|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2026:651 | | | | | Datum uitspraak | : | 02-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 17-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | 25/2184 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Intrekking en terugvordering bijstand, beroep ongegrond, eiser is te lang in het buitenland verbleven. Dit was wegens ziekte, maar de verwijtbaarheid van het langere verblijf in het buitenland is niet relevant. Dringende reden niet gebleken. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2184
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
Weener XL namens het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch, Weener XL
(gemachtigde: [naam] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiser in de periode 2 februari 2025 tot en met 18 februari 2025. Weener XL heeft de bijstandsuitkering van eiser over deze periode ingetrokken en teruggevorderd, omdat eiser langer dan vier weken in het buitenland heeft verbleven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Weener XL de bijstandsuitkering van eiser in de periode 2 februari 2025 tot en met 18 februari 2025 terecht heeft ingetrokken. Verder heeft Weener XL terecht een bedrag van € 816,88 teruggevorderd.
Feiten, omstandigheden en procesverloop
2. Eiser ontvangt sinds 24 april 2023 een bijstandsuitkering. Eiser heeft op 30 december 2024 het formulier ‘Melden vakantie/verblijf buitenland’ ingeleverd bij Weener XL, waarin hij aangeeft van 4 januari 2025 tot 18 januari 2025 in het buitenland te verblijven. Eiser heeft tijdens zijn verblijf in het buitenland contact opgenomen met zijn werkconsulent om te melden dat hij in het ziekenhuis is opgenomen en dat hij daardoor niet kan terugkeren naar Nederland. Gedurende dit verblijf heeft eiser contact gehouden met zijn werkconsulent. Op 19 februari 2025 heeft eiser gemeld dat hij op 18 februari 2025 thuis is gekomen.
2.1.
Met het besluit van 18 maart 2025 (het primaire besluit) heeft Weener XL de bijstandsuitkering van eiser in de periode van 2 februari 2025 tot en met 18 februari 2025 ingetrokken. Ook heeft Weener XL een bedrag van € 816,88 teruggevorderd over diezelfde periode. Volgens Weener XL had eiser in de periode van 2 februari 2025 tot en met 18 februari 2025 geen recht op een uitkering omdat hij die periode langer dan 28 dagen in het buitenland verbleef. Volgens Weener XL zijn er geen dringende redenen om aan eiser toch een uitkering te verstrekken in die periode. Ook zijn er volgens Weener XL geen dringende redenen om van de terugvordering af te zien.
2.2.
Op 21 maart 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Volgens eiser heeft Weener XL ten onrechte een deel van zijn uitkering ingetrokken en teruggevorderd. Hij is namelijk lang ziek geweest en hij heeft zijn werkconsulent hiervan op de hoogte gesteld. Hij kon niet eerder naar Nederland komen omdat hij niet mocht vliegen vanwege het vocht in zijn been en arm.
2.3.
In het besluit van 1 september 2025 (het bestreden besluit) heeft Weener XL het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van Weener XL.
Het bestreden besluit
3. In het bestreden besluit heeft Weener XL zich – onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie – op het standpunt gesteld dat hij terecht de bijstandsuitkering van eiser heeft ingetrokken in de periode van 2 februari 2025 tot en met 18 februari 2025 en een bedrag van € 816,88 heeft teruggevorderd. Uit artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Participatiewet (Pw) volgt dat degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland, dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland, geen recht heeft op bijstand. Daaruit volgt dat eiser van 2 februari 2025 tot en met 18 februari 2025 geen recht had op bijstand. Daarbij is de reden van het lange verblijf buiten Nederland niet van belang. Volgens Weener XL doen zich verder geen dringende redenen voor om aan eiser in deze periode toch bijstand toe te kennen. Ook zijn er volgens Weener XL geen dringende redenen om van de terugvordering af te zien. Gelet op het voorgaande stelt Weener XL dat hij over die periode terecht de bijstandsuitkering van eiser heeft ingetrokken en teruggevorderd.
Wat vindt eiser?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser had voorafgaand aan zijn vakantie al last van zijn been, maar op vakantie is het erger geworden. De doktoren in Suriname hebben geconstateerd dat eiser vocht in zijn been had, waardoor hij tot twee keer toe vocht uit zijn been heeft moeten laten verwijderen. De familie van eiser heeft een paar keer gebeld met de werkconsulent van eiser over zijn ziekte en heeft de werkconsulent van alles op de hoogte gehouden. Bij terugkomst in Nederland heeft eiser alle bewijsstukken laten zien. Eiser kan er dus niks aan doen dat hij langer dan vier weken in het buitenland heeft verbleven. Ook voert eiser aan dat hij in een schuldhulptraject zit en dat hij een schuld heeft aan Weener XL waar hij € 64,- per maand voor betaalt. Hij is het daarom niet eens met de intrekking en terugvordering van zijn bijstandsuitkering.
Beoordeling door de rechtbank
Mocht Weener XL de bijstandsuitkering van eiser over de periode 2 februari 2025 tot en met 18 februari 2025 intrekken en terugvorderen?
5. Ingevolge artikel 13, eerste lid, onder e, van de Pw, heeft geen recht op bijstand, degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland.
5.1.
Artikel 13, eerste lid en onder e, van de Pw is dwingendrechtelijk van aard is en laat geen ruimte laat voor een beoordeling van de verwijtbaarheid van het langer verblijf van de betrokkene in het buitenland. Ook voor een andere weging van belangen of toetsing aan het evenredigheidsbeginsel bestaat geen ruimte .
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in 2025 langer dan vier weken aaneengesloten in het buitenland heeft verbleven, namelijk van 4 januari 2025 tot en met 18 februari 2025. Eiser was daarom vanaf 2 februari 2025, toen de termijn van vier weken werd overschreden, uitgesloten van bijstand.
5.3.
Zoals gezegd is artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Pw dwingendrechtelijk van aard en laat geen ruimte voor een beoordeling van de verwijtbaarheid. Dat eiser stelt dat hij ziek was en er daarom niks aan kon doen dat hij langer dan vier weken in het buitenland heeft verbleven, is dus niet van belang. Ook de omstandigheid dat de familie van eiser contact heeft gehouden met de werkconsulent van eiser, is gelet op het voorgaande niet van belang. Omdat vast staat dat eiser langer dan vier weken in het buitenland heeft verbleven, heeft hij in de periode van 2 februari 2025 tot en met 18 februari 2025 ten onrechte bijstand ontvangen. Weener XL mocht daarom over deze periode de bijstand van eiser intrekken.
5.4.
Het college heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat het uitgangspunt is dat bijstand die ten onrechte is ontvangen moet worden terugbetaald. Het college heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat er geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de mate van verwijtbaarheid van het verblijf in het buitenland, het feit dat eiser Weener XL heeft geïnformeerd en de andere schuld van eiser onvoldoende dringende redenen om van terugvordering af te zien. Weener XL mocht daarom een bedrag van € 816,88 terugvorderen.
Is er sprake van dringende redenen?
6. Weener XL kan aan een persoon die op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Pw geen recht op bijstand heeft toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak. Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Nu eiser zich op deze uitzondering beroept, moet hij aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor bijstandverlening op grond van artikel 16, eerste lid, van de Pw is voldaan.
6.1.
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in behoeftige omstandigheden verkeert, die op geen enkele andere wijze dan door verlening van bijstand zijn te verhelpen. Dat eiser in een schuldhulptraject zit en dat hij € 64,- per maand aflost op een andere schuld aan Weener XL, is daarvoor niet voldoende. Bovendien is ter zitting door eiser toegelicht dat zijn schuldsaneringstraject is geëindigd en dat hij op dit moment geen (andere) schulden heeft. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het niet verlenen van bijstand voor eiser tot ernstige gevolgen leidt. Eisers stelling dat het langere verblijf in Suriname hem niet kan worden verweten, zo is namens Weener XL ter zitting terecht betoogd, is in het kader van de vraag of er sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 16 Pw niet relevant.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.M. van de Voort, rechter, in aanwezigheid van mr. D.E. Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 58, tweede lid, van de Pw.
Artikel 16, eerste lid, van de Pw.
Artikel 58, tweede lid, van de Pw.
Zie ECLI:NL:CRVB:2016:1705
Zie ECLI:NL:CRVB:2022:788 en ECLI:NL:CRVB:2024:1791.
Artikel 58, tweede lid, van de Pw.
Zie ECLI:NL:CRVB:2025:405. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|