|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2023:5501 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-05-2023 | | Datum gepubliceerd | : | 21-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | C/08/289382 / HA ZA 22-43 C/08/289382 / HA ZA 22-43 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Partij A heeft op 30 april 2021 een perceel grond gekocht met daarop een bedrijfspand. Partij B is eigenaar van het aangrenzende perceel. Het perceel van partij A was tot 1997 in eigendom van partij B als onderdeel van een groter kavel, waaronder ook het perceel van partij B. Het perceel van partij A is na 1997 enkele malen doorverkocht. Telkens zijn er erfdienstbaarheden van goot en van weg in de leveringsakten opgenomen, waaronder erfdienstbaarheden waarbij het perceel van partij A het dienende erf is en het perceel van partij B het heersende.
Deze erfdienstbaarheden zijn rechtsgeldig gevestigd. Het is toegestaan een erfdienstbaarheid te vestigen ten behoeve van een deel van een kadastraal erf en ten laste van een ander deel van het kadastrale erf als beide delen een andere eigenaar hebben. De tekst van de erfdienstbaarheid van weg is bovendien duidelijk ook zonder de (niet in het kadaster ingeschreven) situatieschets. De erfdienstbaarheid van goot zal niet worden opgeheven, ondanks het feit dat partij B zelf inmiddels voor een eigen afwateringssysteem heeft gezorgd. Bij onder meer noodweer moet het rioolwater namelijk ook via de voorziening van partij A kunnen worden afgevoerd.
Dat partij B op basis van de erfdienstbaarheid per se voor het pand van partij A langs moet rijden (ter hoogte van de erfafscheiding) volgt niet uit de tekst van de erfdienstbaarheid.
Tot 2022 was er geen erfafscheiding tussen de (verkavelde) percelen en werd over het hele terrein – waaronder het terrein van partij B – gereden om bij het eigen bedrijfspand te kunnen parkeren. In 2022 heeft partij B haar perceel deels afgescheiden met een hek. Er is geen erfdienstbaarheid van weg ontstaan door verjaring op het perceel van partij B; enkel over het perceel van partij B rijden met haar toestemming door partij A is daarvoor niet voldoende. Met het plaatsen van het hekwerk maakt partij B evenmin misbruik van recht. Het hek mag blijven staan.
Verder mocht partij B op basis van artikel 5:75 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) grotere rioleringsbuizen aanbrengen in het erf van partij A en heeft zij dus niet onrechtmatig gehandeld.
De vorderingen van partij A worden dan ook afgewezen.
Nu partij A met het verlengen van het hekwerk de toegang tot het erf van partij B verhinderde, heeft zij in strijd gehandeld met de erfdienstbaarheid en de in de leveringsakte opgenomen boete verbeurd. De boete wordt voor de helft gematigd, nu partij B door het plaatsen van het hekwerk een eigen aandeel heeft in het feit dat zij de erfdienstbaarheid niet meer op een andere manier kon gebruiken. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | perceel | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/289382 / HA ZA 22-430
Vonnis van 24 mei 2023 (bij vervroeging)
in de zaak van
1
[partij A 1],
te [woonplaats 1],2. [partij A 2],
te [woonplaats 2],
gezamenlijk handelend onder de naam: VOF [partij A],
eisende partijen in conventie,
gedaagde partijen in reconventie,
hierna samen ook te noemen: [partij A] (enkelvoud),
advocaat: mr. H.C. Koops te Amstelveen,
tegen
[partij B] B.V.,
te [vestigingsplaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B],
advocaat: mr. J. Schutrups te Enschede.
1De samenvatting
1.1.
[partij A] heeft op 30 april 2021 een perceel grond gekocht met daarop een bedrijfspand. [partij B] is eigenaar van het aangrenzende perceel. Het perceel van [partij A] was tot 1997 in eigendom van [partij B] als onderdeel van een groter kavel, waaronder ook het perceel van [partij B]. Het perceel van [partij A] is na 1997 enkele malen doorverkocht. Telkens zijn er erfdienstbaarheden van goot en van weg in de leveringsakten opgenomen, waaronder erfdienstbaarheden waarbij het perceel van [partij A] het dienende erf is en het perceel van [partij B] het heersende.
1.2.
Deze erfdienstbaarheden zijn rechtsgeldig gevestigd. Het is toegestaan een erfdienstbaarheid te vestigen ten behoeve van een deel van een kadastraal erf en ten laste van een ander deel van het kadastrale erf als beide delen een andere eigenaar hebben. De tekst van de erfdienstbaarheid van weg is bovendien duidelijk ook zonder de (niet in het kadaster ingeschreven) situatieschets. De erfdienstbaarheid van goot zal niet worden opgeheven, ondanks het feit dat [partij B] zelf inmiddels voor een eigen afwateringssysteem heeft gezorgd. Bij onder meer noodweer moet het rioolwater namelijk ook via de voorziening van [partij A] kunnen worden afgevoerd.
1.3.
Dat [partij B] op basis van de erfdienstbaarheid per se voor het pand van [partij A] langs moet rijden (ter hoogte van de erfafscheiding) volgt niet uit de tekst van de erfdienstbaarheid.
1.4.
Tot 2022 was er geen erfafscheiding tussen de (verkavelde) percelen en werd over het hele terrein – waaronder het terrein van [partij B] – gereden om bij het eigen bedrijfspand te kunnen parkeren. In 2022 heeft [partij B] haar perceel deels afgescheiden met een hek. Er is geen erfdienstbaarheid van weg ontstaan door verjaring op het perceel van [partij B]; enkel over het perceel van [partij B] rijden met haar toestemming door [partij A] is daarvoor niet voldoende. Met het plaatsen van het hekwerk maakt [partij B] evenmin misbruik van recht. Het hek mag blijven staan.
1.5.
Verder mocht [partij B] op basis van artikel 5:75 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) grotere rioleringsbuizen aanbrengen in het erf van [partij A] en heeft zij dus niet onrechtmatig gehandeld.
1.6.
De vorderingen van [partij A] worden dan ook afgewezen.
1.7.
Nu [partij A] met het verlengen van het hekwerk de toegang tot het erf van [partij B] verhinderde, heeft zij in strijd gehandeld met de erfdienstbaarheid en de in de leveringsakte opgenomen boete verbeurd. De boete wordt voor de helft gematigd, nu [partij B] door het plaatsen van het hekwerk een eigen aandeel heeft in het feit dat zij de erfdienstbaarheid niet meer op een andere manier kon gebruiken.
2De procedure
2.1.
De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:
- de dagvaarding; - de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie; - de akte houdende correctie conclusie van antwoord;
- de conclusie van antwoord in reconventie.
2.2.
Op 20 april 2023 heeft een gerechtelijke bezichtiging van de erven van partijen plaatsgevonden met aansluitend ter plaatse (op de [adres 1]) een mondelinge behandeling. Daarbij waren aanwezig: [partij A 1] en [partij A 2] namens [partij A], bijgestaan door mr. H.C. Koops, en [partij B] vertegenwoordigd door de heer [naam 1], bijgestaan door mr. J. Schutrups en mr. M.M. Nijhuis.
Beide partijen hebben pleitaantekeningen overgelegd.
2.3.
De beslissing wordt vandaag meegedeeld en toegelicht in dit vonnis.
3De feiten
3.1.
[bedrijf 1] B.V. verkocht op 19 augustus 1997 een deel van haar perceel [adres 2] aan de maatschap [bedrijf 2], waarvan de heer [partij B] één van de twee maten was. In de leveringsakte zijn onder meer de volgende erfdienstbaarheden opgenomen:
(…)
“2. Ten laste van het verkochte, hierna ook te noemen: dienstbaar erf en ten behoeve van het aan verkoper in eigendom verblijvende gedeelte van de percelen [adres 3] en [adres 2], zoals met de letter B is aangegeven op gemelde tekening, hierna ook te noemen heersend erf:
a. wordt een erfdienstbaarheid van weg gevestigd, uit te oefenen over de grond, gelegen voor de op het verkochte te stichten bedrijfshal, om te komen van en te gaan naar de openbare weg en de op het heersende erf te stichten opstallen.Deze erfdienstbaarheid wordt gevestigd onder de volgende voorwaarden en bepalingen:
1. De weg (..) zal door de eigenaren van en bevoegde gebruikers van het heersend erf mogen worden gebruikt niet alleen als voetpad voor mens en dier, doch tevens als rijweg voor (vracht-)wagens, auto’s, landbouwmachines, graafwerktuigen, motoren, rijwielen en alle andere vervoermiddelen in de ruimste zin des woords. (…)
(…)
4. De weg zal door de eigenaren van de beide erven alleen mogen worden gebruikt op de hierboven sub 1 aangegeven wijze; daarop zullen geen wagens of andere voertuigen of welke andere zaken ook mogen worden geplaatst dan voor het directe gebruik van de weg als zodanig, zodat dit gebruik door de eigenaren en bevoegde gebruikers van beide erven ongehinderd kan plaats hebben.
(…)
6. Bij overtreding of toerekenbare tekortkoming in de nakoming (hierna te noemen: niet-nakoming) ten aanzien van een of meer der bepalingen sub 4 en 5 vermeld, wordt door de overtreder respectievelijk de nalatige ten behoeve van zijn tegenpartij te dier zake een terstond vorderbare boete verbeurd van vijfhonderd gulden (f 500,00) voor iedere overtreding of niet-nakoming en voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de overtreding of niet-nakoming voortduurt. Deze boete zal verschuldigd zijn door het enkele feit der overtreding of niet-nakoming of door het enkel verloop van de bepaalde termijn, zonder dat enige ingebrekestelling vereist zal zijn, onverminderd het recht van de bedoelde tegenpartij op vergoeding van eventueel meer geleden schade en onverminderd het recht van de bedoelde tegenpartij om tegelijk nakoming van de betreffende verbintenis te verlangen.
b. Zal een erfdienstbaarheid van gootrecht (gescheiden riolering) worden gevestigd, om vanaf het heersend erf over het dienstbaar erf, schoon en vuil water – casu quo hemelwater met de eventueel daarin aanwezige (huishoudelijke) afvalstoffen (…) te laten wegvloeien door een door en voor rekening van de eigenaar van het dienstbaar erf aan te leggen goot, bestaande uit gescheiden rioolbuizen met een doorsnede, zoals van overheidswege wordt voorgeschreven, naar het openbare rioleringsstelsel. Deze erfdienstbaarheid wordt gevestigd onder de volgende voorwaarden en bepalingen:
(…)
4. eventuele verdere bebouwing, splitsing of intensiever gebruik of bewoning van het heersend erf zal niet worden geacht een ongeoorloofde verzwaring van de toestand van het dienstbaar erf te zijn.
(…)
3.2.
Op diezelfde dag (19 augustus 1997) levert [bedrijf 1] B.V. het bij haar in eigendom gebleven erf ([adres 1]) aan de heer [partij B] in privé.
3.3.
Op zowel het perceel aan de [adres 1] als op het perceel aan de [adres 2] is een bedrijfspand gebouwd. Bij het bestraten van het erf aan – thans – [adres 2], zijn door middel van tegels parkeerplaatsen voor het pand gemarkeerd. Deze waren te bereiken door over het erf van [partij B] de bocht te maken (zie afbeelding 2).
3.4.
Op 1 september 2010 heeft de maatschap [bedrijf 2] [adres 2] geleverd aan [naam 2] en [naam 3].
3.5.
Op 31 maart 2021 hebben [naam 2] en [naam 3] [adres 2] geleverd aan [naam 4]. [naam 4] heeft het perceel gesplitst in enerzijds [adres 2].
3.6.
Op 15 april 2021 heeft [naam 4] [adres 2] aan [naam 5] en [naam 6] geleverd. Hierbij is de volgende erfdienstbaarheid gevestigd ten laste van [adres 2]:
“Ten laste van het bij verkoper in eigendom verblijvend perceel kadastraal bekend [locatie], hierna te noemen: dienstbaar erf, en ten behoeve van het verkochte, hierna te noemen: heersend erf:
wordt een erfdienstbaarheid van weg gevestigd, uit te oefenen over een strook grond, ter breedte van ongeveer viereneenhalve meter (+/- 4 ½ m) en gelegen aan de west -en noordzijde van dienstbaar erf verkochte, zoals met kruisarcering is aangegeven op een aan deze akte gehechte tekening, om te komen van – en te gaan naar – de openbare weg en de op het heersend erf staande bedrijfspand.
(…)
3.7.
Op 30 april 2021 heeft [naam 4] [adres 2] aan [partij A] geleverd. De hiervoor onder 3.1 en 3.6 genoemde erfdienstbaarheden zijn in de leveringsakte opgenomen.
3.8.
De situatie ziet er op dat moment als volgt uit:
[Afbeelding]
Afbeelding 1
3.9.
[partij B] heeft het bedrijfspand op perceel [adres 1] vervolgens verbouwd en vergroot. De toegang tot de [adres 1] naar de achterkant van het pand is bij die verbouwing vervallen, waardoor de achterkant van [adres 1] alleen nog te bereiken is door (op basis van de erfdienstbaarheid) over het erf van onder meer [partij A] te rijden.
3.10.
Op 20 januari 2022 heeft [partij B] (in privé) [adres 1] geleverd aan [partij B] (gedaagde).
3.11.
Op 2 mei 2022 heeft (een aannemer van) [partij B] op de riolering op/in het perceel van [partij A] grotere rioleringsbuizen aangesloten ten behoeve van de afvoer van een grotere hoeveelheid water van het grotere bedrijfspand van [partij B].
3.12.
Op 3 juni 2022 heeft [partij B] een erfafscheiding geplaatst tussen haar perceel en dat van [partij A] ter hoogte van het bedrijfspand van [partij A]. Aan beide uiteinden van het perceel is een deel open gelaten. Aan de westzijde is een slagboom geplaatst. De eigenaren van [adres 2] hebben via de slagboom toegang tot het erf van [partij B].
[Afbeelding]
Afbeelding 2
3.13.
Tussen partijen is een geschil ontstaan over onder meer het door [partij B] geplaatste hekwerk, het gootrecht en de door [partij B] aangebrachte rioleringsbuizen. Daarover is [partij A] een kortgedingprocedure tegen [partij B] gestart. Op 27 juli 2022 is door de voorzieningenrechter uitspraak gedaan.
3.14.
Op 5 november 2022 heeft [partij A] het hekwerk aan de oostzijde verlengd, waardoor [partij B] vanaf de [adres 2] niet meer via de oostzijde (zoals met de pijl op afbeelding 2 aangegeven) zijn erf kon bereiken. [partij A] heeft het door haar geplaatste hekwerk op 26 november 2022 verwijderd.
4Het geschil
In conventie
4.1.
[partij A] vordert kort gezegd:
primair:
a. voor recht te verklaren dat de erfdienstbaarheid van goot, opgenomen in de akte van 23 januari 1997 (tijdens de mondelinge behandeling gecorrigeerd naar de akte van 19 augustus 1997) en de erfdienstbaarheid van weg, opgenomen in de akte van 19 augustus 1997, beiden geciteerd in de eigendomsakte van [partij A], ten laste van [adres 2] en ten behoeve van [adres 1], niet rechtsgeldig zijn gevestigd;
subsidiair:
b. het gootrecht ten laste van [adres 2] en ten behoeve van [adres 1] op te heffen bij gebrek aan belang;
c. voor recht te verklaren dat de erfdienstbaarheid van weg ten laste van [adres 2] en ten behoeve van [adres 1] op de minst bezwarende wijze wordt uitgeoefend door het ontbreken van een erfafscheiding;
d. althans voor recht te verklaren dat er ten laste van [adres 1] en ten behoeve van [adres 2] een erfdienstbaarheid is ontstaan door middel van verjaring, die eruit bestaat dat vanaf/over het perceel aan de [adres 1] kan worden ingeparkeerd op de parkeervakken van [adres 2] en dat [adres 1] via de [adres 2] kan worden bereikt vanaf de [adres 2], uitsluitend zonder dat er een erfscheiding is of wordt aangebracht tussen de twee percelen;
e. [partij B] te veroordelen tot het binnen vijf dagen na dit vonnis verwijderen en verwijderd houden van de door haar aangebrachte erfafscheiding op (een deel van) de erfgrens tussen [adres 1] en [adres 2], op straffe van een dwangsom;
zowel primair als subsidiair:
f. [partij B] te veroordelen tot betaling aan [partij A] van de notariskosten;
g. [partij B] te veroordelen tot betaling aan [partij A] van de kosten die gemoeid waren met de verwijdering van de door gedaagde in het perceel van eisers aangebrachte werken en herstel van de veroorzaakte schade;
h. [partij B] te veroordelen in de proceskosten.
4.2.
[partij B] voert verweer en vordert [partij A] te veroordelen in de proceskosten en kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
4.4.
[partij B] vordert - kort gezegd – [partij A] te veroordelen tot betaling aan [partij B] van:
een bedrag van € 4.766,- aan verbeurde boetes, te vermeerderen met de wettelijke rente;
de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.5.
[partij A] voert verweer.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
In conventie
Zijn de erfdienstbaarheden (van weg en van goot) rechtsgeldig gevestigd?
5.1.
[partij A] stelt dat de erfdienstbaarheden niet rechtsgeldig zijn gevestigd. Daartoe voert zij aan dat de erfdienstbaarheden in augustus 1997 zijn gevestigd op hetzelfde perceel, nu het op dat moment nog één kadastraal erf ([adres 2]) betrof en de erfdienstbaarheid ten behoeve en ten laste van delen van dit perceel is gevestigd. Volgens [partij A] is dit niet mogelijk.
5.2.
Bovendien wordt in de vestigingsakte van de erfdienstbaarheid van weg verwezen naar een tekening, die niet in het kadaster staat ingeschreven en daardoor is het volgens [partij A] onmogelijk om de inhoud van de erfdienstbaarheid vast te stellen. De erfdienstbaarheid is volgens haar dan ook niet met voldoende bepaaldheid omschreven.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de erfdienstbaarheden rechtsgeldig zijn gevestigd, nu het niet is vereist dat de erven kadastraal afzonderlijk stonden geregistreerd voordat de erfdienstbaarheden werden gevestigd. Het is voldoende als de erven twee verschillende eigenaren hadden. Dat was hier het geval. [partij B] heeft op 19 augustus 1997 een deel van het kadastrale erf [adres 2] namelijk in eigendom behouden (te weten [adres 1]) en een deel van het kadastrale erf [adres 2] geleverd aan de maatschap [bedrijf 2] (te weten thans [adres 2]).
5.4.
Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de erfdienstbaarheid van weg – ook zonder tekening – voldoende is bepaald. Duidelijk is dat het aan de maatschap [bedrijf 2] verkochte stuk grond ([adres 2]) het dienende erf betrof en het stuk grond dat [partij B] in eigendom behield ([adres 1]) het heersende erf.
5.5.
Ook staat in de akte dat de erfdienstbaarheid dient te worden uitgeoefend over de grond voor de op het verkochte te stichten bedrijfshal om te komen van en te gaan naar de openbare weg en de op het heersende erf te stichten opstallen. De bedrijfshal op de [adres 2] was toen nog niet (af)gebouwd. De rechtbank is van oordeel dat de tekst van de erfdienstbaarheid niet anders kan worden uitgelegd dan dat de eigenaar van [adres 1] via het stuk grond dat tussen de twee erven ligt naar de [adres 2] mag rijden en terug.
5.6.
De rechtbank kan [partij A] dan ook niet volgen dat er onduidelijkheid zou bestaan over de inhoud van de gevestigde erfdienstbaarheid van weg. Gedurende de mondelinge behandeling verklaarde de heer [partij A 1] ook dat hij wist dat hij een perceel kocht met daarop erfdienstbaarheden als gevolg waarvan [partij B] via het perceel van [partij A] rioolwater afvoerde en toegang had tot zijn perceel.
5.7.
De rechtbank is aldus van oordeel dat de erfdienstbaarheden rechtsgeldig zijn gevestigd. De rechtbank overweegt dat bovendien niet tussen partijen in geschil is dat de erfdienstbaarheden die in de akte van 19 augustus 1997 zijn opgenomen, bij iedere verkoop van de betreffende percelen mee zijn overgenomen in de leveringsaktes, dus thans gelden ten laste van [adres 2] en ten behoeve van [adres 1]. Of de erfdienstbaarheid/erfdienstbaarheden al dan niet uit een kadastraal onderzoek naar voren zijn gekomen is niet relevant, nu dit niet leidend is.
Moet de erfdienstbaarheid van goot wordt opgeheven?
5.8.
In 2022 heeft [partij B] haar riolering op haar eigen terrein zodanig uitgebreid dat zij via een eigen pompsysteem het meeste water zelf naar de riolering kan afvoeren. Volgens [partij A] heeft [partij B] daarom geen belang meer bij de erfdienstbaarheid van goot. [partij A] verzoekt daarom om opheffing van dit gootrecht.
5.9.
De rechtbank is het met [partij B] eens dat zij belang houdt bij het gootrecht, bijvoorbeeld in het geval haar nieuwe pompsysteem niet (meer) zou werken. Daarnaast heeft [partij B] onbetwist gesteld dat er in de huidige situatie bij zware regenval nog steeds water (voor een klein deel) terecht komt in de pompput van [partij A]. Nu [partij B] nog steeds belang heeft bij het gootrecht, wordt de vordering van [partij A] – tot opheffing van het gootrecht – afgewezen.
Gebruik van de erfdienstbaarheid op de minst bezwarende wijze?
5.10.
[partij A] vordert een verklaring voor recht dat de erfdienstbaarheid van weg op de minst bezwarende wijze wordt uitgeoefend door het ontbreken van een erfafscheiding. Zij stelt dat [partij B] op grond van de tekst van de erfdienstbaarheid van weg vanaf de [adres 2] vóór het pand van [partij A] langs moet rijden alvorens af te buigen naar haar eigen perceel.
5.11.
Op grond van artikel 5:74 BW moet de erfdienstbaarheid op de voor het dienende erf minst bezwarende wijze worden uitgeoefend. Hiervoor is geen verklaring van recht vereist. Bovendien wordt de lezing van [partij A] van de tekst van de erfdienstbaarheid niet gevolgd. Dat [partij B] al eerder ‘afslaat’ en dus zo kort mogelijk op het terrein van [partij A 1] rijdt, lijkt juist minder belastend dan eerst doorrijden langs het bedrijfspand en dan pas afslaan richting het eigen erf. In dat geval zou [partij A] (ook) geen gebruik kunnen maken van de destijds in de bestrating gemarkeerde parkeerplaatsen, nu (de verhuurders van) [partij B] dan over die strook zou(den) moeten kunnen rijden. De verklaring voor recht wordt dan ook afgewezen.
5.12.
[partij A] lijkt dit argument te gebruiken om ervoor te zorgen dat de erfafscheiding wordt verwijderd; immers doorrijden tot het pand van [partij A] betekent dat wordt afgebogen ter hoogte van de door [partij B] geplaatste erfafscheiding. De vraag of de erfafscheiding moet worden verwijderd wordt hierna besproken.
Is er een erfdienstbaarheid van weg ten laste van het perceel van [partij B] ontstaan door verjaring?
5.13.
[partij A] stelt dat een erfdienstbaarheid (ex artikel 5:72 juncto artikel 3:105 BW) is ontstaan door verjaring, op basis waarvan [partij A] het recht heeft over het perceel van [partij B] te rijden om normaal te kunnen parkeren op haar parkeervakken. [partij A] heeft bij de mondelinge behandeling toegelicht dat tot het moment van het plaatsen van de erfafscheiding door [partij B], over ieders perceel werd gereden om vanaf de Vonderstraat te komen en te gaan naar ieders eigen perceel. [partij B] heeft dit niet betwist.
5.14.
Een erfdienstbaarheid kan ontstaan op grond van bevrijdende verjaring. Na twintig jaar is het recht van de eigenaar van het ‘dienende erf’ om het bezit van de erfdienstbaarheid door de eigenaar van het ‘heersende erf’ te beëindigen verjaard. Het is niet vereist dat [partij A] te goeder trouw was. Wel is vereist dat reeds twintig jaar sprake is van ‘bezit van een erfdienstbaarheid’.
5.15.
De rechter dient terughoudend te zijn bij het aannemen van bezit van een erfdienstbaarheid. Er dienen onder meer feiten te worden gesteld waaruit de pretentie van bezit blijkt. Er moet daarbij sprake zijn van bezitsdaden, waarbij het voor de eigenaar van het andere erf duidelijk moet zijn dat die bezitsdaden ertoe hebben geleid dat hij het exclusieve genot van zijn erf heeft verloren. Een enkel gedogen of een persoonlijk recht om over het erf van een ander te rijden, leidt niet tot het bezitten van een erfdienstbaarheid.
5.16.
[partij A] heeft onvoldoende (onderbouwd) gesteld dat sprake is van feiten waaruit de pretentie van bezit blijkt. Het enkele gebruik van de weg met toestemming van [partij B] is onvoldoende nu dit ook kan wijzen op het enkel gedogen, dan wel een persoonlijk recht om de weg te gebruiken. [partij A] heeft niet gesteld welke bezitshandelingen zijn verricht, anders dan door te verwijzen naar de parkeervakken die sinds 1997 in de bestrating zijn aangegeven. Dit is echter onvoldoende, te meer nu niet onderbouwd is gesteld dat het niet mogelijk was om zonder over het erf van [partij B] te rijden, op de aangegeven parkeerplaatsen – al dan niet met een aantal keer steken – in te parkeren.
5.17.
Bovendien was het perceel aan de [adres 2] tot 2010 in eigendom van de Maatschap [bedrijf 2], waarvan [partij B] één van de maten was. [partij B] heeft in 1997 bij de splitsing van de erven diverse erfdienstbaarheden gevestigd ten behoeve en ten laste van haar eigen erf. De door [partij A] gestelde erfdienstbaarheid, die door verjaring zou zijn ontstaan, is niet in de akte opgenomen toen [adres 2] aan maatschap [bedrijf 2] werd verkocht. Kennelijk was het niet de bedoeling dat een dergelijke erfdienstbaarheid werd gevestigd. Niet gesteld is dat maatschap [bedrijf 2] gedurende de periode dat zij eigenaar was van [adres 2] alsnog de pretentie van bezit van de vermeende erfdienstbaarheid had. Als er al een pretentie van bezit zou zijn geweest, was dat dus na 2010. Er zou in dat geval thans nog geen termijn van twintig jaar zijn verstreken.
5.18.
Als de rechtbank de erfdienstbaarheid al had moeten toewijzen, is het bovendien onduidelijk wat deze erfdienstbaarheid precies zou moeten omvatten, dus over welk exact deel van het erf van [partij B] de erfdienstbaarheid zou moeten lopen. Daartoe is niets gesteld.
5.19.
De rechtbank is aldus van oordeel dat geen erfdienstbaarheid door verjaring is ontstaan.
Moet de erfafscheiding worden verwijderd?
5.20.
[partij A] stelt dat [partij B] misbruik van recht heeft gemaakt door het hekwerk te plaatsen. Volgens [partij A] doet [partij B] dat alleen om [partij A] te hinderen in het normale gebruik van het perceel. Volgens [partij A] heeft iedereen alleen maar last van het hekwerk. [partij A] kan op deze manier ook niet voldoen aan de erfdienstbaarheid die ten behoeve van [adres 2] is gevestigd, waarbij de eigenaren van [adres 2] vanaf de [adres 2] over een strook van ongeveer 4,5 meter voor het pand van [partij A] mogen rijden om zo naar haar perceel te rijden.
5.21.
De rechtbank oordeelt als volgt. Nu er geen erfdienstbaarheid van weg door verjaring op het perceel van [partij B] is ontstaan, stond het [partij B] vrij om de erfafscheiding te plaatsen. Dat er met het plaatsen van de erfafscheiding misbruik van recht zou zijn, heeft [partij A] onvoldoende onderbouwd.
5.22.
Dat het hekwerk alleen is geplaatst om [partij A] te hinderen in het normale gebruik van haar perceel is niet gebleken. [partij B] stelt dat zij meerdere keren het verwijt kreeg dat zij (of de door haar ingeschakelde derden) zich onrechtmatig op het terrein van [partij A] bevond(en). Op basis daarvan heeft [partij B] besloten het hekwerk te plaatsen. De erfafscheiding staat op haar eigen terrein, althans [partij A] heeft niet gemotiveerd gesteld dat dat niet zo is.
5.23.
De rechtbank merkt daarbij op dat [partij A] al bij aankoop van het perceel wist, althans kon weten, dat zij geen gebruik konden maken van de parkeerplaatsen voor haar bedrijfspand als zij zou willen voldoen aan de twee weken daarvoor (op 5 april 2021) gevestigde erfdienstbaarheid ten behoeve van het perceel aan de [adres 2] ten laste van het perceel van [partij A]. Op basis van die erfdienstbaarheid moet [partij A] dulden dat de eigenaren van [adres 2] over een breedte van ongeveer 4,5 meter voor het pand van [partij A] langs rijden. Dat is de strook waar de parkeerplaatsen zijn gesitueerd. Indien [partij A] stelt dat zij door het hekwerk niet aan de erfdienstbaarheid kan voldoen, kon zij dat kennelijk ook niet vóórdat het hekwerk werd geplaatst. Kennelijk werd deze erfdienstbaarheid zo uitgevoerd dat de eigenaren van [adres 2] ook (deels) over het terrein van [partij B] reden. Daarmee werd (onbewust) inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [partij B].
5.24.
De rechtbank is gelet op voorgaande van oordeel dat het door [partij B] uitoefenen van haar eigendomsrecht door het plaatsen van een hek ter (gedeeltelijke) afbakening van haar perceel geen misbruik van recht oplevert.
Moet [partij B] de notariskosten betalen?
5.25.
Nu de vorderingen van [partij A] worden afgewezen, komt de rechtbank niet toe aan de in verband met de onderbouwing van die vordering gemaakte notariskosten. De rechtbank wijst deze vordering dan ook af.
Moet [partij B] de kosten betalen die zijn gemoeid met de door haar in het perceel van [partij A] aangebrachte werken en herstel van de veroorzaakte schade?
5.26.
[partij A] vordert vergoeding van de schade die [partij B] heeft veroorzaakt door de op 2 mei 2022 in het erf van [partij A] aangebrachte werken (het aansluiten van grotere rioleringsbuizen). Volgens [partij A] heeft [partij B] onrechtmatig gehandeld door dit zonder toestemming van [partij A] te doen.
5.27.
De rechtbank is van oordeel dat het netter zou zijn geweest als [partij B] [partij A] zou hebben ingelicht over de werkzaamheden op het erf van [partij A] op 2 mei 2022. [partij B] stelt dat zij niet wist dat de aannemers werkzaamheden op het terrein van [partij A] zouden verrichten.
5.28.
Uit artikel 5:75 BW volgt dat de eigenaar van het heersende erf op zijn kosten alles mag verrichten – waaronder het aanbrengen van werken – als dat voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk is. Door [partij A] is niet gesteld dat de aansluiting op de riolering niet noodzakelijk was voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid. Door [partij A] is bovendien niet weersproken dat er meer water door [partij B] moest worden afgevoerd en het gootrecht op basis van lid 4 van de gevestigde erfdienstbaarheid ook zou gelden als er meer water zou moeten worden afgevoerd.
5.29.
De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de werkzaamheden noodzakelijk waren en [partij B] dus niet onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank wijst de gevorderde schadevergoeding dan ook af.
Wie wordt in de proceskosten veroordeeld?
5.30.
Nu [partij A] in het ongelijk wordt gesteld, veroordeelt de rechtbank [partij A] in de proceskosten van [partij B]. De kosten aan de zijde van [partij B] worden begroot op:
- griffierecht 2.837,00
- salaris advocaat 1.196,00 (2 punten × tarief € 598,00)
Totaal € 4.033,00
5.31.
De door [partij B] gevorderde nakosten wijst de rechtbank ook toe, alsmede de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en nakosten.
5.32.
Overeenkomstig vaste jurisprudentie wordt [partij A] hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld.
In reconventie
Moet [partij A] een boete betalen vanwege het plaatsen van het hekwerk?
5.33.
[partij B] stelt dat [partij A] van 5 november 2022 tot en met 26 november 2022 het door [partij B] geplaatste hekwerk heeft doorgetrokken door het plaatsen van een eigen hekwerk (ter hoogte van de pijl op afbeelding 2). Dit zorgde ervoor dat (de huurder van) [partij B] werd gehinderd zijn perceel via de [adres 2] te bereiken. [partij B] stelt dat [partij A] daardoor in strijd heeft gehandeld met de erfdienstbaarheid van weg, zoals hiervoor genoemd onder 3.1. Hierdoor heeft [partij A] op basis van het zesde lid een direct opeisbare boete verbeurd voor iedere dag dat de overtreding voortduurde. De boete bedraagt f 500,00 (te weten € 226,89) per dag. [partij B] vordert daarom een boete van € 4.766,00 (21 dagen maal € 226,89).
5.34.
Door [partij A] wordt niet betwist dat het hek is geplaatst en (de huurder van) [partij B] daardoor werd gehinderd via de [adres 2] het erf van [partij B] te bereiken. Ook wordt de berekening van de boete niet betwist.
5.35.
[partij A] voert echter aan dat [partij B] in schuldeisersverzuim is, nu [partij B] zelf een deel van het hekwerk had geplaatst en [partij B] om die reden de erfdienstbaarheid niet meer kon gebruiken zoals de erfdienstbaarheid altijd werd gebruikt en hoe die letterlijk in de akte staat, te weten “over de grond gelegen voor de op het verkochte te stichten bedrijfshal”. Volgens [partij A] reed [partij B] vanaf de [adres 2] altijd schuin over het erf van [partij A] naar haar eigen erf, maar nu het hekwerk er staat is dit niet meer mogelijk. Volgens [partij A] heeft [partij B] daardoor zelf een aandeel in het feit dat [partij B] geen gebruik kon maken van de erfdienstbaarheid. Dit zou volgens [partij A] ook een reden moeten zijn voor matiging van een eventuele boete.
5.36.
De rechtbank is van oordeel dat [partij A] in strijd heeft gehandeld met de gevestigde erfdienstbaarheid en daardoor de in de akte opgenomen boete heeft verbeurd. Nu [partij B] het hekwerk mocht plaatsen en daardoor alsnog haar perceel via de [adres 2] op de minst bezwarende wijze (via de pijl op afbeelding 2) kon worden bereikt, was [partij B] niet in schuldeisersverzuim en mocht [partij A] het hekwerk niet verlengen. Daarmee werd immers de toegang tot het erf van [partij B] verhinderd.
5.37.
De rechtbank wijst de boete dan ook toe. De rechtbank ziet echter reden voor matiging, nu [partij B] er met het plaatsen van het hek ook zelf voor heeft gezorgd dat zij niet op een andere wijze gebruik kon maken van de erfdienstbaarheid. De rechtbank wijst daarom 50% van de gevorderde boete toe, te weten € 113,45 per dag dat [partij A] in overtreding was.
5.38.
De wettelijke rente wordt toegewezen telkens vanaf de dag dat de boete is verbeurd. De wettelijke rente over de boete die op 5 november 2022 is verbeurd, wordt berekend vanaf 5 november 2022, de wettelijke rente van 6 november 2022 vanaf die datum, etc.
Wie wordt in de proceskosten veroordeeld?
5.39.
Aangezien [partij A] in het ongelijk wordt gesteld, veroordeelt de rechtbank [partij A] in de proceskosten van [partij B]. De kosten aan de zijde van [partij B] worden begroot op:
- salaris advocaat € 1.016,00 (2,0 punten × tarief € 508,00)
Totaal € 1.016,00
5.40.
De gevorderde nakosten wijst de rechtbank ook toe, alsmede de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en nakosten.
5.41.
Overeenkomstig vaste jurisprudentie wordt [partij A] hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld.
Tot slot
5.42.
De aanleiding van de ruzie tussen partijen is het feit dat (een aannemer van) [partij B] zonder toestemming op de riolering op het perceel van [partij A] grotere rioleringsbuizen heeft aangesloten ten behoeve van de afvoer van een grotere hoeveelheid water van het verbouwde bedrijfspand van [partij B]. [partij B] heeft uitgelegd dat zij op dat moment afwezig was en niet wist dat de aannemer op/in het erf van [partij A] aan de slag zou gaan. Zij heeft ook erkend dat het niet netjes is gegaan.
5.43.
Na (onder meer) dit incident heeft [partij B] het hekwerk geplaatst, heeft [partij A] het perceel van [partij B] volledig afgesloten, vervolgens deze afsluiting weer verwijderd en staat [partij B] nu alleen de eigenaren van [adres 2] toe om op haar perceel te rijden. De sfeer is daarmee behoorlijk verslechterd, hetgeen te merken was bij de bezichtiging en de mondelinge behandeling na afloop daarvan.
5.44.
Alle perceeleigenaren hebben inmiddels de nodige narigheid ondervonden van het gezamenlijke gebruik van de toegang tot de drie percelen, terwijl het in de akte van levering opnemen van de erfdienstbaarheden dat juist had moeten voorkomen. Dat de ingang gezamenlijk wordt gebruikt blijft zo en als zodanig zijn partijen tot elkaar veroordeeld.
5.45.
[partij B] heeft bij de bezichtiging uitgelegd dat het aanvankelijk de bedoeling was dat het perceel dat nu van [partij A] is groter werd maar dat dat economisch niet haalbaar was. Dat was eerst geen probleem, omdat iedereen gedoogde dat iedereen over elkaars erf heen reed. [partij B] heeft destijds ook op het erf van [adres 2] parkeervakken in de bestrating weergegeven. Het kan niet anders dan dat er daarbij van uit is gegaan dat er geen hekwerk stond en de parkeervakken via het terrein van [partij B] konden worden bereikt.
5.46.
Met het verkleinen van het perceel van [partij A] en het vervolgens plaatsen van een hekwerk is de toegang tot dat perceel van [partij A] echter krap geworden, te meer nu het destijds door [partij B] gebouwde bedrijfspand van [partij A] een uitbouw op ongeveer drie meter hoogte heeft, die voor bedrijfswagens en vrachtwagens een belemmering kan zijn. Daarnaast kan niet meer gemakkelijk worden ingeparkeerd op de parkeervlakken.
5.47.
Daar komt nog bij dat [partij A] krachtens een erfdienstbaarheid van weg moet dulden dat de eigenaren van [adres 2] voor haar bedrijfspand kunnen rijden, hetgeen het parkeren door [partij A] verder bemoeilijkt. Weliswaar heeft [partij B] de eigenaren van [adres 2] toegang verleend tot haar perceel, maar fraai is het allemaal niet.
5.48.
Wellicht dat [partij A], [partij B] en de eigenaren van [adres 2] daarover het gesprek nog eens kunnen voeren op het moment dat het stof van de juridische procedure is neergedaald.
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen van [partij A] af;
6.2.
veroordeelt [partij A] hoofdelijk in de proceskosten van [partij B], tot op heden begroot op € 4.033,00, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
in reconventie
6.3.
veroordeelt [partij A] tot het betalen van een bedrag van € 2.383,00 aan [partij B], ter zake de boeteclausule, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de boetebedragen zijn verbeurd (overeenkomstig hetgeen overwogen in 5.37 en 5.38) tot de dag van volledige betaling;
6.4.
veroordeelt [partij A] hoofdelijk in de proceskosten van [partij B], tot op heden begroot op € 1.016,00, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
in conventie en in reconventie
6.5.
veroordeelt [partij A] hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 271,00 voor de conventie en de reconventie samen aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [partij A] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 90,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
6.6.
verklaart de veroordelingen onder 6.2, 6.3, 6.4 en 6.5 uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2023. (JK)
HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|