|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2026:650 | | | | | Datum uitspraak | : | 02-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 18-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | 25/1544 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Afwijzing individuele inkomenstoeslag. Beroep ongegrond, inkomen is hoger dan de inkomensgrens. Eiser voert aan dat dit het gevolg is van de afbouw van de dubbele loonheffingskorting in het referentieminimumloon, maar beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Ook geen toepassing hardheidsclausule | | Trefwoorden | : | heffingskorting | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1544
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, het college
(gemachtigde: mr. V.F.L. Beulen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor individuele inkomenstoeslag. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiser om individuele inkomenstoeslag terecht heeft afgewezen.
Feiten, omstandigheden en procesverloop
2. Op 30 december 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor individuele inkomenstoeslag.
2.1.
In het besluit van 6 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiser voor individuele inkomenstoeslag afgewezen.
2.2.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.3.
In het besluit van 21 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en heeft hij het besluit gehandhaafd.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
Het bestreden besluit
3. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de aanvraag voor de individuele inkomenstoeslag voor eiser terecht is afgewezen. Samengevat weergegeven blijkt uit de beschikbare gegevens volgens het college dat geen recht bestaat op individuele inkomenstoeslag. Het inkomen van eiser uit zijn Wajong-uitkering is namelijk in een groot deel van de referteperiode hoger dan de inkomensgrens. Het college stelt zich verder op het standpunt dat in het toepasselijk beoordelingskader alleen de toetsing van het begrip langdurig te laag inkomen centraal staat, waardoor de hoogte van uitgaven en eventuele schulden niet in deze beoordeling worden betrokken. Het feit dat in de brief van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 november 2023 is verzocht om geen invorderingsmaatregel te treffen ten aanzien van de belastingaanslagen over 2023 en 2024 kan volgens het college verder niet leiden tot een ander standpunt, omdat een verzoek tot kwijtschelding en de individuele inkomenstoeslag van elkaar verschillen wat betreft de grondslag en het toetsingskader. Daarnaast ziet het college in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. Ook is volgens het college niet gebleken dat de gevolgen van de afwijzing voor eiser onevenredig zijn, waardoor een beroep op het evenredigheidsbeginsel niet kan slagen. Eiser voldoet volgens het college niet aan het vereiste van een langdurig laag inkomen van artikel 3.18, eerste lid, van de Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven (de Verordening).
Wat vindt eiser?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. De dubbele algemene heffingskorting in het referentieminimumloon is langzaam afgebouwd. Dat heeft ervoor gezorgd dat de uitkeringen op basis van de Participatiewet zijn verlaagd, terwijl de uitkering van eiser gelijk is gebleven. Eerder kreeg hij wel een individuele inkomenstoeslag, maar nu niet meer. De wetgever heeft niet beoogd dat onder andere Wajongers op den duur geen recht meer hebben op bijvoorbeeld de langdurigheidstoeslag en kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. In de Memorie van Toelichting van deze afbouw is er namelijk vanuit gegaan dat mensen met een andere uitkering dan de Participatiewet nog steeds aanspraak zouden maken op de langdurigheidstoeslag. Het besluit is op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd. Het college heeft daarom ten onrechte de hardheidsclausule niet toegepast. Ook is het besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel. In eerdere jaren is aan eiser wel de individuele inkomenstoeslag toegekend, terwijl de situatie van eiser niet gewijzigd is. Daarnaast betwist eiser dat hij onvolledige bankafschriften heeft aangeleverd. Het college heeft de stukken ook niet opnieuw opgevraagd bij eiser. Het college verwijst naar een eerdere procedure waar de individuele inkomenstoeslag van eiser is afgewezen, maar in deze procedure is het probleem van het jaarlijks verlagen van de uitkering in de Participatiewet (Pw) onvoldoende belicht. Ook heeft hij tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB).
Beoordeling door de rechtbank
Is het inkomen van eiser hoger dan de inkomensgrens?
5. In artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) staat dat het college een persoon die langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, een individuele inkomenstoeslag kan verlenen.
5.1.
Het college heeft de voorwaarde van een langdurig laag inkomen uit artikel 36, eerste lid, van de Pw nader uitgewerkt in artikel 3.18 van de Verordening SD Eindhoven. Uit dat artikel blijkt dat een persoon een langdurig laag inkomen heeft als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100% van de toepasselijke bijstandsnorm. Per 1 januari 2022 geldt als uitgangspunt dat een persoon een langdurig laag inkomen heeft als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 103% van de toepasselijke bijstandsnorm. De rechtbank houdt het ervoor dat het college daarmee beleid hanteert waarmee ten gunste van eiser wordt afgeweken van de Verordening. De rechtbank zal daarom beoordelen of het college juist heeft vastgesteld dat eisers inkomen boven de norm van 103% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm ligt.
5.2.
Het college heeft inzichtelijk berekend dat het inkomen van eiser in de referteperiode hoger is dan 103% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Eiser heeft daartegen ook geen beroepsgrond gericht. Ook eisers bruto jaarinkomen over 2023 is hoger dan de bruto inkomensgrens volgens het college en ook daartegen heeft eiser geen beroepsgrond gericht. Aldus komt de rechtbank tot de conclusie en zo is op zichzelf ook niet in geschil, dat het inkomen van eiser in de referteperiode hoger is dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Dat eiser door een afschaffing van de dubbele algemene heffingskorting thans, in tegenstelling tot het verleden, niet meer in aanmerking komt voor de individuele inkomenstoeslag maakt deze feitelijk situatie niet anders en vormt geen reden voor een andere conclusie.
Evenredigheidsbeginsel
6. Het college heeft in artikel 3.18 van de Verordening bepaald dat een langdurig laag inkomen 100% van de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. Dit is een algemeen verbindend voorschrift dat bij uitstek een voorwerp is van een politiek-bestuurlijke afweging zodat de rechter dit terughoudend dient te toetsen. Het college past sinds 2022 voor alle inwoners van de gemeente, in afwijking van de Verordening, een voor de inwoners gunstiger percentage van 103 toe op de toepasselijke bijstandsnorm. De rechtbank is van oordeel dat deze bestendige gunstigere toepassing van de bepaling uit de Verordening is te kwalificeren als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB moet de bestuursrechter het bestaan en de inhoud van buitenwettelijk begunstigend beleid als een gegeven aanvaarden en is de rechterlijke toetsing beperkt tot de vraag of het bestuursorgaan het beleid consistent heeft toegepast en of fundamentele rechten waarop door de betrokkene een beroep wordt gedaan niet zijn geschonden. Dit betekent in het geval van eiser dat de rechtbank de door eiser gestelde onevenredige gevolgen van de afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon, alsmede de vraag of dit destijds door de wetgever is betrokken bij de beslissing tot afbouw, niet kan toetsen.
6.1.
Eiser voert aan dat in eerdere jaren aan hem wel de individuele inkomenstoeslag is toegekend, terwijl de situatie van eiser niet gewijzigd is. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet, voor zover eiser dat heeft bedoeld, dat het college het beleid niet consistent zou toepassen. Omdat het inkomen van eiser in de referteperiode hoger is dan 103% van de toepasselijke bijstandsnorm, heeft het college de aanvraag van eiser voor individuele inkomenstoeslag thans terecht afgewezen.
Hardheidsclausule
7. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan toepassing van de hardheidsclausule is aangewezen. Het college heeft er in het bestreden besluit terecht op gewezen dat ten tijde van het opstellen van de Verordening een bewuste keuze is gemaakt om enkel aanvragers met een inkomen onder de inkomensgrens in aanmerking te laten komen voor de individuele inkomenstoeslag. De aard van het inkomen speelt hierbij geen rol, dus het maakt daarbij niet uit dat eiser een Wajong-uitkering ontvangt. Het gevolg dat mensen met een hoger inkomen buiten de regeling vallen, is expliciet in de beoordeling betrokken. Het feit dat de hoogte van de Wajong uitkering recentelijk harder is gestegen dan de toepasselijke bijstandsnorm, waardoor eiser voor langere tijd buiten de doelgroep van deze regeling valt, betekent niet dat bij de toepassing van de in artikel 3.18 van de Verordening opgenomen inkomensgrens sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, die voorkomen had kunnen worden als deze gevolgen bij het opstellen van de regelgeving zouden zijn voorzien. Daarbij komt dat eiser de inkomensgrens niet met slechts enkele euro’s overschrijdt. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn standpunt dat op dit punt sprake is van een motiveringsgebrek, noch dat de hardheidsclausule had moeten worden toegepast.
Had het college aan eiser aanvullende stukken moeten opvragen?
8. De rechtbank constateert dat het college zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat uit de reeds beschikbare gegevens al blijkt dat geen recht bestaat op individuele inkomenstoeslag. Dat de bankafschriften van eiser onvolledig waren, is dus niet de reden dat het college de aanvraag van eiser voor individuele inkomenstoeslag heeft afgewezen. Het was dus ook niet, anders dan eiser stelt, nodig om de stukken alsnog op te vragen. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Met betrekking hetgeen eiser aanvoert over de vorige afwijzing van zijn aanvraag om individuele inkomenstoeslag, merkt de rechtbank op dat die beoordeling hier niet ter toetsing voorligt.
10. Gelet op het voorgaande heeft het college terecht de aanvraag van eiser om individuele inkomenstoeslag afgewezen.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.M. van de Voort, rechter, in aanwezigheid van mr. D.E. Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:CRVB:2016:472.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2023:571. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|