Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:3929 
 
Datum uitspraak:03-06-2026
Datum gepubliceerd:16-06-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:C/01/402804 / HA ZA 24-21
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Vordering inzake bestuurdersaansprakelijkheid van een minderheidsaandeelhouder jegens twee bestuurders van een besloten vennootschap, nadat de Ondernemingskamer heeft geconstateerd dat sprake is geweest van wanbeleid bij de besloten vennootschap en dat de bestuurders hiervoor verantwoordelijk zijn. De rechtbank oordeelt dat de bestuurders met een aantal bestuurshandelingen onrechtmatig hebben gehandeld jegens de minderheidsaandeelhouder en dat de bestuurders hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor wat betreft de door de besloten vennootschap geëxploiteerde shredder geeft de rechtbank een bewijsopdracht, zowel voor wat betreft de periode dat de shredder is geëxploiteerd als voor wat betreft de omzet die met de shredder is gerealiseerd.”
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
huurovereenkomst
uitkering
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats: ‘s-Hertogenbosch


Zaaknummer: C/01/402804 / HA ZA 24-216



Vonnis van 3 juni 2026


in de zaak van



[eiseres] B.V. te [plaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. H.G.A.M. Spoormans,

tegen




1 [gedaagde 1] [plaats] ,
2. [gedaagde 2] te [plaats] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. Ph.W. Schreurs.





1Inleiding


1.1.
De Ondernemingskamer heeft in een beschikking van 31 januari 2023 geoordeeld dat sprake is geweest van wanbeleid bij [A] B.V. ( [A] ). [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren in de periode dat het wanbeleid werd gepleegd gezamenlijk bestuurder van [A] . Daarnaast waren zij samen met familieleden ook (indirect) aandeelhouder in [A] . Ook [eiseres] was in de betreffende periode aandeelhouder van [A] . Zij bezat 16,66% van de aandelen. De aandeelhouder van [eiseres] , [B] , is een neef van [gedaagde 2] . In deze procedure vordert [eiseres] vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van het geconstateerde wanbeleid. Zij doet een beroep op artikelen 2:8, 2:9, 2:239 lid 6 en 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zij stelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als bestuurders een zorgvuldigheidsnorm jegens [eiseres] als minderheidsaandeelhouder hebben geschonden en dat hen hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ter toelichting op haar vordering verwijst [eiseres] onder meer naar het oordeel van de Ondernemingskamer. De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij een aantal bestuurshandelingen in strijd met artikel 6:162 BW in samenhang met artikelen 2:8, 2:9 en 2:239 lid 6 BW hebben gehandeld. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een door hen jegens [eiseres] in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm geschonden en hen kan hiervan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. Voor wat betreft het verwijt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wordt gemaakt dat [A] ten onrechte te weinig omzet in rekening heeft gebracht omdat de door [A] geëxploiteerde shredder langer actief is geweest dan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aanvoeren, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de door [eiseres] op dit punt gestelde feitelijke omstandigheden voldoende hebben weersproken. Aan [eiseres] zal dan ook in dit tussenvonnis een bewijsopdracht worden gegeven. Iedere verdere beslissing houdt de rechtbank aan.






2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 21 augustus 2024;
- de conclusie van antwoord met producties;
- het bericht van de rechtbank waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overlegging producties ten behoeve van de mondelinge behandeling van 16 april 2026 tevens akte ex artikel 22 Rv namens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met producties 14 en 15;
- de akte overlegging productie namens [eiseres] met productie 62;
- de akte overlegging productie ten behoeve van de zitting op 16 april 2026, namens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ;



2.2.
Om organisatorische redenen wordt de zaak behandeld door rechters van de rechtbank Den Haag, tevens rechters-plaatsvervangers in de rechtbank Oost-Brabant en vond de mondelinge behandeling niet plaats in de rechtbank Den Bosch, maar in de rechtbank Den Haag.



2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. De advocaten van partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Van wat er overigens op de zitting aan de orde is geweest, heeft de griffier aantekeningen gemaakt.



2.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.






3De feiten


Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan

.



3.1.
Op enig moment heeft [gedaagde 2] samen met twee broers, [C] en [D] (respectievelijk [C] en [D] ) een onderneming opgericht. De onderneming bestond uit verschillende besloten vennootschappen, waaronder besloten vennootschappen die zich bezig hielden met de recycling van metalen. Tussen de broers is in 2017 onenigheid ontstaan. Dit heeft geleid tot een ontvlechting van de onderneming. Een deel van de besloten vennootschappen is overgedragen aan [gedaagde 2] en [D] . Het andere deel is overgedragen aan [C] . Uitzondering hierop was [A] , een besloten vennootschap waarin de familie [familienaam gedaagde 2] samenwerkte met een andere familie, de familie [familienaam gedaagde 1] . Na de ontvlechting zijn tussen de aandeelhouders van [A] geschillen ontstaan en zijn diverse rechtszaken aanhangig gemaakt.



3.2.

[A] is op 22 mei 2014 opgericht. [eiseres] , [E] B.V. ( [E] ) en [F] B.V. ( [F] ) houden ieder 16,66% van de aandelen in [A] . [G] BV ( [G] ) houdt de overige 50% van de aandelen in [A] . [gedaagde 1] en zijn broer [H] ( [H] ) houden op hun beurt via hun vennootschappen [I] B.V. ( [I] ) en [J] B.V. ( [J] ) ieder 50% van de aandelen in [G] .



3.3.

[gedaagde 2] en [gedaagde 1] vormden vanaf de oprichting van [A] het bestuur van [A] en waren als bestuurders zelfstandig bevoegd [A] te vertegenwoordigen.



3.4.

[B] ( [B] ) is de zoon van [C] . Hij is op enig moment de aandeelhouder van [eiseres] geworden. Hij is ook enig bestuurder van [eiseres] .



3.5.

[D] houdt alle aandelen in [E] en is haar enige bestuurder. [gedaagde 2] houdt alle aandelen in [F] en is haar enige bestuurder. Sinds de hiervoor onder 3.1 bedoelde ontvlechting van de onderneming houden [F] en [E] (indirect via hun gezamenlijke holding [K] B.V.) alle aandelen in Gebr. [L] B.V. ( [L] ).



3.6.

[A] hield zich bezig met het verwerken van materiaal (voornamelijk) afkomstig van [M] B.V. ( [M] ). [M] is een onderdeel van de groep van ondernemingen van [gedaagde 1] en [H] .



3.7.

[A] had geen eigen bedrijfspand, geen eigen bedrijfsterrein, geen eigen personeel, maar was uitsluitend eigenaar van een machine (hierna: de shredder) waarmee zij, met van [L] ingeleend personeel op een bedrijfsterrein in [plaats] , recyclebaar materiaal afkomstig van [M] verwerkte. [A] had de shredder in 2013 of 2014 in België gekocht, waarna de shredder is gedemonteerd en in [plaats] is opgebouwd. De shredder is ongeveer 64 meter lang. Deze is geschikt voor de verwerking van lichtere transformatoren, motoren van wasmachines, drogers en dergelijke. De shredder scheidt deze goederen in afvalstromen als koper, shredder-ijzer en kunststof.



3.8.
Op 14 oktober 2014 heeft [N] B.V. (welke vennootschap niet meer bestaat) met [A] een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot het bedrijfsterrein te [plaats] . De overeenkomst vermeldt dat “er vanaf 1 mei 2013 een mondelinge huurovereenkomst bestaat die thans schriftelijk wordt vastgelegd.” De overeenkomst vermeldt onder meer dat facturatie en betaling van de huurpenningen loopt via [L] , dat de overeenkomst is aangegaan voor vijf jaar en loopt tot en met 30 april 2018, waarna de overeenkomst wordt voortgezet voor een aansluitende periode van vijf jaar, dus tot en met 30 april 2023.



3.9.

[eiseres] en [A] hebben op 29 april 2015 een managementovereenkomst gesloten. Die overeenkomst hield in dat [eiseres] managementwerkzaamheden voor [A] zou verrichten en dat [A] daarvoor een jaarlijkse managementvergoeding van € 16.000, exclusief BTW, betaalde. Eveneens zijn op 29 april 2015 soortgelijke managementovereenkomsten gesloten tussen [A] aan de ene kant en respectievelijk [F] , [E] , [I] en [J] aan de andere kant.



3.10.

[A] heeft op 15 mei 2015 met [L] een serviceovereenkomst gesloten, op grond waarvan [L] als opdrachtnemer aan [A] als opdrachtgever goederen en personeel ter beschikking stelde en de kosten daarvan aan [A] doorbelaste (verder: de serviceovereenkomst). De serviceovereenkomst vermeldt dat [A] en [L] in het verleden een mondelinge overeenkomst gesloten hebben “welke hierbij schriftelijk wordt vastgelegd”. Artikel 1 van de serviceovereenkomst luidt als volgt

“1. Opdrachtnemer zal per 1 september 2013 materieel ter beschikking stellen voor het wegen en verplaatsen van materialen alsmede het leveren van diesel t.b.v. eigen materieel van opdrachtgever voor een bedrag van € 7.000 per maand.

2. Opdrachtnemer zal per 1 september 2013 administratieve werkzaamheden (in/uit wegingen, voeren administratie e.d.) verrichten voor opdrachtgever voor een bedrag van € 2.000 per maand.


3. Opdrachtnemer zal per 1 september 2013 personeel ter beschikking stellen voor het bedienen van de shredder van opdrachtgever alsmede voor het sorteren van materialen en plegen van onderhoud tegen het tarief van € 27,50 per uur voor monteurswerkzaamheden en € 22,50 per uur voor overige werkzaamheden. Uren worden bijgehouden op een uur registratie systeem en op uurbasis berekend.


4. Mochten bij het uitvoeren van bovengemelde werkzaamheden andere kosten worden berekend aan opdrachtnemer zal hij deze 1 op 1 doorberekenen aan opdrachtgever.”



3.11.
Op enig moment in 2017 mocht [B] niet meer op het bedrijfsterrein komen waarop de shredder stond.



3.12.

[A] heeft de managementvergoeding voor het laatst in het 2018 aan [B] betaald. Vanaf 2018 heeft [A] geen dividend meer betaald en geen omzetbonus, waar dit eerder wel gebeurde. [eiseres] heeft [A] bij brief van 22 augustus 2019 gesommeerd de managementvergoeding over 2018, de bonus over 2018 en het dividend over 2018 aan [eiseres] te betalen. Uiteindelijk is de managementfee over 2018 voldaan.



3.13.
Bij brief van 7 februari 2020 heeft [eiseres] het bestuur van [A] verzocht om een aandeelhoudersvergadering bijeen te roepen, omdat [eiseres] geen vertrouwen had in de toekomst van [A] . In de brief heeft [eiseres] opgenomen dat [eiseres] de volgende onderwerpen wenste te behandelen: (1) voorstel tot verstrekking van periodieke cijfers, (2) voorstel tot uitkering van een omzetbonus en management fee over 2018 en 2019, (3) vaststelling en publicatie van de jaarrekening 2018 en (4) voorstel tot beëindiging werkzaamheden en ontbinding en vereffening van [A] .



3.14.
Bij e-mail van 6 maart 2020 heeft [A] een oproepingsbericht aan [eiseres] gezonden voor een buitengewone aandeelhoudersvergadering te houden op 19 maart 2020 met daarbij een agenda en een toelichting bij de oproeping. In de agenda van de vergadering waren onder meer de volgende onderwerpen vermeld: (1) opening en mededelingen, (2) stemming over verstrekking van periodieke cijfers (voorwaardelijk), (3) discussie over de jaarrekening 2018, en (4) discussie over de toekomst van de vennootschap. In de toelichting was opgenomen dat en waarom [A] het verzoek van [eiseres] niet volledig heeft gehonoreerd.



3.15.
Bij brief van 12 maart 2020 heeft [A] aan haar aandeelhouders bericht dat de aandeelhoudersvergadering van 19 maart 2020 voorlopig is uitgesteld en dat het bestuur binnen één week met een nieuwe datum zal komen. In de brief was verder opgenomen dat het periodiek verstrekken van cijfers geen probleem is en dat de jaarrekening 2018 in concept is verstrekt.



3.16.
Medio maart 2020 heeft [eiseres] diverse rechtsmaatregelen tegen [A] getroffen, waaronder een derdenbeslag op 13 maart 2020 onder [M] en een faillissementsaanvraag van [A] op 25 maart 2020. Ook heeft [eiseres] op 26 maart 2020 een dagvaardingsprocedure tegen [A] aanhangig gemaakt bij de rechtbank Oost-Brabant, die betrekking heeft op onder andere managementvergoedingen over 2018 en 2019, een dividenduitkering over 2018 en bonussen over de omzet van 2018 en 2019 die [A] ten onrechte niet aan [eiseres] zou hebben betaald. Daarnaast hebben [B] en [C] , via een aan hen verbonden vennootschap, het faillissement van [L] aangevraagd. De faillissementsaanvragen van [A] en [L] zijn in twee instanties afgewezen. De dagvaardingsprocedure staat op de parkeerrol.



3.17.

[A] heeft op 4 juli 2020 de managementovereenkomst met [eiseres] met onmiddellijke ingang opgezegd. [A] heeft ook de managementovereenkomsten met [E] , [F] , [I] en [J] opgezegd.



3.18.
Op 15 juni 2020 heeft een aandeelhoudersvergadering van [A] plaatsgevonden, waarin besluiten zijn genomen. [eiseres] is van oordeel dat zij niet rechtsgeldig is opgeroepen voor deze aandeelhoudersvergadering. Zij heeft hierover een procedure aangespannen bij de rechtbank Oost-Brabant. Deze procedure is gevoegd met de procedure die [eiseres] bij dagvaarding van 26 maart 2020 aanhangig heeft gemaakt..



3.19.
Bij brief van 17 november 2020 heeft [eiseres] [A] geïnformeerd dat zij kennis heeft genomen van zeer ernstig wanbeleid van de vennootschap. Daarbij wees zij onder meer op gesjoemel met managementovereenkomsten, omzetbonussen en dividend en op betrokkenheid bij zware milieudelicten. [A] moest de brief zien als kennisgeving bedoeld in artikel 2:349 BW. [A] heeft de door [eiseres] gemaakte verwijten in een brief van 3 december 2020 weersproken. Daarna heeft [B] in een e-mail van 4 december 2020 haar verwijten nader uiteengezet en aangevuld.



3.20.
Bij beschikking van 1 juli 2021 heeft de Ondernemingskamer op verzoek van [eiseres] een onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken van [A] vanaf 1 januari 2018 en bij wijze van onmiddellijke voorziening een bestuurder benoemd. Bij beschikking van 2 juli 2021 heeft de Ondernemingskamer mr. drs. E.A. Marseille RA (de onderzoeker) als onderzoeker aangewezen en mr. P.R. Dekker (hierna Dekker ) als bestuurder, zoals bedoeld in de beschikking van 1 juli 2021.



3.21.
In september 2021 is de shredder van [A] (in ieder geval) stilgelegd.



3.22.
Onder leiding van Dekker is de shredder met toebehoren (en inclusief het huurdersbelang) op 9 december 2021 voor € 400.000 verkocht aan [L] .


3.23.
Na deze verkoop heeft [L] op 21 december 2021 een creditfactuur van € 250.000 uitgereikt aan [A] ter zake van eerder dat jaar in rekening gebrachte kosten voor ontmanteling van de shredder. Dekker heeft zich op het standpunt gesteld dat als gevolg van deze creditfactuur ofwel [L] ofwel [M] is gehouden een bedrag van € 250.000 aan [A] te voldoen. [A] is nog niet tot incasso van dit bedrag overgegaan.



3.24.
De onderzoeker heeft het verslag van haar onderzoek met bijlagen, gedateerd 3 maart 2022 (hierna het onderzoeksrapport), naar de Ondernemingskamer gestuurd. In het onderzoeksrapport heeft zij de volgende conclusie opgenomen:

“1. Sinds 2021 zijn de activiteiten van [A] (zwaar) verliesgevend omdat er geen omzet zou worden gegenereerd, terwijl de kosten doorlopen.

2. Naar de mening van de onderzoeker heeft [L] teveel kosten aan [A] doorbelast en/of heeft [A] te weinig omzet aan [L] gefactureerd:


- Uit het onderzoek blijkt dat het energieverbruik en andere kosten in 2021 zijn blijven doorlopen.


- Ook blijkt dat vanaf 2020 extra kosten zijn doorbelast zonder dat daarvan een overeenkomst of een bestuursbesluit is aangetroffen.


- Uit het onderzoek blijkt daarnaast dat de geadministreerde omzet niet in verhouding is met de geleverde energie en dat daarvoor geen bevredigende verklaring is. Naar de mening van de onderzoeker zijn dit aanwijzingen dat de shredder meer productie heeft gedraaid maar dat [A] deze omzet niet aan [M] en/of [L] in rekening heeft gebracht.


3. Besluitvorming:


- De besluitvorming binnen [A] is op bepaalde punten in strijd met de statutaire bepalingen, namelijk bij besluitvorming bij minder dan drie bestuurders, bij tegenstrijdig belang en bij investeringen boven € 25.000, die aan de aandeelhoudersvergadering moeten worden voorgelegd.


- [L] heeft in 2020 twee facturen aan [A] gestuurd van elk € 250.000. De eerste factuur is voor de opbouw van de shredder in 2014 en de tweede factuur is voor een eventuele toekomstige ontmanteling van de shredder. Volgens de onderzoeker zijn er aanwijzingen dat deze facturen een rechtmatige grondslag missen.


- In de jaarrekeningen van 2017 tot en met 2019 waren de aan deze facturen gerelateerde verplichtingen van € 500.000 niet opgenomen. De formele voorschriften voor opmaak, vaststelling en deponering van de jaarrekeningen 2017 tot en met 2019 zijn niet gevolgd.


4. Naar de mening van de onderzoeker heeft de cessie en verrekening tussen [M] , [A] en [L] voor bepaalde posten op ongeldige wijze plaatsgehad.


- Met betrekking tot de verrekening van € 1.139.516 in september 2019 is geen cessieovereenkomst aangetroffen, zodat geen geldige cessie heeft plaatsgehad en daardoor ook geen verrekening kon plaatsvinden.


- Met betrekking tot de verrekening van € 1.172.781 in maart 2020 blijkt dat er geen bijlage bij de overeenkomst was, zodat de cessie onvoldoende bepaald was en daardoor volgens de onderzoeker geen basis kon zijn voor verrekening. Daarnaast ontbreekt bij diverse posten die toen zijn verrekend een grondslag voor verrekening omdat ze nog niet, ten onrechte of door een andere partij in rekening waren gebracht.


5. Naar de mening van de onderzoeker hebben de bestuurders van [A] hun tegenstijdige belangen onvoldoende onderkend en de wettelijke en statutaire bepalingen daaromtrent niet gevolgd.”




3.25.
Bij beschikking van 31 januari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:225 heeft de Ondernemingskamer vastgesteld dat uit het onderzoeksrapport blijkt van wanbeleid van [A] in de periode vanaf 1 januari 2018 tot 10 juni 2021 en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor het wanbeleid verantwoordelijk zijn (de beschikking). De Ondernemingskamer heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ontslagen als bestuurders van [A] en [A] ontbonden. Bij beschikking van 1 februari 2023 heeft de Ondernemingskamer mr. [O] benoemd tot vereffenaar en de aandelen ten titel van beheer overgedragen aan mr. [P] .






4Het geschil


4.1.

[eiseres] vordert, na vermindering van zijn vordering tijdens de mondelinge behandeling, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de verklaring voor recht voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig jegens [eiseres] hebben gehandeld en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens [eiseres] voor de daardoor geleden schade;
II. de hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling aan [eiseres] van de schade die [eiseres] als gevolg van het onrechtmatig handelen als bedoeld onder I. heeft geleden;


begroot op een bedrag van € 1.000.000; dan wel


begroot op een door de rechtbank in goede justitie de bepalen bedrag; dan wel


nader op te maken bij staat


het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
III. de veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van deze procedure, één en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het te dezen te wijzen vonnis, indien en voor zover [gedaagde 1] en [gedaagde 2] deze kosten niet voordien hebben voldaan.



4.2.

[eiseres] legt onder meer aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens [eiseres] onrechtmatig hebben gehandeld, meer in het bijzonder hebben zij gehandeld in strijd met hun zorgplicht als bedoeld in artikel 2:8 BW in samenhang met artikel 2:9 BW. Daarnaast wijst [eiseres] op de bijzondere zorgplicht zoals geformuleerd in artikel 2:239 BW en op de groepsaansprakelijkheid zoals geformuleerd in artikel 6:166 BW. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] treft van hun handelen een persoonlijk ernstig verwijt omdat zij stelselmatig op basis van een vooropgezet plan [eiseres] als aandeelhouder van [A] hebben getroffen, onder bevoordeling van de aan hen gelieerde vennootschappen, [L] en [M] . [A] was een winstgevende onderneming totdat de familie [familienaam gedaagde 2] ruzie kreeg en [L] aan [D] en [gedaagde 2] werd toegedeeld. Daarna werd [B] feitelijk buitenspel gezet, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wilden [B] niets meer betalen. Thans is [A] ontbonden, bezit geen activa meer en de ondernemingsactiviteiten zijn gestaakt. Niet valt te verwachten dat de vereffenaar nog zal kunnen vereffenen, waardoor [eiseres] definitief haar schade als aandeelhouder heeft geleden.



4.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.



4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.






5De beoordeling


Ontvankelijkheid [eiseres]



5.1.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat deze procedure prematuur is aangespannen. Alle partijen zijn nog met elkaar en met de vereffenaar in overleg over de vereffening van [A] . Met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is de rechtbank van oordeel dat als sprake is van onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens [eiseres] , in ieder geval een groot deel van de schade van [eiseres] bestaat uit een waardevermindering van haar aandelenbelang in [A] . Het is niet uitgesloten dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met de vereffenaar inzake [A] tot een regeling komen of dat [A] de vorderingen die zij nog heeft alsnog zal innen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] ook uitgesproken dat dat haar wens is en dat de vereffenaar hierover is geïnformeerd. Indien [A] de vorderingen kan innen die zij nog heeft – waarbij gedacht kan worden aan vorderingen op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , maar ook aan vorderingen op [L] vanwege te veel doorbelaste kosten en op [L] en/of [M] vanwege te weinig gefactureerde omzet – zal voor [eiseres] mogelijk geen sprake meer zijn van waardevermindering van haar aandelen, althans zal die minder zijn. Dan zal [eiseres] mogelijk geen schade meer lijden. De rechtbank is desondanks van oordeel dat [eiseres] op dit moment belang heeft bij haar vorderingen inzake een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld, onder meer omdat dit een rol kan spelen bij onderhandelingen tussen partijen en de vereffenaar over een minnelijke regeling. De rechtbank zal dan ook de vorderingen van [eiseres] beoordelen.


Juridisch kader




5.2.

[eiseres] heeft, als minderheidsaandeelhouder van [A] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als (voormalig) bestuurders aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van hun handelen. Zij doet daarbij onder meer een beroep op artikel 6:162 BW in samenhang met artikelen 2:8, 2:9 en 2:239 lid 2 BW. Met het oordeel van de Ondernemingskamer dat sprake is geweest van wanbeleid van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] staat hun aansprakelijkheid jegens [eiseres] voor de door hen verrichtte handelingen niet al vast. De rechtbank moet hierover een eigen afweging maken. Het oordeel van de Ondernemingskamer moet bij deze afweging wel in aanmerking worden genomen en kan, mede gelet op de inhoud van het onderzoeksrapport en het in de procedure bij de Ondernemingskamer gevoerde debat, bewijsrechtelijke betekenis hebben.



5.3.
Elke bestuurder is op grond van artikel 2:9 BW tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Deze bepaling wordt naar vaste rechtspraak aldus uitgelegd, dat voor aansprakelijkheid op de voet daarvan noodzakelijk is dat aan de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Bij de beoordeling of de bestuurder inderdaad een persoonlijk ernstig verwijt treft als zojuist bedoeld, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. Deze norm geldt ook als het gaat om de aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een individuele aandeelhouder op grond van onrechtmatige daad. In een arrest van 20 juni 2008 heeft de Hoge Raad op dit punt als volgt overwogen:

“5.3 Ingevolge art. 2:9 BW is elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Deze bepaling wordt naar vaste rechtspraak aldus uitgelegd, dat voor aansprakelijkheid op de voet daarvan noodzakelijk is dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bij de beoordeling of de bestuurder inderdaad een ernstig verwijt treft als zojuist bedoeld, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken (HR 29 november 2002, nr. C 01/096, NJ 2003, 455).

In deze zaak gaat het echter niet om de aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover de rechtspersoon die hij bestuurt, maar tegenover een individuele aandeelhouder. Het onderdeel stelt in wezen de vraag aan de orde of de voormelde norm voor interne aansprakelijkheid overeenkomstig heeft te gelden wanneer een individuele aandeelhouder een bestuurder aansprakelijk stelt voor de wijze waarop deze zijn bestuurstaken heeft uitgeoefend. Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord. Door een hoge drempel te aanvaarden voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover de door hem bestuurde vennootschap wordt mede het belang van die vennootschap en de daarmee verbonden onderneming gediend omdat daardoor wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Gezien de zelfgekozen betrokkenheid van individuele aandeelhouders bij de gang van zaken binnen de vennootschap, brengen de in art. 2:8 lid 1 BW bedoelde maatstaven van redelijkheid en billijkheid mee dat de hoge drempel van art. 2:9 BW overeenkomstig van toepassing is bij een door een individuele aandeelhouder tegen een bestuurder aanhangig gemaakte aansprakelijkheidsprocedure.




5.4.
Voor aansprakelijkheid van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens [eiseres] is niet voldoende dat [A] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op grond van artikel 2:9 BW kan aanspreken. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn aansprakelijk jegens [eiseres] als zij een door hen jegens [eiseres] als (minderheids)aandeelhouder in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm hebben geschonden en hen hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.



5.5.
De omstandigheid dat een bestuurder heeft gehandeld in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, brengt in beginsel aansprakelijkheid
van de bestuurder tegenover de individuele aandeelhouder mee. Indien de aldus aangesproken bestuurder echter feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat het gewraakte handelen in strijd met de statutaire bepalingen niet een ernstig verwijt oplevert, moet de rechter deze feiten en omstandigheden uitdrukkelijk in zijn oordeel betrekken.




Handelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]




5.6.

[eiseres] verwijt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als bestuurders van [A] het volgende:
a. [A] heeft over de periode van 2019 tot 1 september 2021 te weinig omzet in rekening gebracht aan [L] en/of [M] en te veel kosten aan hen vergoed. Het verwijt inzake de te hoge kosten geldt ook voor de periode na 1 september 2021;
b. [A] , [L] en [M] hebben in september 2019 en in maart 2020 in een driehoeksverhouding onderlinge vorderingen verrekend, zonder voldoende documentatie, en waaronder in ieder geval ten onrechte een bedrag van twee keer € 250.000;
c. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in strijd gehandeld met artikel 2:239 lid 6 BW door deel te nemen aan besluitvorming over onderwerpen waarvoor zij een met [A] tegenstrijdig belang hadden.



5.7.
De rechtbank zal per gemaakt verwijt beoordelen of dit leidt tot aansprakelijkheid van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens [eiseres] . Daarbij zal de rechtbank per onderdeel het oordeel van de Ondernemingskamer beschrijven en daarna de stellingen van partijen over en weer op dit punt beoordelen.


a. Te weinig omzet en te veel kosten in rekening gebracht




5.8.
Tussen partijen bestaat een geschil over het antwoord op de vraag tot wanneer de shredder in de periode dat deze eigendom was van [A] materiaal heeft verwerkt en hoeveel materiaal is verwerkt. Niet is in geschil dat de shredder na de benoeming van Dekker door de Ondernemingskamer in ieder geval op 1 september 2021 stop is gezet.



5.9.
De Ondernemingskamer heeft in paragraaf 4.5. van de beschikking overwogen dat (i) de toevoer van materialen vanuit [M] op papier minder werd in 2019 en dat de omzet toen kelderde met een kwart, (ii) vanaf 2020 [L] materiaal bij [A] zou laten verwerken, maar dat sindsdien weer een kwart minder omzet is gefactureerd en (iii) [A] na 1 maart 2021 geen omzet meer heeft gefactureerd.



5.10.
De Ondernemingskamer heeft vervolgens in paragraaf 4.8. van de beschikking geconcludeerd dat de shredder tot en met augustus 2021 onverminderd is blijven produceren. De Ondernemingskamer baseert dit oordeel op de volgende omstandigheden, waarbij zij heeft geconstateerd dat plausibele alternatieve verklaringen niet zijn gegeven:
- Het elektriciteitsverbruik van [A] - zij had een eigen elektriciteitsmeter - bleef in die periode onverminderd hoog en liep, ondanks de op papier fors afgenomen omzet, zelfs op van 1.249.046 kWh in 2018 tot 1.320.826 kWh in 2019 en 1.494.811 kWh in 2020. Ook tot en met augustus 2021 heeft [A] nog 733.092 kWh elektriciteit gebruikt.
- Er zijn, net als in 2018, ook in 2019, 2020 en 2021 diverse keren zwaar slijtende onderdelen voor de shredder besteld en geleverd: telkens 60 hamers.
- De tellerstanden van de draaiuren van (onderdelen van de) vaste (compressor)
en variabele (kraan) onderdelen, die blijken uit de onderhoudsfacturen van 2019 tot en met
2021, wijzen erop dat productie van de shredder heeft doorgelopen.



5.11.

[eiseres] stelt dat [A] vanaf 2019 zwaar verlieslatend was, omdat er op papier geen omzet werd gegenereerd, terwijl [L] onverminderd kosten bleef doorbelasten. Zij heeft gewezen op het oordeel van de Ondernemingskamer dat de shredder tot en met augustus 2021 onverminderd is blijven produceren en op de omstandigheden die de Ondernemingskamer aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd (zie paragraaf 5.10.). [eiseres] stelt dat [A] te weinig omzet in rekening heeft gebracht en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hierover leugenachtig hebben verklaard. Zij hebben hiermee onrechtmatig gehandeld en hen treft hiervan een persoonlijk ernstig verwijt ten opzichte van [A] maar ook ten opzichte van [eiseres] . Tegelijkertijd stelt [eiseres] dat [L] te veel kosten in rekening heeft gebracht, omdat zij in een periode waarin de omzet terugliep onverminderd kosten bleef doorbelasten. Deze kosten betroffen onder meer personeel en materiaalgebruik, waaronder een truck die eigenlijk in eigendom was van [A] en ook kosten van elektriciteit. Voorts heeft [L] ook na augustus 2021, toen de shredder was stop gezet, nog kosten, waaronder kosten voor materiaalgebruik en personeelskosten, in rekening gebracht. Ook dit handelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is onrechtmatig en hen kan hiervan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt, aldus nog steeds [eiseres] .



5.12.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verweer gevoerd tegen de conclusie van de Ondernemingskamer dat de shredder tot en met augustus 2021 metaal is blijven verwerken. Zij zijn er 100% van overtuigd dat de shredder vanaf maart 2021 geen materiaal meer heeft verwerkt. Zij stellen dat de conclusie dat dit wel zo is, niet kan voortvloeien uit de gestelde feiten. Zij stellen dat er tot maart 2021 omzet is gemaakt met de shredder en dat [A] deze omzet heeft gefactureerd en geïncasseerd en dat vanaf maart 2021 de toevoer van materiaal is weggevallen. Daarna heeft de shredder gedraaid voor onderhoud, experimenten met andere grondstoffen en dergelijke. Het op onregelmatige tijden opstarten van de shredder heeft aanzienlijk veel energie gekost. Voor wat betreft het energieverbruik hebben zij tijdens de mondelinge behandeling nog gezegd dat ze, na onderzoek, inmiddels begrijpen waarom het energieverbruik onverminderd hoog is gebleven, ondanks het teruglopen van de omzet. Dit kwam omdat er ook andere machines dan de shredder op de elektriciteitsmeter hebben gedraaid, waardoor er ten onrechte elektriciteit op naam van [A] is geregistreerd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben dit ontdekt toen andere machines dan de shredder werden ontkoppeld. Voor wat betreft de bestelde onderdelen hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aangevoerd dat de hamers vervangen moesten blijven worden, zolang de shredder in gebruik bleef. De laatste bestelling dateerde van april 2021. De betreffende reserve hamers waren aanwezig toen de shredder in december 2021 is verkocht en zijn met de shredder mee geleverd aan [L] . De cijfers van de compressor installatie en de kraan bevestigen de stellingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat de shredder tot maart 2021 min of meer normaal heeft gedraaid, en daarna is stil gevallen en vormen geen aanwijzing dat te weinig omzet is gefactureerd.



5.13.
Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de stellingen van [eiseres] dat de shredder tot en met augustus 2021 onverminderd is blijven produceren voldoende hebben weersproken. Ook indien de rechtbank meeweegt dat de Ondernemingskamer in de beschikking tot het oordeel is gekomen dat de shredder tot en met augustus 2021 onverminderd is blijven produceren. De Ondernemingskamer baseert zich hierbij mede op het onderzoeksrapport. In de conclusie van het onderzoeksrapport is opgenomen dat ofwel [A] te veel kosten in rekening heeft gebracht ofwel te weinig omzet heeft gefactureerd. Daarin worden dus beide opties open gehouden. Vervolgens wordt gewezen op een onvoldoende bevredigende verklaring van de omstandigheid dat de omzet niet in verhouding is met het elektriciteitsgebruik en dat dit aanwijzingen zijn dat de shredder meer productie heeft gedraaid. Door een verklaring te geven voor het elektriciteitsverbruik en ook over de overige omstandigheden die hebben meegewogen bij het oordeel van de Ondernemingskamer, hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in deze procedure voldoende weersproken dat de shredder tot en met augustus 2026 is blijven produceren.



5.14.
Dit een en ander betekent dat [eiseres] in de gelegenheid zal worden gesteld te bewijzen dat de shredder tot en met augustus 2021 in bedrijf is geweest en dat [A] in de periode vanaf 2019 tot en met augustus 2021 meer materiaal heeft verwerkt dan dat zij in rekening heeft gebracht.



5.15.
Indien komt vast te staan dat [A] te weinig omzet in rekening heeft gebracht, kan, mede gelet op de conclusie van de Ondernemingskamer dat op dit punt sprake was van wanbeleid, worden geconcludeerd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiseres] en dat hen hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben op dit punt namelijk enkel ontkend dat [A] te weinig omzet in rekening heeft gebracht. Zij hebben geen, althans onvoldoende, verweer gevoerd tegen de stelling van [eiseres] dat, indien [A] te weinig omzet in rekening heeft gebracht, hen hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.



5.16.
Partijen hebben daarnaast gedebatteerd over het antwoord op de vraag waarom de omzet is stil gevallen en de shredder geen materiaal meer heeft verwerkt. [eiseres] stelt dat uit onderzoek niet duidelijk is geworden waarom de shredder is gestopt; of dat was omdat [M] stopte met leveringen, of omdat [L] is opgehouden verwerkt materiaal van [M] af te nemen, of omdat de shredder is stop gezet. Zij heeft op dit punt voorts nog gesteld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ten onrechte niets hebben ondernomen om de leveringen weer op peil te krijgen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wijzen erop dat [B] het stopzetten van de shredder heeft veroorzaakt, omdat hij zelf het verwerkingsmateriaal van [M] is gaan afnemen, waardoor [M] het materiaal niet meer aan [A] aanbood. Dit punt wordt pas relevant op het moment dat, anders dan [eiseres] stelt, de shredder eerder dan 1 september 2021 is stop gezet. Dan wordt pas relevant wat de reden is geweest voor het stopzetten van de shredder en of iemand hiervan een verwijt kan worden gemaakt en zo ja wie en of dit leidt tot een aansprakelijkheid van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] . Omdat de Ondernemingskamer tot het oordeel is gekomen dat de shredder tot en met augustus 2021 is blijven produceren, heeft zij zich hierover niet uitgelaten. De rechtbank zal dan ook pas nadat de bewijsopdracht is uitgevoerd, hierover oordelen.



5.17.
De onderzoeker heeft in het kader van de exploitatie van de shredder ook nog geconstateerd dat zij twijfels heeft over de rechtmatigheid van doorbelaste personeelskosten en andere kosten. [eiseres] heeft ook hierop een beroep gedaan. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren zelf op dit punt aan dat het de vraag is of, gelet op de gewijzigde omstandigheden, namelijk het volledig wegvallen van omzet, doorgegaan had mogen worden met kostendoorberekeningen en zo ja, in welke mate en op welke wijze. Zij erkennen dat mogelijk te veel kosten in rekening zijn gebracht en voeren aan hierover in gesprek te zijn met de vereffenaar in het kader van het treffen van een minnelijke regeling.



5.18.
Ook ten aanzien van dit punt geldt dat de rechtbank de stellingen pas kan beoordelen als tussen partijen vaststaat welke omzet in welke periode met de shredder is gegenereerd. Indien de shredder tot en met augustus 2021 omzet heeft gegenereerd, is het in beginsel terecht dat [L] kosten in rekening heeft gebracht. Alsdan zal moeten worden beoordeeld, welke omzet [A] in rekening had moeten brengen. Als de shredder vanaf 2019 minder omzet heeft gegenereerd en vanaf maart 2021 helemaal geen omzet meer heeft gegenereerd, zal moeten worden beoordeeld of [L] te veel kosten in rekening heeft gebracht en als dit het geval is, hoeveel en of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. De beslissing op dit punt zal dan ook eveneens worden aangehouden tot uitvoering is gegeven aan de bewijsopdracht.



5.19.
De conclusie is dat de rechtbank [eiseres] een bewijsopdracht zal geven en dat ieder verder oordeel op dit punt zal worden aangehouden.


b. Facturen en cessie




5.20.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Tussen partijen is niet in geschil dat [A] verschillende bedrijfsmodellen heeft gehanteerd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in de conclusie van antwoord de volgende drie bedrijfsmodellen beschreven. (i) Totdat het geschil tussen de aandeelhouders begon, bracht [M] verwerkingsmateriaal, waarvan zij het eigendom behield, naar [A] en zij kreeg (tegen een verwerkingsfee) het verwerkte materiaal retour, waarna zij het verkocht aan [L] . (ii) Toen het geschil was ontstaan leverde [M] het verwerkingsmateriaal aan [A] , waarna [A] het splitste in ijzer en koper. [A] kocht het ijzer van [M] en leverde dit aan [Q] B.V. (hierna [Q] ), een onderneming waarin [gedaagde 2] en [D] (indirect) aandeelhouder waren. [M] behield de eigendom van het koper en verkocht dit aan derden. (iii) Vanaf enig moment kocht [Q] het verwerkingsmateriaal van [M] en bracht dit voor verwerking naar [A] (maar behield het eigendom) en kreeg het na verwerking retour. In de dagvaarding heeft [eiseres] de volgende data genoemd voor het hanteren van de drie verschillende bedrijfsmodellen, welke data hij heeft overgenomen uit het onderzoeksrapport: Bedrijfsmodel 1 tot en met december 2019, bedrijfsmodel 2 in de periode van januari 2020 tot en met 5 juni 2020 en bedrijfsmodel 3 in de periode vanaf 6 juni 2020. Zij verwijst daarbij in plaats van naar [Q] naar [L] aan wie in periodes 2 en 3 zou zijn geleverd. Omdat [eiseres] de latere stelling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat in bedrijfsmodel 2 en 3 [Q] betrokken was, niet heeft betwist, constateert de rechtbank dat tussen partijen vaststaat dat vanaf januari 2020 [Q] betrokken was bij de aankoop van het verwerkte materiaal.



5.21.
Bij de hantering van bedrijfsmodel 1, in de periode tot 2020 ontving [A] metalen van [M] . In verband met de verwerking hiervan had [M] een schuld aan [A] (de verwerkingsfee). Deze schuld verrekende [M] met een door [L] aan [M] gecedeerde vordering van [L] op [A] . Dit was een vordering vanwege doorbelaste kosten door [L] aan [A] (zie hiervoor onder 3.10). Met deze cessie betaalde [L] aan [M] voor de metalen die zij bij [M] inkocht, nadat deze door [A] waren verwerkt. Ook nadat het bedrijfsmodel was aangepast en [A] materiaal van Van Hout Kabel inkocht en verkocht aan [Q] en weer later [Q] het materiaal van [M] inkocht en bij [A] aanleverde, bleven partijen in een driehoeksverhouding, namelijk [L] , [A] en [M] verrekenen.



5.22.
De Ondernemingskamer overweegt in de beschikking in r.o. 4.9. op het punt van de verrekeningen als volgt. [L] heeft in 2020 twee facturen aan [A] gestuurd van elk € 250.000. De eerste factuur van 2 maart 2020 had betrekking op de opbouw van de shredder in 2014 en de tweede factuur van 16 maart 2020 had betrekking op een eventuele toekomstige ontmanteling van de shredder. [A] heeft deze twee facturen zonder protest geaccepteerd en laten verrekenen met haar vorderingen op [L] . Volgens de Ondernemingskamer zijn er aanwijzingen dat deze facturen een rechtmatige grondslag missen:
- Over de verplichtingen zouden bij het begin van de onderneming mondelinge afspraken zijn gemaakt waarvan alle aandeelhouders op de hoogte waren. Er zijn echter geen notulen van aandeelhoudersvergaderingen overgelegd waaruit dat blijkt en het bestaan van de afspraken en/of een besluit hierover wordt door [B] weersproken.
- De jaarrekeningen 2017 tot en met 2019 bevatten geen vermelding van niet uit de balans blijkende verplichtingen voor deze bedragen, terwijl dit op grond van artikel 2:381 lid 1 BW vereist was geweest.
- De facturen bevatten geen bijlagen.
- Uit de administratie blijkt dat bij de opbouw van de shredder al ruim € 183.000 aan
aanpassingskosten in de oorspronkelijke boekwaarde was opgenomen (dit met het oog op
de eerste factuur).
- Een bestuursbesluit over het bestaan van de verplichting tot betaling van de kosten voor de toekomstige ontmanteling van de shredder (de tweede factuur) is er niet.



5.23.
In r.o. 4.10. overweegt de Ondernemingskamer voorts als volgt. In de periode 2018 tot en met maart 2020 hebben [A] , [M] en [L] , al dan niet met behulp van cessie van vorderingen, bedragen verrekend. Het onderzoeksrapport bevat een overzicht van de wijze waarop vorderingen van [A] op [M] zijn verrekend met schulden van [A] aan [L] . Uit het onderzoek is echter gebleken dat daarbij niet is voldaan aan de eisen van cessie en verrekening, terwijl de verschuldigdheid van bepaalde posten die ten laste van [A] bij de verrekening in aanmerking zijn genomen niet is komen vast te staan, een en ander ten nadele van [A] :
- De cessie van de in 2019 verrekende vorderingen en schulden voor een bedrag van € 1.139.416 is niet gedocumenteerd en daarmee onvoldoende bepaald;
- Bij de verrekenovereenkomst van 3 maart 2020 ontbreekt een bijlage, zodat mogelijk ook de verrekening van deze € 1.172.781 onvoldoende bepaald is;
- Voor de verrekening van 3 maart 2020 geldt bovendien dat het bedrag van de tweede factuur van € 250.000 (van 16 maart 2020) ook los van hetgeen onder 4.9 is overwogen ten onrechte in de verrekening is betrokken, omdat die van een latere datum is dan de verrekening;
- In de verrekening van 3 maart 2020 zijn ook doorbelastingen van na 3 maart 2020 betrokken.
Desondanks heeft het bestuur van [A] deze verrekeningen geaccepteerd. Deze gang van zaken draagt bij aan het oordeel van de Ondernemingskamer dat zich bij [A] wanbeleid heeft voorgedaan.



5.24.

[eiseres] stelt op dit punt, onder verwijzing naar de beschikking, dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld en hen hiervan een persoonlijk ernstig verwijst treft. Zij stelt dat door de verrekeningen in september 2019 en in maart 2020 ten onrechte in totaal € 2.312.297 aan het vermogen van [A] is onttrokken, waarbij alleen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en de aan hen gelieerde vennootschappen hebben geprofiteerd. Het gevolg was namelijk dat [M] niets betaalde voor de verwerking door [A] van het door [M] aangeleverde materiaal en dat [L] niets betaalde voor het verwerkte materiaal dat ze van [M] kocht. Voorts wijst zij ook op de facturen die in de verrekening zijn betrokken, waarvan de tweede factuur van € 250.000 inmiddels is gecrediteerd, zonder dat dit tot een afrekening heeft geleid.


5.25.
Voor wat betreft de verrekeningen hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gewezen op de drie verschillende bedrijfsmodellen en op het gehanteerde verrekeningsmodel. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vonden de verrekeningen lange tijd zonder enig probleem plaats. Ook [eiseres] heeft hiertegen lange tijd geen bezwaar gemaakt. Zij keurde de jaarrekeningen waarin de verrekeningen waren opgenomen goed en het bestuur werd gedechargeerd. Het was volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dan ook niet nodig dat voor deze regelmatig terugkerende verrekeningen steeds cessie-overeenkomsten werden getekend. Dat partijen hiertoe in de loop van 2020 zijn overgegaan omdat de spanningen inmiddels flink waren toegenomen, maakt dit niet anders. Zij wijzen nog erop dat Dekker heeft geconstateerd dat [L] vanaf enig moment ook vorderingen van derden heeft overgenomen en die vervolgens in het verrekeningsstelsel heeft ingebracht. Dat is echter geen probleem, als de betreffende posten maar reëel zijn en alle betrokkenen solvent, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .



5.26.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren voorts aan dat het oordeel van de Ondernemingskamer betrekking heeft op de twee facturen van € 250.000. De eerste factuur betreft de kosten voor de ontmanteling, verhuizing en opbouw van de shredder in 2013. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat [A] de shredder heeft gekocht van een onderneming binnen de [familienaam gedaagde 1] -groep van ondernemingen. De shredder stond toen in België. [D] heeft met vier tot vijf medewerkers gedurende 3 tot 4 weken de shredder gedemonteerd en weer opgebouwd in [plaats] . De shredder is een grote machine, 64 meter lang. Dit betekent dat de afbouw en opbouw veel tijd heeft gekost en dat daarvoor terecht kosten in rekening zijn gebracht. De aandeelhouders hebben ook schriftelijk bevestigd dat deze afspraak bij aankoop van de shredder is gemaakt.



5.27.
De rechtbank begrijpt de conclusie van de Ondernemingskamer aldus dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wordt verweten dat zij verrekeningen hebben geaccepteerd waarbij vennootschappen waren betrokken waarin zij allebei of één van hen ook een belang hadden, zonder dat deze verrekeningen in de stukken duidelijk waren gedocumenteerd en/of hiervoor cessie-overeenkomsten waren opgesteld. Naast hetgeen de Ondernemingskamer over de verrekeningen heeft geconstateerd, constateert de rechtbank nog het volgende:
( i) in de verrekening werden kennelijk vanaf enig moment ook vorderingen betrokken van andere vennootschappen dan [A] , [L] of [M] , zoals bijvoorbeeld [Q] (huurpenningen en later ook omzet). Kennelijk werden hiervoor ook geen cessie-overeenkomsten opgesteld. De rechtbank wijst in dit verband ook op het standpunt van Dekker dat tijdens de mondelinge behandeling uitgebreid aan de orde is gekomen, dat [L] vorderingen dan wel schulden van andere vennootschappen op [A] overnam en meenam in de verrekening.
(ii) ook werden verrekeningen meegenomen van posten die pas verschuldigd zouden worden na de datum van de verrekening en waarvan de verschuldigdheid dus nog helemaal niet vast stond. Een van deze posten betrof het bedrag van € 250.000 voor de mogelijk nog te ontmantelen shredder (zie ook paragraaf 5.31).
(iii) bij de verrekeningen waren vennootschappen betrokken waarin ten minste een van de bestuurders een belang had, namelijk [L] , [Q] en andere vennootschappen, waarin [gedaagde 2] een indirect belang had en [M] waarin [gedaagde 1] tot en met november 2019 een indirect belang had.
(iv) [A] had zelf geen personeel. [L] , waarin [gedaagde 2] een belang had, was in feite verantwoordelijk voor de administratie van [A] .
( v) [eiseres] was minderheidsaandeelhouder. Hem was in 2017 de toegang tot het terrein van [A] ontzegd. En er waren al vanaf 2019 geschillen tussen de aandeelhouders van [A] waarbij [eiseres] stond tegenover de overige aandeelhouders.



5.28.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onder al deze omstandigheden als redelijk handelend bestuurders niet zonder duidelijke documentatie, waaronder cessie-overeenkomsten en/of een toelichting op de verrekende bedragen, de verrekeningen hadden mogen accepteren van schulden die [A] had jegens [L] dan wel [Q] of andere vennootschappen, met vorderingen die [A] had op [M] en of [L] . Dat gedurende langere tijd zonder enig probleem op deze manier werd verrekend, betekent hoogstens dat dit mogelijk verklaart waarom [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hiermee zijn doorgegaan, ook op het moment dat de spanningen steeds verder opliepen, andere vennootschappen werden betrokken, en de bedrijfsmodellen wijzigden, maar maakt deze praktijk niet aanvaardbaar.



5.29.
Van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] mocht worden verwacht dat zij onder de gestelde omstandigheden de nodige zorgvuldigheid betrachtten bij het uitvoeren van de verrekeningen. Deze verplichtingen hadden zij jegens [A] maar ook jegens [eiseres] als minderheidsaandeelhouder, omdat zij geen belang had in de vennootschappen die bij de verrekeningen waren betrokken, en (een van) de bestuurders wel. De zorgvuldigheid die van hen verwacht mocht worden, hebben zij echter niet in acht genomen en daarmee hebben zij jegens [eiseres] gehandeld in strijd met artikel 6:162 BW in samenhang met artikelen 2:8 en 2:9 BW. Jegens [eiseres] kan hen van dit handelen ook een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. De omstandigheid dat alle betrokken vennootschappen solvent zijn, maakt dit niet anders. Het gaat niet zozeer om de solvabiliteit van de betrokken vennootschappen maar om de administratieve verwerking en daarmee het inzicht in de verrekeningen en de controle die over de verrekeningen kan worden uitgeoefend. Niet kan worden geconcludeerd dat voldoende inzicht bestaat in de verrekeningen in september 2019 en in maart 2020. Van de verrekening in september 2019 is helemaal geen overeenkomst opgesteld. Van de verrekening in maart 2020 is wel een overeenkomst opgesteld, maar ontbreekt een bijlage waarnaar wordt verwezen maar die er helemaal niet is. Dit oordeel van de rechtbank betekent overigens niet dat dus ook vaststaat dat [eiseres] met dit handelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] schade heeft geleden. Daarvoor is onder meer noodzakelijk dat komt vast te staan dat ten onrechte bedragen zijn verrekend en dat [A] een daardoor ontstane vordering niet kan innen. Ook kan [eiseres] mogelijk schade lijden als niet meer kan worden vastgesteld of bedragen terecht zijn verrekend, waardoor de vordering van [A] op derden lager uitvalt, omdat dit invloed kan hebben op de waarde van de aandelen in [A] .



5.30.
Ten aanzien van de verrekening van de twee facturen van € 250.000 overweegt de rechtbank verder als volgt. Voor wat betreft de factuur van € 250.000 voor de verhuizing van de shredder in 2014 volgt de rechtbank het oordeel van de Ondernemingskamer dat niet is komen vast te staan dat de aandeelhouders destijds in 2014 de afspraak hebben gemaakt dat voor de verhuizing aan [A] nog een bedrag van € 250.000 in rekening mocht worden gebracht. Aan de door de Ondernemingskamer genoemde omstandigheden voegt de rechtbank nog toe dat [B] bij het opvoeren van de factuur niet betrokken is geweest, dat hij de gemaakte afspraken niet kent en dat dit ook geldt voor de broer van [gedaagde 1] , [H] . Deze heeft geweigerd om in 2020 te tekenen dat de afspraken destijds zijn gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat het bedrag van € 250.000 ten onrechte in de verrekening is betrokken, dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hiermee onrechtmatig jegens [eiseres] hebben gehandeld en hen hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zij waren als bestuurder verantwoordelijk voor [A] en hebben haar belangen ten faveure van andere aandeelhouders dan [eiseres] veronachtzaamd.



5.31.
Ook van het betrekken in de verrekening van het tweede bedrag van € 250.000 kan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. Er was sprake van een geschil tussen de aandeelhouders. Over de toekomst van [A] waren nog geen besluiten genomen. Het was dan ook prematuur om een rekening op te stellen voor mogelijke ontmantelingskosten, zoals ook later is gebleken toen de factuur weer is gecrediteerd. De enige die hiervan profiteerde was [L] , omdat bij de verrekening rekening werd gehouden met een vordering van haar op [A] van een bedrag van € 250.000 zonder dat op dat moment reëel voorzienbaar was dat [L] werkelijk voor de ontmanteling van de shreddder kosten zou moeten maken. Ook ten aanzien van deze verrekening is de rechtbank van oordeel dat het bedrag van € 250.000 ten onrechte in de verrekening is betrokken, dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hiermee onrechtmatig jegens [eiseres] hebben gehandeld en hen hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zij waren als bestuurder verantwoordelijk voor [A] en hebben haar belangen ten faveure van een andere aandeelhouder dan [eiseres] veronachtzaamd.



5.32.
De conclusie is dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben gehandeld in strijd met artikel 6:162 BW in samenhang met artikelen 2:9 en 2:9 BW en dat hen daarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt door de verrekeningen van september 2019 en van maart 2020 te accepteren en daarbij de twee facturen van € 250.000 te betrekken.


c. Tegenstrijdig belang




5.33.
De Ondernemingskamer heeft in paragraaf 4.11. en verder van de beschikking geoordeeld dat uit het onderzoeksrapport is gebleken dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als bestuurder van [A] hun tegenstrijdige belangen onvoldoende hebben onderkend en de wettelijke en statutaire bepalingen daaromtrent niet hebben gevolgd; zij hebben de op hen rustende verplichtingen geschonden. Voor wat betreft [gedaagde 1] verwijst de Ondernemingskamer naar de volgende gedragingen waarbij [gedaagde 1] als bestuurder van [A] en, tot 29 november 2019, als indirect bestuurder van [M] optrad:
- het te weinig in rekening brengen van verwerkingskosten aan [M] (bedrijfsmodel tot 6 juni 2020, zie onder 3.3), gegeven de conclusie van de Ondernemingskamer dat de shredder onverminderd is blijven produceren tot en met augustus 2021 (4.8);
- het toestaan van verrekening van schulden van [A] aan [L] en [Q] (huurpenningen) met de vordering van [A] op [M] , terwijl de
onderliggende cessie van de vordering van [L] aan [M] van
24 september 2019 niet gedocumenteerd was en er geen relatie was tussen [M]
en [Q] .



5.34.
Voor wat betreft [gedaagde 2] verwijst de Ondernemingskamer naar de volgende gedragen:
- het niet of te weinig in rekening brengen van verwerkingskosten door [A] aan [L] (bedrijfsmodel vanaf 6 juni 2020), gegeven de conclusie dat de shredder onverminderd is blijven produceren tot en met augustus 2021 (4.8.);
- het accepteren door [A] en de boekhoudkundige verwerking in 2020 (in de zin van het accepteren van verrekeningen door [L] ) van twee schijnbaar gefabriceerde vorderingen van [L] op [A] van € 250.000 (zie ook 4.10.);
- verrekening van vorderingen van [A] op [M] met schulden aan [L] , zonder dat daaraan een rechtsgeldige cessie ten grondslag ligt.



5.35.
De Ondernemingskamer heeft vervolgens in paragraaf 4.15. vastgesteld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met hun handelen als bestuurder van [A] hun persoonlijke betrokkenheid bij de andere betrokken vennootschappen niet zorgvuldig gescheiden hebben gehouden van de belangen van [A] en dat zij daarover in strijd met artikel 2:8 BW niet de nodige openheid hebben betracht jegens [eiseres] . Zij hebben bij hun handelen als bestuurder van [A] hun persoonlijke belangen in [L] respectievelijk [M] ten onrechte laten prevaleren boven het belang van [A] door verwerkte materialen niet bij de opdrachtgevers [M] en nadien [L] (juist) in rekening te brengen en door verrekeningen van (gelet op de omzet van [A] ) zeer aanzienlijke bedragen te accepteren die een redelijk handelend bestuurder betwist zou hebben. Aldus heeft [A] gehandeld in strijd met elementaire beginselen van behoorlijk ondernemingsbestuur.



5.36.
De rechtbank ziet op grond van de stellingen van partijen geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de Ondernemingskamer, met uitzondering van het oordeel van de Ondernemingskamer ten aanzien van het doorlopen van de omzet tot en met augustus 2021. In afwachting van de vervulling van de bewijsopdracht houdt de rechtbank haar oordeel op dit punt aan. Hieruit volgt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in strijd met artikel 9 van de statuten van [A] hebben gehandeld door deel te nemen aan besluitvorming terwijl ze een tegenstrijdig belang hadden. Van handelen in strijd met de statuten kan bestuurders in principe een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben geen feiten en of omstandigheden gesteld die de conclusie kunnen dragen dat hun handelen in strijd met de statutaire bepalingen niet een persoonlijk ernstig verwijt oplevert. Zij erkennen dat zij achteraf bezien te laat tot het inzicht zijn gekomen dat zij meer transparantie en zorgvuldigheid hadden moeten betrachten bij de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van transacties met een reëel risico op belangverstrengeling en zij erkennen dat zij ten onrechte aan beraadslagingen hebben deelgenomen waar sprake was van een tegenstrijdig belang. Zij geven hiervoor als reden dat zij dat altijd hebben gedaan. Het deelnemen aan beraadslagingen terwijl sprake is van een tegenstrijdig belang, kan niet en is in strijd met de tegenstrijdig belang regeling. Dit is ook het geval als de andere bestuurder zich bewust is van het tegenstrijdig belang en de bestuurder met het tegenstrijdig belang hem daarover informeert. De omstandigheid dat de transacties met een conflicterend belang steeds onder redelijke en marktconforme voorwaarden zijn geschied en daarmee zakelijk verantwoord, behoudens na het stilvallen van de onderneming in maart 2021, maakt dit niet anders. Noch daargelaten het antwoord op de vraag of dit bij de verrekening van de twee facturen van € 250.000 het geval is geweest, speelt dit pas een rol bij het antwoord op de vraag of [eiseres] schade heeft geleden als gevolg van het handelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Als sprake is geweest van zakelijk verantwoorde transacties is het immers de vraag of [A] en [eiseres] daardoor schade hebben geleden.



5.37.
De conclusie van de rechtbank is dat [gedaagde 1] voor wat betreft de door de Ondernemingskamer genoemde handelingen zoals beschreven onder 5.33. en dat [gedaagde 2] voor wat betreft de door de Ondernemingskamer genoemde handeling zoals beschreven onder 5.34. in strijd met artikel 2:239 lid 6 BW hebben gehandeld, dat hen hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt en dat zij hiermee ook een zorgvuldigheidsnorm richting [eiseres] hebben geschonden.


Conclusie




5.38.
De rechtbank zal een bewijsopdracht geven voor wat betreft het tijdstip waarop de shredder is stop gezet en voor wat betreft de omzet die [A] heeft gefactureerd. Voor wat betreft de andere verwijten van [eiseres] aan het adres van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (zie 5.6.) zal de rechtbank in het eindvonnis voor recht verklaren dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben gehandeld in strijd met artikel 6:162 BW in samenhang met artikelen 2:8, 2:9 en/of 2:239 lid 6 BW, behoudens voor zover het handelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betrekking heeft op de gefactureerde omzet en doorbelaste kosten. Op dit punt wordt ieder oordeel aangehouden.



5.39.
Hetzelfde geldt voor het beroep van [eiseres] op groepsaansprakelijkheid. Pas als de omvang van het verwijtbare handelen vaststaat, zal de rechtbank dit beroep van [eiseres] beoordelen.


Schade




5.40.
De rechtbank zal een tussenvonnis wijzen waarin zij [eiseres] een bewijsopdracht zal geven. Dit betekent dat zij thans nog niet zal oordelen over de vorderingen van [eiseres] inzake de door haar geleden schade. Zij zal haar oordeel hierover aanhouden.

Tot slot




5.41.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.






6De beslissing

De rechtbank:


6.1.
draagt [eiseres] op feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat
(i) de shredder van [A] tot en met augustus 2021 is blijven produceren;
(ii) [A] in de periode vanaf 2019 tot en met augustus 2021 meer materiaal heeft verwerkt dan dat zij in rekening heeft gebracht.



6.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 juni 2026 voor uitlating door [eiseres] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;



6.3.
bepaalt dat [eiseres] , indien zij bewijsstukken wil overleggen, die stukken op de rol van 24 juni 2026 in het geding moet brengen;



6.4.
bepaalt dat [eiseres] , indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden juli tot en met oktober 2026 moet opgeven op de rolzitting van 24 juni 2026 waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;



6.5.
bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van de daartoe tot rechter-commissaris benoemde mr. A.C. Bordes in het paleis van justitie te Den Haag aan de Prins Clauslaan 60 dan wel het paleis van justitie te ’s-Hertogenbosch aan de Leeghwaterlaan 8;



6.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes, (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en mr. L.P. Kruidenier en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.



de feiten zijn deels overgenomen uit de beschikking van de Ondernemingskamer van 31 januari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:225.



ECLI:NL:GHAMS:2020:1790


ECLI:NL:HR:2008:BC4959


ECLI:NL:HR:2008:BC4959
Link naar deze uitspraak