Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:6314 
 
Datum uitspraak:01-09-2026
Datum gepubliceerd:01-09-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:SHE 25/1262
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:De uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van drie distributiecentra aan de Collse Hoefdijk in Nuenen. Eisers zijn het daarmee niet eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat een aantal beroepsgronden slagen. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat het bestreden besluit niet is genomen in strijd met het in artikel 3.5.4 van de planregels opgenomen gebruiksverbod. Daarnaast heeft het college het bestreden besluit ten onrechte genomen met toepassing van de bevoegdheid in artikel 2.12, eerste lid onder a, onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in combinatie met artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), omdat de projectlocatie buiten de bebouwde kom is gelegen. Het college heeft voorts onvoldoende gemotiveerd dat de gevolgen van de toename van de opslagcapaciteit niet leiden tot een onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naburige percelen of onevenredige aantasting van de belangen van derden en dat, gelet daarop, sprake is van overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. Verder heeft college onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van strijd met de redelijke eisen van welstand en heeft hij onvoldoende onderbouwd of de bezwaren vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige inrichting en vormgeving/beeldkwaliteit aanvaardbaar worden geacht en of sprake is van een onevenredige aantasting van in de omgeving aanwezige architectonische en/of cultuurhistorische waarden, dan wel van de ecologische hoofdstructuur. De beroepen zijn daarom in zoverre gegrond. Het college zal met deze tussenuitspraak in de gelegenheid worden gesteld de geconstateerde gebreken te herstellen.
Trefwoorden:aanlegvergunning
agrarisch
bestemmingsplan
buitengebied
omgevingsvergunning
perceel
stikstofdepositie
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 25/1262, SHE 25/1357, SHE 25/1405, SHE 25/1407, SHE 25/1413, SHE 25/1421, SHE 25/1422, SHE 25/1431, SHE 25/1432, SHE 25/1433, SHE 25/1435, SHE 25/1436, SHE 25/1438, SHE 25/1455, SHE 25/1461, SHE 25/1464, SHE 25/1465, SHE 25/1469, SHE 25/1471, SHE 25/1474, SHE 25/1478, SHE 25/1481, SHE 25/1483, SHE 25/1491, SHE 25/1495, SHE 25/1498, SHE 25/1514 en SHE 25/1678.
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen


zaak SHE 25/1262

Vereniging van Eigenaren en bewoners [naam], uit [woonplaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. T. van Dijk),

zaak SHE 25/1357

Stichting [naam] , uit [woonplaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. W.A. Braams)

zaak SHE 25/1405


[eisers]
, uit [woonplaats] , eisers,
(gemachtigde: mr. G.T. van de Weerdt),

Zaak SHE 25/1407

het college van burgemeester en wethouder van de gemeente Geldrop-Mierlo, eiseres,
(gemachtigde: mr. J. Buijs en mr. M.P.H. Govers)

zaak SHE 25/1413


[naam] Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie, uit [woonplaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. W.A. Braams)

zaak SHE 25/1421


[naam]
, uit [woonplaats] , eisers,
(gemachtigde: [naam] ),

zaak SHE 25/1422
1. [naam], uit [woonplaats] ,
2. [naam], uit [woonplaats] ,
eisers,
(gemachtigde: mr. K. Hoeveler),

zaak SHE 25/1431

huisartsenpraktijk [naam] , huisartsenpraktijk [naam] en


huisartsencentrum [naam] , uit [woonplaats] , eisers,
(gemachtigde: mr. M.J. Smaling),
zaak SHE 25/1432


[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

zaak SHE 25/1433


[naam] , uit [woonplaats] , eisers

zaak SHE 25/1435


[naam]
, uit [woonplaats] , eiseres

zaak SHE 25/1436


[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. M.J. Smaling),

zaak SHE 25/1455


[naam] en [naam] , uit [woonplaats] ,
eisers,

zaak SHE 25/1461


[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. M.R.A. Arntz),

zaak SHE 25/1464 1. [naam] , uit [woonplaats] ,
2. [naam] en [naam], uit [woonplaats] ,
3. [naam] en [naam], uit [woonplaats] ,
4. [naam] en [naam], uit [woonplaats] ,
5. [naam] en [naam], uit [woonplaats] ,
6. [naam], uit [woonplaats] ,
7. [naam] , uit [woonplaats] ,
8. [naam] en [naam], uit [woonplaats] ,
eisers,
(gemachtigde: mr. W. Koster),

zaak SHE 25/1465


[naam]
, uit [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: [naam] )

zaak SHE 25/1469

Vereniging van Eigenaren van appartementencomplex [naam] , uit [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: [naam] )

zaak SHE 25/1471

De vereniging Belangenvereniging [naam] :


- [naam] ,


- [naam] ,


- [naam] ,


-Tuincentrum [naam] [woonplaats] ,


- Hotel [naam] ,


- [naam] ,


- [naam] ,


- [naam] ,


- [naam] ,


- [naam] ,


- [naam] ,


- [naam] ,


- [naam] ,

uit [woonplaats] en [woonplaats] , eisers,
(gemachtigde: [naam] ),

zaak SHE 25/1474


[naam] en [naam], uit [woonplaats] , eisers,

zaak SHE 25/1478


[naam] en [naam], uit [woonplaats] , eisers,

zaak SHE 25/1481
1. Stichting [naam], uit [woonplaats] ,
2. Stichting [naam], uit [woonplaats] ,
eisers,
(gemachtigde: mr. R. Hörchner),

zaak SHE 25/1483


[naam]
, uit [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. M.R.A. Arntz),

zaak SHE 25/1491


[naam] en [naam] , uit [woonplaats] , eisers,

zaak 25/1495


[naam]
, uit [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. W. Koster),

zaak SHE 25/1498


[naam] B.V., uit [woonplaats] , eiseres,
(gemachtigde: [naam] ),

zaak SHE 25/1514


[naam]
, uit [woonplaats] , eiser,

zaak SHE 25/1678


[naam] en [naam], uit [woonplaats] , eisers,

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten, het college,
(gemachtigde: mr. D. Korsse en [naam] ),

Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
1. de Omgevingsdienst Brabant Noord, namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant (GS), uit ’ [woonplaats] ,
(gemachtigde: mr. E.C.S.F. Frenken),
2. [naam] B.V. uit [vestigingsplaats] , (grondeigenaar),
3. [vergunninghoudster] . uit [vestigingsplaats] , (vergunninghoudster),
(gemachtigde: [naam] ).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van drie distributiecentra aan de [adres] in [vestigingsplaats] . Eisers zijn het daarmee niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bestreden besluit niet is genomen in strijd met het in artikel 3.5.4 van de planregels opgenomen gebruiksverbod. Daarnaast heeft het college het bestreden besluit ten onrechte genomen met toepassing van de bevoegdheid in artikel 2.12, eerste lid onder a, onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in combinatie met artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), omdat de projectlocatie buiten de bebouwde kom is gelegen. Het college heeft voorts onvoldoende gemotiveerd dat de gevolgen van de toename van de opslagcapaciteit niet leiden tot een onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naburige percelen of onevenredige aantasting van de belangen van derden en dat, gelet daarop, sprake is van overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. Verder heeft college onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van strijd met de redelijke eisen van welstand en heeft hij onvoldoende onderbouwd of de bezwaren vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige inrichting en vormgeving/beeldkwaliteit aanvaardbaar worden geacht en of sprake is van een onevenredige aantasting van in de omgeving aanwezige architectonische en/of cultuurhistorische waarden, dan wel van de ecologische hoofdstructuur. De beroepen zijn daarom in zoverre gegrond. De overige in deze uitspraak beoordeelde beroepsgronden slagen niet. Het college zal met deze tussenuitspraak in de gelegenheid worden gesteld de geconstateerde gebreken te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Daarna volgt de beslissing van de rechtbank.




Procesverloop

2. Vergunninghoudster heeft op 6 augustus 2021 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Het college heeft een omgevingsvergunning met het besluit van 12 mei 2025 verleend.


2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. De griffier heeft in de zittingsaantekeningen bijgehouden welke personen aanwezig zijn geweest tijdens de zitting.





Beoordeling door de rechtbank


De feiten en omstandigheden

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


3.1.
Op 6 augustus 2021 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van drie distributiecentra aan de [adres] in [woonplaats] . Het huidige bouwplan is 19 hectare groot en is gelegen op dertien verschillende kadastrale percelen.



3.2.
Op deze locatie was het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Eeneind-West 2015” van toepassing (dat inmiddels onderdeel vormt van het Omgevingsplan gemeente Nuenen). De gronden hebben de bestemmingen “Bedrijventerrein” en (gedeeltelijk) ‘Waterstaat -beschermingszone watergang”. In de toelichting op het bestemmingsplan is het volgende vermeld: “Op basis van het aantal arbeidsplaatsen en invulling van het terrein wordt een verkeersproductie van circa 3.500 motorvoertuigen per werkdag verwacht.”


Het bestreden besluit

4. De aangevraagde omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1. aanhef en onder a van de Wabo), het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met bestemmingsplan (artikel 2.1. lid 1 aanhef en onder c van de Wabo) en de aangehaakte toestemming voor handelingen met gevolgen van beschermde plant- en diersoorten (artikel 2.1. lid 1 aanhef en onder i van de Wabo). Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan alleen in strijd is met artikel 3.2.2. aanhef en onder d en artikel 3.2.4. aanhef en onder d van het bestemmingsplan omdat de bouwhoogte binnen de zones “Zone [adres] ” en “Zone buitengebied” minimaal 6 meter en maximaal 12 meter mag bedragen. De aanvraag ziet op bedrijfsgebouwen met een bouwhoogte van 14 meter. Om vergunningverlening mogelijk te maken heeft het college gebruik gemaakt van een buitenplanse afwijkingsbevoegdheid, zijnde artikel 4 lid 1 bijlage II van het Bor.


4.1.
De besluitvorming is uitgevoerd met de uitgebreide procedure vanwege de aanhaking van de activiteit handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten (artikel 3.10 lid 1 onder e Wabo). Het ontwerpbesluit met bijbehorende stukken is met ingang van 24 juni 2024 gedurende een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Na ontvangst van de op 1 mei 2024 afgegeven verklaring van bedenkingen (hierna: vvgb) door GS heeft het college vanaf 25 februari 2025 nog aanvullende stukken ter inzage gelegd.



4.2.
Vergunninghoudster heeft op 6 augustus 2021 een vergunning voor de Natura 2000-activiteit los aangevraagd bij GS.


De ontvankelijkheid van het beroep in zaak 25/1498

5. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.



5.1.
Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 385,-. Op grond van artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb moet het griffierecht binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier dat het verschuldigd is, zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, is het beroep op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.



5.2.
De griffier heeft eiseres bij brief van 27 juni 2025 in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Eiseres heeft niet gereageerd. Vervolgens heeft de griffier bij aangetekend verzonden brief van 28 juli 2025 eiseres nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Daarbij is eiseres gewezen op het risico van niet-ontvankelijk verklaring. Onderzoek heeft uitgewezen dat deze brief niet is afgehaald op een PostNL-locatie en retour is gezonden naar de afzender.



5.3.
Bij brief van 29 augustus 2025 heeft de rechtbank eiseres verzocht om binnen één week schriftelijk mede te delen wat de reden is van niet tijdig herstellen van het verzuim.



5.4.
Namens eiseres is met de e-mail 5 september 2025 als reden voor de vertraging van het voldoen van het griffierecht aangegeven dat de brieven in de vakantieperiode zijn ontvangen, waardoor de termijnen genoemd in beide brieven helaas zijn verlopen. Eiseres heeft op 5 september 2025 het griffierecht alsnog voldaan.



5.5.
De rechtbank is van oordeel dat dit geen verschoonbare reden is voor het verzuim. Eiseres had gedurende de afwezigheid van degene die de post bijhoudt, iemand anders kunnen verzoeken om de deze bij te houden.



5.6.
Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Omdat eiseres na afloop van de gestelde termijn alsnog heeft betaald, wordt het bedrag teruggestort. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


De ontvankelijkheid van de beroepen in zaken 25/1432 en 25/1455

6. De rechtbank verklaart de beroepen in zaken 25/1432 en 25/1455 niet-ontvankelijk. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.



6.1.
Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat houdt in: aangeven op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Wanneer dit niet wordt gedaan, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep niet-ontvankelijk verklaren.



6.2.
Eisers hebben geen beroepsgronden vermeld in hun beroepschrift. De rechtbank heeft bij eisers in zaken 25/1432 en 25/1455 bij brief van 23 juni 2025 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. Eisers hebben binnen die termijn geen gronden ingediend.



6.3.
Bij brief van 25 juli 2025 heeft de rechtbank aan eiser in zaak 25/1432 verzocht om binnen één week schriftelijk mede te delen wat de reden is van niet tijdig herstellen van het verzuim. Aan eiser in zaak 25/1455 is bij brief van 28 juli 2025 verzocht om binnen één week schriftelijk mede te delen wat de reden is van niet tijdig herstellen van het verzuim. Eisers hebben niet op deze brieven gereageerd.



6.4.
In de brief van 23 juni 2025 is een termijn van vier weken gegeven. De rechtbank acht dit een redelijke termijn voor het indienen van gronden en eisers hebben niet onderbouwd dat deze termijn in hun specifieke geval te kort zou zijn. Verder zijn eisers in de brief van 23 juni 2025 gewezen op het feit dat zij bij een uitzonderlijk geval uitstel van deze termijn had kunnen vragen, ook dat hebben zij niet gedaan.



6.5.
Het beroep van deze eisers is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Herhaling argumenten zienswijzen


7. Voor zover het college meent dat een aantal eisers slechts heeft verwezen naar hun zienswijze en dat dat zou moeten betekenen dat hun beroep niet-ontvankelijk is, overweegt de rechtbank dat een groot aantal eisers tegelijkertijd aanwezig is geweest op de zitting van 2 juni 2026 waar een groot deel van de beroepsgronden nog eens uitvoerig nader is besproken. Vanwege de gezamenlijke behandeling hebben niet alle eisers het woord kunnen nemen, maar het is de rechtbank en alle aanwezige partijen helder waarom eisers het op de punten die hierna behandeld worden, niet eens zijn met het bestreden besluit.


Incorrecte toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure


8. Eiseres in zaak 25/1407 betoogt dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Awb (hierna: de UOV) op een onjuiste wijze is toegepast. Volgens eiseres is onduidelijk en niet controleerbaar of het college alle
zienswijzen op een juiste en volledige wijze heeft beoordeeld aangezien het verwijst naar “circa” 1500 zienswijzen. Hierdoor zijn de belangen van eiseres ten onrechte niet meegewogen. Dit wordt versterkt door het feit dat de schriftelijk ingediende zienswijzen in weerwil van artikel 3:14, eerste lid, van de Awb niet (in geanonimiseerde vorm) ter inzage zijn gelegd.



8.1.
Eisers in zaken 25/1375, 25/1407, 25/1433, 25/1435 en 25/1413 voeren aan dat het college bij de ter inzagelegging van het ontwerpbesluit niet alle bijlagen had bijgevoegd. Om deze reden was er een tweede ter inzagelegging noodzakelijk, die op 25 februari 2025 plaatsvond. De gegeven termijn van twee weken voor een nadere zienswijze is in strijd met het gestelde in artikel 3:16 van de Awb. De in de wet gestelde procedure is dus niet correct gevolgd, hetgeen tot vernietiging van het besluit dient te leiden. Eiseres in zaak 25/1407 heeft daaraan toegevoegd dat het college daarbij de mogelijkheid om over deze stukken een nadere zienswijze naar voren te brengen ten onrechte uitsluitend heeft opengesteld aan degenen die al eerder een zienswijze hebben ingediend, terwijl deze mogelijkheid aan eenieder gegeven had moeten worden.



8.2.
Eisers in zaak 25/1474 voegen daaraan toe dat de context ontbreekt met betrekking tot eerdere terinzageleggingen. De quickscan Flora en Fauna is van juni 2021. Deze is te oud om gebruikt te mogen worden. Het locatieonderzoek is van 1998 en is niet meer actueel. De vvgb gaat uitsluitend over de bouwfase, terwijl het merendeel van de negatieve gevolgen te maken hebben met de bedrijfsvoering als de bouw is afgerond.



8.3.
Het college stelt dat het vaste rechtspraak is van de Afdeling dat artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen verzet dat zienswijzen samengevat en per thema mogen worden weergegeven. Voor een voldoende motivering is het niet nodig dat op elk argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk wordt ingegaan. In het voorliggende geval heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Verder zijn de ingediende zienswijzen, anders dan eiseres in zaak 25/1407 betoogt, wel (geanonimiseerd) digitaal te raadplegen, namelijk op: https://open.nuenen.nl/woobesluit-eeneindwest. De reacties op de bijlagen behorende bij de vvgb (ook geanonimiseerd) zijn ook digitaal te raadplegen, namelijk op: https://open. nuenen.nl/woo-verzoek-eeneind-west-reacties-en-adviezen.



8.4.
Het college stelt zich verder op het standpunt dat het juist is dat een aantal stukken die behoren bij de afgegeven vvgb per abuis niet tezamen met de ontwerp-omgevingsvergunning en de ontwerp-vvgb ter inzage zijn gelegd. Om die reden heeft het college deze stukken alsnog gedurende de ontwerpfase - en dus vóórdat de bestreden omgevingsvergunning is genomen - ter inzage gelegd en gedurende een periode van twee weken (alsnog) de gelegenheid gegeven om (nader) te reageren op deze stukken. Hiermee is er voldoende gelegenheid geweest voor het indienen van (nadere) reacties op deze stukken. Het college wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2008. Niet is gebleken dat deze gestelde termijn te kort is (geweest) om adequaat te reageren op de stukken. Immers, ook eisers hebben binnen deze periode een aanvullende zienswijze ingediend. Alle reacties die gedurende deze periode zijn binnengekomen, zijn ook meegenomen en beoordeeld in de zienswijzennota. Van een schending in processuele belangen is geen sprake. Eisers hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat zij door deze handelswijze zijn benadeeld.



8.5.
Voor zover eiseres 25/1407 tot slot betoogt dat in strijd met artikel 3:15 lid 2 van de Awb jo. artikel 3.12 lid 5 van de Wabo niet eenieder in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze kenbaar te maken op deze alsnog later ter inzage gelegde stukken, stelt
het college vast dat niet is gebleken dat eiseres in zaak 25/1407 door deze handelswijze is benadeeld, Ook is niet aannemelijk (gemaakt) dat anderen door deze handelswijze
zijn benadeeld.



8.6.
Het wettelijk kader luidt als volgt:
Artikel 3:11 van de Awb
1. Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage, met uitzondering van stukken waarvoor bij wettelijk voorschrift mededeling op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze is voorgeschreven.
2. Artikel 5.1 van de Wet open overheid is van overeenkomstige toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.
3. De stukken liggen ter inzage gedurende de in artikel 3:16, eerste lid, bedoelde termijn.

Artikel 3:16 van de Awb
1.De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen en het uitbrengen van adviezen als bedoeld in afdeling 3.3, bedraagt zes weken, tenzij bij wettelijk voorschrift een langere termijn is bepaald.
2.De termijn vangt aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd en daarvan kennis is gegeven.
3.Op schriftelijk naar voren gebrachte zienswijzen zijn de artikelen 6:9, 6:10 en 6:15 van overeenkomstige toepassing.



8.7.
Ten aanzien van de “oude stukken” volgt de rechtbank het standpunt van het college. Het college heeft aangegeven dat de uitgevoerde onderzoeken nog steeds actueel zijn. Uit niets blijkt dat de onderzoeken verouderd zouden zijn. Er is geen wettelijke grondslag die regelt welke gegevens en onderzoeken gebruikt mogen worden bij de afgifte van een verklaring van geen bedenkingen. Het college verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 november 2019. Eisers hebben geen aanknopingspunten naar voren gebracht op basis waarvan de rechtbank tot een andere conclusie zou moeten komen dan het college. De rechtbank zal hierna beoordelen of het bestreden besluit had kunnen worden genomen op basis van de uitgevoerde onderzoeken.



8.8.
Zoals het college terecht heeft aangevoerd, is het vaste rechtspraak van de Afdeling dat artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen verzet dat zienswijzen samengevat en per thema mogen worden weergegeven De rechtbank is voorts niet gebleken dat ingediende zienswijzen niet bij de besluitvorming zijn betrokken. Dit is, gelet op het gegeven dat alle reacties die zijn binnengekomen in de ontwerpfase (geanonimiseerd) beschikbaar zijn gesteld, ook controleerbaar.



8.9.
De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat de vvgb bij de terinzagelegging van het ontwerpbesluit ter inzage lag. Het college heeft daarbij nagelaten een aantal stukken dat behoort bij de afgegeven vvgb ter inzage te leggen. De omgevingsvergunning is daarom in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb tot stand is gekomen. Op grond van die bepaling moet het college bij het ontwerpbesluit namelijk alle daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerpbesluit, ter inzage leggen. De rechtbank ziet reden om dit gebrek met artikel 6:22 van de Awb te passeren omdat het niet aannemelijk is geworden dat eisers zijn benadeeld door het niet gelijktijdig met het ontwerpbesluit bekendmaken van een aantal documenten die behoren bij de afgegeven vvgb. Dit is een gebrek dat voorafgaand aan het definitieve besluit kon worden hersteld, zoals in dit geval is gebeurd. Het college heeft namelijk alsnog deze stukken gedurende de ontwerpfase ter inzage gelegd en gedurende een periode van twee weken de gelegenheid gegeven om nader te reageren op deze stukken. Eisers hebben een zienswijze naar voren gebracht, zodat niet is gebleken dat deze gestelde termijn te kort is (geweest) om adequaat te reageren op de stukken. Verder is niet aannemelijk dat andere belanghebbenden hebben afgezien van het naar voren brengen van een zienswijze omdat een aantal stukken die behoren bij de afgegeven vvgb niet met het ontwerpplan ter inzage lag. De vvgb is immers in het ontwerpbesluit vermeld en aangenomen mag worden dat eventuele andere belanghebbenden een zienswijze naar voren zouden hebben gebracht waarin zou zijn gewezen op het niet ter inzage liggen van deze stukken. Van een schending van processuele belangen is geen sprake.

Deze beroepsgronden slagen niet.


Vvgb van de gemeenteraad nodig


9. Eiseres in zaak 25/1407 stelt zich op het standpunt dat een vvgb van de gemeenteraad nodig was omdat het bestreden besluit in strijd is met de Omgevingsvisie van de gemeente Nuenen zoals is vastgesteld op 30 september 2021.



9.1.
Artikel 6.5, eerste lid, van het Bor bepaalt dat de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) als bedoeld in artikel 2.27 van de Wabo moet afgeven, indien met een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wabo wordt afgeweken van een bestemmingsplan. In het bestreden besluit is het college afgeweken van de planregels met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo en is geen vvgb vereist. In het midden kan hier blijven of het bestreden besluit in strijd is met de Omgevingsvisie.


Zones met bouwregels


10. Eisers in zaak 25/1481 voeren aan dat de tekst van het bestemmingsplan problematisch is. Het bestemmingsplan benoemt drie gebieden, maar op grond van artikel 1.48 en 1.49 staat helemaal niet vast, waar deze gebieden beginnen en eindigen. Ook voor artikel 1.50 geldt dat als de zones 1.48 en 1.49 niet duidelijk zijn, dat zone 1.50 dan ook niet duidelijk is. Deze definities zijn niet toepasbaar.



10.1.
Eisers in zaken 25/1407, 25/1264 en 25/1495 zijn van mening dat artikel 3.2.2 aanhef en onder d en artikel 3.2.4 aanhef en onder d van de planregels in strijd zijn met de rechtszekerheid vanwege de onbepaaldheid van de zones ' [naam] ' en 'Buitengebied'.



10.2.
Eisers 25/1407, 25/1405 en 25/1471 voegen daaraan toe dat de bouwregels (artikel 3.2.2 t/m 3.2.4) onverbindend moeten worden verklaard vanwege strijd met de rechtszekerheid. De onduidelijkheid is volgens eisers ook in strijd met artikel 4.4 van de Verordening Ruimte 2014, waarin voorwaarden worden gesteld waaraan een bestemmingsplan moet voldoen bij ontwikkeling van bedrijventerreinen.



10.3.
Volgens eisers in zaken 25/1421, 25/1431 en 25/1436 zijn de verschillende zones (te weten: 'zone [naam] ', 'zone Middengebied' en 'zone Buitengebied') wel degelijk in de planverbeelding van elkaar onderscheiden. Zo is er langs de [adres] een afzonderlijk bouwvlak gereserveerd voor bedrijven tot en met categorie 3.2, voor het middendeel een afzonderlijk bouwvlak voor bedrijven tot en met categorie 4.1 en voor de zone die grenst aan het buitengebied een afzonderlijk bouwvlak voor bedrijven tot en met categorie 4.2. Dit betekent bijvoorbeeld dat bij (afzonderlijke) bebouwing in het middengebied de voorgevellijnafstand moet worden aangehouden zoals deze uitdrukkelijk in artikel 3.2.3 van de planregels is bepaald. Het kan volgens eisers niet anders zijn dan dat de planwetgever daarmee moet hebben bedoeld dat in elke zone op zichzelf staande bebouwing moet worden gerealiseerd en dat daartussen infrastructuur wordt aangelegd. Gelet op artikel 3.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn de gronden namelijk ook bestemd voor verkeersdoeleinden. Volgens eisers past de oprichting van drie distributiecentra, bestaande uit grootschalige, massieve bebouwing die op zichzelf geheel uitstrekt over alle drie de zones, hierin niet. Eisers verwijzen hiervoor ook nog op p. 35 en 36 van de plantoelichting, waar aan de hand van een tweetal schetsen inzichtelijk is gemaakt waartoe het in de planvoorschriften verplicht gestelde verkavelingsprincipe kan leiden.



10.4.
Eisers in zaak 25/1491 stellen dat het bestemmingsplan voorziet in drie afzonderlijke bouwvlakken die corresponderen met de zones ' [adres] ', 'Middengebied' en 'Buitengebied'. De hierbij behorende planregels 3.2.2 tot en met 3.2.4 laten geen andere interpretatie toe dan dat per zone afzonderlijke bebouwing dient te worden gerealiseerd. Het bouwplan is hiermee strijdig omdat de zones volledig volgebouwd gaan worden met massieve bebouwing en dat past niet binnen het bestemmingsplan.



10.5.
Eisers in de zaken 25/1431 en 25/1436 hebben verder nog aangevoerd dat de wijze van verkaveling in strijd is met artikel 3.2.2 tot en met 3.2.4, omdat voor de kavelmaten wordt verwezen naar ‘bijlage 2 Principe Kavelmaten. De kavels zijn groter dan het in die bijlage genoemde maximum en daarmee is er strijd met de bestemmingsplanregels.



10.6.
Het college vraagt zich af of eisers de consequenties van deze beroepsgrond overzien. Indien en voor zover de rechtbank tot het oordeel komt dat de bouwregels onverbindend moeten worden geacht dan wel buiten toepassing moeten worden gelaten, heeft dit verstrekkende gevolgen die haaks staan op de belangen waarvoor eisers opkomen. Een dergelijk oordeel heeft tot gevolg dat er géén bouwregels meer gelden. Het aangevraagde bouwplan kan dan ook niet meer in strijd zijn met de bouwregels. In dat geval bestaat géén noodzaak meer om met toepassing van de kruimelgevallenregeling van het bestemmingsplan af te wijken. De vraag of de verhoogde bouwhoogte vanwege de mogelijke extra verkeersbewegingen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening is dan niet meer aan de orde. Het staat vast dat de gemeenteraad een dergelijke
situatie in ieder geval niet beoogd heeft met de vaststelling van het betreffende
bestemmingsplan.



10.7.
Verder stelt het college dat de genoemde zones niet zijn bedoeld als aanduiding en daarom niet zijn opgenomen op de verbeelding. Dat deze zones niet zijn opgenomen op de verbeelding betekent niet dat deze zones zinledig zijn. De bouwregels zijn gekoppeld aan woordelijk omschreven zones in artikel 1.48, 1.49 en 1.50. Het antwoord op de vraag waar de bovenstaande zones precies beginnen en eindigen is in voorliggend geval niet relevant omdat de betreffende bouwregels per zone sterk overeenkomen. De bouwhoogte zoals genoemd in artikel 3.2.2 en 3.2.4 bedraagt namelijk maximaal 12 meter en in artikel 3.2.3 bedraagt deze maximaal 14 meter. Alleen voor wat betreft de bouwhoogte moet afgeweken worden van het bestemmingsplan. Daarvoor is met toepassing van de kruimelgevallenregeling (artikel 4 lid 1 bijlage II Bor) een omgevingsvergunning planologisch strijdig gebruik verleend. Het college acht het bouwplan daarbij in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.
De bouwregels zijn naar het oordeel van het college evenmin evident in strijd met de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant. Het college verwijst hiervoor kortheidshalve naar paragraaf 3.2 van de plantoelichting die aan het vigerende bestemmingsplan ten grondslag ligt, waarin is onderbouwd hoe bij het opstellen van het bestemmingsplan toepassing is gegeven aan (onder meer) het bepaalde in Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant. In artikel 4.4 lid 1 onder c Verordening ruimte 2014 is bepaald dat in de toelichting bij een bestemmingsplan gelegen in stedelijk gebied dat voorziet in een ontwikkeling of een uitbreiding van een bedrijventerrein een verantwoording bevat over de wijze waarop zorgvuldig ruimtegebruik op het terrein of de locatie wordt bevorderd. De wijze waarop zorgvuldig ruimtegebruik op het terrein wordt bevorderd, betreft in het bijzonder het opnemen van regels over een op de aard van het bedrijventerrein aangepaste bebouwingspercentage en bouwhoogte (artikel 4.4 lid 3 onder d van de Verordening Ruimte 2014). Uit de toelichting op de Verordening Ruimte 2014 blijkt overduidelijk dat het stellen van regels erop gericht moet zijn om de beschikbare ruimte op het bedrijventerrein intensiever en meervoudiger te gebruiken. Van een evidente strijd met de Verordening Ruimte 2014 is dan ook geenszins sprake.



10.8.
Het wettelijk kader luidt als volgt:
In de planregels van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Eeneind West 2015’ is onder meer het volgende bepaald:



1.48
zone buitengebied
gronden met bebouwing grenzend aan het Dommelbeekdal, Eindhovens Kanaal of agrarisch buitengebied;



1.49
zone [adres]
gronden met bebouwing grenzend aan de [adres] .



1.50
zone middengebied
gronden niet behorende tot de zone met bebouwing langs de [adres] of buitengebiedzone.


3.2.2
Zone [adres]
Voor het bouwen van gebouwen in de zone gelegen aan de [adres] gelden de
volgende regels:
a. het bebouwingspercentage per bouwperceel bedraagt minimaal 50% en maximaal 80%
(…)
d. de bouwhoogte bedraagt minimaal 6,00 meter en maximaal 12,00 meter,
e. uitgangspunt voor de bepaling van de diepte van de kavels is een veelvoud van A als bedoeld in bijlage 2 Principe kavelmaten, waarbij de maat A staat voor 10,50 meter. Reststroken met maat kleiner dan A hoeven niet via dit principe verkaveld te worden;
f. de breedte van de kavels wordt bepaald door middel van toepassing van een verhouding tussen breedte en diepte die ligt tussen 1:2 en 1:1 met als resultante een waarde tussen 0,5 en 1, een en ander volgens het principe, zoals weergegeven in bijlage 2 Principe kavelmaten waarin een overzicht is gegeven van kavelmaten gedefinieerd op basis van mogelijke standaardverhoudingen. Reststroken hoeven niet via dit principe verkaveld te worden


3.2.3
Zone middengebied
Voor het bouwen van gebouwen in de zone middengebied gelden de volgende regels:
a. het bebouwingspercentage per bouwperceel bedraagt minimaal 50% en maximaal 80%
(….)
d. de bouwhoogte bedraagt minimaal 6,00 meter en maximaal 14,00 meter;
f. uitgangspunt voor de bepaling van de diepte van de kavels is een veelvoud van A als bedoeld in bijlage 2 Principe kavelmaten, waarbij de maat A staat voor 10,50 meter. Reststroken met maat kleiner dan A hoeven niet via dit principe verkaveld te worden;
g.de breedte van de kavels wordt bepaald door middel van toepassing van een verhouding tussen breedte en diepte die ligt tussen 1:2 en 1:1 met als resultante een waarde tussen 0,5 en 1, een en ander volgens het principe, zoals weergegeven in bijlage 2 Principe kavelmaten waarin een overzicht is gegeven van kavelmaten gedefinieerd op basis van mogelijke standaardverhoudingen. Reststroken hoeven niet via dit principe verkaveld te worden.



3.2.4
Zone buitengebied
Voor het bouwen van gebouwen in de zone buitengebied gelden de volgende regels:
a. het bebouwingspercentage per bouwperceel bedraagt minimaal 50% en maximaal 80%
(….)
d. de bouwhoogte bedraagt minimaal 6,00 meter en maximaal 12,00 meter;
e. uitgangspunt voor de bepaling van de diepte van de kavels is een veelvoud van A als bedoeld in bijlage 2 Principe kavelmaten, waarbij de maat A staat voor 10,50 meter. Reststroken met maat kleiner dan A hoeven niet via dit principe verkaveld te worden;
f. de breedte van de kavels wordt bepaald door middel van toepassing van een verhouding tussen breedte en diepte die ligt tussen 1:2 en 1:1 met als resultante een waarde tussen 0,5 en 1, een en ander volgens het principe, zoals weergegeven in bijlage 2 Principe kavelmaten waarin een overzicht is gegeven van kavelmaten gedefinieerd op basis van mogelijke standaardverhoudingen. Reststroken hoeven niet via dit principe verkaveld te worden.

Ingevolge artikel 4.4, eerste lid, van de provinciale Verordening ruimte 2014 bevat de toelichting bij een bestemmingsplan gelegen in bestaand stedelijk gebied dat voorziet in een ontwikkeling of een uitbreiding van een bedrijventerrein of een kantorenlocatie een verantwoording over de wijze waarop:
(…)
c. zorgvuldig ruimtegebruik op het terrein of de locatie wordt bevorderd.




10.9.
In een procedure over een omgevingsvergunning kan een achterliggende (bestemmings)planregel ter discussie worden gesteld omdat deze planregel (bijvoorbeeld) (rechts)onzeker is en om die reden in strijd is met een hogere regeling. Om een herhaling van zetten te voorkomen en mede gelet op de rechtszekerheid (in het algemeen), kan niet aanvaard worden dat de achterliggende planregel in de vergunningenprocedure ten volle ter discussie wordt gesteld. Die discussie had al in de procedure tegen het bestemmingsplan gevoerd kunnen worden. In het kader van de exceptieve toets van de bestreden planregel, hanteert de Afdeling in haar (vaste) rechtspraak het evidentiecriterium. Dit criterium komt er in de kern op neer dat een planregel uitsluitend onverbindend of buiten toepassing wordt gelaten, indien de bestemmingsregeling evident in strijd is met de hogere regeling. Voor evidentie is onder meer vereist dat de hogere regelgeving zodanig concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent. Een planregel is alleen evident in strijd met hoger recht als de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat zich strijd met de hogere rechtsnorm voordoet . De rechtbank is met het college van oordeel dat geen sprake is van een zodanig evidente strijd met artikel 4.4. de Verordening Ruimte 2014.



10.10.
Verder is de rechtbank van oordeel dat er verschil zit tussen de bouwregels van de verschillende zones, met een verschil in maximaal toegelaten milieucategorie. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat het college alleen afzonderlijke bebouwing per zone zou kunnen toestaan. Uit de planregels of meer specifiek de bouwregels volgt niet dat bebouwing die de zonegrens overschrijdt niet is toegestaan. De bouwregels zijn ook niet onduidelijk zodat niet aan uitleg van de bouwregels wordt toegekomen. Aan een interpretatie van de bouwregels op grond van de plantoelichting wordt dan ook niet toegekomen.



10.11.
Voor de toepassing van de bouwregels is in dit geval niet van belang te bepalen waar de drie zones van artikel 1.48 tot en met 1.50 zich ten opzichte van elkaar bevinden, zolang het volledige bouwplan voldoet aan alle planregels. Dat betekent ook dat het volledige bouwplan moet voldoen aan de maximale bouwhoogte van 12 meter. Dat is de strengste norm die geldt in de respectievelijke zones. Daar voldoet het volledige bouwplan niet aan en daartoe is in het bestreden besluit het college afgeweken van de planregels met toepassing van artikel 4, onderdeel 1 van bijlage II van het Bor (de zogenoemde kruimelgevallenregeling). De toepassing van de kruimelgevallenregeling zal hierna worden besproken. Voor het overige is er geen strijd met de bouwregels. Ook niet met artikel 3.2.2. en 3.2.4. onder e en f en artikel 3.2.3 onder f en g. In bijlage 2 bij de planregels is geen maximum formaat aan de kavels is gesteld. De tabel in bijlage 2 geeft slechts voorbeelden van formaten, maar geen limitatieve opsomming van vormen van bouwkavels. De kavels van de drie gebouwen voldoen aan de regels voor de verhoudingen van de kavels als gesteld in voornoemde bouwregels.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgronden van eisers niet slagen.


Schending vertrouwensbeginsel, verbod vooringenomenheid en zorgvuldigheid

11. Eisers in zaak 25/1471 voeren aan dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, het verbod vooringenomenheid en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het college heeft de gerechtvaardigde verwachtingen gewekt dat het beleid en de bedoeling van de planwetgever zouden worden gevolgd, met name dat het bedrijventerrein zou worden ingevuld met kleinschalige regionale bedrijvigheid en niet met een groot internationaal distributiecentrum. Door hiervan af te wijken, is volgens hen sprake van schijnrechtszekerheid en strijd met het vertrouwensbeginsel. Ook wordt gesteld dat het college inconsistent en onzorgvuldig handelen door enerzijds beleidsdocumenten zoals het Beeldkwaliteitsplan en de toelichting op het bestemmingsplan te gebruiken ter onderbouwing van het plan, maar anderzijds te stellen dat deze documenten juridisch niet bindend zijn en niet worden gebruikt bij de toetsing van de vergunningaanvraag. Dit wordt aangemerkt als willekeur, rechtsongelijkheid, rechtsonzekerheid en gebrekkige motivering.
Verder stellen zij dat het besluit in strijd is met de bedoeling van de planwetgever, zoals vastgelegd in eerdere raadsbesluiten, waarin is uitgegaan van kleinschalige regionale bedrijvigheid passend bij de schaal van de gemeente. Een groot distributiecentrum zou daarmee niet verenigbaar zijn. Ook wordt aangevoerd dat het college mogelijk vooringenomen hebben gehandeld, mede onder invloed van de vrees voor een schadeclaim, waardoor niet objectief en onafhankelijk zou zijn besloten. Het zorgvuldigheidsbeginsel wordt geschonden omdat het college onvoldoende kennis heeft vergaard, relevante feiten en belangen niet volledig hebben meegewogen en de besluitvorming onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De bestreden omgevingsvergunning mist daardoor draagkracht en houdt onvoldoende rekening met de belangen van eiseres.



11.1.
In het bijzonder wordt aangevoerd dat het beeldkwaliteitsplan wel onderdeel is van het bestemmingsplan, maar niet volledig wordt meegenomen in de beoordeling. Tegelijkertijd wordt gesteld dat dit plan en de toelichting niet juridisch bindend zijn. Dit wordt door eiseres als inconsistent en in strijd met het fair play-beginsel beschouwd. Volgens eiseres is de bedoeling van de planwetgever - zoals blijkt uit het bestemmingsplan, de toelichting en eerdere raadsbesluiten - gericht op kleinschalige, regionale bedrijvigheid met beperkte kavels. De realisatie van een groot distributiecentrum zou hiermee in strijd zijn en niet passen binnen een goede ruimtelijke ordening. Door onduidelijkheden en ontbrekende definities in het bestemmingsplan is de toelichting volgens hen juist van groot belang voor de interpretatie, met name over verkeerstoename en bouwmogelijkheden. Daarnaast wordt gesteld dat de besluitvorming onzorgvuldig is, onder meer doordat onduidelijkheden bestaan over relevante gegevens zoals verkeerscijfers en bouwhoogtes, en omdat de onderbouwing van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het distributiecentrum ontbreekt of onvoldoende is uitgewerkt.



11.2.
Met het college is de rechtbank van oordeel dat een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen (ex artikel 2.1, lid 1, aanhef en onder a, van de Wabo) wordt getoetst aan de planregels en de planverbeelding. De plantoelichting is, wat daar verder ook van zij, geen toetsingsgrond. Dit is anders, indien de bestemming en de bijbehorende voorschriften waaraan moet worden getoetst, op zichzelf noch in samenhang duidelijk zijn. In zo'n geval kan aan de plantoelichting betekenis toekomen. Van een onduidelijke planregel ten aanzien van de toegestane bedrijfsactiviteiten en de omvang van bedrijfskavels is geen sprake. Enkel ten aanzien van de precieze ligging van de 'zone [adres] ', 'zone middengebied' en 'zone buitengebied' is sprake van een onduidelijkheid. Hoe het college bij de toetsing van de aanvraag omgevingsvergunning is omgegaan met deze onduidelijkheid, is duidelijk gemotiveerd in de verleende omgevingsvergunning en de daarbij behorende stukken. De aanvraag omgevingsvergunning is getoetst aan de daarvoor geldende (plan)regels. Van vooringenomenheid of strijd met andere beginselen van behoorlijk bestuur is geen sprake.

Deze beroepsgrond slaagt niet.


Bebouwingspercentage

12. Eisers in zaak 25/1491 betwisten dat wordt voldaan aan het minimale en maximale bebouwingspercentage tussen 50-80% in artikel 3.2.2 tot en met 3.2.4 van de planregels. Zij verwachten dat er 32 ha uitgeefbaar terrein is. De rechtbank is niet gebleken dat er minder dan 50% dan wel meer dan 80% per bouwperceel wordt bebouwd en dat sprake zou zijn van strijd met artikel 3.2.2, onder a, dan wel 3.2.3. onder a, dan wel 3.2.4 onder a van de planregels. Dit is niet het geval als het gehele aan vergunninghouder uitgegeven perceel als één en hetzelfde bouwperceel in de zin van artikel 1.12 van de planregels wordt aangemerkt. Het is ook niet het geval als de aan eisers uitgegeven percelen als drie afzonderlijke bouwpercelen in de zin van artikel 1.12 van de planregels worden aangemerkt.

Deze beroepsgrond slaagt niet.


Strijd met de bestemming

13. Eisers voeren aan dat de drie vergunde distributiecentra niet in overeenstemming zijn met de ter plaatse geldende bestemming. Eisers betwisten de gemaakte vergelijking met SBI-code 6312 ter zake Veem- en pakhuisbedrijven, koelhuizen. Uit het gegeven dat distributiecentra wel genoemd staan in de Lijst van bedrijfsactiviteiten van het bestemmingsplan 'Eeneind 2018' leiden eisers af dat de gemeenteraad bij onderhavig bestemmingsplan er bewust voor heeft gekozen om distributiecentra planologisch niet toe te staan. De door het college aangehaalde rechtspraak ziet op de uitleg van een ander bestemmingsplan van een andere gemeente onder geheel andere omstandigheden.


13.1.
Volgens eisers zijn de drie distributiecentra naar aard, omvang en invloed op de omgeving niet vergelijkbaar met veem- en/of pakhuisbedrijven en/of koelhuizen. Alle eisers stellen dat de aard en invloed op de omgeving van een distributiecentrum als gevolg van de hiermee gepaard gaande veel hogere verkeersintensiteit niet gelijk te stellen is met de bedrijven en de bedrijvigheid die zijn opgesomd in de Lijst van bedrijfsactiviteiten. Een groot distributiecentrum zal zorgen voor een enorme toename van verkeer, met name zwaar vrachtverkeer door de veel hogere omloopsnelheid (kortere opslag en verwerking) dan de toegestane veem- en/of pakhuisbedrijven en/of koelhuizen. Hiervoor wijzen eisers op een Verkeersrapport van Royal HaskoningDHV van 28 februari 2024 gemaakt in opdracht van de gemeente Geldrop. De vervoersbewegingen zullen ook omvangrijker zijn en daarmee een hoger uitstoot van schadelijke stoffen en geluidsoverlast. Dit vormt ook een aanslag op de omliggende infrastructuur. Eisers menen dat het college niet voldoende heeft onderzocht of deze drie aangevraagde distributiecentra qua aard, omvang en (met name) invloed op de omgeving al dan niet gelijk te stellen zijn met de ter plaatse toegestane milieucategorieën. Zij voegen daar aan toe dat het college niet weet waarvoor de distributiecentra gebruikt gaan worden terwijl dit wel relevant is.


13.2.
Eisers stellen daarnaast dat de grote omvang van de distributiecentra niet gelijk gesteld kan worden met veem- en/of pakhuisbedrijven en/of koelhuizen. De grootschalige, massieve bebouwing heeft een wezenlijk andere ruimtelijke impact dan het type bedrijfsbebouwing waarvoor het bestemmingsplan ruimte biedt.



13.3.
Ter zitting heeft de deskundige van eiser SHE 25/1407 er aan toegevoegd dat de berekeningen van de verkeersgeneratie niet zijn opgenomen in de rapporten die ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit.


13.4.
Het college acht de drie vergunde distributiecentra in overeenstemming met de ter plaatse geldende gebruiksregels van het bestemmingsplan. Weliswaar staat een distributiecentrum niet in de Lijst van bedrijfsactiviteiten, maar het is wel naar aard, omvang en invloed op de omgeving gelijk te stellen met bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten op die lijst. Omdat de tekst van de planregel duidelijk is, komt aan de plantoelichting geen betekenis toe. Het college vergelijkt de distributiecentra met de in de Lijst van bedrijfsactiviteiten (bijlage 1 van de planregels) onder 'Dienstverlening t.b.v. het vervoer' genoemde bedrijfsactiviteit 'Veem- en pakhuisbedrijven, koelhuizen' met SBI-code 6312. en milieucategorie 3.1. Het college vindt de aard van distributiecentra vergelijkbaar met de aard van 'veem- en pakhuisbedrijven, koelhuizen'. Op deze locatie worden namelijk producten ontvangen, opgeslagen, verwerkt en verzonden naar klanten, winkels of andere bedrijven. Deze bedrijfsactiviteiten zijn qua aard dus vergelijkbaar met veem- en pakhuisbedrijven en/of koelhuizen, waarin ook met grote (koel)vrachtwagens goederen worden vervoerd, om deze aldaar op te slaan, uit te sorteren, om te pakken of te herverpakken, dan wel in pak- of koelhuizen op te slaan om deze na korte of langere periode weer op te slaan. Het college verwijst naar de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State van 30 juni 20 r.o. 2.5.2). Ook de omvang van de drie distributiecentra is volgens het college vergelijkbaar met de toegestane veem- en/of pakhuisbedrijven en/of koelhuizen omdat in de planregels de omvang van de toegestane bedrijfsactiviteiten namelijk niet is beperkt. Hetzelfde geldt voor de invloed op de omgeving van de drie distributiecentra. Veem-, pakhuisbedrijven en/of koelhuizen zijn ook veelal 24 uur per dag in bedrijf. Er worden dezelfde voertuigen gebruikt. De mate van hinder voor de omgeving is afhankelijk van de omvang van de betreffende bedrijfsactiviteiten (aantal vervoersbewegingen).
Uit de stukken behorende bij de vergunningaanvraag kan het college niet afleiden dat de distributiecentra zullen worden gebruikt voor andere doeleinden dan als distributiecentra. Dat een distributiecentrum kan worden gebruikt voor de opslag en verzending van verschillende soorten goederen, acht het college niet relevant.



13.5.
Vergunninghoudster voegt daar aan toe dat bij het inschatten van de verkeersgeneratie van een activiteit wordt gekeken in twee stappen. Bij het bestemmingsplan worden grove maatstaven gehanteerd. In de tweede fase (bij het vergunnen van de activiteit) kan gedetailleerd worden gekeken naar de verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling op basis van specifieke CROW kencijfers.



13.6.
De rechtbank merkt op dat het college aan het bestreden besluit twee rapporten van bureau Goudappel ten grondslag heeft gelegd, het rapport van 5 mei 2022 ‘effect bouwhoogte distributiecentrum Eeneind West’ en het rapport van 10 mei 2022 ‘Beoordeling verkeersberekeningen BP Eeneind West’. In het laatstgenoemde rapport is de in het bestemmingsplan verwachtte verkeersgeneratie van 3.500 mvt/etmaal gevalideerd. Eiseres gaat uit van het rapport van RHDHV van 28 februari 2024 ‘achtergrondstudie Lokale bereikbaarheidsagenda Geldrop-Mierlo’ waarin ook is gekeken naar de verwachte verkeersgeneratie van een distributiepark op het bedrijventerrein Eeneind-West van 5.879 mvt/etmaal. Andere eisers hebben ook verwezen naar en notitie van Prana Consult van 9 september 2025 met kritische kanttekeningen bij de uitgangspunten van bureau Goudappel.



13.7.
Ingevolge artikel 3.1 van de planregels zijn de voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden bestemd voor bedrijven en/of het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten die zijn opgenomen in categorie 2 t/m 4.2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten (bijlage 1 bij de regels), en/of daarmee naar aard, omvang en invloed op de omgeving gelijk te stellen bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten. Een distributiecentrum staat niet in de Lijst van bedrijfsactiviteiten.



13.8.
Voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever. Dit is de vaste methodiek bij interpretatie van een bestemmingsplan en is overigens tussen partijen niet in geschil (wat zij ook op de zitting hebben bevestigd).



13.9.
De rechtbank acht in dit geval de tekst van de planregels duidelijk en kijkt daarom niet naar de toelichting op de planregels. Met de eis dat ook bedrijven zijn toegelaten die naar aard, omvang en invloed zijn gelijk te stellen met bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten in de Lijst van bedrijfsactiviteiten is een voldoende objectief bepaalde relatie gelegd tussen het toelaten van bedrijvigheid en de bescherming van het woon- en leefmilieu ter plaatse die voldoende aanknopingspunten voor een beoordeling in het concrete geval. De rechtbank hecht geen waarde aan de lijst van bedrijfsactiviteiten van een ander (later) vastgesteld bestemmingsplan.



13.10.
Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat een distributiecentrum naar aard, omvang en invloed op de omgeving gelijk valt te stellen met de bedrijfsactiviteit 'Veem- en pakhuisbedrijven, koelhuizen'. De aard van deze bedrijfsactiviteit hoeft niet noemenswaardig te verschillen van een distributiecentrum. Er worden goederen ontvangen, opgeslagen, verwerkt en verzonden naar klanten, winkels of andere bedrijven. De omvang van de toegestane bedrijfsactiviteiten is niet beperkt. De omvang van de toegestane bedrijfsgebouwen wordt beperkt door de planregels, maar hierboven is reeds geoordeeld dat hiervan niet wordt afgeweken met uitzondering van de bepaling over bouwhoogte. Ook is in de planregels niets bepaald over de intensiteit van de bedrijfsactiviteiten (een kortdurende opslag of een langdurige opslag). De toegestane veem- en/of pakhuisbedrijven en/of koelhuizen kunnen dezelfde omvang hebben als de drie reeds vergunde distributiecentra. Daarmee is ook de invloed naar de omgeving niet beperkt door de planregels.



13.11.
Voor zover het college bij het nemen van het bestreden besluit is uitgegaan van de verwachte verkeersgeneratie van 3.500 mvt/etmaal die wordt genoemd in de toelichting op een bestemmingsplan Eeneind-West, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtmatigheid van dit bestemmingsplan staat in deze zaak niet ter discussie. De rechtbank kan vergunninghouder volgen in haar betoog dat de verkeersgeneratie nauwkeuriger kan worden bepaald als meer bekend is over de concrete invulling van planologische mogelijkheden. De rechtbank stelt vast dat in het rapport van RHDHV is uitgegaan van een concrete invulling van het bedrijventerrein Eeneind-West en dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan Eeneind-West 2015 een concrete invulling van het bedrijventerrein nog niet bekend was. In de verschillende aantallen te verwachten verkeersgeneratie (3.500 mvt/etmaal tegenover 5.879 mvt/etmaal) ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat een distributiecentrum qua aard, omvang en invloed niet gelijk is te stellen. De rechtbank hecht in dit verband geen waarde aan de omstandigheid dat het college ten tijde van het bestreden besluit nog niet wist voor welke goederen het distributiecentrum zal worden gebruikt. Het maakt niet uit wat wordt gedistribueerd, ongeacht het gebruik van het distributiecentrum is het gebruik hiervan qua aard, omvang en invloed gelijk te stellen met het planologisch toegestane gebruik.

De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgronden van eisers niet slagen.


Strijd met artikel 3.5.4. van het bestemmingsplan

14. Eisers merken op dat het college in strijd met artikel 3.5.4 van de planregels van het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Eeneind-West 2015” ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of het gebruik van de distributiecentra geen onevenredige nadelige effecten heeft op het Natuurnetwerk Brabant wat betreft de stikstofdepositie. Enkele eisers noemen hier onder meer het gebied de "Kleine Dommel". Eisers vinden dat niet afhankelijk kan worden gesteld van de naleving van een vergunningsvoorschrift dat het pand pas gebruikt mag worden nadat is aangetoond dat het beoogde gebruik geen onevenredige nadelige effecten heeft op het Natuurnetwerk Brabant wat betreft de stikstofdepositie.



14.1
Het college merkt op dat vergunninghoudster voor het beoogde project op 6 augustus 2021 een separate natuurvergunning ex artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming heeft aangevraagd bij GS. De gevolgen van de aangevraagde distributiecentra voor de betrokken Natura 2000-gebieden komen dan ook aan bod in de procedure tegen de betreffende natuurvergunning. Weliswaar heeft GS nog niet besloten op deze aanvraag, het is niet uitgesloten dat er in de toekomst voldoende natuur(herstel)maatregelen worden genomen door de Staat en de provincie, waardoor er stikstofruimte vrijkomt. Het college benadrukt dat het gebruik van de gronden als distributiecentrum niet in strijd is met het bestemmingsplan. Het college ziet geen aanleiding om de eventuele gevolgen van dit gebruik voor het Natuurnetwerk Brabant in de bestreden omgevingsvergunning opnieuw te toetsen. Bovendien is aan de bestreden omgevingsvergunning het volgende voorschrift verbonden:
“Het pand mag pas in gebruik worden genomen, nadat is aangetoond dat het beoogde gebruik geen onevenredige nadelige effecten heeft op de ecologische hoofdstructuur voor wat betreft de stikstofdepositie.” Door het voorschrift wordt voorkomen dat het gebruik van het pand onevenredig nadelige effecten heeft op de ecologische hoofdstructuur voor wat betreft de stikstofdepositie. Als niet aan dit voorschrift wordt voldaan, zal het college in de regel handhavend optreden. Belanghebbenden kunnen daarbij een handhavingsverzoek indienen als zij van oordeel zijn dat het pand in gebruik is genomen terwijl niet (voldoende) is aangetoond dat er geen onevenredige nadelige effecten op ecologische hoofdstructuur optreden wat betreft stikstof. Volgens het college strekken deze normen niet tot bescherming van de belangen van alle eisers.



14.2
In artikel 3.5.4 van de planregel van het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Eeneind-West 2015” is het volgende bepaald: “Onder een gebruik in strijd met deze bestemming wordt tevens verstaan het gebruik van gronden en/of bouwwerken overeenkomstig het bepaalde in 3.1 sub a, als dit gebruik onevenredig nadelige effecten heeft op de ecologische hoofdstructuur wat betreft de stikstofdepositie.”



14.3.
De rechtbank stelt vast dat de ecologische hoofdstructuur gelijk is aan Natuurnetwerk Brabant. Partijen hebben dit ter zitting bevestigd. Natuurnetwerk Brabant houdt niet op bij de gemeentegrens, maar loopt over op het grondgebied van de gemeente Geldrop. Bovendien heeft de gemeente Geldrop ter zitting aangegeven dat zij eigenaar is van een perceel grond in het Natuurnetwerk Brabant dat in de gemeente Nuenen ligt. Dat is niet weersproken door het college. Het relativiteitsvereiste kan in ieder geval niet worden tegengeworpen aan eiseres in de zaak 25/1407. De rechtbank laat daarom in het midden of het relativiteitsvereiste aan andere eisers kan worden tegengeworpen.



14.4.
In de toelichting van het bestemmingsplan is aangegeven dat het gebruiksverbod mede is opgenomen omdat destijds niet bekend was welke bedrijven zich konden vestigen. Naar het oordeel van de rechtbank is de bedoeling van de planwetgever geweest om ten tijde van vergunningverlening te onderzoeken wat de gevolgen van stikstofdepositie op de ecologische hoofdstructuur zijn. De rechtbank is van oordeel dat het vergunningsvoorschrift niets toevoegt aan het reeds in het bestemmingsplan opgenomen gebruiksverbod. Het opnemen van een vergunningsvoorschrift en het feitelijk verleggen van het toetsingsmoment naar een later moment direct voor ingebruikname, verhoudt zich niet met de bedoeling van de planwetgever. De rechtbank acht dit niet toelaatbaar. Derhalve moet in het bestreden besluit worden onderbouwd of het gebruik onevenredig nadelige effecten zou kunnen hebben op de ecologische hoofdstructuur wat betreft de stikstofdepositie. Dat is niet onderzocht.



14.5.
De rechtbank stelt vast dat ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan in 2012 een quickscan natuurwaarden heeft plaatsgevonden. Het had op de weg van het college gelegen om bij vergunningverlening in ieder geval te onderzoeken of deze quickscan meer dan tien jaar na dato nog actueel is. Niet op voorhand valt uit te sluiten dat in de tussentijd de gevolgen van stikstofdepositie zijn toegenomen. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat er anno 2026 voldoende mogelijkheden zijn om de stikstofdepositie van een bepaalde ontwikkeling op een specifiek gebied te berekenen. Het college had dit moeten doen voordat het bestreden besluit werd genomen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de drie distributiecentra kunnen leiden tot een aanzienlijk aantal vervoersbewegingen met de daarmee gepaard gaande stikstofemissies. Ook het bouwen van de distributiecentra is een gebruik van de bestemming. De rechtbank kan niet op voorhand uitsluiten dat het bouwen en het gebruik onevenredig nadelige effecten zouden kunnen hebben op de ecologische hoofdstructuur wat betreft de stikstofdepositie.

Deze beroepsgronden slagen.


Afwijking van de planregels voor de bouwhoogte


Inleiding

15. De hoogte van het bouwplan is in strijd met de planregels. Ter motivering van het besluit om af te wijken van de bouwregels heeft het college mede aansluiting gezocht bij de voorwaarden van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid neergelegd in artikel 3.4.3 van de planregels. Een van die voorwaarden is dat de toegestane verhoging niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. Bovendien kan op basis van artikel 2.12, eerste lid van de Wabo slechts worden afgeweken indien geen strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank stelt voorop dat het college vrij is om een toetsing aan artikel 3.4.3 van de planregels te betrekken bij de toetsing aan een goede ruimtelijke ordening, maar dat de toetsing aan artikel 2.12, eerste lid van de Wabo wel breder is. De rechtbank zal hierna de verschillende beroepsgronden van eisers behandelen. Eerst zal het bestaan van de bevoegdheid worden besproken, dan de beroepsgronden met betrekking tot de toetsing aan een goede ruimtelijke ordening.



15.1.
Eisers in zaak 25/1405 voeren in dit verband terecht aan dat het niet mogelijk is om in geval van nieuwbouw gelijktijdig met onderdelen 1 en 9 van artikel 4 van Bijlage II bij het Bor af te wijken van de planregels. Dat heeft het college in het bestreden besluit overigens niet gedaan. Hierboven heeft de rechtbank geoordeeld dat in het bestreden besluit onvoldoende is onderbouwd dat geen sprake is van strijd met artikel 3.5.4 van de planregels.


Toepassing van artikel 4 lid 1 bijlage II Bor



15.2.
Eisers in zaken 25/1405, 25/1407, 25/1471 en 25/1481 betwisten dat kan worden afgeweken met toepassing van artikel 4 lid 1 van Bijlage II van het Bor omdat het hier gaat om hoofdgebouwen en niet om bijbehorende bouwwerken. Eisers in zaak 25/1471 voegt daaraan toe dat de dakverhogingen ten onrechte aangemerkt zijn als bijbehorend bouwwerk, terwijl deze geen uitbreiding vormen, maar onderdeel zijn van het hoofdgebouw.



15.3.
Het college is van mening dat artikel 4, aanhef en onder 1, van Bijlage II van het Bor ook betrekking heeft op de uitbreiding van een hoofdgebouw en dat de betreffende bouwwerken op afzonderlijke percelen staan en daarom zijn aan te merken als drie afzonderlijke hoofdgebouwen. Elk perceel/gebouw wordt namelijk separaat in groen ingepast. Er is geen sprake van één omheining om de drie percelen/gebouwen heen. Optisch en visueel zijn er drie separate kavels (per distributiecentrum één kavel) ontstaan. De betreffende gebouwen/percelen onderscheiden zich ieder van elkaar. Ieder distributiecentrum is op zichzelf vormgegeven, uitgerust met een eigen kantoor, eigen toegangs- en vertrekhekken voor vrachtwagens en eigen parkeerplaatsen en fietsenstalling. Verder worden de betreffende gebouwen van elkaar gescheiden door wegen. De drie gebouwen zijn via afzonderlijke percelen/entrees bereikbaar. Er is geen sprake van één hoofdentree voor alle drie de gebouwen/distributiecentra. De drie distributiecentra functioneren dus onafhankelijk van elkaar. Het enkele feit dat één omgevingsvergunning is verleend, maakt op zichzelf niet dat daarom sprake is van één en hetzelfde perceel.
Verder merkt het college op dat artikel 4, aanhef en onder 1, van Bijlage II van het Bor niet de beperking bevat dat het moet gaan om een uitbreiding van een reeds bestaand gebouw.



15.4.
Het wettelijk kader luidt als volgt:
Artikel 4 lid 1 bijlage II Bor
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
1.een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
b.de oppervlakte niet meer dan 150 m2;
(…)
Artikel 1 bijlage II Bor
"bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een
zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen
aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;"

"hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voorde verwezenlijking
van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen
op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;"



15.5.
De rechtbank is van oordeel dat het college met bovenstaande motivering voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van drie hoofdgebouwen. In die zin wordt naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldaan aan de hiervoor weergegeven definitie van het begrip “bijbehorend bouwwerk”. In de definitie is namelijk geen beperking opgenomen dat de uitbreiding functioneel of bouwkundig moet zijn te onderscheiden van de rest van het gebouwen. Het deel van het bouwplan dat niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan, is aan te merken als uitbreiding van een hoofdgebouw en dat valt onder de in artikel 1, onder 1, van Bijlage II van het Bor opgenomen definitie van het begrip bijbehorend bouwwerk, ook als er nog geen hoofdgebouw staat. Het college merkt terecht op dat artikel 4, aanhef en onder 1, van Bijlage II van het Bor niet de beperking bevat dat het moet gaan om een uitbreiding van een reeds bestaand gebouw.

Deze beroepsgronden slagen niet.


Ligging binnen of buiten de bebouwde kom

16. Eisers in de zaken 25/1407, 25/1481 en 25/1471 stellen dat gaat het om bouwwerken die liggen buiten de bebouwde kom en dan mag de bouwhoogte niet hoger zijn dan 5 meter.



16.1.
Het college is van oordeel dat de planlocatie niet is gelegen buiten de bebouwde kom. Op de locatie zelf waren twee agrarische bedrijven gevestigd. Aan de overzijde van de [adres] ligt een bedrijventerrein. Ook de gronden ten noordwesten van de locatie zijn bebouwd. Ten zuidoosten van de locatie ligt het bedrijventerrein De Spaarpot. De bebouwing op de projectlocatie sluit aan op de bestaande bebouwing. Ook door de provincie Noord-Brabant is de planlocatie aangewezen als 'Stedelijk gebied'. Bovendien liggen de bouwvlakken geheel binnen het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Eeneind-West 2015' en buiten het gebied van het (deels omliggende) bestemmingsplan 'Buitengebied Nuenen'.



16.2.
Volgens vergunninghoudster maakt het niet uit, omdat de verhoging van de gebouwen ook kan worden gezien als een uitbreiding van een bouwwerk gelijk aan een dakopbouw als bedoeld in onderdeel 4 van artikel 4, bijlage II van het Bor.

(…)


16.3.
Om te bepalen waar de bebouwde kom ligt, wordt gekeken naar de feitelijke situatie. Hierbij is van belang of sprake is van concentratie van bebouwing en of het gebied door die bebouwing overwegend een woon-of verblijffunctie heeft. De plaats van verkeersborden is daarbij niet van belang, evenmin de in de structuurvisie gebruikte aanduiding.



16.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is het perceel buiten de bebouwde kom gelegen.
De rechtbank merkt op dat aan de zuidzijde en overzijde van de [adres] vooral bedrijventerreinen liggen die geen overwegende woon- en verblijffunctie hebben. Aan de westzijde en aan de noordzijde liggen agrarische gronden. Er is geen sprake van een lintbebouwing aan de westzijde van de [adres] . De eerste woningen liggen op een afstand van 100 meter. Het gebied heeft geen overwegende woon-en verblijfsfunctie.



16.5.
Het college was daarom niet bevoegd om af te wijken met toepassing van artikel 4, onderdeel 1 van bijlage II van het Bor. De rechtbank laat in het middel of het college kan afwijken met toepassing van artikel 4, onderdeel 4 van bijlage II van het Bor.

Deze beroepsgronden slagen.


Onevenredige aantasting belangen eisers

17. Eisers stellen dat wel sprake is van een onevenredige aantasting van hun belangen en van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Eisers verwachten dat een verhoging gepaard gaat met een toename van de verkeersbewegingen, met name met een toename van zwaar (vracht)verkeer. Zij wijzen er op dat Goudappel niet in staat is gebleken om de verkeerseffecten van de hogere bouwhoogte vast te stellen en dat de gevolgen van deze verkeerseffecten voor de geluids- en trillingshinder voor woningen, luchtkwaliteit, gezondheid, stikstofdepositie op het Natuurnetwerk Brabant of Natura 2000-gebieden, verkeersveiligheid en de verkeersdoorstroming en bereikbaarheid van de bewoners, bedrijven, het ziekenhuis en gezondheidscentra binnen Geldrop dus niet kunnen worden bepaald. Het college heeft verzuimd deze gevolgen te onderzoeken. Eisers wijzen in dit verband op het rapport van mei 2022 van de GGD Brabant waaruit volgt dat Brabanders gemiddeld bij een levensjaar verliezen door vervuilde lucht en merken op dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet zijn onderzocht.



17.1.
Eisers zijn het niet eens met de bevindingen van Goudappel dat de extra opslagcapaciteit hooguit zou leiden tot een minimale toename van de goederentransporten om meerdere redenen. Volgens hen blijft onduidelijk hoeveel opslagcapaciteit er extra wordt gerealiseerd en hoeveel extra vervoersbewegingen dat concreet zal opleveren.
Door Goudappel is de verkeersgeneratie berekend aan de hand van oppervlakten (bvo) en/of arbeidsplaatsen en is aangenomen dat de extra bouwhoogte hooguit zal leiden tot een minimale toename van goederentransporten. Daar zijn eisers het niet mee eens. Zij verwijzen hiertoe onder meer naar de notitie van Prana Consult. Hierin is berekend dat de afwijking van de bouwhoogte zal leiden tot een totale toename van de opslagcapaciteit van 9,5%, een toename van de personeelsbehoefte van 10% en een toename van de vervoersbehoefte van 10%. Zij wijzen ook op de website van vergunninghouder waaruit volgt dat de verhoging van de bouwhoogte zal leiden tot een vergroting van 40% van de opslagcapaciteit. Zij wijzen ook op een rapport van het bureau Denc dat is aangeleverd door vergunninghouder waarin ook wordt uitgegaan van toename opslagcapaciteit van 15-20%. Alle eisers wijzen in dit verband nogmaals op de onderschatting van de verkeersgeneratie van de distributiecentra en het rapport van RHDHV waarin de verkeersgeneratie is berekend op 5.879 mvt/etmaal.



17.2.
Eisers vrezen dat de distributiecentra (vanwege de omvang) bovenregionaal zullen gaan functioneren en verwachten dat zeker meer dan 40% van het verkeer van en naar de distributiecentra via de wegen in Geldrop naar de A67 zal worden afgewikkeld. De wegenstructuur van Geldrop is hier niet op berekend. Eisers wijzen er ook op dat het college de belemmeringen van de bestaande infrastructuur in Geldrop alsmede ontwikkelingen binnen de gemeente Geldrop (zoals de veranderde verkeerssituatie ter hoogte van basisschool Het Vijfblad) ten onrechte niet bij het bestreden besluit heeft betrokken. Zij wijzen op de situatie bij de Europalaan, de Mierloseweg en de Johan Peijnenburgweg in Geldrop (een cruciale route voor hulpdiensten).
Eisers menen verder dat de aanzienlijke toename van verkeersbewegingen, met name zwaar vrachtverkeer als gevolg van de verhoging in strijd komt met de doelstellingen van de Nota Mobiliteitsvisie Nuenen en de Verordening Ruimte 2014. Eisers vrezen dat een hogere bouwhoogte inbreuk maakt op het landschap.



17.3.
Het college heeft alleen gekeken naar de verkeerseffecten van de overschrijding van de bouwhoogte (twee meter) en of deze effecten leiden tot een onevenredige aantasting van de belangen van derden en tot strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het college verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024. Het college wijst er op dat het bestemmingsplan méér bebouwingsoppervlakte toestaat dan het vergunde bouwplan. Het college heeft aan het besluit het rapport van Goudappel 'Effect bouwhoogte distributie centrum Eeneind-West' van 5 mei 2022 ten grondslag gelegd. Omdat de oppervlakte van de drie distributiecentra gelijk blijft en alleen de hoogte wordt verhoogd, is Goudappel van mening dat op basis van de standaard verkeerskundige uitgangspunten (conform de CROW-systematiek) niet kan worden berekend wat de verkeerseffecten zijn als gevolg van de hogere bouwhoogte. In de standaard verkeerskundige uitgangspunten wordt namelijk onderzoek gedaan naar de oppervlakte (bvo) en/of arbeidsplaatsen. Mocht er sprake zijn van een effect op de verkeersgeneratie, dan zal dit zich uiten in extra goederenvervoer en niet in een toename van personenverkeer. Of extra opslagcapaciteit daadwerkelijk leidt tot meer goederentransporten is afhankelijk van meerdere factoren. Goudappel verwacht dat de extra bouwhoogte niet leidt tot een toename van het goederentransport en dat, als er al een toename zal zijn, deze minimaal zal zijn en op zal gaan in de algemene verkeersgeneratie van de ontwikkeling en het verkeersbeeld op het omliggende wegennet. Het college heeft dus verder ook geen nader onderzoek gedaan naar de te verwachten geluidbelasting, de gevolgen voor de luchtkwaliteit, trillingshinder en de stikstofdepositie als gevolg van de te verwachten verkeerstoename. Het rapport van RHDHV maakt het voorgaande niet anders. Goudappel heeft in reactie op het onderzoek van Prana Consult aangegeven dat dit onderzoek op meerdere punten onvoldoende is onderbouwd, waardoor de uitkomsten niet controleerbaar zijn.



17.4.
Vergunninghoudster heeft ook nog aangevoerd dat de capaciteit van het distributiecentrum vooral wordt bepaald door het aantal laaddocks en de situering hiervan.



17.5.
Uit artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning met toepassing van dit artikel alleen kan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Bij deze besluitvorming heeft het college beoordelingsruimte. In artikel 3.4.3 van de planregels is bepaald dat het college kan afwijken van de bouwhoogte van gebouwen als er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. Dit is ook een aspect van een goede ruimtelijke ordening.



17.6.
De vraag die hier centraal staat is of het met twee meter afwijken van de maximale bouwhoogte op een deel van het terrein in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Dat een ander deel van het terrein niet wordt bebouwd, acht de rechtbank niet relevant. In het bestreden besluit is niet uitgesloten dat in de toekomst deze onbenutte gronden alsnog worden bebouwd. Dat in dit bouwplan is voorzien in een bepaald aantal laaddocks op een bepaalde plaats acht de rechtbank van ondergeschikt belang omdat geen planregel er aan in de weg staat dat in de toekomst meer laaddocks op andere plekken worden gesitueerd.



17.7.
De rechtbank stelt op basis van het rapport van Goudappel en het rapport van Prana Consult vast dat met een bouwhoogte van 12 meter zes tot zeven pallets kunnen worden geplaatst en dat door de afwijkende bouwhoogte één tot twee extra pallets opgeslagen kunnen worden. De rechtbank acht daarom voorstelbaar dat een hogere bouwhoogte zal leiden tot een hogere opslagcapaciteit. Door Prana Consult is berekend dat dit zal leiden tot een toename van de opslagcapaciteit van 9,5%. Het college heeft deze conclusie onvoldoende betwist, ook niet met de nadere reactie van Goudappel. Daarbij merkt de rechtbank op dat het op de weg van het college ligt om de toename van de opslagcapaciteit te onderbouwen en niet op de weg van eisers.



17.8.
De vervolgvraag is of een toename van de opslagcapaciteit kan leiden tot een toename van verkeersbewegingen per etmaal. De rechtbank stelt voorop dat deze toename niet wordt uitgesloten door Goudappel. In het verkeersonderzoek van Goudappel wordt gebruik gemaakt van CROW-normen. Hierin wordt de verkeersgeneratie bepaald aan de hand van het netto hectare oppervlak van de distributiecentra en niet aan de hand van de inhoud van distributiecentra. De CROW normen zijn echter geen regelgeving. Het is ook niet aan eisers om aannemelijk te maken dat de CROW normen niet juist zijn. Integendeel, als in een concreet geval aanknopingspunten worden aangevoerd dat de CROW normen niet één-op-één kunnen worden toegepast, is het aan het college om te onderzoeken en inzichtelijk te maken of hiertoe aanleiding bestaat.



17.9.
De rechtbank acht niet onaannemelijk dat een substantiële toename van de opslagcapaciteit van 9,5% zal leiden tot meer verkeersbewegingen. Als er meer kan worden gedistribueerd, zal er ook meer moeten worden vervoerd. Of de extra opslagcapaciteit daadwerkelijk tot meer goederentransporten zal leiden, is wel afhankelijk van meerdere factoren. Zo kan de extra opslagcapaciteit leiden tot een hogere beladingsgraad van de bestaande goederentransporten, maar niet tot extra ritten. Ook is het volume van goederen van invloed op eventuele extra transporten. Hierbij is de invulling van de distributiecentra van belang. Het distribueren van breekbare pakketjes die langere tijd worden opgeslagen voor de lokale markt zal andere aantallen vervoersbewegingen tot gevolg hebben dan het distribueren van pakketten die kortstondig worden opgeslagen en worden vervoerd voor de internationale markt. Omdat het college het bestreden besluit heeft genomen zonder kennis over de invulling van de distributiecentra (laat staan dat deze invulling is betrokken of geborgd in het bestreden besluit), zal het college bij de beantwoording van de vervolgvraag moeten uitgaan van een worst case scenario. In dit geval betekent dat een maximale benutting van de extra ruimte ten behoeve van distributie (met een korte verblijfstijd) met een volume van goederen dat zal leiden tot meer transporten. Hierboven is ook al geoordeeld dat het aantal laaddocks hierbij geen beperking oplevert omdat dit aantal niet is geborgd in het bestreden besluit en er geen planregel aan in de weg staat om in de toekomst extra laaddocks te plaatsen. Omdat nog niet bekend is hoe de distributiecentra zullen worden gebruikt, zal bij de bepaling van de gevolgen van de afwijking van het planologische gebruik in het worst case scenario ook moeten worden uitgegaan van de meest nadelige invulling van het gebruik voor eisers, ofwel een gebruik door een exploitant die hoofdzakelijk gebruik zal maken van de A67 en daartoe door Geldrop zal moeten rijden. De rechtbank ziet geen aanleiding in te gaan op de verdeling van het vervoer van en naar de distributiecentra over Nuenen en de A270 of Geldrop en de A67.



17.10.
Als in dit worst case scenario vast komt te staan dat de maximale benutting van de toename van de opslagcapaciteit zal leiden tot een toename van verkeersbewegingen in Nuenen en Geldrop, zal het college moeten onderzoeken wat de gevolgen zijn van deze toename om uit te sluiten dat sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naburige percelen of onevenredige aantasting van de belangen van derden en zal moeten worden beoordeeld of de toename in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening voor onder meer eisers. Hierbij zal het college naar alle door eisers genoemde facetten moeten kijken. Alle facetten betreffen aspecten van een goede ruimtelijke ordening of zijn relevant voor de toetsing aan de overige planvoorschriften, zoals artikel 3.5.4 van de planregels. De rechtbank merkt in dit verband op dat de verkeersveiligheid en de bereikbaarheid van een buurgemeente en een regionaal ziekenhuis vanzelfsprekend aspecten zijn die in kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderzocht. Het college heeft verzuimd om de gevolgen van een verkeerstoename te onderzoeken in het bestreden besluit, omdat het college ten onrechte uit is gegaan van een minimale toename van verkeersbewegingen die zal opgaan in het heersende verkeersbeeld.

Het bestreden besluit is op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.


Overige aspecten artikel 3.4.3 van het bestemmingsplan

18. Eisers in zaken 25/1407 en 25/1481 stellen dat niet is voldaan aan de voorwaarde uit artikel 3.4.3 onder a van de planregels. Hierin is bepaald dat ‘er geen bezwaren bestaan vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige inrichting en vormgeving/beeldkwaliteit’. Zij vinden dat het college niet had kunnen volstaan met een verwijzing naar het welstandsadvies van de Dorpsbouwmeester, omdat de Dorpsbouwmeester in het advies niet ingaat op de welstandsaspecten die samenhangen met de verhoging van de bouwhoogte en geen toetsing aan de welstandscriteria uit het welstandsbeleid bevat. Juist de omvang en de hoogte maken dat het niet inpasbaar is.



18.1.
Naar het oordeel van het college bestaan er geen bezwaren vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige inrichting en vormgeving. De ‘Welstandsnota Nuenen CA’ van september 2010 bevat geen welstandscriteria voor grotere (her)ontwikkelingsprojecten. Voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein ‘Eeneind-West’ — waarin de voorliggende projectlocatie is gelegen — is het ‘Beeldkwaliteitplan, Bedrijventerrein “Eeneind West” opgesteld en dat vormt de grondslag voor de welstandstoets. De met het bestemmingsplan strijdige bouwhoogte is niet in strijd met de uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan. Het college wijst hiervoor op het advies van Team Ruimtelijke Kwaliteit (TRK) van de gemeente Nuenen van 3 mei 2022 waaruit volgt dat er géén bezwaren zijn tegen de verhoogde bouwhoogte. Dit advies is door de Dorpsbouwmeester onderschreven. Het college merkt ook op dat géén van de eisers zicht heeft op de betreffende distributiecentra en dat de centra op enige afstand van de gemeentegrens liggen. Het relativiteitsvereiste (artikel 8:69a van de Awb) staat dan ook aan een geslaagd beroep van eisers op de stedenbouwkundige inrichting en vormgeving in de weg.



18.2.
Eisers in zaak 25/1471 en 25/1407 stellen verder dat als het beeldkwaliteitsplan onderdeel uitmaakt van de bouwregels, getoetst had moet worden aan aspecten zoals verkaveling en kavelgrootte.



18.3.
Het wettelijk kader luidt als volgt:
Artikel 3.4.3 van de planregels:
"Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 3.2.2. sub d en 3.2.4. sub d voor het bouwen van gebouwen met een (gedeeltelijke) bouwhoogte van maximaal 14 meter onder de voorwaarde dat:


er geen bezwaren bestaan vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige inrichting en vormgeving/beeldkwaliteit;


er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige architectonische en/of cultuurhistorische waarden, danwel de ecologische hoofdstructuur;


er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad;


e noodzaak vanuit de bedrijfsvoering is aangetoond."





18.4.
De rechtbank is van oordeel dat de normen van een goede ruimtelijke ordening (stedenbouwkundige inrichting) en redelijke eisen van welstand mede strekken ter bescherming van percelen van waaruit zicht bestaat op de projectlocatie. Dit betreffen in dit geval ook percelen binnen het grondgebied van de gemeente Geldrop en vallen samen met de belangen die de gemeente Geldrop behoort te beschermen. Het relativiteitsvereiste kan eiseres in de zaak 25/1407 in dit geval niet worden tegengeworpen. In het midden kan blijven of het relativiteitsvereiste in dit geval aan de overige eisers kan worden tegengeworpen.



18.5.
De rechtbank is echter van oordeel in de artikelen 3.2.2 t/m 3.2.4 géén koppeling is gelegd met het Beeldkwaliteitsplan dat als bijlage 3 aan de planregels is gehecht. Voor zover eisers stellen dat sprake is van strijd met de redelijke eisen van welstand, verwijst de rechtbank naar haar oordeel in rechtsoverweging 19 van deze uitspraak.


Welstand

19. Het beeldkwaliteitsplan omvat criteria over gebouwen op het bedrijventerrein. De rechtbank is van oordeel dat de adviezen van de TRK en de dorpsbouwmeester geen kenbare inzichtelijke toetsing bevatten aan deze criteria in het beeldkwaliteitsplan, met andere woorden of wordt voldaan aan deze criteria of waarom afwijking van deze criteria toelaatbaar wordt geacht. Dit betreft zowel het gehele bouwplan als de verhoging van het bouwplan met afwijking van de planregels. Het beeldkwaliteitsplan bevat ook passages over de landschappelijke inpassing. Hierover geeft het TRK wel een duidelijke afweging (namelijk dat de drie gebouwen niet inpasbaar zijn) en dat er in gezamenlijk overleg het maximale eruit gehaald. Hiermee wordt in het midden gelaten of de bezwaren vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige inrichting en vormgeving/beeldkwaliteit aanvaardbaar worden geacht en of sprake is van een onevenredige aantasting van in de omgeving aanwezige architectonische en/of cultuurhistorische waarden, dan wel de ecologische hoofdstructuur. Het advies van de Dorpsbouwmeester is slechts een bevestiging van het advies van de TRK en ontbeert ook een duidelijke conclusie. Met de enkele verwijzing naar het advies heeft het college, in het licht van de bezwaren van eisers, onvoldoende onderbouwd dat wordt voldaan aan de redelijke eisen van welstand respectievelijk het beeldkwaliteitsplan. Het college heeft ook onvoldoende onderbouwd of de bezwaren vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige inrichting en vormgeving/beeldkwaliteit aanvaardbaar worden geacht en of sprake is van een onevenredige aantasting van in de omgeving aanwezige architectonische en/of cultuurhistorische waarden, dan wel de ecologische hoofdstructuur. Bij gebrek aan een onderbouwing kan eisers moeilijk worden tegengeworpen dat zij niet hebben onderbouwd dat sprake is van strijd met het beeldkwaliteitsplan of de redelijke eisen van welstand.

Deze beroepsgrond slaagt.


Bedrijfseconomische noodzaak

20. Eisers in zaken 25/1481, 25/1471, 25/1407 en 25/1422 stellen dat de bedrijfseconomische noodzaak (artikel 3.4.3. sub d) voor de verhoging van de gebouwen van twaalf naar veertien meter onvoldoende is onderbouwd / aangetoond. Op grond van art. 3.4.3 sub d van het bestemmingsplan dient de aanvrager de noodzaak vanuit de bedrijfsvoering aan te tonen alvorens het college binnenplans kan afwijken. Deze noodzaak is niet aangetoond en het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de noodzaak in casu wel aanwezig is. Technische voordelen (zoals standaardisatie en sprinklerinstallaties) zien zij niet als een daadwerkelijke noodzaak. Het bouwplan voorziet namelijk niet in een K28-sprinkler, maar in een K25.2-sprinkler.



20.1.
Het college vindt dat eisers te hoge eisen stellen aan het onderbouwen van de noodzaak. De noodzaak voor de concrete bedrijfsvoering hoeft niet te worden aangetoond. Voor het betoog van eiseres dat aangetoond moet zijn dat de verwezenlijking van de bestemming zonder de hogere bouwhoogte onmogelijk is, bestaat geen enkele grond. De bouwhoogte van 14 meter is afgestemd op het K28-sprinklermodel én de stellinghoogte met het oog op een zo optimaal mogelijke inrichting. Het college verwijst naar het advies van (X)XL-verdozing van het College van Rijksadviseurs van oktober 2019)



20.2.
Vergunninghouder geeft aan dat het K25.2-sprinklermodel, net als het K28-sprinklermodel, een sprinklermodel is dat uitermate geschikt is voor distributiecentra en de daarbij behorende bouwhoogte.



20.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college afdoende heeft gemotiveerd dat de afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van een noodzaak vanuit de bedrijfsvoering. In verband met standaardisatie is de hoogte van 14 meter is afgestemd op het K28 sprinklermodel en de stellinghoogte. Daarmee is voldoende gemotiveerd waarom het met twee meter afwijken van de maximale bouwhoogte noodzakelijk is uit voornoemde oogpunten. Ook als blijkt dat vergunninghoudster een ander sprinkler systeem gaat gebruiken, is de noodzaak voor de hogere bouwhoogte voor een hogere stellinghoogte gegeven.

Deze beroepsgrond slaagt niet.


Vvgb GS ten onrechte afgegeven

21. Meerdere eisers (onder meer in zaken 25/1407, 25/1262 en 25/1469 25/1262 en 25/1469 en 25/1471) stellen dat ten onrechte toestemming is verleend voor het verstoren van beschermde soorten en vrezen dat de bouw en het gebruik van de distributiecentra negatieve gevolgen zal hebben voor de natuur. Eiseres in zaak 25/1407 (gemeente Geldrop) voert aan dat de afgegeven vvgb geen dragende belangenafweging bevat. Zij ziet het ‘Groenplan Business Park Nuenen’ van 28 april 2022 (hierna: ‘het Groenplan’) en het ‘Activiteitenplan soorten Business Park Nuenen’ van 22 augustus 2022 (hierna: ‘het Activiteitenplan’) als onderdelen van het bestreden besluit. Met voorschrift 6 van de door GS afgegeven vvgb wordt de nakoming van de uit het Activiteitenplan voortvloeiende mitigatie- en compensatiemaatregelen onvoldoende geborgd. Het Groenplan is niet aangepast aan het Activiteitenplan. Illustratief is dat de agrarische panden zijn gesloopt zonder de voorgeschreven maatregelen uit het Activiteitenplan uit te voeren.



21.1.
Naar het oordeel van het college staat het relativiteitsvereiste (artikel 8:69a van de Awb) ten aanzien van eisers aan een geslaagd beroep in de weg. Eisers wonen te ver weg of hun bedrijven zijn op een te grote afstand gevestigd. Het projectgebied maakt geen deel uit van de directe leefomgeving van de individuele eigenaars van eisers. Hun belangen zijn dus niet verweven met de algemene natuurbelangen. De dichtstbijzijnde woning in Geldrop-Mierlo ligt op meer dan 100 meter afstand van de projectlocatie, dus het college meent dat dit ook geldt voor eiseres in zaak 25/1407. Inhoudelijk merkt het college op dat in de zienswijzennota wel wordt ingegaan op het vermeende gebrek aan samenhang tussen het Groenplan en het Activiteitenplan en de borging van de vereiste mitigatie- en compensatiemaatregelen. Die zijn in de afgegeven vvgb alsook in het bestreden besluit opgenomen. Het college verwijst hiervoor naar voorschrift 6 uit paragraaf 2.8 van de vvgb en het volgende voorschrift uit het bestreden besluit:

“De voorschriften uit paragraaf ‘2.8 Voorschriften’ uit de door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant afgegeven verklaring van geen bedenkingen in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb), d.d. 1 mei 2024 (kenmerk:21 181465-375567) zijn van overeenkomstige toepassing en dienen nageleefd te worden (zie bijlage 6 bij deze vergunning).”

Het Groenplan hoeft niet te worden aangepast om te voldoen aan de mitigatie- en compensatiemaatregelen uit hoofdstuk 5 van het Activiteitenplan en bovendien is deze vermeende strijdigheid niet onderbouwd. Als nu wordt gehandeld in strijd met het Activiteitenplan is dit een kwestie van handhaving die niet kan leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.



21.2.
GS heeft op 1 mei 2024 ten behoeve van de betreffende drie distributiecentra een vvgb afgegeven. Aan deze vvgb liggen meerdere onderzoeken ten grondslag uit 2021, 2022 en 2024. In onderdeel 2.8 van de afgegeven vvgb staat een aantal voorschriften waaraan initiatiefnemer moet voldoen. Het college heeft deze voorschriften in de bestreden omgevingsvergunning opgenomen.



21.3.
De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een (on)geschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. De rechtbank zal daarom beoordelen of hiervan sprake is. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de bepalingen in de Wnb over de bescherming van soorten strekken tot bescherming van plant- en diersoorten. Dit is alleen anders als de belangen van eisers bij het behoud van een goede kwaliteit van het woon- en leefomgeving van de individuele eigenaars zodanig verwezen zijn met voornoemde algemene natuurbelangen. Deze situatie doet zich voor in het geval het betreffende gebied deel uitmaakt van directe leefomgeving van de individuele eigenaars van eisers. In een geval waarin een besluit voorziet in de realisering van een nieuw bedrijfsgebouw op een perceel waarop uit hoofde van de Wnb beschermde diersoorten voorkomen en de afstand van de woning van de betrokken eisers tot die gronden hemelsbreed meer dan 100 meter bedraagt, zal in zijn algemeenheid niet zo’n verwevenheid worden aangenomen. Aan het college van burgemeester en wethouders en de raad van een gemeente is, in het kader van de ruimtelijke ordening van het grondgebied van een gemeente, mede het belang van het behoud van een goede kwaliteit van de leefomgeving van inwoners toevertrouwd.



21.4.
De rechtbank is van oordeel dat geen van de particuliere eisers op een zodanig korte afstand wonen dat de projectlocatie deel uitmaakt van hun directe leefomgeving. De beroepsgronden van de particuliere eisers kunnen niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank ziet evenmin in hoe de bedrijfsactiviteiten van de twee bedrijven worden beïnvloed door de instandhouding van een populatie binnen de projectlocatie. Ook de bedrijven liggen op enige afstand van de projectlocatie.



21.5.
Dit neemt echter niet weg dat Natuurnetwerk Brabant zich mede uitstrekt over het nabijgelegen grondgebied van de gemeente Geldrop-Mierlo en dat de gevolgen van de mitigatie en compensatiemaatregelen kunnen optreden op het grondgebied van de gemeente Geldrop-Mierlo. Het relativiteitsvereiste kan niet aan de gemeente Geldrop-Mierlo worden tegengeworpen omdat geen aanleiding voor het oordeel bestaat dat de regels in hoofdstuk 3 van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van de gemeente Geldrop-Mierlo.



21.6.
De rechtbank begrijpt de beroepsgrond aldus dat het Groenplan en Activiteitenplan met elkaar botsen zodat ze niet kunnen worden uitgevoerd. Omdat het Groenplan en Activiteitenplan meer omvatten dan alleen mitigatie- en compensatiemaatregelen die gevolgen kunnen hebben voor de nabijgelegen percelen binnen de gemeente Geldrop Mierlo, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiseres met betrekking tot deze beroepsgrond het relativiteitsvereiste tegen te werpen.



21.7.
De rechtbank is van oordeel dat het college de vereiste mitigatie- en compensatiemaatregelen voldoende heeft geborgd. Eiseres heeft niet onderbouwd hoe uitvoering van het Activiteitenplan botst met uitvoering van het Groenplan. Het college merkt terecht op dat, voor zover het Activiteitenplan niet wordt nageleefd, dit een kwestie van handhaving is die niet leidt tot een onrechtmatigheid van het daarvoor genomen bestreden besluit.

Deze beroepsgronden slagen niet.


Effecten op de natuur

22. Volgens eiseres 25/1413 (IVN) heeft zowel de bouw alsook het gebruik van de distributiecentra effecten op de natuur. De distributiecentra generen forse verkeersstromen met als gevolg uitlaatgassen (stikstof), geluid en trillingen. Dit heeft direct effect op het planten- en dierenleven in de directe omgeving. Het natuuronderzoek is volgens eiseres verouderd en kan dus niet aan de bestreden omgevingsvergunning ten grondslag worden gelegd. Volgens eiseres ontbreekt een effectenanalyse met betrekking tot het Natuurnetwerk Brabant. Wel wordt er volgens eiseres gecompenseerd, maar dit vindt plaats in het Natuurnetwerk Brabant. Volgens eiseres is compensatie van natuur in natuurgebied onrechtmatig en oneigenlijk. Eiseres is van oordeel dat deze compensatie elders moet plaatsvinden. Verder is de invulling van de compensatie niet conform het Natuurbeleidsplan van de provincie Noord-Brabant. Zo staan poelen ingetekend op plaatsen die regelmatig overstromen. Deze poelen zijn daardoor niet geschikt voor amfibieën. Ook de afwatering van het plangebied via het Natuurnetwerk Brabant heeft negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit en waterkwantiteit. De ontwikkeling van het plangebied zal een verdrogende en verstorende werking hebben op de hydrologie van het aangrenzend Natuurnetwerk Brabant, onder meer voor de plantensoorten in dit beekdal die afhankelijk zijn van het kwelwater. Uit de inventarisatiegegevens blijkt dat er met name in het gebied van het Natuurnetwerk Brabant, aangrenzend aan het plangebied, vele beschermde plantensoorten en diersoorten voorkomen. Het plangebied vervult een belangrijke functie voor de fauna van dit aangrenzende Natuurnetwerk Brabant. Wanneer het plangebied grotendeels wordt volgebouwd met het distributiecentrum inclusief verharding (33 hectare), dan zal deze natuurfunctie verloren gaan, ook al wordt er een groen randje omheen aangelegd. De door het Distributiecentrum (meer dan 200 laad- en losplaatsen) gegenereerde verkeersstromen zullen een dusdanige uitstoot van uitlaatgassen, waaronder stikstof, genereren dat de elementaire plantensoorten verloren zullen gaan. Naar deze gevolgen is geen onderzoek gedaan. Eiseres wijst er verder op dat de verkeersbewegingen van en naar het distributiecentrum ook gevolgen hebben voor het Natura 2000-gebied 'de Strabrechtse Heide'. Te verwachten is dat er door de verkeersstromen die gegenereerd worden door het distributiecentrum een forse toename van stikstofdepositie op dit natuurgebied zal plaatsvinden. Ook dit is niet onderzocht.



22.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de natuurtoestemming is losgekoppeld met de separate aanvraag voor een natuurvergunning ex artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming, zodat de gevolgen van de aangevraagde distributiecentra voor de betrokken Natura 2000-gebieden dan ook aan bod komen in de procedure tegen de betreffende natuurvergunning.



22.2.
Dat standpunt van het college wordt gevolgd door de rechtbank, zoals hierna onder 23 wordt besproken.



22.3.
Ten aanzien van de soortenbescherming stelt het college zich op het standpunt dat GS een vvgb heeft afgegeven in het kader van de artikelen 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid, en 3.10, eerste lid, van de Wnb. Aan deze vvgb liggen onderzoeken ten grondslag. In onderdeel 2.8 van de vvgb staat een aantal voorschriften waaraan initiatiefnemer moet voldoen. Het college heeft deze voorschriften in de bestreden omgevingsvergunning opgenomen. Naar het oordeel van het college bestaat er dan ook géén aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen vanwege de gevolgen voor de soorten in en rondom het projectgebied.



22.4.
Voor wat betreft de gevolgen voor het Natuurnetwerk Brabant geldt het volgende.
Zoals in paragraaf 4.1 van dit verweerschrift is uiteengezet, staat het bestemmingsplan het gebruik van de gronden als distributiecentra toe. Er bestaat dan ook geen ruimte voor het college om de eventuele gevolgen van dit gebruik voor het Natuurnetwerk Brabant in de bestreden omgevingsvergunning opnieuw te toetsen. Ter toetsing ligt enkel voor of de overschrijding van de bouwhoogte (twee meter) in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.



22.5.
Ten aanzien van de van de soortenbescherming heeft IVN naar het oordeel van de rechtbank geen concrete punten aangevoerd waaruit blijkt dat de onderzoeken waarop de afgegeven vvgb zijn gebaseerd, onjuist zijn. Het enkele feit dat de onderzoeken een aantal jaar oud zijn, maakt op zichzelf nog niet dat ze niet kloppen en niet aan de vvgb ten grondslag hadden kunnen worden gelegd. Voor wat betreft de mogelijke onevenredige nadelige effecten op de ecologische hoofdstructuur verwijst de rechtbank naar wat is overwogen onder 14.

Deze beroepsgrond slaagt niet.


Aanhaakplicht Wnb

23. Volgens eiseres in zaak 25/1407 had de aanvraag buiten behandeling moeten worden gesteld, omdat sprake is van een aanhaakplicht voor een Natura 2000-activiteit (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder i van de Wabo in combinatie met artikel 2.2aa eerste lid van het Bor)De aanvraag natuurvergunning is op dezelfde dag ingediend als de aanvraag omgevingsvergunning.



23.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de aanvrager kan kiezen of hij deze trajecten afzonderlijk of aangehaakt wil doorlopen. Alleen als er op het moment van het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning nog geen vergunning of ontheffing op grond van de Wnb is aangevraagd of is verleend, had het college de aanvraag buiten behandeling moeten laten.



23.2.
Initiatiefnemer heeft voor het beoogde project op 6 augustus 2021 een separate natuurvergunning ex artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming aangevraagd — specifiek voor het aspect gebiedsbescherming — bij het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant. Daarmee heeft initiatiefnemer er zelf voor gekozen om deze natuurtoestemming los te koppelen van de aangevraagde omgevingsvergunning. Ten aanzien van de benodigde natuurtoestemming op basis van artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming is dan ook geen sprake van een activiteit
als bedoeld in artikel 2.2aa onder b van het Bor. Desgevraagd tijdens de zitting heeft eiseres in de zaak 25/1407 aangegeven de motivering van het college niet te weerspreken. Wat het college in dit kader stelt, klopt naar het oordeel van de rechtbank ook.

Deze beroepsgrond slaagt niet.


Uitvoering vergunning op voorhand onmogelijk



23.3.
Eiseres stelt dat bij een omgevingsvergunning voor een activiteit waarbij er sprake is van strijd met de geldende planregels, waarvoor tevens een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig is, bij de beoordeling van de evenwichtige toedeling aan locaties moet worden gemotiveerd waarom de uitvoering van de aangevraagde vergunning niet op voorhand onmogelijk is. Deze motivering ontbreekt. Er is uitsluitend een quickscan toegevoegd voor het aspect flora en fauna, maar nergens is gemotiveerd waarom stikstof niet al op voorhand de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning uitsluit.



23.4.
Het college stelt zich op het standpunt dat artikel 4.3 aanhef en onder a van de Invoeringswet Omgevingswet bepaalt dat in het geval een aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend voor het tijdstip van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, daarop het recht van toepassing is zoals dat gold onmiddellijk voor dat tijdstip tot het besluit op de aanvraag onherroepelijk wordt. De aan het bestreden besluit onderliggende aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 6 augustus 2021. Dat
betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold voor 1 januari 2024, van toepassing blijft. Het criterium ‘evenwichtige toedeling van functies’ is dan ook, anders dan eiseres stelt, niet het juiste toetsingskader. Het is voorts niet uitgesloten dat er in de toekomst voldoende natuur(herstel)maatregelen worden genomen door de Staat en de provincie, waardoor er stikstofruimte vrijkomt, zodat een natuurvergunning verleend zal kunnen worden. Het staat dus niet op voorhand vast dat de vergunning onuitvoerbaar is.



23.5.
De rechtbank is met het college van oordeel dat de omstandigheid dat de aanvraag van de natuurvergunning is aangehouden vanwege het additionaliteitsvereiste, niet betekent dat vast staat dat de onderhavige vergunning niet kan worden uitgevoerd. Voor zover de gemeente Geldrop bij deze grond ook artikel 3.5.4. van de planregels betrekt (stikstofdepositie ecologische hoofdstructuur) verwijst de rechtbank naar wat is overwogen in rechtsoverweging 14.

Deze beroepsgrond slaagt niet.


Groenplan en waterhuishoudingsplan

24. Eiseres in zaak 25/1407 is van mening dat de omgevingsvergunning onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd, omdat de gronden waarop het groenplan en het waterhuishoudingsplan gedeeltelijk zijn gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nuenen’ en niet aan dit bestemmingsplan is getoetst. Bij het uitvoeren van het groenplan en het waterhuishoudingsplan zullen op basis van dit bestemmingsplan omgevingsvergunningplichtige werkzaamheden worden uitgevoerd. Het groenplan voorziet verder in de aanplant van een cluster bomen binnen de dubbelbestemming ‘Leiding - Gas’ van dit bestemmingsplan, waardoor een schriftelijk advies van de leidingbeheerder vereist is.



24.1.
Het college is van oordeel dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb aan een geslaagd beroep in de weg staat. Het is juist dat de gronden waarop het groenplan en het waterhuishoudingsplan worden gerealiseerd gedeeltelijk liggen binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nuenen’ (vastgesteld op 1 november 2018) en dat voor bepaalde werkzaamheden een aanlegvergunning nodig is op grond van artikel 17.5.1 van de planregels en artikel 2.1, eerste lid onder b, van de Wabo. Daar ziet de aanvraag om omgevingsvergunning niet op. Hiervoor wordt een separate vergunningsprocedure doorlopen. Er wordt geen cluster bomen aangeplant binnen de dubbelbestemming ‘Leiding - Gas’ van dit bestemmingsplan. Dat is duidelijk te zien op het groenplan.



24.2.
De rechtbank stelt vast dat realisering van het groenplan en waterhuishoudingsplan geen onlosmakelijk verbonden activiteiten zijn. Er kan dus apart een aanvraag voor worden ingediend. Voor zover eiseres in de zaak 25/1407 stelt dat beide plannen niet kunnen worden uitgevoerd, omdat deze aparte vergunning (inmiddels een omgevingsvergunning) voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid onder a, van de Omgevingswet, nooit kan worden verleend en het daartoe strekkende voorschrift in het bestreden besluit niet kan worden nageleefd, overweegt de rechtbank het volgende. Eiseres in de zaak 25/1407 heeft desgevraagd tijdens de zitting niet onderbouwd dat het groenplan niet kan worden gerealiseerd. Evenmin is de rechtbank gebleken dat de benodigde omgevingsvergunning niet kan worden verleend vanwege de aanwezigheid van de leiding.
Deze beroepsgrond slaagt niet.


Parkeren en verkeersveiligheid rondom de projectlocatie

25. Eisers in zaak 25/1678 vrezen voor parkeeroverlast. Op de planlocatie zijn volgens hen geen parkeermogelijkheden voor vrachtwagens, anders dan aan de loading docks, opgenomen. Dit zal leiden tot parkeeroverlast in de omgeving. Verder stellen zij dat de combinatie van zwaar vrachtverkeer, personenauto's en kwetsbaar fietsverkeer ter plaatse van de hoofdingang van het project met grote verschillen in massa en kwetsbaarheid uit oogpunt van verkeersveiligheid onwenselijk is. Zij stellen verder dat de calamiteiteningang niet voldoet. Er zijn voorts onvoldoende parkeerfaciliteiten voor fietsers voorzien. Het in het bestemmingsplan geëiste pad voor wandelaars (en fietsers) via De Wetering is niet in het plan opgenomen. Ook is daardoor de in het bestemmingsplan aangeduide toegang voor hulpdiensten via de aansluiting aan het fietspad langs het Eindhovens Kanaal niet mogelijk.



25.1.
Met het college is de rechtbank van oordeel dat het relativiteitsvereiste (artikel 8:69a van de Awb) aan een geslaagd beroep in de weg staat voor wat betreft de in de voorgaande alinea genoemde punten. Daarvoor is van belang dat deze eisers op een afstand van circa 2,5 kilometer van de planlocatie wonen. De normen waar deze eisers zich op beroepen strekken niet tot bescherming van hun belangen nu deze eisers niet hebben gesteld of aannemelijk gemaakt dat ter plaatse van hun woning een verkeersonveilige situatie of parkeeroverlast zal ontstaan. Deze eisers kunnen niet opkomen voor de belangen van de omwonenden in directe omgeving van de planlocatie.

Deze beroepsgronden slagen niet.





Conclusie en gevolgen

26. De beroepen zijn gegrond.


Het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat het bestreden besluit niet is genomen in strijd met het in artikel 3.5.4 van de planregels opgenomen gebruiksverbod;


Het college heeft het bestreden besluit ten onrechte genomen met toepassing van de bevoegdheid in artikel 2.12, eerste lid onder a, onder 2, van de Wabo in combinatie met artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II van het Bor, omdat de projectlocatie buiten de bebouwde kom is gelegen;


Het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat de gevolgen van de toename van de opslagcapaciteit niet leiden tot een onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naburige percelen en niet leiden tot een onevenredige aantasting van de belangen van derden en heeft onvoldoende gemotiveerd dat de toename van de opslagcapaciteit in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening;


Het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van strijd met de redelijke eisen van welstand en heeft onvoldoende onderbouwd of de bezwaren vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige inrichting en vormgeving/beeldkwaliteit aanvaardbaar worden geacht en of sprake is van een onevenredige aantasting van in de omgeving aanwezige architectonische en/of cultuurhistorische waarden en de ecologische hoofdstructuur.




26.1.
Het college heeft tijdens de zitting verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld gebreken in het bestreden besluit te herstellen en de rechtbank zal daarom een tussenuitspraak doen en deze gelegenheid geven. De rechtbank geeft hierbij de volgende aanwijzingen met betrekking tot de drie eerste gebreken:
Het college zal moeten onderzoeken of de quickscan van het Natuurnetwerk Brabant ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan Eeneind-West nog actueel is.
Het college zal de gevolgen van stikstofdepositie op het Natuurnetwerk Brabant vanwege de bouw en het gebruik van de distributiecentra inzichtelijk moeten maken met een modelmatige berekening. Daarna zal het college moeten aangeven of zij deze gevolgen als onevenredig nadelige effecten beschouwt.
Zolang het uiteindelijke gebruik van de distributiecentra niet bekend is, zal het college bij de beoordeling van de gevolgen van de toename van de opslagcapaciteit uitgaan van een worst case scenario (qua vervoersbewegingen en qua de aan- en afvoerroutes van dit vervoer door de kern van Geldrop).
De rechtbank heeft niet beoordeeld of het college toepassing kan geven aan de bevoegdheid van artikel 2.12, eerste lid onder a, onder 2, van de Wabo in combinatie met artikel 4, onderdeel 4, van bijlage II van het Bor. Het is aan het college om bij het nemen van het herstelbesluit tot verlening of weigering van de gevraagde omgevingsvergunning te bepalen welke bevoegdheid hij hiervoor aanwendt. Herstel kan uitsluitend plaatsvinden door het nemen van een herstelbesluit, omdat het college de bevoegdheid in artikel 2.12, eerste lid onder a, onder 2, van de Wabo in combinatie met artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II van het Bor heeft aangewend.



26.2.
Als het college een herstelbesluit heeft genomen, krijgen partijen vier weken de gelegenheid om daarop te reageren. Daarna doet de rechtbank in beginsel einduitspraak zonder tweede zitting. Het college krijgt zes maanden de tijd voor herstel van de gebreken.



26.3.
De rechtbank wijst partijen er op dat zij geen nieuwe beroepsgronden en/of argumenten kunnen aanvoeren. De beroepsgronden die in deze uitspraak niet zijn behandeld (waaronder de beroepsgrond dat het bestreden besluit ten onrechte is genomen zonder verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad van Nuenen) zal de rechtbank behandelen in de einduitspraak.



26.4.
Gelet op deze tussenuitspraak ziet de rechtbank aanleiding het bestreden besluit te schorsen tot en met de einduitspraak.



26.5.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep van eiseres. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Dat zal zij in de einduitspraak doen.





Beslissing

De rechtbank:- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes maanden na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- schorst het bestreden besluit tot en met de einduitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.



Deze uitspraak is gedaan door mr. K.A. Maarschalkerweerd, voorzitter en mr. M.J.H.M Verhoeven en mr. V.A. Textor, leden in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2026.













griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.



Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Artikel 6:6 van de Awb.


uitspraak van 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:407, r.o. 7-7.1.


uitspraak van 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4227 r.o. 11.5.


ECLI:NL:RVS:2008:BC3039


ECLI:NL:RBDHA:2019:14616


Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:278


Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2010. ECLI:NL:RVS:2010:BN8584


zie de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:520


zie de uitspraak van de Afdeling van19 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:520, r.o. 5.3


ECLI:NL:RVS:2010:BM9632


Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1838


Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2018 ECLI:NL:RVS:2018:1178


Zie de uitspraken van de Afdeling van 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:744 en 4 februari 2020 ECLI:NL:RVS:2020:338.


(ECLI:NL:RVS:2025:2207)


Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2953, r.o. 8.1.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1465, r.o. 9.1.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3842


Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3587


Zie de uitspraak van de Afdeling van18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:450.


ECLI:NL:RVS:2024:1960


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:283.


Zie de uitspraken van 29 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1830, 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4197 en van 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1234.
Link naar deze uitspraak