|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2018:3197 | | | | | Datum uitspraak | : | 04-09-2018 | | Datum gepubliceerd | : | 20-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | ak_ 17 _ 2336 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | - | | Trefwoorden | : | activiteitenbesluit | | | agrarisch | | | ammoniakrechten | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | natuurbeschermingswet | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | rundvee | | | varkenshouderij | | | vleesvarkens | | | wabo | | | wet milieubeheer | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/2336
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
ing. [eiser], te [woonplaats], eiser,
en
Het college van burgemeester en wethouders van Borne, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 29 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aan eiser een omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van een biologische varkenshouderij (500 vleesvarkens) en het verbouwen van de bestaande stal op het perceel [adres] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 4 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2018. Eiser is verschenen.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.E.J.M. Kerssemakers,
mr. A. Otten en [naam].
De rechtbank heeft het vooronderzoek heropend en dit bij brief van 23 april 2018 aan partijen meegedeeld.
De rechtbank heeft verweerder verzocht nader genoemde stukken in het geding te brengen en een vraag van de rechtbank te beantwoorden. Verweerder heeft op 3 mei 2018 aan dit verzoek voldaan. Eiser heeft bij brieven van 5 en 12 mei 2018 op deze stukken gereageerd.
Bij brieven van 28 juni 2018 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om, binnen een termijn van vier weken, mee te delen of zij op een (tweede) zitting willen worden gehoord. Eiser heeft bij brief van 3 juli 2018 een nader stuk ingebracht en aangegeven dat een nadere zitting voor hem niet nodig is indien dit nadere stuk wordt toegelaten tot het geding. De rechtbank heeft dit stuk toegelaten tot het geding en een kopie hiervan naar verweerder gezonden. Verweerder heeft niet aangegeven dat hij een tweede zitting wenst.
De rechtbank heeft het onderzoek op 6 augustus 2018 gesloten.
Overwegingen
Juridisch kader
1. Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.
Artikel 2, onder 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) bepaalt dat een omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo niet is vereist indien deze activiteit betrekking heeft op: een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel, mits in de achtergevel, of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een hoofdgebouw, dan wel in een gevel van een bijbehorend bouwwerk, voor zover die gevel is gelegen in achtererfgebied op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.
Artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo bepaalt, voor zover hier van belang, dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.
Artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, in samenhang met artikel 2.2a, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bor bepaalt, samengevat weergegeven, dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning activiteiten te verrichten die plaatsvinden binnen een inrichting waar ten minste 51 en ten hoogste 2.000 mestvarkens worden gehouden.
Artikel 5.13b, eerste lid, van het Bor, in samenhang met artikel 7.18, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer bepaalt, samengevat weergegeven, dat een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (hierna: OBM) als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, moet worden geweigerd als het bevoegd gezag heeft beslist dat bij de voorbereiding van het betrokken besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
2. De bestemming van het perceel is “Agrarisch met waarden” volgens het bestemmingsplan “Buitengebied Borne” (hierna: het bestemmingsplan).
Artikel 3.2.1 van de planregels bepaalt dat voor het bouwen van bedrijfsgebouwen de volgende regels gelden:
a. (…).
b. de oppervlakte van gebouwen ten behoeve van het houden van landbouwhuisdieren mag per agrarisch bedrijf ten hoogste de ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan rechtsgeldig aanwezige oppervlakte met het daarbij behorende aantal dierplaatsen bedragen, met dien verstande dat:
1. een grotere oppervlakte met het daarbij behorende aantal dierplaatsen is toegestaan conform een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijke vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet;
2. een grotere oppervlakte en/of afwijkend aantal dierplaatsen is toegestaan indien er geen sprake is van een toename van de ammoniakdispositie op voor stikstofgevoelige habitats in een Natura 2000-gebied.
Het bestemmingsplan is op 13 augustus 2016 in werking getreden.
Eerdere besluitvorming
3. Op 1 februari 2005 is een revisievergunning verleend voor het houden van 508 vleesvarkens en 6 schapen op het perceel. De inrichting is per 1 januari 2013 van rechtswege onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) komen te vallen en deze milieuvergunning is daarbij van rechtswege omgezet in een OBM.
In juni 2015 heeft eiser het perceel gekocht. Op 17 juni 2015 heeft eiser een melding Activiteitenbesluit ingediend voor het wijzigen van de inrichting op het perceel van een varkenshouderij in een rundveehouderij. Deze melding ziet op het houden van 70 stuks rundvee met code A2 en 140 stuks rundvee met code A3.
4. Bij besluit van 25 september 2015 is aan eiser een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een rundveestal op het perceel. Deze vergunde rundveestal heeft een voorgevel met één deur en een achtergevel met drie deuren. De beide zijgevels zijn aan de bovenzijde open. De vergunningstekening is als gedingstuk A20-4 in het dossier gevoegd.
Tijdens een controle is gebleken dat eiser is afgeweken van deze aan hem verleende omgevingsvergunning. Eiser heeft vervolgens bouwtekeningen ingediend, waarop de afwijking van de omgevingsvergunning is ingetekend. Deze bouwtekeningen zien op een rundveestal met een voorgevel met drie deuren en een achtergevel met één deur. De beide zijgevels zijn geheel dicht. Verweerder heeft deze bouwtekeningen (die als gedingstuk A20-5 in het dossier zijn gevoegd) aangemerkt als de vergunde situatie en heeft deze bouwtekeningen voorzien van de juiste stempels en in het bouwdossier gevoegd. De eerdere bouwtekeningen zijn vervallen verklaard en als zodanig gewaarmerkt.
Thans voorliggende besluitvorming
5. Op 1 april 2017 heeft eiser een aanvraag ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een biologische varkenshouderij (500 vleesvarkens) op het perceel. Deze aanvraag ziet op de activiteit ‘OBM’ als bedoeld in artikel 2.1, onder i, van de Wabo.
Op 24 april 2017 heeft eiser een aanvraag ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een rundveestal op het perceel tot vleesvarkensstal. De bouwtekeningen betreffen eerder genoemde rundveestal, uitgevoerd met drie deuren in de voorgevel en één deur in de achtergevel. Beide zijgevels zijn aan de bovenzijde geheel gesloten en aan de onderzijde geheel open. Deze aanvraag ziet op de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat beide aangevraagde activiteiten onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden als bedoeld in artikel 2.7 van de Wabo. Beide aanvragen zijn daarom gezamenlijk in behandeling genomen.
In het primaire besluit heeft verweerder zich op de navolgende standpunten gesteld:
- De activiteit ‘bouwen’ heeft geen betrekking op een vergroting van de bestaande stal maar wel op een afwijkend aantal dierplaatsen, zodat het bepaalde in artikel 3.2.1, onder b, onder 2, van de planregels van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat beoordeeld moet worden wat de ammoniakdispositie is van het aantal dierplaatsen dat behoort bij de ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan (13 augustus 2016) rechtsgeldig aanwezige oppervlakte en wat de ammoniakdispositie is van de thans aangevraagde aantallen diertallen (500 vleesvarkens). Er is uitgegaan van de aantallen dierplaatsen in de melding Activiteitenbesluit van 17 juni 2015. Er is alsdan sprake van een toename van 903 kg/j naar 1.500 kg/j. De aanvraag is dan ook in strijd met het bestemmingsplan.
- Het is niet noodzakelijk om een milieueffectrapport op te stellen, zodat de vergunning voor de activiteit ‘OBM’ kan worden verleend.
- Vanwege de onlosmakelijke samenhang tussen de activiteiten ‘bouwen’ en ‘OBM’ wordt de gevraagde omgevingsvergunning (voor de samenhangende activiteiten ‘bouwen’ en ‘OBM’) geweigerd.
In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft verder verduidelijkt waarom hij geen omgevingsvergunning heeft verleend voor het houden van minder dieren dan aangevraagd en waarom geen medewerking kan worden verleend aan het door eiser voorgestelde extern salderen.
Ambtshalve overwegingen
6. Hangende bezwaar, op 21 september 2017, heeft eiser wederom een aanvraag voor de activiteit ‘OBM’ voor het houden van 500 biologische vleesvarkens op het perceel bij verweerder ingediend. Het verschil met de aanvraag van 1/24 april 2017 is dat die (eerdere, en thans voorliggende) aanvraag mede betrekking heeft op de activiteit ‘bouwen’. Bij besluit van 23 januari 2018 heeft verweerder positief beslist op de aanvraag van 21 september 2017 en de gevraagde omgevingsvergunning, activiteit ‘OBM’, verleend.
Eiser heeft desgevraagd meegedeeld dat hij van mening is dat de door hem gewenste bouwkundige wijzigingen aan de rundveestal vergunningsvrij zijn. De reden dat hij op 24 april 2017 toch een aanvraag voor de activiteit ‘bouwen’ heeft ingediend, is dat verweerder aan hem heeft meegedeeld dat hij dit moest doen. Eiser stelt dat de omgevingsvergunning (voor de samenhangende activiteit ‘bouwen’ en ‘OBM’) ten onrechte is geweigerd. Verweerder had moeten besluiten dat er geen omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ is vereist en had aan hem een omgevingsvergunning voor enkel de activiteit ‘OBM’ moeten verlenen. Door dit niet te doen heeft hij pas in een later stadium (na het indienen van een nieuwe aanvraag op 21 september 2017) de beschikking gekregen over een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘OBM’. Eiser stelt dat hij hierdoor pas op een later tijdstip vleesvarkens (in een geringere omvang) kon gaan houden in de rundveestal. Deze schade wil hij op verweerder verhalen waardoor hij een oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het bestreden besluit nodig heeft.
Gelet op de door eiser gewenste schadeprocedure oordeelt de rechtbank dat eiser procesbelang heeft bij een oordeel van de rechtbank over de (in bezwaar gehandhaafde) geweigerde omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘OBM’.
Beroepsgronden en inhoudelijke beoordeling door de rechtbank
7. De aanvraag om omgevingsvergunning, activiteit ‘bouwen’, betreft het wijzigen van een rundveestal in een varkensstal. Vergelijking van de bouwtekeningen, behorende bij de op 25 september 2015 verleende omgevingsvergunning, zoals nadien gewijzigd (gedingstuk A20-5) en de bouwtekeningen, gevoegd bij de aanvraag (door verweerder ingebrachte bijlage 7), wijst uit dat de aangevraagde wijziging betrekking heeft op het wijzigen van de beide zijgevels en het realiseren van uitlopen aan beide zijgevels.
Tussen partijen is niet in geschil dat het realiseren van de uitlopen aan beide zijgevels vergunningsvrij is. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het wijzigen van beide zijgevels (van geheel gesloten naar aan de onderzijde open) vergunningplichtig is.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat, nu beide zijgevels over bijna de gehele lengte tot een hoogte van twee meter worden verwijderd, dit een zodanige aanpassing van de gevel is dat niet gesproken kan worden van een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel als bedoeld in artikel 2, onder 7, van bijlage II van het Bor.
Eiser stelt zich op het standpunt dat voor het wijzigen van beide zijgevels geen omgevingsvergunning is vereist op grond van het bepaalde in artikel 2, onder 7, van bijlage II van het Bor. Eiser heeft hierbij verwezen naar een brochure van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, getiteld ‘Aanbrengen of veranderen van kozijnen of het veranderen van gevelpanelen’ en de daarbij behorende bijlage II waarin een stroomschema is opgenomen.
8. De rechtbank overweegt als volgt.
8.1.
De rechtbank constateert dat de termen ‘kozijn’, kozijninvulling’ en ‘gevelpaneel’ niet zijn gedefinieerd in het Bor. Er moet alsdan worden teruggevallen op de uitleg die in de jurisprudentie aan deze termen is gegeven. Indien termen in de jurisprudentie niet nader zijn ingevuld, kan aansluiting worden gezocht bij het algemeen spraakgebruik. Veelal betreft dit de in het Groot woordenboek van de Nederlandse Taal (hierna: Van Dale) gegeven definiëring.
De rechtbank merkt op dat in de door eiser ingebrachte brochure niet wordt ingegaan op de vraag welke wijzigingen van de gevel vallen onder de uitzondering op de vergunningsplicht als bedoeld in artikel 2, onder 7, van bijlage II van het Bor.
8.2.
Wat betreft de nadere invulling van deze termen in de jurisprudentie overweegt de rechtbank het volgende.
8.2.1.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 29 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA1314, het navolgende overwogen:
“Het Bor bevat geen definitie van het begrip "gevelpaneel". Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 januari 2008 in zaak nr. 200702640/1) ten aanzien van het begrip "gevelpaneel" als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: het Bblb) heeft de wetgever daarmee niet bedoeld een gevelbekleding vergunningvrij mogelijk te maken indien deze (bijna) het gehele oppervlak van de gevel beslaat. Volgens de nota van toelichting bij het Bor heeft in artikel 2, aanhef en onderdeel 7, van bijlage II van het Bor een verruiming plaatsgevonden ten opzichte van de in artikel 2, onderdeel c, van het Bblb opgenomen regeling, in zoverre dat het niet uitsluitend hoeft te gaan om het veranderen van bestaande kozijnen, kozijninvullingen of gevelpanelen, maar ook nieuwe kozijnen, kozijninvullingen of gevelpanelen ingevolge de nieuwe regeling kunnen worden geplaatst. In verband hiermee is de eis dat de bestaande gevelopening niet mag wijzigen komen te vervallen (Stb. 2010, 143, blz. 148). Er bestaan echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat met het Bor is beoogd een wijziging aan te brengen ten opzichte van het Bblb met betrekking tot de vraag of een glazen gevel met een omvang als hier aan de orde als gevelpaneel dient te worden aangemerkt. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de glazen achtergevel, die een groot deel van de gehele achtergevel beslaat, niet aangemerkt kan worden als gevelpaneel als bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdeel 7, van bijlage II bij het Bor.”
Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:162 volgt dat een gevelpaneel niet de gehele gevel kan beslaan.
8.2.2.
De rechtbank constateert dat de Afdeling in haar jurisprudentie niet eenduidig heeft aangegeven wat onder een gevelpaneel als bedoeld in artikel 2, onder 7, van bijlage II van het Bor moet worden verstaan. De Afdeling heeft daarentegen een negatieve definiëring van deze term gegeven, inhoudende dat een (glazen) achtergevel die een groot deel van de gehele achtergevel beslaat niet kan worden aangemerkt als een gevelpaneel.
8.3.
Wat betreft de nadere invulling van de termen ‘kozijn’, ‘kozijninvulling’ en ‘gevelpaneel’ in het algemeen spraakgebruik overweegt de rechtbank het volgende.
8.3.1.
Van Dale geeft voor de term ‘kozijn’ de navolgende definitie: houten, stenen of metalen raamwerk, bestaande uit twee of meer stijlen met een boven- en onderdorpel, soms met een tussendorpel, waarin een deur, luik of raam wordt aangebracht.
De Nederlandse encyclopedie (www.encyclo.nl) geeft voor de term ‘kozijn’ de navolgende definitie: raamwerk, omranding van een of meer glasvlakken, ramen, deuren of een combinatie hiervan.
De term ‘gevelpaneel’ is niet gedefinieerd in de Van Dale. De term ‘paneel’ is daarentegen wel gedefinieerd en is als volgt omschreven: rechthoekig, verdiept vak van een houten beschot, een deur, luik e.d., gewoonlijk bestaande uit een dunne plaat, opgesloten in een raam.
De Nederlandse encyclopedie geeft geen directe definiëring van de term ‘gevelpaneel’. Deze term wordt aangehaald bij de definiëring van de term ‘gevelbekleding’ en deze luidt als volgt: ook wel: gevelpanelen, architectuurpanelen. De buitenste, vaak wat dikkere laag van de gevel: metselwerk (baksteen), gevelbepleistering (pleisterlaag), blokbepleistering, hout, natuursteen, keien, keramisch materiaal (tegels, geglazuurd en ongeglazuurd), glas, kunststof, trespa-achtig (mengmaterialen), vezelcementplaten, betonplaten, aluminium, (…).
8.3.2.
De rechtbank constateert dat het algemeen spraakgebruik bij een ‘kozijn’ een omlijsting veronderstelt, bestaande uit twee of meer stijlen, waarin een raam of een deur kan worden bevestigd. Een gevelpaneel betreft volgens het algemeen spraakgebruik gevelbekleding op een deel van de gevel.
8.4.
Het bouwplan ziet op het aanbrengen van openingen in beide zijgevels van de rundveestal. De zijgevels van deze rundveestal hebben een lengte van ongeveer 60 m. De openingen worden gerealiseerd over een lengte van ongeveer 54 m en hebben een hoogte van ongeveer 2 meter.
De rechtbank oordeelt dat het realiseren van deze openingen niet kan worden geduid als het realiseren van kozijnen dan wel kozijninvullingen, reeds omdat er geen omlijsting wordt gerealiseerd. Ook kan dit niet worden geduid als het aanbrengen van gevelbekleding. Van een vergunningsvrije activiteit in de zin van artikel 2, onder 7, van bijlage II van het Bor is daarom geen sprake.
Indien artikel 2, onder 7, van bijlage II van het Bor eveneens ziet op het geheel verwijderen van gevel(bekleding) door het maken van openingen in een gevel, is de rechtbank eveneens van oordeel dat het bouwplan niet kan worden geduid als een vergunningsvrije activiteit, gelet op de omvang van de verwijderde gevel(bekleding) en de daarmee samenhangende ruimtelijke uitstraling; de openingen beslaan nagenoeg de gehele zijgevels van ongeveer 60 m en hebben een hoogte van ongeveer 2 m.
Voor het realiseren van het bouwplan is daarom een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ vereist.
9. Het oordeel dat voor het realiseren van het bouwplan een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ is vereist, betekent dat het bouwplan moet worden getoetst aan het bestemmingsplan, gelet op het bepaalde in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo.
Nu de gevraagde omgevingsvergunning geen betrekking heeft op een grotere oppervlakte maar wel betrekking heeft op een afwijkend aantal dierplaatsen, moet worden getoetst aan artikel 3.2.1, onder b, onder 2, van de planregels. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.
Uit artikel 3.2.1, onder b, onder 2, van de planregels volgt dat de ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan (in casu 13 augustus 2016) rechtsgeldig aanwezige oppervlakte met het daarbij behorende aantal dierplaatsen is toegestaan. Een afwijkend aantal dierplaatsen is toegestaan indien er geen sprake is van een toename van de ammoniakdispositie op voor stikstofgevoelige habitats in een Natura 2000-gebied.
10. Partijen zijn verdeeld over de vraag wat het aantal dierplaatsen is dat op 13 augustus 2016 rechtsgeldig aanwezig was.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat uitgegaan moet worden van het aantal dierplaatsen in de melding Activiteitenbesluit van 17 juni 2015.
Eiser stelt zich op het standpunt dat uitgegaan moet worden van de aantallen dierplaatsen
waarvoor op 1 december 2015 een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet (hierna: Nbw) is verleend. Indien dit niet juist is, moet worden uitgegaan van de voor de inrichting op het perceel verleende OBM van 1 februari 2005. Indien dit niet juist is, moet worden uitgegaan van een nadien (in 2017) aan hem verleende vergunning krachtens de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Indien dit niet juist is, moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van salderen door aankoop van ammoniakrechten.
11. De rechtbank overweegt allereerst dat zij onder de term ‘rechtsgeldig aanwezig’ verstaat: het aantal dierplaatsen dat op 13 augustus 2016 was vergund en feitelijk op het perceel aanwezig was.
11.1.
Wat betreft de op 1 december 2015 verleende Nbw-vergunning onderschrijft de rechtbank het standpunt van verweerder, zoals neergelegd in het bestreden besluit (meer specifiek: het advies van de bezwarencommissie) dat eiser de met deze vergunning gewijzigde situatie niet heeft gemeld bij verweerder. Hierdoor is deze situatie in strijd met het bepaalde in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit.
De met deze vergunning vergunde aantallen dierplaatsen waren daarom op 13 augustus 2016 niet rechtsgeldig aanwezig.
11.2.
Wat betreft de op 1 februari 2005 verleende OBM overweegt de rechtbank dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat deze vergunning in strijd was met het Besluit huisvesting. Verweerder heeft op 2 april 2014 aan de (toenmalige) vergunninghouder een last onder dwangsom opgelegd om het aantal vleesvarkens terug te brengen tot 15 stuks. Aan deze last is voldaan.
De met deze vergunning vergunde aantallen dierplaatsen waren daarom op 13 augustus 2016 niet rechtsgeldig aanwezig.
11.3.
Wat betreft de nadien aan eiser verleende Wnb-vergunning oordeelt de rechtbank dat deze vergunning dateert van na 13 augustus 2016.
De met deze vergunning vergunde aantallen dierplaatsen waren daarom op 13 augustus 2016 niet rechtsgeldig aanwezig.
11.4.
Wat betreft de gestelde mogelijkheid van salderen overweegt de rechtbank dat het bestemmingsplan (meer specifiek: de planregels) hierin niet voorziet. De in het bestemmingsplan opgenomen bevoegdheid om af te wijken van de in de planregels opgenomen maatvoering ziet niet op het afwijken van de planregels die zien op ammoniakdispositie.
12. Gelet op vorenstaande oordeelt de rechtbank dat verweerder aansluiting heeft kunnen zoeken bij de aantallen dierplaatsen in de melding Activiteitenbesluit van 17 juni 2015.
Tussen partijen is niet in geschil dat dit betekent dat de gevraagde omgevingsvergunning alsdan resulteert in een toename van de ammoniakdispositie van 903 kg/j naar 1.500 kg/j, hetgeen in strijd is met artikel 3.2.1, onder b, onder 2, van de planregels.
13. Samenvattend oordeelt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor het project, bestaande uit het realiseren van een biologische varkenshouderij (500 vleesvarkens) en het verbouwen van de bestaande rundveestal op het perceel, een omgevingsvergunning voor zowel de activiteit ‘bouwen’ als voor de activiteit ‘OBM’ is vereist. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat tussen deze activiteiten een onlosmakelijke samenhang als bedoeld in artikel 2.7 van de Wabo bestaat. Verweerder heeft terecht geoordeeld dat de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ in strijd is met artikel 3.2.1, onder b, onder 2, van de planregels, zodat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo aan de orde is.
Vanwege voornoemde onlosmakelijke samenhang heeft verweerder terecht de omgevingsvergunning voor beide activiteiten geweigerd.
14. Het beroep is daarom ongegrond.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzitter, en mr. J.H.M. Hesseling en mr. R.M. Fieten, leden, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Lever, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|