|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2026:7612 | | | | | Datum uitspraak | : | 03-11-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 06-11-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | 26/569 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Vaststellen bevoegd gezag handhaving vergunningvoorschrift. Vergunning voor inrichting verleend onder oud recht. Is het bevoegd gezag gewijzigd onder Omgevingswet? 4.16 Omgevingsbesluit: locatie wordt vastgesteld op basis van de bij eerder verleende vergunning vastgestelde locatie van (inmiddels) complex bedrijf ex art. 3.79 Bal. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | omgevingsvergunning | | | wabo | | | wet milieubeheer | | | | Uitspraak | RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/569 OWHAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 november 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] ,
eiseres,
(gemachtigden: ing. [gemachtigde 1] en ir. [gemachtigde 2] ),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant,
GS,
(gemachtigden: mr. M. de Laat en [gemachtigde 3] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een aan eiseres opgelegde last onder dwangsom wegens overtreding van een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een of meer milieubelastende activiteiten door (langdurige) opslag van kunstgrasafval binnen het bedrijf aan de [straat] . Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat GS bevoegd was tot handhavend optreden wegens overtreding van het voorschrift uit de omgevingsvergunning en dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat GS van handhaving had moeten afzien. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 12 januari 2026 op het bezwaar van eiseres is GS bij zijn besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
GS heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
Bij brief van 23 juni 2026 heeft eiseres nadere stukken aan de rechtbank gestuurd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres en de gemachtigden van GS.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
3. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten:
- Bij besluit van 20 juli 2004 heeft GS aan eiseres een revisievergunning verleend als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wm) voor een inrichting, te weten een aannemings- en bouwbedrijf, transportbedrijf, afval be- en verwerkingsbedrijf alsmede agrarisch bedrijf aan de [adres] ( [naam 1] ) en [straat] ongenummerd ( [naam 2] ) in [plaats 1] .
- Bij besluit van 1 februari 2008 heeft GS voor de inrichting een veranderingsvergunning krachtens de Wm verleend.
- Bij besluit van 27 november 2009 heeft GS een veranderingsvergunning krachtens de Wm verleend voor de inrichting bestemd voor opslaan, be- en verwerken van bouw- en sloopafval.
Voorschrift 1.4.1 van de vergunning luidt als volgt:
De termijn van opslag van afvalstoffen mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder ten genoegen van het bevoegd gezag aantoont dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.
- Op 21 januari 2021 is aan eiseres een veranderingsvergunning verleend voor het innemen en de op- en overslag van gebaald kunststof in een bestaande opslagloods.
- Op 16 september 2024 heeft een toezichthouder van de Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) in opdracht van GS een bedrijfscontrole uitgevoerd op [naam 1] . In het rapport van 1 oktober 2024 is aangegeven dat tijdens de controle is gezien dat in de opslagloods nog steeds kunststof (kunstgrasafval) afkomstig van de voormalige [bedrijf] in [plaats 2] ligt opgeslagen. Dit kunstgrasafval ligt er sinds februari 2021. Hiermee is de maximale opslagduur van deze afvalstof overschreden.
- Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Op basis van het overgangsrecht gelden alle hiervoor genoemde vergunningen als vergunningen voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet.
- In een brief van 1 oktober 2024 aan eiseres heeft de ODBN aangegeven dat verwacht wordt dat het bedrijf voor 1 december 2024 het kunstgrasafval in de opslagloods verwijdert.
- Op 17 januari 2025 heeft een toezichthouder van de ODBN een hercontrole uitgevoerd aan [naam 1] .
- Bij brief van 27 januari 2025 heeft GS aan eiseres een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom gestuurd. In die brief staat, dat eiseres voor 1 april 2025 het kunstgrasafval, afkomstig van [bedrijf] in [plaats 2] , moet verwijderen.
- Tegen dat voornemen heeft eiseres bij brief van 14 februari 2025 een zienswijze ingediend.
- In februari 2025 is een beginnende broeibrand geconstateerd op [naam 1] .
- Op 14 mei 2025 heeft de toezichthouder van de ODBN geconstateerd dat de overtredingen op [naam 1] nog steeds niet (helemaal) zijn beëindigd. Hiervan is een rapport van bevindingen d.d. 14 mei 2025 opgemaakt.
- Bij primair besluit van 10 juni 2025 heeft GS aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd. In dit besluit wordt vermeld dat eiseres op haar bedrijf de milieubelastende activiteit “afvalbeheer van een IPPC-installatie” uitvoert. Vastgesteld is dat een partij kunstgrasafval al sinds februari 2021 op [naam 1] ligt opgeslagen en dat inmiddels een deel van het kunstgras is verplaatst naar op [naam 2] . De maximale opslagduur van drie jaar (voorschrift 1.4.1 van de vergunning van 27 november 2009) is hiermee overschreden. Eiseres dient uiterlijk op 15 september 2025 op basis van artikel 5.5, eerste lid, onder d, van de Omgevingswet (Ow) de overtreding van voorschrift 1.4.1 van de omgevingsvergunning te beëindigen en beëindigd te houden. Als de overtreding dan niet zou zijn beëindigd en beëindigd is gehouden moet eiseres een geldbedrag betalen van € 15.000,- per constatering per week dat voorschrift 1.4.1 van de vergunning van 27 november 2009 niet wordt nageleefd, met een maximum van € 90.000,-. Om de overtreding te beëindigen moet eiseres het kunstgrasafval dat langer dan drie jaar binnen het bedrijf ligt opgeslagen, verwijderd hebben van het bedrijf en verwijderd houden.
- Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
- Op 22 september 2025 heeft een toezichthouder van de ODBN een milieucontrole uitgevoerd. Hiervan is op 29 oktober 2025 een rapport van bevindingen opgemaakt. Tijdens de controle is geconstateerd dat de partij kunstgrasafval nog grotendeels aanwezig is binnen de locatie. Eiseres heeft aangegeven dat er sinds de voorgaande controle van 22 september 2025 geen kunstgrasafval is afgevoerd.
- Bij besluit op bezwaar van 12 januari 2026 heeft GS zijn besluit van 10 juni 2025 in stand gelaten.
- Op 26 januari 2026 is door een toezichthouder van de ODBN een hercontrole uitgevoerd. Hiervan is op 18 februari 2026 een rapport van bevindingen opgemaakt. Tijdens de controle is gesproken met [naam 3] , bestuurder van eiseres. De partij kunstgrasafval was op die datum nog grotendeels aanwezig.
GS bevoegd tot handhaving voor zover de overtreding ziet op [naam 1] ?
3.1.
De rechtbank verstaat het betoog van eiseres als volgt. Eiseres stelt zich op het standpunt dat voor de opslag van kunststof die al enige jaren plaatsvindt op [naam 1] , een milieutoestemming geldt. Het gaat om een door GS verleende omgevingsvergunning voor [naam 1] en [naam 2] gezamenlijk. Vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 vormden beide locaties één inrichting in de zin van de Wm, per die datum gaat het om verschillende milieubelastende activiteiten. Voor de milieubelastende activiteiten op [naam 1] wijst artikel 5.8 van de Ow het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught aan als bevoegd gezag. Het gaat immers om milieubelastende activiteiten, die worden genoemd in de artikelen 3.167 en 3.184 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), waarvoor geen ander bestuursorgaan als bevoegd gezag is aangewezen. De last onder dwangsom betreft milieubelastende activiteiten op [naam 1] , waardoor volgens eiseres niet GS, maar het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught het bevoegd gezag is.
3.2.
Voor de milieubelastende activiteiten op [naam 2] staat tussen partijen vast dat sprake is van een IPPC-installatie zoals aangewezen in artikel 3.78 van het Bal, waarvoor GS bevoegd gezag is.
3.3.
Het tweede lid van artikel 3.78 Bal bepaalt dat de aanwijzing ook andere milieubelastende activiteiten omvat die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen. De milieubelastende activiteiten die op [naam 1] plaatsvinden voldoen volgens eiseres niet aan dit criterium. Zij wijst daarbij op de wetsgeschiedenis. In de Nota van toelichting bij het Bal staat: “Deze functioneel ondersteunende activiteiten staan in brede zin ten dienste van de kernactiviteit, en zouden er zonder de kernactiviteit waarschijnlijk niet zijn. Het gaat naast technische ondersteuning van de kernactiviteit, ook om facilitaire voorzieningen zoals een administratiekantoor, bezoekersfaciliteit of showroom die er niet waren geweest zonder de kernactiviteit.” [naam 2] en [naam 1] kunnen volgens eiseres echter onafhankelijk van elkaar voortbestaan en hebben elkaars ondersteuning niet per se nodig. Het gegeven dat voor beide locaties oorspronkelijk één (revisie)vergunning is verleend maakt dat niet anders. Eiseres deelt niet de opvatting dat alleen sprake kan zijn van verschillende locaties met verschillende milieubelastende activiteiten als daarvoor door eiseres een verzoek tot splitsing zou worden ingediend bij het bevoegd gezag.
3.4.
GS heeft zich op het standpunt gesteld dat een “omgevingsvergunning milieu” voor een inrichting op basis van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gold voor de hele inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van die wet. Het overgangsrecht van artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet (InvwOw) bepaalt dat de omgevingsvergunning voor een inrichting voor een of meer activiteiten waarop een verbodsbepaling van toepassing is als bedoeld in paragraaf 5.1.1 van de Ow en die onherroepelijk is, geldt als een omgevingsvergunning voor die activiteit(en). Volgens het tweede lid van dat artikel geldt dat ook voor de aan die omgevingsvergunning verbonden voorschriften.De vergunningvoorschriften van de “omgevingsvergunning milieu” blijven gelden onder de Ow. Het kunstgrasafval lag gedeeltelijk opgeslagen in de opslagloods op [naam 1] en gedeeltelijk op [naam 2] . Beide locaties vallen onder de (veranderingsvergunning) van 27 november 2009. GS betwist dat er daadwerkelijk sprake is van twee verschillende locaties. Het betreft hier een complex bedrijf en de (overige) activiteiten op beide locaties zijn functioneel ondersteunend. De vergunningen gelden voor een aannemings- en bouwbedrijf, transportbedrijf, afvalbe- en verwerkingsbedrijf alsmede een agrarisch bedrijf. Op beide locaties vinden activiteiten plaats die ten dienste staan van deze gehele bedrijfsvoering, te weten het grondwerk- en grondverzetbedrijf van eiseres. Zo is ook de opslag van kunststof over beide locaties verdeeld.
3.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Niet ter discussie staat dat op grond van artikel 4.13, eerste lid van de InvwOw een verleende omgevingsvergunning onder oud recht (voor 1 januari 2024) geldt als een omgevingsvergunning onder de Ow voor de vergunningplichtige milieubelastende activiteiten van het bedrijf van eiseres. Evenmin staat ter discussie dat voorschrift 1.4.1 van de vergunning van 27 november 2009 geldt voor de opslag van het kunstgrasafval, zowel op [naam 2] als op [naam 1] .
3.6.
Het handhavingstraject is na 1 januari 2024 en aldus na invoering van de Ow begonnen. Daarom moet de toedeling van de bestuursrechtelijke handhavingstaak worden vastgesteld aan de hand van de relevante bepalingen van de Ow.
3.7.
In artikel 18.2, tweede lid, van de Ow is bepaald dat als sprake is van een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, de bestuursrechtelijke handhavingstaak bij het op grond van paragraaf 5.1.2 van de Ow voor die omgevingsvergunning bevoegd gezag berust.
3.8.
In paragraaf 5.1.2. van de Ow is onder meer en voor zover in dit geval relevant artikel 5.13 Ow opgenomen. In artikel 5.13 staat onder meer dat bij algemene maatregel van bestuur, zijnde in dit geval het Omgevingsbesluit (Ob), gevallen kunnen worden aangewezen waarin GS beslist op elke aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een locatie waarvoor een door GS eerder verleende omgevingsvergunning geldt.
3.9.
Artikel 4.16 van het Ob bepaalt vervolgens dat GS op elke enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning beslist die betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 5.1 of 5.4 van de wet als:
a. die activiteiten geen wateractiviteiten zijn;
b. die activiteiten worden verricht op dezelfde locatie als een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, 3.55, eerste lid, 3.58, eerste lid, 3.61, eerste lid, 3.64, eerste lid, 3.67, eerste lid, 3.70, eerste lid, 3.73, eerste lid, 3.76, eerste lid, 3.79, eerste lid, 3.82, eerste lid, 3.85, eerste lid, 3.88, eerste lid, of 3.91, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
c. voor de milieubelastende activiteit, bedoeld onder b, een door gedeputeerde staten eerder verleende omgevingsvergunning geldt.
3.10.
In dit geval staat niet ter discussie dat op [naam 1] milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 5.1 lid 2 onder b Ow worden uitgevoerd, welke in het Bal zijn aangewezen als vergunningplichtige activiteiten en dat de overtreding ziet op een van die activiteiten. Vast staat dat geen sprake is van wateractiviteiten.
Over de vraag of de activiteiten hier worden verricht op dezelfde locatie als de milieubelastende activiteit als bedoeld in (in dit geval) artikel 3.79, eerste lid, van het Bal, is wel discussie tussen partijen. De rechtbank overweegt ten aanzien daarvan als volgt. Bij de aanvraag van de oorspronkelijke vergunning verstrekt de aanvrager gegevens over de locatie van de activiteit. Op grond van deze door de initiatiefnemer aangeleverde informatie bepaalt het bevoegd gezag de begrenzing van de locatie waarop de vergunningplicht geldt. Deze wordt in de omgevingsvergunning vastgelegd. In de onder oud recht verleende omgevingsvergunning is het gehele bedrijf ( [naam 2] én [naam 1] ) aangemerkt als één inrichting en aldus zijn [naam 2] en [naam 1] aangemerkt als onderdeel van die inrichting. Daarmee heeft GS naar het oordeel van de rechtbank het gehele bedrijf, dus [naam 2] en [naam 1] gezamenlijk aangemerkt als één locatie, zoals aangevraagd. Aan het vereiste onder b van artikel 4.16 van het Ob is dus ook voldaan omdat op diezelfde locatie een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.79, eerste lid, van het Bal wordt verricht. Dat bij een nieuwe vergunningsaanvraag onder de Ow en het Bal mogelijk een andere begrenzing van de activiteiten zal worden aangevraagd en vastgesteld dan in de vigerende vergunning onder oud recht het geval is, doet naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake bij de vraag die hier moet worden beantwoord, te weten de vraag aan wie de handhavingstaak op basis van de huidige uitgangspunten moet worden toebedeeld. Daarbij moet er op basis van de vigerende vergunning vanuit worden gegaan dat sprake is van één locatie. Ook staat vast dat GS voor een van de milieubelastende activiteiten onder b een eerder verleende omgevingsvergunning geldt, te weten een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.79, eerste lid, van het Bal. Dat die vergunning onder oud recht is verleend, is voor de toepassing van dit artikel niet relevant. Aan alle vereisten van artikel 4.16 Ob is dus voldaan.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de handhavingstaak in dit geval voor zowel de activiteiten op [naam 2] , als op [naam 1] berust bij GS. GS heeft zich dus terecht het bevoegd gezag geacht voor het opleggen van de last onder dwangsom.
3.11.
Voor zover eiseres nog heeft aangevoerd dat (deels) geen sprake is van overschrijding van de maximum opslagtermijn voor het kunstgrasafval, geldt dat de partij kunstgrasafval op verschillende plekken heeft gelegen, maar wel steeds op de locatie. Nu vergunningvoorschrift 1.4.1 geldt voor de gehele locatie staat daarmee vast dat sprake is van een overtreding van dit voorschrift.
Dit betoog slaagt niet
Evenredigheid/ bijzondere omstandigheden
3.12.
Eiseres geeft aan dat zij de gemeente [plaats 2] uit de brand heeft willen helpen met het verwijderen van het kunstgrasafval bij [bedrijf] . Gedurende enige jaren heeft zij vervolgens geprobeerd om een partij te vinden die het kunstgrasafval kon accepteren voor recycling. Door onder meer faillissementen in de kunststofrecyclingsbranche en door een overvloed aan primair kunststof uit China is de kunststofrecycling in Nederland echter vastgelopen. Eiseres geeft aan dat het afvoeren van in beginsel nuttig toepasbare kunststof naar een stortplaats voor definitieve verwijdering in strijd is met de doelstellingen van het Nederlands afvalbeleid en dat dit tevens maatschappelijk ongewenst is. Om deze reden maakt eiseres gebruik van een bedrijf in [plaats 3] voor de nuttige toepassing als brandstof en van andere afzetkanalen in binnen- en buitenland. Inmiddels is al het kunstgras afgevoerd. Dat heeft eiseres naar eigen schatting circa € 400.000,00 gekost. De mogelijkheid om de opslag van het kunstgras naar de nevenlocatie van eiseres in Bergen op Zoom te verplaatsen, was er niet. De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor die locatie (waarvan opslag en bewerking van kunstgrasafval onderdeel uitmaakt) is in december 2022 ingediend, maar GS heeft nagelaten de vergunning tijdig te verlenen. Het opleggen van een last onder dwangsom wordt daarom in strijd geacht met de beginselen van behoorlijk bestuur.
3.13.
GS stelt dat van bijzondere omstandigheden onder meer sprake is indien er concreet zicht op legalisatie is. Dat is hier niet aan de orde. Het was voor eiseres mogelijk om op basis van de Wm met een ontheffing milieubelastend materiaal te storten. Aannemelijk is dat eiseres deze ontheffing zou hebben gekregen. Dat eiseres de voorkeur heeft gegeven aan het afvoeren van het milieubelastend materiaal boven het vervoeren naar een stortplaats voor definitieve verwijdering, is weliswaar vanuit bedrijfseconomisch perspectief begrijpelijk maar betekent niet dat GS de overtreding niet kan en mag handhaven. Ten aanzien van de vraag of met de nu opgelegde last onder dwangsom een juist gebruik wordt gemaakt van de handhavingsbevoegdheid verwijst GS naar de zorgplicht. Dat in februari 2025 een broeibrand heeft plaatsgevonden ondersteunt het belang van de zorgplicht voor het milieu, door te voorkomen dat afval langdurig en onnodig wordt opgeslagen. Dat eiseres maatregelen heeft getroffen om dit risico verder te vermijden betekent niet dat van handhaving moet worden afgezien.
3.14.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
3.15.
Met GS is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat van handhavend optreden had moeten worden afgezien. Van concreet zicht op legalisatie is geen sprake. Het algemene milieubelang, met name het voorkomen van (nieuwe) broeibranden, is helder en wordt benadrukt door de reeds voorgevallen broeibrand. Dat eiseres een deel van het kunstgrasafval op den duur gescheiden en (deels) gecompartimenteerd heeft opgeslagen maakt niet dat er geen overtreding (meer) is van het voorschrift. Eiseres heeft voorts zelf de keuze gemaakt om het kunstgrasafval op te slaan, wetende van het geldende voorschrift voor de maximale opslagduur. Dat zij de gemeente uit de brand heeft willen helpen, maakt niet dat handhaving bij het overschrijden van de opslagtermijn dan in juridische zin een bijzondere omstandigheid oplevert die maakt dat handhaven onevenredig is. Eiseres heeft vervolgens ook zelf de keuze gemaakt te trachten het kunstgrasafval af te voeren naar bepaalde verwerkers en dat is haar niet tijdig gelukt, maar daaruit volgt niet dat het onmogelijk was voor eiseres om het kunstgras binnen de door het voorschrift gestelde termijn van drie jaar te verwijderen van de locatie. Dat het afvoeren geld heeft gekost valt onder het ondernemersrisico van eiseres. Van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur blijkt uit het betoog van eiseres evenmin.
Dit betoog slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.A. Maarschalkerweerd, voorzitter, mr. J. Heijerman en mr. J.H.G. van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2025:678
ECLI:NL:RVS:2022:285 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|