn de klachten typerend voor een ‘traumatic visual stress syndrome’.
6.12.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [verzoekster] aan de hand van de overgelegde medische informatie nogmaals uitvoerig bepleit dat en waarom de klachten van [verzoekster] ongevalsgevolg zijn en daarbij heeft [verzoekster] nog het volgende aangevoerd.
6.12.1.
[verzoekster] heeft nog altijd last van vermoeidheid, concentratieproblemen en gevoeligheid voor prikkels. Zij is nog onder behandeling van een NAH psycholoog en zal binnenkort starten met een training bij de optometrist.
6.12.2.
In reactie op het verweer van Berco dat klachten als gevolg van een hersenschudding niet langer dan 2 jaar zouden kunnen duren, heeft [verzoekster] verwezen naar informatie op de website www.hersenletsel.nl waaruit zou volgen dat bij minstens 5% van alle patiënten met een postcommotioneel syndroom de klachten jaren kunnen aanhouden. De op de zitting aanwezige medisch adviseur van [verzoekster] , de heer [D] , heeft verklaard dat hij vanuit zijn jarenlange huisartsenpraktijk bekend is met meerdere van dergelijke uitzonderingsgevallen waarin postcommotionele klachten zoals die van [verzoekster] (veel) langer dan 1,5 of 2 jaar hebben voortgeduurd.
6.12.3.
In reactie op het verweer van Berco dat de voortdurende klachten van [verzoekster] een andere oorzaak zouden hebben dan het ongeval, heeft [verzoekster] naar voren gebracht dat de huidige klachten van [verzoekster] niet het gevolg (kunnen) zijn van vitaminetekort (B12 en D), waarvoor [verzoekster] eerder supplementen gebruikte. De medisch adviseur van [verzoekster] heeft daarover op de zitting verklaard dat vitamine D-tekort vaak voorkomt maar eigenlijk nooit tot klachten leidt, en zeker niet bij een marginaal tekort als dat van [verzoekster] . Het vitamine B12-tekort van [verzoekster] was volgens haar medisch adviseur ook niet heel ernstig, en kan met suppletie niet leiden tot het klachtenbeeld van [verzoekster] .
De betwisting door Berco
6.13.
Berco betwist dat de (voortdurende) klachten en beperkingen van [verzoekster] in causaal verband staan met het bedrijfsongeval van 28 mei 2021. Berco beroept zich daarbij onder meer op adviezen van haar medisch adviseur (chirurg) de heer dr. [E] .
6.14.
In het verweerschrift heeft Berco zich op het standpunt gesteld dat uitsluitend de schade voor vergoeding in aanmerking komt die [verzoekster] heeft geleden tot maximaal 2 jaar na het ongeval. De na die 2 jaar nog voortdurende klachten en beperkingen van [verzoekster] kunnen volgens Berco niet worden verklaard vanuit het ongeval. Berco wijst erop dat na een hersenschudding de klachten bij het merendeel van de patiënten binnen een half jaar verdwijnen, waarbij een minderheid langdurige klachten ontwikkelt die 1,5 tot 2 jaar kunnen aanhouden. Volgens Berco is er geen neurologische verklaring voor de na 2 jaar nog voortdurende klachten omdat er geen posttraumatisch letsel aan de schedel of het brein van [verzoekster] is geobjectiveerd. Er is ook geen psychiatrische verklaring voor de voortdurende klachten, zo blijkt volgens Berco uit de psychiatrische expertise. Er zijn volgens Berco meer aannemelijke alternatieve (niet aan het ongeval gerelateerde) verklaringen voor de voortdurende klachten. Zo meldt de neuropsycholoog psychogene factoren, was [verzoekster] voor het ongeval (en ook nog daarna) bij de huisarts bekend met een vitamine D- en vitamine B12-tekort, wat kan leiden tot een verscheidenheid aan symptomen, en meldde [verzoekster] zich kort voor het ongeval bij de huisarts met klachten over extreme vermoeidheid en het zich ook verder niet goed voelen.
6.15.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Berco haar verweer aangescherpt en zich op het standpunt gesteld dat er vanuit medisch perspectief geen sprake is van causaal verband tussen de klachten van [verzoekster] en het ongeval, óók niet voor zover het betreft de klachten in de eerste 2 jaar na het ongeval. Berco voert daartoe onder meer aan dat de neuroloog ten onrechte de diagnose ‘hersenschudding’ heeft gesteld aangezien geen bewustzijnsverlies is opgetreden. Een neurologische expertise, gecombineerd met een neuropsychologische expertise is volgens Berco nodig om duidelijkheid te krijgen over (de coherentie van) het klachtenbeeld en de (on)mogelijkheid van alternatieve oorzaken. Van het door de optometrist vastgestelde ‘traumatic visual stress syndrome’ kan volgens Berco geen sprake zijn omdat dit dan al eerder door de neuroloog zou zijn vastgesteld. Berco heeft ter zitting ook, net als in het verweerschrift, gewezen op volgens haar voor de hand liggende alternatieve oorzaken voor de voortdurende klachten van [verzoekster] . De advocaat van Berco heeft ter zitting een en ander geplaatst in het kader van de ‘whiplashjurisprudentie’ over medisch en juridisch causaal verband.
De beoordeling door de kantonrechter
6.16.
De kantonrechter overweegt over de klachten van [verzoekster] en het oorzakelijk verband met het ongeval het volgende.
6.17.
Dat [verzoekster] sinds het ongeval gezondheidsklachten ondervindt in de vorm van hoofdpijn, misselijkheid, concentratie- en geheugenproblemen, overgevoeligheid voor prikkels, visusproblemen en vermoeidheid, waardoor zij onder meer nog altijd niet in staat is te werken, heeft [verzoekster] onderbouwd door overlegging van diverse medische stukken, waaruit een consistent klachtenpatroon naar voren komt. Het bestaan van die klachten wordt op zichzelf door Berco ook niet betwist. Dat deze klachten er vanaf 28 mei 2021 waren en ondanks gedeeltelijke verbeteringen nog altijd voortduren en ertoe leiden dat [verzoekster] nog niet kan werken, moet dan ook als vaststaand worden aangenomen.
6.18.
De vraag die partijen verdeeld houdt, is of een oorzakelijk verband tussen het ongeval en deze klachten kan worden aangenomen. Daarbij stelt de kantonrechter vast dat tot het moment van de mondelinge behandeling de discussie tussen partijen enkel ging over het causaal verband tussen het ongeval en de na 2 jaar nog altijd voortdurende klachten. Pas ter zitting heeft Berco ook het causaal verband tussen het ongeval en de klachten gedurende de eerste 2 jaar na het ongeval betwist.
Geen medische objectivering
6.19.
Dat [verzoekster] door het ongeval traumatisch hersenletsel heeft opgelopen, is niet medisch geobjectiveerd. Beeldvormend onderzoek (MRI) door de neuroloog, uitgevoerd omstreeks 10 weken na het ongeval, toonde geen afwijkingen. Een onafhankelijk neurologisch expertiserapport waarmee traumatisch hersenletsel als oorzaak van de klachten is aangetoond ontbreekt. Het ingewonnen onafhankelijk psychiatrisch expertiserapport toont aan dat de klachten van [verzoekster] niet worden veroorzaakt door een psychiatrische stoornis, maar geeft geen uitsluitsel over wat dan wél de oorzaak is van de klachten van [verzoekster] .
Plausibel klachtenpatroon dat door het ongeval kan zijn veroorzaakt
6.20.
In het huisartsenjournaal valt te lezen dat [verzoekster] in de eerste dagen na het ongeval van 28 mei 2021 heeft geklaagd over misselijkheid, hoofdpijn, concentratieproblemen, licht voelen in het hoofd, sufheid, moeite met scherpstellen, en ‘raar’ wakker worden. De huisarts heeft kort na het ongeval een zwelling van 3 bij 3 centimeter op het hoofd van [verzoekster] gezien, de neuroloog constateerde 8 weken later nog een gevoelig bultje op het hoofd van [verzoekster] . Uit de overgelegde medische stukken blijkt dat de klachten zoals [verzoekster] die in de loop der tijd tegenover de verschillende behandelaars en onderzoekers heeft gepresenteerd – door de neuroloog geduid als aanhoudende postcommotionele klachten na een hersenschudding – niet overdreven maar authentiek lijken en een plausibel klachtenpatroon vormen, in de zin dat sprake is van een consistent, consequent en samenhangend patroon.
6.21.
Het staat vast dat een 10 kilogram zware metalen buis op het (achter)hoofd van [verzoekster] is gevallen. Hoewel het de kantonrechter niet bekend is hoe en van welke hoogte die buis precies op het hoofd van [verzoekster] is gevallen, is wel aannemelijk dat alleen al door het gewicht van de buis sprake moet zijn geweest van een flinke klap. Van de door [verzoekster] gepresenteerde klachten is algemeen bekend dat ze kunnen optreden na een harde klap op het hoofd.
6.22.
Het staat vast dat postcommotionele klachten na een hersenschudding vaak binnen enkele weken of maanden verdwijnen, maar soms ook langere tijd kunnen aanhouden. Partijen waren het er tot het moment van de mondelinge behandeling over eens dat de aanhoudende klachten van [verzoekster] gedurende 2 jaar als ongevalsgevolg konden worden aangenomen. Dit werd eerder ook gesteund door de medisch adviseur van Berco in onder andere zijn advies van 20 september 2022.
6.23.
Bij de mondelinge behandeling is Berco op die erkenning van causaliteit gedurende de eerste 2 jaar teruggekomen. Berco heeft daarvoor geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden aangevoerd maar heeft zich, anders dan daarvoor, op het standpunt gesteld dat geen sprake kan zijn geweest van een hersenschudding, omdat na het ongeval geen bewustzijnsverlies bij [verzoekster] is opgetreden. De kantonrechter volgt Berco hierin niet. Van aanvang af was bekend dat bij het ongeval geen bewustzijnsverlies is opgetreden. Dat staat onder meer uitdrukkelijk vermeld in het huisartsenjournaal en in de rapportage van de neuroloog. Huisarts en neuroloog hebben niettemin beiden de diagnose hersenschudding gesteld (commotio cerebri met postcommotionele klachten). Nergens blijkt uit dat andere medici, die [verzoekster] in de loop der tijd hebben gezien, op enig moment aan de juistheid van die diagnose hebben getwijfeld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Berco zich ter ondersteuning van haar standpunt over de onjuiste diagnose beroepen op de ‘richtlijn licht traumatisch hoofdhersenletsel’, zonder evenwel die richtlijn te overleggen of de herkomst of vindplaats daarvan te vermelden. Niet duidelijk is wie de richtlijn heeft opgesteld, van wanneer die richtlijn dateert en wat er precies in die richtlijn staat. Berco heeft ook niet gesteld wat het feit, dat er geen sprake zou van een hersenschudding in de zin van die richtlijn, betekent voor de beoordeling van de klachten van [verzoekster] en de causaliteitsvraag. De medisch adviseur van [verzoekster] heeft op de zitting verklaard dat bewustzijnsverlies volgens de huidige criteria geen vereiste is om te kunnen spreken van een hersenschudding. De kantonrechter ziet in hetgeen Berco heeft aangevoerd dan ook onvoldoende reden om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de huisarts en de neuroloog dat het ongeval bij [verzoekster] heeft geleid tot een commotio cerebri met aanhoudende postcommotionele klachten.
6.24.
Berco heeft ter zitting ook gesteld dat het ongeval niet kan hebben geleid tot een ‘traumatic visual stress syndrom’, zoals de optometrist onlangs heeft vastgesteld, omdat dit dan al eerder door de neuroloog zou zijn vastgesteld. Voor zover Berco bedoelt met deze niet nader onderbouwde stelling de causale relatie tussen het ongeval en de visusklachten van [verzoekster] te betwisten, overweegt de kantonrechter dat Berco daarin niet in geslaagd. Uit de overgelegde medische stukken blijkt dat [verzoekster] al op 31 mei 2021 (3 dagen na het ongeval) en ook daarna herhaaldelijk melding heeft gemaakt van problemen met het scherpstellen van haar ogen. De neuroloog heeft bij onderzoek op 22 juli 2021 vastgesteld dat het zicht van [verzoekster] iets wazig was en dat ze links meer moeite had met scherpstellen dan rechts. De behandelend neuropsycholoog heeft in 2021 bij [verzoekster] een opvallend traag verlopend technisch leesproces vastgesteld, waarvoor hij haar naar een orthoptist heeft doorverwezen voor nadere analyse en visuele training. [verzoekster] heeft in december 2021 een onderzoek ondergaan waaruit bleek van een uit balans geraakt visueel-motorisch breinsysteem, waarvoor zij in 2022 een training heeft gestart. Op de zitting heeft [verzoekster] toegelicht dat die therapie haar destijds te zwaar viel, waardoor zij er toen in overleg met haar behandelaar voor heeft gekozen de aanpak van de visusklachten op de lange baan te schuiven en eerst te beginnen met de behandeling bij de neuropsycholoog. Vanwege de nog altijd voortdurende visuele klachten heeft in januari 2026 het optometrisch onderzoek plaatsgevonden. Op basis van al deze medische informatie staat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vast dat de huidige visusklachten van [verzoekster] bestaan sinds het ongeval van 28 mei 2021 en daarmee in causaal verband staan.
6.25.
De kantonrechter concludeert dat Berco geen goede onderbouwing heeft gegeven voor de wijziging van haar standpunt over de causaliteit in de eerste 2 jaar na het ongeval. Naar het oordeel van de kantonrechter was gedurende die eerste 2 jaar sprake van een plausibel klachtenpatroon, dat door het ongeval kan zijn veroorzaakt. Over de klachten zoals die voortduurden na 2 jaar, en nog altijd voortduren, overweegt de kantonrechter het volgende.
6.26.
Vaststaat, zoals Berco stelt en [verzoekster] ook niet weerspreekt, dat in het algemeen geldt dat klachten na een hersenschudding meestal na een half jaar verdwijnen en in sommige gevallen 1,5 tot 2 jaar kunnen aanhouden. Anders dan Berco bepleit, staat op basis van deze statistiek nog niet vast dat postcommotionele klachten nooit langer dan 2 jaar duren en dat de klachten van [verzoekster] dus ook maximaal gedurende 2 jaar causaal kunnen zijn aan het ongeval. Dat het medisch gezien onmogelijk is dat postcommotionele klachten langer dan 2 jaar aanhouden, is door Berco niet gesteld of onderbouwd, en door [verzoekster] gemotiveerd betwist, onder andere door de verklaring van haar medisch adviseur op de zitting. Daar komt bij dat [verzoekster] met het rapport van het NPO, dat in januari 2023 is uitgevoerd in opdracht van Berco, heeft onderbouwd dat zij in elk geval op dat moment (1 jaar en 8 maanden na het ongeval) nog altijd flinke cognitieve en energetische beperkingen ondervond als gevolg van het ongeval. Uit dat rapport blijkt dat bij het voortduren van de klachten tot dat moment (reactieve) psychogene factoren een belangrijke rol speelden. De onderzoeker stelde vast dat de copingwijze van [verzoekster] niet effectief was en dat de emotionele impact van haar klachten en beperkingen zo groot was dat dit haar functioneren verder ondermijnde en herstel belemmerde. Met het oog hierop heeft [verzoekster] destijds psychologische begeleiding gezocht. Uit het expertiserapport van het psychiatrisch onderzoek blijkt dat [verzoekster] in januari 2025 (3 jaar en 8 maanden na het ongeval) nog altijd cognitieve en energetische klachten had (vermoeidheid, onder andere door het moeilijk kunnen verdragen van drukte en prikkels, concentratieproblemen, traagheid) en ook nog onder behandeling stond van een NAH psycholoog, waarvan de verwachting toen was dat die behandeling in de afrondende fase was. Op de zitting van 27 januari 2026 heeft [verzoekster] echter verklaard nog altijd begeleiding te ontvangen van een NAH psycholoog, en binnenkort start zij met een behandeling bij de optometrist in verband met haar visusproblemen. In het rapport van het optometrisch onderzoek van 16 januari 2026 staan als reden van onderzoek ook weer de klachten vermeld van hoofdpijn, gevoeligheid voor licht en drukte, vermoeidheid en concentratieproblemen, waarover de optometrist heeft gerapporteerd dat de aanwezigheid van deze klachten begrijpelijk is, nu [verzoekster] met haar visuele systeem beelden niet kan grijpen en vasthouden.
6.27.
Een en ander brengt de kantonrechter tot het oordeel dat door [verzoekster] voldoende is onderbouwd, en door Berco onvoldoende gemotiveerd is betwist, dat ook de langer dan 2 jaar (en tot nu toe nog altijd) voortdurende klachten van [verzoekster] een plausibel klachtenpatroon vormen dat door het ongeval kan zijn veroorzaakt.
Geen pre-existentie of alternatieve oorzaak
6.28.
Causaliteit tussen het klachtenpatroon en het ongeval kan niet worden aangenomen indien de klachten al aanwezig waren vóór het ongeval, of indien er een andere oorzaak (dan het ongeval) is aan te wijzen voor het ontstaan en voortbestaan van de klachten.
6.29.
Uit het huisartsenjournaal blijkt dat [verzoekster] zich 3,5 maand voor het ongeval bij de huisarts heeft gemeld met klachten van “extreme vermoeidheid en zich niet fijn voelen”. [verzoekster] heeft daar toen bij vermeld dat zij dacht dat haar klachten van een vitamine B12-tekort (waarvoor zij eerder ook al eens de huisarts bezocht) teruggekomen waren, nadat zij sinds het einde van de zomer was gestopt met het slikken van supplementen. Na bloedonderzoek bleek inderdaad weer sprake van een vitamine B12-tekort en is zij opnieuw begonnen met het slikken van supplementen. Omdat ook opnieuw sprake was van een vitamine D-tekort, adviseerde de huisarts [verzoekster] ook opnieuw (net als in november 2019) om jaarlijks in de maanden september tot en met april (de maanden met de “R”) vitamine D bij te slikken.
6.30.
Anders dan Berco bepleit, biedt deze informatie uit het huisartsenjournaal naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende grond om aan te nemen dat de aanhoudende klachten van [verzoekster] van ná het ongeval, waaronder de vermoeidheidsklachten, ook al voor het ongeval aanwezig waren. Uit de medische stukken blijkt dat het huidige klachtenpatroon van [verzoekster] beduidend meer omvat dan alleen vermoeidheidsklachten, waarbij de huidige vermoeidheidsklachten (mede) lijken te worden veroorzaakt door de overige klachten, zoals de overgevoeligheid voor prikkels en visusklachten. De vermoeidheidsklachten voor en na het ongeval waren anders naar hun aard en oorzaak, en ook de impact ervan was anders. Zo is niet gesteld of gebleken dat [verzoekster] van de vermoeidheidsklachten waarmee zij zich enkele maanden voor het ongeval bij de huisarts heeft gemeld destijds noemenswaardige beperkingen heeft ondervonden in haar werk of sociale leven.
6.31.
Berco noemt tot slot psychogene factoren als mogelijke alternatieve oorzaak voor de klachten van [verzoekster] . De kantonrechter volgt Berco hierin niet. Uit het rapport van het NPO dat [verzoekster] heeft ondergaan, blijkt dat reactieve psychogene factoren in de weg hebben gestaan aan herstel van de door het ongeval veroorzaakte klachten. De kantonrechter ziet in dat rapport geen grond om aan te nemen dat die psychische factoren (en niet het ongeval) de oorzaak zouden zijn geweest van de klachten zoals die 2 jaar na het ongeval nog voortduren. De weinig effectieve wijze van coping van [verzoekster] moet worden aangemerkt als een zogenaamde predispositie: een in haar persoon gelegen kwetsbaarheid die ertoe heeft geleid dat de klachten bij [verzoekster] langer hebben aangehouden dan normaal gesproken te verwachten zou zijn geweest. [verzoekster] kan hiervan geen verwijt worden gemaakt. Zij heeft zich, zo blijkt uit de verschillende medische stukken, steeds coöperatief opgesteld bij behandeling van haar klachten. De predispositie staat op zichzelf niet in de weg aan volledige schadevergoeding, omdat hier het adagium geldt dat Berco als aansprakelijke partij [verzoekster] als slachtoffer moet nemen zoals zij is.
Conclusie: causaal verband voldoende aannemelijk
6.32.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat weliswaar geen medisch objectiveerbaar hersenletsel kan worden geduid, maar dat de klachten en beperkingen zoals [verzoekster] die sinds het ongeval presenteert in juridische zin aan het ongeval kunnen worden toegerekend, omdat sprake is van een coherent en plausibel klachtenpatroon dat voor het ongeval niet bestond, dat door het ongeval kan zijn veroorzaakt en waarvoor een alternatieve oorzaak ontbreekt. [verzoekster] heeft een en ander voldoende medisch onderbouwd, en Berco heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. Nadere bewijslevering, in de vorm van een neurologisch expertise, gecombineerd met een neuropsychologische expertise, is naar het oordeel van de kantonrechter niet nodig.
6.33.
Bovenstaande conclusie geldt voor de klachten en beperkingen zoals die aanwezig waren tot aan het moment van de zitting van 27 januari 2026. Over de eventueel nadien nog voortdurende klachten en beperkingen kan de kantonrechter geen oordeel geven.
6.34.
De door [verzoekster] in onderdeel (b) van haar verzoek gevraagde verklaring voor recht ter zake van het causaal verband kan worden toegewezen.
6.35.
De door [verzoekster] in onderdeel (c) van haar verzoek gevraagde verklaring voor recht dat Berco gehouden is de door [verzoekster] geleden schade te vergoeden, zal worden afgewezen omdat [verzoekster] bij toewijzing van dat verzoek geen belang heeft. Dat Berco, die aansprakelijkheid voor het ongeval heeft erkend, tot nu toe heeft geweigerd de gevorderde schade te voldoen, hield verband met het geschil over de causaliteit, waarover de kantonrechter in deze beschikking een beslissing zal nemen.
Bevoorschotting
6.36.
Berco (althans haar verzekeraar ERGO) heeft een bedrag van € 2.500,- (waarvan € 1.000,- smartengeld) aan [verzoekster] betaald als voorschot op de totale schade. Nu vaststaat dat het causaliteitsverweer van Berco niet slaagt voor wat betreft de periode van 28 mei 2021 tot 27 januari 2026, is er grond voor aanvullende bevoorschotting.
Verminderd arbeidsvermogen (verzoek sub d en e)
6.37.
[verzoekster] heeft gedurende de eerste twee jaar na het ongeval haar volledige salarisbedrag doorbetaald gekregen. Sinds zij per 1 juni 2023 een WIA-uitkering ontvangt, lijdt zij schade door verminderd arbeidsvermogen. [verzoekster] heeft deze schade laten berekenen door de heer [F] ( [F] ). Uitgaande van inschaling van [verzoekster] in schaal F/7 van de CAO Kleinmetaal bedraagt volgens de berekening van [F] het verschil tussen de bruto WIA-uitkering van [verzoekster] en het brutosalaris dat zij zonder ongeval zou hebben ontvangen:
- over 2023 € 8.899,-
- over 2024 € 17.072,-
- over 2025 € 18.344,- +
€ 44.315,-
Om te komen tot een netto schadebedrag heeft [F] de hierboven genoemde brutobedragen vermenigvuldigd met een factor 2/3. Voor de jaren 2023, 2024 en 2025 levert dit een netto schadebedrag op van in totaal € 29.543,-.
6.38.
De kantonrechter ziet geen grond om te twijfelen aan de juistheid van de in de berekening gebruikte brutobedragen. In reactie op het verweerschrift, waarin Berco zich erop beriep dat de bedragen niet waren onderbouwd, heeft [verzoekster] salarisstroken overgelegd waaruit blijkt op welk salarisniveau zij was ingeschaald en dat zij recht had op een dertiende maand en 8% vakantiegeld. Ook jaaropgaven en betaalgegevens van het UWV heeft [verzoekster] overgelegd. Berco heeft de juistheid daarvan niet betwist.
6.39.
De kantonrechter is met Berco van oordeel dat de schade van [verzoekster] wegens haar verminderd arbeidsvermogen zal moeten worden berekend door uit te gaan van de concrete nettobedragen en niet door eenvoudigweg de brutobedragen te vermenigvuldigen met een factor 2/3. Ten behoeve van het bepalen van een redelijk voorschotbedrag kan echter naar het oordeel van de kantonrechter worden volstaan met een schatting. Om te voorkomen dat het door Berco te betalen voorschot hoger uitvalt dan de nog nader te bepalen werkelijke schade, zal de kantonrechter het voorschot ter zake van de schade wegens verminderd arbeidsvermogen over de jaren 2023, 2024 en 2025 voorzichtigheidshalve bepalen op een bedrag van € 27.000,-. De kantonrechter zal Berco veroordelen tot betaling van dit bedrag en in zoverre onderdeel (d) van het verzoek van [verzoekster] toewijzen.
6.40.
Onderdeel (e) van het verzoek van [verzoekster] , om te bepalen dat Berco vanaf 1 september 2025 maandelijks € 1.018,55 zal moeten bevoorschotten, zal de kantonrechter afwijzen. De inkomensschade die is geleden tot en met december 2025 is meegenomen in het hiervoor onder rov. 6.39 berekende voorschotbedrag. Voor eventuele inkomensschade die [verzoekster] heeft geleden sinds januari 2026 en die zij mogelijk in de toekomst nog zal lijden, kent de kantonrechter geen voorschot toe, omdat niet vaststaat in hoeverre vanaf 27 januari 2026 nog sprake is en zal zijn van ongevalsgerelateerde klachten en beperkingen die [verzoekster] verhinderen om te werken.
Gemiste pensioeninleg (verzoek sub f)
6.41.
Het verzoek van [verzoekster] om Berco te veroordelen tot betaling van een schadebedrag wegens gemiste pensioeninleg zal de kantonrechter zonder inhoudelijke beoordeling afwijzen, met verwijzing naar (de laatste zin van) rov. 6.5.
Materiële schade (verzoek sub g)
6.42.
[verzoekster] verzoekt om vergoeding van de materiële schade van € 26.895,31 die zij als gevolg van het ongeval stelt te hebben geleden in de periode tot en met juni 2025. Hier is sprake van een verschrijving van [verzoekster] , want volgens haar opgave ziet het gevorderde bedrag op de periode tot en met december 2025 (zie nr.4 van het tweede aanvullend verzoekschrift). De schade tot en met juni 2025 beloopt volgens haar opgave een bedrag van € 24.144,46 (zie nr. 18 van het eerste aanvullend verzoekschrift).
6.43.
Berco erkent over de periode tot en met juni 2025 een bedrag van € 8.078,04 aan materiële schade verschuldigd te zijn. Dat bedrag zal de kantonrechter toewijzen. Voor het overige zal de kantonrechter onderdeel (g) van het verzoek van [verzoekster] afwijzen zonder inhoudelijke beoordeling, met verwijzing naar (de laatste zin van) rov. 6.5.
Smartengeld (verzoek sub h)
6.44.
[verzoekster] verzoekt betaling van een voorschot van € 40.000,- op het smartengeld (naast het reeds door Berco betaalde bedrag van € 1.000,-). Volgens haar is een totaalbedrag aan smartengeld tussen € 59.000,- en € 98.000,- redelijk. Zij heeft daarbij een beroep gedaan op de consultatieversie van september 2024 van de Rotterdamse Schaal. [verzoekster] wijst op de trieste toestand waarin zij zich sinds het ongeval bevindt, waarbij een dikke streep is getrokken door haar carrière en zij ook in haar sociale leven al lange tijd veel beperkingen ondervindt.
6.45.
Berco acht een bedrag aan smartengeld van € 5.000,- redelijk.
6.46.
De kantonrechter overweegt als volgt. Smartengeld vormt een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat een benadeelde heeft geleden als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is (artikel 6:106 BW). Bij de begroting daarvan dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Ter bepaling van de omvang van het smartengeld kan aansluiting worden gezocht bij de Rotterdamse Schaal (sinds 9 september 2025 te vinden op www.rechtspraak.nl).
6.47.
Voor de vraag of er ruimte is voor nadere bevoorschotting zal de kantonrechter aan de hand van de Rotterdamse Schaal beoordelen voor welk bedrag aan smartengeld [verzoekster] naar verwachting minimaal in aanmerking zal komen. Een definitieve beslissing over het totale toe te kennen smartengeld is door [verzoekster] niet gevraagd en zal de kantonrechter ook niet geven, omdat een debat tussen partijen over de toepassing van de (pas na het opstellen van het verweerschrift gepubliceerde) Rotterdamse Schaal, waarbij ook rekening wordt gehouden met de causaliteit zoals vastgesteld in deze beschikking, nog onvoldoende heeft plaatsgevonden.
6.48.
Naar het oordeel van de kantonrechter staat voldoende vast dat het ongeval bij [verzoekster] heeft geleid tot ‘middelzwaar hersenletsel’ als bedoeld in hoofdstuk 2.1 onder (c) van de Rotterdamse Schaal. Indeling zal naar verwachting moeten plaatsvinden in een van deze twee subcategorieën:
II. Matige tot lichte cognitieve beperkingen. De benadeelde heeft geen continue zorg nodig. Er is enige zelfstandigheid, maar het vermogen om arbeid te verrichten is sterk afgenomen of weggevallen, en er is enig risico op epilepsie.
(€ 62.000,- tot € 105.000,-)
III. Het concentratievermogen en het geheugen zijn aangetast, er is een verminderd vermogen om arbeid te verrichten. De afhankelijkheid van anderen is beperkt. Sprake kan zijn van een gering risico op epilepsie en mogelijk zijn het evenwicht en/of de zintuigen aangetast.
(€ 29.000,- tot € 62.000,-)
6.49.
Ook als wordt uitgegaan van subcategorie III (de lagere categorie), dan moet worden aangenomen dat [verzoekster] in aanmerking zal komen voor een bedrag ter hoogte van tenminste € 40.000,- waarvoor [verzoekster] nu een voorschot vraagt. Kijkend naar de in de Rotterdamse Schaal genoemde concrete factoren die in aanmerking moeten worden genomen bij het bepalen van een bedrag binnen de bandbreedte, overweegt de kantonrechter dat [verzoekster] nog maar 26 jaar oud was toen het ongeval haar overkwam, dat haar klachten en beperkingen veel impact hebben gehad op haar leven, in die zin dat zij niet meer kon werken en ook in haar sociale leven veel beperkingen ondervond, dat zij zeker in een eerdere fase ook stevige psychische en emotionele problemen heeft ondervonden als gevolg van haar letsel, en dat [verzoekster] nog altijd klachten en beperkingen ondervindt waarvan uit de medische stukken blijkt dat verbetering nog altijd mogelijk is, maar die ondertussen al bijna vijf jaar voortduren terwijl een zeker perspectief op volledig herstel binnen afzienbare tijd vooralsnog ontbreekt. Er is volgens aanbeveling 6 van de Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW (eveneens te vinden op www.rechtspraak.nl) dan ook sprake van ‘blijvend letsel’ in de zin van de Rotterdamse Schaal. Dit zijn allemaal factoren die maken dat het uiteindelijke bedrag aan smartengeld – als al zal blijken dat het hersenletsel van [verzoekster] moet worden ingedeeld in subcategorie III en niet in de hogere subcategorie II zoals [verzoekster] bepleit – in ieder geval ruim boven de ondergrens van € 29.000,- van die categorie moet aansluiten.
6.50.
In het licht van het voorgaande acht de kantonrechter een thans in het kader van dit deelgeschil toe te kennen voorschotbedrag van € 40.000,- niet bovenmatig. Onderdeel (h) van het verzoek van [verzoekster] zal in die zin worden toegewezen. De definitieve omvang van het smartengeld kan, als partijen het daarover niet eens kunnen worden, in een bodemprocedure worden vastgesteld.
Buitengerechtelijke kosten
6.51.
Vaststaat dat Berco (of althans ERGO) een bedrag van € 9.428,89 heeft betaald voor door [verzoekster] gemaakte buitengerechtelijke kosten.
6.52.
[verzoekster] vraagt in aanvulling daarop in onderdeel (i) van haar verzoek betaling van een bedrag van € 34.369,69 aan nog niet vergoede buitengerechtelijke kosten, gemaakt door Van As Advocaten in de periode augustus 2022 tot en met juni 2025. Ter onderbouwing heeft [verzoekster] declaraties met regelspecificaties overgelegd als producties 35 en 49.
6.53.
Berco voert gemotiveerd verweer. Aan de hand van meerdere voorbeelden heeft Berco toegelicht dat en waarom de gedeclareerde kosten volgens haar bovenmatig zijn en niet (volledig) voor vergoeding in aanmerking komen.
6.54.
De kantonrechter overweegt als volgt. [verzoekster] stelt dat Berco geen verweer meer kan voeren tegen de hoogte van de buitengerechtelijke kosten, omdat Berco niet eerder zou hebben geprotesteerd tegen de declaraties die mr. Van As in de loop der tijd heeft gestuurd. [verzoekster] beroept zich in dat verband onder meer op de klachtplicht van artikel 6:89 BW. Dit beroep kan niet slagen. De klachtplicht van artikel 6:89 BW is een plicht die rust op de schuldeiser. In de verhouding tussen Berco en [verzoekster] is [verzoekster] de schuldeiser. Dit brengt mee dat wat betreft de schadevergoedingsplicht geen klachtplicht geldt voor Berco, ook niet naar analogie van artikel 6:89 BW (zie ECLI:NL:GHARL:2025:6551 rov. 4.5). Daar komt bij dat uit de stukken blijkt dat partijen wel degelijk meermaals discussie hebben gevoerd over de buitengerechtelijke kosten. Het staat Berco daarom vrij verweer te voeren tegen (de omvang van) die kosten.
6.55.
Of de gestelde buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen, hangt af van het antwoord op de vraag of de kosten in de gegeven omstandigheden zowel gezien de aanleiding om ze te maken als naar de omvang ervan redelijk zijn. Dit betreft de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. In dat kader zijn onder meer de aard en omvang van de schade en de complexiteit van de zaak van belang. Ook zal sprake moeten zijn van een efficiënte tijdsbesteding die leidt tot een redelijke verhouding tussen de schadeomvang en de gedeclareerde buitengerechtelijke kosten.
6.56.
De declaraties van mr. Van As zien niet uitsluitend op het honorarium van mr. Van As voor door hem verrichte werkzaamheden, maar omvatten ook kosten die zijn gemaakt voor het inwinnen van advies bij medisch adviseur [D] in 2023 (Q1 en Q2), 2024 (Q2) en 2025 (Q1), tot een totaalbedrag van € 1.800,49 inclusief btw. Verder omvatten de declaraties kosten die zijn gemaakt voor het opvragen van schriftelijke informatie van de huisarts op 8 januari 2024 (tweemaal) en 7 augustus 2024 tot een totaalbedrag van € 186,75, en kosten voor “Pack en Parcel” gemaakt op 10 juni 2024 voor een bedrag van € 329,12 inclusief btw. Nu door Berco niet is betwist dat deze kosten zijn gemaakt en voor vergoeding in aanmerking komen, zijn deze kosten toewijsbaar, tot het totaalbedrag van € 2.316,36.
6.57.
Uit de op de buitengerechtelijke kosten betrekking hebbende declaraties blijkt dat mr. Van As voor zijn werkzaamheden tot december 2022 een uurtarief heeft gehanteerd van € 190,- exclusief btw, en daarna over de periode van december 2022 tot en met juni 2025 een uurtarief van € 200,- exclusief btw. Dat is, zoals Berco ook niet betwist, een redelijk tarief voor een in letselschadezaken ervaren advocaat. Het verweer van Berco ziet op het aantal uren dat mr. Van As in de loop der tijd heeft gedeclareerd. Blijkens de declaraties heeft hij over de periode augustus 2022 tot en met juni 2025 in totaal bijna 140 uur gedeclareerd. Met Berco is de kantonrechter van oordeel dat hierbij sprake is van bovenmatigheid en zal dat hier toelichten.
6.58.
De kantonrechter acht het in het algemeen begrijpelijk dat deze zaak de nodige tijd van mr. Van As heeft gevergd, onder meer nu uit de stukken het beeld naar voren komt van een niet erg coöperatieve houding van Berco. Hoewel aansprakelijkheid en deels ook causaliteit werden erkend, stelde Berco zich kritisch op ten aanzien van gestelde schade en kwam zij slechts mondjesmaat over de brug met voorschotten. Het is Berco geweest die heeft verzocht om een voorlopig deskundigenbericht door een psychiater, wat voor mr. Van As ook het nodige werk met zich mee heeft gebracht, waarvan de kosten in het kader van dit deelgeschil als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen.
6.59.
De kantonrechter betwijfelt niet dat mr. Van As de gedeclareerde uren daadwerkelijk heeft gemaakt, maar ziet wel reden om te oordelen dat die uren niet volledig voor vergoeding in aanmerking komen omdat niet gezegd kan worden dat al die uren in redelijkheid zijn gemaakt. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.
6.60.
Mr. Van As hanteert een uurtarief dat passend is voor een advocaat met de nodige ervaring met het behandelen van letselschadezaken. Bij het in rekening brengen van een dergelijk tarief mag worden verwacht dat die deskundigheid en ervaring ook tot uiting komt in de tijd die aan de zaak wordt besteed. Het gaat hier naar het oordeel van de kantonrechter om een zaak van gemiddelde complexiteit. Een ervaren letselschadeadvocaat moet in staat worden geacht de problematiek (betrekkelijk) snel te doorgronden en zijn standpunten helder en goed gedocumenteerd te presenteren, waarbij een zekere efficiëntie mag worden verwacht. Dat geldt zeker in het geval hij zich laat bijstaan door andere deskundigen, waaronder in dit geval niet alleen een medisch adviseur maar ook een adviseur die volgens mr. Van As deskundig is op het gebied van het arbeidsrecht en het sociaal verzekeringsrecht en onder andere is ingezet voor het uitvoeren van berekeningen. Hiermee rekening houdend, moet de kantonrechter vaststellen dat de efficiëntie waarmee door mr. Van As is gehandeld in dit dossier te wensen over laat. Zo is bijvoorbeeld bijzonder veel tijd besteed aan het opstellen van (relatief eenvoudige) schadestaten en aan overleg met de calculator en de betrokkenen, zonder dat voor de noodzaak daartoe een overtuigende verklaring is gegeven. Verder is meer tijd besteed aan het bestuderen van stukken dan verwacht mag worden van een ervaren letselschadeadvocaat. Ook is nogal wat tijd besteed aan werkzaamheden met een administratief karakter, waarvoor wel het volle tarief in rekening is gebracht. De discussie over de omvang van de buitengerechtelijke kosten heeft onevenredig veel tijd in beslag genomen, en er is onvoldoende aandacht besteed aan het goed inzichtelijk presenteren van standpunten. Op relevante onderdelen is door mr. Van As volstaan met een verwijzing naar bijlagen zonder deugdelijke toelichting daarbij. Dit geldt bijvoorbeeld voor de opgevoerde schadeposten waar op diverse onderdelen een toelichting ontbreekt. Een dergelijke handelwijze draagt niet bij aan een vlotte afwikkeling buiten rechte en van een efficiënte tijdsbesteding is in zoverre ook geen sprake geweest.
6.61.
Op bovenstaande gronden ziet de kantonrechter aanleiding om de vergoeding die Berco aan [verzoekster] verschuldigd is ter zake van de declaraties van mr. Van As voor buitengerechtelijke werkzaamheden over de periode van augustus 2022 tot en met juni 2025 te matigen. Uitgaande van een redelijke totale tijdsbesteding over de genoemde periode van 100 uur, tegen een tarief van € 200,- exclusief btw, zal de kantonrechter een bedrag van € 24.200,- inclusief btw toekennen. Vermeerderd met het bedrag van € 2.316,36 voor gemaakte kosten van derden (zie rov. 6.56), komt het totale bedrag aan buitengerechtelijke kosten dat kan worden toegewezen daarmee op (€ 24.200,- + € 2.316,36 =) € 26.516,36. Hetgeen meer is verzocht zal worden afgewezen.
Kosten deelgeschil
6.62.
De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.
6.63.
Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de hiervoor in rov. 6.55 al genoemde dubbele redelijkheidstoets hanteren.
6.64.
[verzoekster] maakt aanspraak op € 25.795,90 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. Berco voert aan dat het aantal bestede uren onredelijk is en bepleit dat een begroting van de kosten in deelgeschil van € 10.000,- redelijk is.
6.65.
De kantonrechter stelt aan de hand van de overgelegde declaraties vast dat het verzochte bedrag, naast honorarium voor mr. Van As, ook bestaat uit gemaakte kosten waartegen door Berco geen bezwaar is gemaakt en die daarom voor vergoeding in aanmerking komen:
- kosten [G] 3 juni 2024 € 364,16
- kosten huisarts 9 juli 2025 € 62,25
- kosten medisch adviseur Q3 2025 € 635,25 +
€ 1.061,66 (inclusief btw)
6.66.
In haar inleidend verzoekschrift van 10 juni 2024 berekende [verzoekster] de kosten van het deelgeschil door uit te gaan van een uurtarief van mr. Van As van € 200,- vermeerderd met 8% kantoorkosten en 21% btw. In latere stukken van de zijde van [verzoekster] , waaronder het tweede aanvullend verzoekschrift en de pleitnota van mr. Van As, is voor de berekening van de kosten van het deelgeschil uitgegaan van een uurtarief van mr. Van As van € 220,- eveneens vermeerderd met 8% kantoorkosten en 21% btw. De op het deelgeschil betrekking hebbende declaraties die door [verzoekster] zijn overgelegd (over de periode vanaf mei 2024) zijn ook op dit hogere uurtarief gebaseerd. Hoewel een toelichting op deze handelwijze ontbreekt, gaat de kantonrechter er vanuit dat [verzoekster] de kosten deelgeschil begroot wenst te zien op basis van dit hogere uurtarief inclusief verhoging voor kantoorkosten, dat daarmee afwijkt van het uurtarief dat mr. Van As (tot juni 2025) voor zijn buitengerechtelijke werkzaamheden in rekening heeft gebracht (zie rov. 6.57). De kantonrechter overweegt dat voor een opslag voor kantoorkosten geen ruimte is. Die kosten worden geacht onderdeel uit te maken van het uurtarief. Een uurtarief van € 220,- exclusief btw voor de werkzaamheden in het kader van deelgeschil vanaf mei 2024 is naar het oordeel van kantonrechter niet onredelijk. Berco heeft tegen dit hogere uurtarief ook geen verweer gevoerd. De kantonrechter zal de kosten deelgeschil daarom begroten op basis van dit tarief van € 220,- exclusief btw.
6.67.
[verzoekster] heeft geen opgave gedaan van het totaal aantal uren dat mr. Van As aan het deelgeschil heeft besteed, maar aan de hand van de twaalf overgelegde declaraties (over de periode mei 2024 tot en met december 2025) en de stelling ter zitting dat in 2026 nog een inzet van 8 uur moet worden meegerekend, stelt de kantonrechter vast dat het in totaal gaat om 89,5 uur. De kantonrechter ziet aanleiding het aantal te vergoeden uren te matigen om redenen die hierna worden gegeven.
6.68.
De kantonrechter stelt in de eerste plaats vast dat de keuze van mr. Van As om op 10 juni 2024 een deelgeschilprocedure aanhangig te maken, terwijl hij wist dat Berco enkele dagen ervoor een verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht had ingediend, geen doelmatige keuze was. Zoals viel te voorzien, is de behandeling van het deelgeschil in verband met het verzoek voorlopig deskundigenbericht en het nadien bevolen voorlopig deskundigenbericht meerdere keren aangehouden. Hierover heeft in deelgeschil meerdere keren correspondentie moeten plaatsvinden tussen partijen en de rechtbank. Bovendien heeft mr. Van As zich genoodzaakt gezien na het verschijnen van het deskundigenbericht het deelgeschilverzoek aan te vullen, en ook te komen met een geactualiseerde schadestaat, met alle (extra) kosten van dien.
6.69.
De kantonrechter acht de tijdsbesteding van ruim 17 uur voor het inleidend verzoekschrift (van 13 pagina’s met nogal wat citaten en opsommingen van stukken), gevolgd door nog eens de tijdsbesteding van 17 uur voor het eerste aanvullend verzoekschrift (van 9 pagina’s waarvan meer dan 2 pagina’s citaten bevatten en een herhaling van het verzoek), ruim bemeten. Ook de tijdsbesteding van omstreeks 20 uur voor het bestuderen van het verweerschrift en het opstellen van pleitnotities komt niet doelmatig voor, waarbij de kantonrechter opmerkt dat de spreekaantekeningen van 23 pagina’s wijdlopig zijn en veel herhalingen bevatten. Ook in deelgeschil is, net als buiten rechte, nogal wat tijd besteed aan werkzaamheden met een administratief karakter, waarvoor wel het volle tarief in rekening is gebracht. Ook is, net als buiten rechte, veel tijd besteed aan overleg met de calculator en met de vader van [verzoekster] , zonder dat voor de noodzaak daartoe een overtuigende verklaring is gegeven.
6.70.
De kantonrechter ziet al met al aanleiding de redelijke kosten van het deelgeschil als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW te begroten op 60 uur x € 220,- exclusief btw, dus op € 15.972,- inclusief btw, te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 706,-. Berco zal tot betaling daarvan aan [verzoekster] worden veroordeeld, nu aansprakelijkheid van Berco vaststaat.
6.71.
De kantonrechter zal deze uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals [verzoekster] vraagt, omdat niet rechtstreeks tegen een beschikking in een deelgeschilprocedure kan worden opgekomen. Dit volgt uit artikel 1019bb Rv.
7De beslissing
De kantonrechter
7.1.
verklaart voor recht dat de klachten en beperkingen, die geleid hebben tot het verminderd arbeidsvermogen van [verzoekster] , waardoor zij tot in ieder geval 27 januari 2026 niet in staat is werkzaamheden te verrichten en sinds 1 juni 2023 een WIA-uitkering ontvangt op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid, het rechtstreeks gevolg zijn van het haar op 28 mei 2021 overkomen bedrijfsongeval,
7.2.
veroordeelt Berco om aan [verzoekster] bij wijze van voorschot te betalen:
- € 27.000,- voor schade wegens verminderd arbeidsvermogen over de periode van 1 juni 2023 tot en met 31 december 2025,
- € 8.087,04 voor diverse materiële schadeposten over de periode tot en met juni 2025,
- € 40.000,- voor immateriële schade,
7.3.
veroordeelt Berco om aan [verzoekster] te betalen een bedrag van € 26.516,36 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten over de periode augustus 2022 tot en met juni 2025,
7.4.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 15.972,- inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 706,- en veroordeelt Berco tot betaling daarvan aan [verzoekster] ,
7.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken door mr.E.J.C. Adang op 28 april 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|