Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:807 
 
Datum uitspraak:09-02-2026
Datum gepubliceerd:12-02-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:24/2473
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:vovo hangende beroep inzake woo toegewezen
Trefwoorden:landbouw
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/2473

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 februari 2026 in de zaak tussen



[verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster
(gemachtigde: [naam] ),

en



de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de minister
(gemachtigde: mr. P.J.C. Brussee).




Inleiding

1. In het besluit van 31 mei 2024 op een verzoek om openbaarmaking van informatie op grond van de Woo (kenmerk: [nummer] ) heeft de minister besloten informatie, die ook op verzoekster ziet, openbaar te maken. Verzoekster is het niet eens met dat besluit en heeft hiertegen bezwaar ingediend. Ook heeft zij dit verzoek om voorlopige voorziening ingediend waarmee zij openbaarmaking van die informatie wil opschorten tot de minister een beslissing op haar bezwaar heeft genomen.


1.1.
Met het bestreden besluit van 4 augustus 2025 op het bezwaar van verzoekster heeft de minister het besluit van 31 mei 2024 gehandhaafd. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld (kenmerk SHE 25/1956), zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.



1.2.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het bestreden besluit van 4 augustus 2025. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.



1.3.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.




Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het verzoek van verzoekster strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat het bestreden besluit van 4 augustus 2025 wordt geschorst totdat op het beroep van verzoekster is beslist.

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Het gaat hier om het openbaar maken van gegevens in het kader van de Woo. De voorzieningenprocedure leent zich niet goed voor een inhoudelijke beoordeling. De voorzieningenrechter zal dit verzoek daarom beoordelen aan de hand van een belangenafweging.

4. Uitvoering van het bestreden besluit heeft tot gevolg dat de gevraagde (bedrijfs)gegevens van verzoekster openbaar moeten worden gemaakt, wat niet meer ongedaan kan worden gemaakt en dus onomkeerbaar is. Daarmee zou ook het belang aan de bodemprocedure komen te vervallen, omdat de informatie dan openbaar is. De Woo-verzoeker heeft aangegeven niet als derdepartij te willen deelnemen aan de procedure. Gelet op deze omstandigheden weegt het belang van verzoekster bij het uitstellen van de openbaarmaking tot de inhoudelijke beoordeling in beroep op dit moment zwaarder.



Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe. Dit betekent dat het bestreden besluit wordt geschorst totdat op het beroep is beslist.

6. De minister moet het betaalde griffierecht aan verzoekster vergoeden. Ook moet de minister de proceskosten van eiseres vergoeden. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Omdat elke proceshandeling een waarde heeft van € 934,-, bedraagt de vergoeding in totaal € 934,-.
Beslissing

De voorzieningenrechter:


wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;


schorst het bestreden besluit totdat op het beroep is beslist;


bepaalt dat de minister het betaalde griffierecht tot een bedrag van € 371,-;


veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,-.





Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Bos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.N.H. Tran, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.













griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wet open overheid.


Algemene wet bestuursrecht.
Link naar deze uitspraak